Korte beschrijving van Leiden: wegwijzer voor vreemdeling en stadgenoot
Part 2
Dan genoeg hiervan, want nauwelijks eenige schreden verder vraagt ter linkerzijde de (binnen)sociëteit Amicitia onze aandacht; niet omdat het uit twee gedeelten bestaande gebouw, boven welks ingang vroeger het stoïcijnsche »'t is niet anders!" geschreven stond, zooveel bezichtigingswaardigs aanbiedt, als wel omdat zij als verzamelingsplaats van den aanzienlijken stand eene zekere reputatie geniet, welke reeds van het jaar 1794 af dagteekent, toen de Heeren SPOORS, LA PIERRE en VAN LELYVELD, als commissarissen, haar doopten met den naam, welken zij thans draagt. Dat dit: »'t is niet anders" het gevolg zou geweest zijn van een gebrek in de bouworde, waarbij de deur vergeten was, is even onzeker, als het onbewezen is dat, gelijk weleens beweerd is, JAN VAN HOUT hier ter plaatse of daarnevens zijne woonplaats zoude gehad hebben; maar zeker is het dat dit opschrift van toepassing kan geacht worden op veel wat in de jaren, welke die van de vestiging der sociëteit voorafgingen en onmiddellijk volgden, plaatsgreep. Het moet vooral menigeen die zoo luid om vrijheid had geschreeuwd, als een bittere ironie in het oog zijn gevallen, wanneer hij die woorden las in een tijdvak toen hij wel vrij van Oranje was, maar slaven moest in het juk eens dwingelands, wiens verschijning men toch schier als eene uitredding moest beschouwen na de verschrikkingen eener koningsmoordende revolutie en een burgervernielend _terrorisme_. Dan waartoe hier te politiseeren? Het is er reeds genoeg gedaan in 1795 en later. Er met u binnengaan willen wij evenmin, daar de zaal er uitziet als alle andere lokalen, waar couranten gelezen en gezelschapsspelen gespeeld worden. Liever slaan wij eerst een blik op de plek waar vroeger de blauwe steen--plaats van stedelijke rechtsoefening--werd gevonden, gelijk dit nog door eene ringvormige bestrating bij de Maarsmansteeg wordt aangeduid, en steken dan schuins over naar het Leesmuseum, hetzelfde lokaal dat van 1768 tot 1794 voor sociëteit van dezelfde klasse van ingezetenen als waarvoor thans Amicitia bestemd is, gediend heeft en toen in eigendom behoorde aan HENDRIK HOOGENSTRATEN; zoodat dit huis, na gedurende eenige jaren voor schoollokaal en bijzonder woonhuis gediend te hebben thans weder aan een soortgelijk gebruik hergeven is als waartoe het vroeger geëigend was. Wij zeggen een soortgelijk gebruik--niet hetzelfde; want als gij met mij de blauwe trappen van dat huis bestegen, den toegang verkregen hebt, dan ziet gij geen biljart of speeltafels, maar eene eerbiedwaardige hoeveelheid tijdschriften, _feuilletons_, dag- en weekbladen, brochures en andere werken, die à l'~ordre du jour~ zijn, op boekenrekken en tafels uitgespreid. Bevreemdt het u, met mij, wellicht dat de leeskamer zoo klein, de conversatiekamer zooveel grooter is, het belet u niet, met mij u in het laatstgemelde vertrek neder te zetten op een der met bruin leder overtrokken canapés, voor die reusachtige vensterruit, waardoor gij een onbelemmerd uitzicht geniet op het daartegenover gelegene Raadhuis in _renaissance_ stijl opgetrokken en in het laatst der zestiende eeuw gebracht tot dien staat waarin wij het thans aantreffen. Ik vooronderstel dat gij, afstand doende van uw goed recht om den hier aanwezigen letterschat te doorzoeken, liever de gelegenheid aangrijpt om dat Raadhuis van buiten op uw gemak te bezichtigen. Nietwaar? Het ziet er goed uit met zijn dubbele schuinsche trap, ieder versierd met een leeuwenpaar dat _Leidens_ wapen, twee kruiselings liggende roode sleutels op een wit veld, krachtig schijnt te willen beschermen--met zijn slanken toren die zijn spits fier ten hemel heft--iets wat zijn voorganger eenmaal duur te staan kwam, toen hij, bij het rondwaren van het bliksemvuur, in het begin van 1573 door dat element werd verteerd. Gij richt ook voorzeker met belangstelling den blik op den hoofdingang aan het boveneind der beide trappen en op de poorten daarnevens; aan de eene zijde die toegang verleenende tot de hoofdwacht, woning van den concierge, het bureau van den burgerlijken stand en de thesaurie; aan de andere zijde die leidende tot het commissariaat van politie en de schuttersraadkamer. Gij vraagt mij den naam van het ongezellig verblijf, welks ingang onder de bedoelde trappen is en ik antwoord u dat gij hier de vroegere vleeschhal vindt, thans tot lokaal voor de nachtwacht ingericht; maar vooral trekken de opschriften boven enkele dier toegangen uwe aandacht en wellicht deed u dit besluiten eerder dan anders uw plan was het Leesmuseum te verlaten, om daardoor in de gelegenheid te geraken die te lezen, indien ik u die niet kon mededeelen. Thans vertoeft gij naar ik hoop, nog eenige oogenblikken en verneemt uit mijnen mond den inhoud.
Boven den hoofdingang vindt gij op verschillende plaatsen _deze_ regels:
"Bewaert Heer Hollandt En salicht Leyden."
U Hand mij had geraeckt "Heer Mijn mond U gunst nu smaeckt" weer.
Anno MDLXXIIII Anno MDXCVIIII geraeckt. gemaeckt.
De ingang naar de thesaurie--ook tot de Vischpoort--draagt tot opschrift het volgende rijmpje:
Thrijc van Spaengien, hem verbliden, In tbeleggen, als si sagen, Met gedult, mi dragen t'liden, Zo veel letters, zo veel dagen. nae zVVarte hVnger-noot, gebraCht had tot de doot, binaest zes-dVIzent MensChen: aLst god den heer Verdroot, gaf hI Vns VVeder broot, zo Veel VVI CVnsten VVensChen. Zuuct en vint 'tjaer, van liden zwaer, Dat niet en was te herden: De Here, maer, vrid' uns daer naer, Der tiender maent, den derden.
Gij hebt natuurlijk reeds ontdekt dat in het middenvers, zoowel de 131 dagen van het beleg, door het getal letters, als het jaar 1574, door de daarin voorkomende kapitalen zijn aangeduid, en naar ik vertrouw, genoegzame aandacht overgehouden voor het vers uitgehouwen boven de poort die naar het politiebureau voert en dus luidende:
Indien Gods goetheyt u brengt voort Gheluc en spoet, niet trots t' gemoet Maer neer wil dragen. En zend hij (siet) weeromme aen t' boort Angstich verdriet, weest daerom niet, Te zeer verslaghen: U heyl, zulc hil, en toebehoort: Danct God, swycht stil, zoo was zijn wil Begeer behaghen.
Naar men zegt zijn deze rijmen samengesteld door den Notaris en Stadssecretaris JAN VAN HOUT, die uit eigen ondervinding spreken kon van het lijden »dat niet en was te herden," maar aan wien _Leiden_ het te danken heeft dat er volhard is, ondanks honger en pest, tegen den vijand, wiens twee en zestig schansen iederen toegang tot de benauwde stad versperden.
Hebt gij nu lust, waarde lezer, met mij de trappen tegenover ons te bestijgen? Zoo ja! dan bevinden wij ons al spoedig op de zoogenaamde Groote Pers van het Raadhuis, eene soort van _vestibule_, waarop onderscheidene vertrekken uitkomen. Ter rechterzijde valt uw oog op een getimmerte met vele glasruiten, eigenlijk een glazen huis, dat aan een buffet doet denken en bodenkamer genoemd wordt. Gaan wij daar voorbij en een gangetje in, dan vinden wij rechts de kamer van den Burgemeester--vroeger die van Curatoren der Leidsche hoogeschool, en de oude Wees- en boedelkamer. Keeren wij terug op onze schreden, dan ontwaren wij een deur, welker opschrift »Artillerykamer" ons doet denken aan den tijd toen de stad haar eigen geschut en twee artilleriemeesters bezat, waarvan in 1672 de schrijver van het »Roomsch Hollands Recht"--Mr. SIMON VAN LEEWEN--er een was; maar reeds ziet gij in de nabijheid der zoogenaamde »Kleine Pers"--een tweede voorportaal dat zich aan de zijde van de trap bevindt die naar het bureau van den burgerlijken stand voert--eene andere kamer, die van Burgemeester en Wethouders, naar veler meening, ook door ons gedeeld, het oudste vertrek van dit merkwaardig gebouw, welks koepelvormige zolder de wapenschilden en namen draagt van het viertal burgemeesteren, welke tijdens de restauratie der zaal op het kussen waren, met een antieken schoorsteen en daarboven een stuk van FERDINAND BOL voorstellende hoe de Vrede en de Liefde elkander omhelzen, welke voorstelling ook daar ter plaatse zijn nut kan hebben. Ook het fraaie behangsel, dat ALEXANDERS intocht binnen _Babylon_ vereeuwigt, is zeer bezienswaardig, en zeker veel fraaier dan dat in de zaal die wij door de deur over ons binnentreden, welk vertrek, vroeger de Vroedschapskamer geheeten, thans de vergaderzaal is van den Leidschen gemeenteraad. Toch zal het u aangenaam zijn dat het laatstbedoelde _gobelin_--een bosch met vogels en andere dieren te aanschouwen gevende--hier behouden bleef, en niet vervangen werd door een modern »deftig behangsel", waardoor de eigenaardige schoorsteen met de schilderij van JAN LIEVENSZ: »Scipio de Africaner en de bruid van Carthago" tevens »opgeruimd" zou geworden zijn. De meerderheid van den raad deed echter die nieuwe poging tot »wandalisme" falen; het behangsel werd in 1873 gerestaureerd en de leeuwen boven den gevernisten schoorsteen zien nog steeds bloedrood van verontwaardiging over de voorgenomen schennis. Verlaten wij thans de plaats waar de belangen der gemeente behandeld worden, dan treden wij door eene zijdeur de oude Schepenkamer binnen, welker schoon beschilderd _plafond_ minder onze aandacht trekt dan het schoorsteenstuk van KAREL DE MOOR, Brutus' strafoefening over zijne schuldige zonen in herinnering brengende.
Ware mij de eer beschoren geweest u een paar jaren vroeger door dit Raadhuis rond te leiden, ik had u op menig treffelijk schilderstuk kunnen wijzen, dat den wand der vertrekken versierde; maar sedert wij onze uitstekende Lakenhal tot een minder geschikt museum hebben ingericht, zijn die stukken daarhenen verhuisd. Zelfs VAN DER WERFF, ORLERS en VAN DER DOES hebben het lot niet kunnen ontgaan, dat hunne verbanning uit eene plaats waar zij geleefd, gewerkt, geheerscht hadden voorschreef.
Dan .... reeds lang genoeg hebben wij hier verwijld. Toch niet te lang. Wellicht zou dit het geval zijn geweest indien ik u had rondgeleid in de verschillende vertrekken ingenomen door de bureaux der gemeentelijke administratie of u een opstijgen naar het archief had aanbevolen, naar dat rijke archief in zoo jammerlijk lokaal opgetast. Maar ook dan zelfs zou ik geene verschooning gevraagd hebben voor mijne handelwijze. Een Raadhuis toch is altijd een belangrijk deel eener gemeente; vooral wanneer die gemeente eene historie--een rijk, schoon en schitterend verleden heeft.
Nauwelijks zijn wij naar buiten getreden of wij ontwaren een anderen cirkel van wittere steenen, vlak voor het Raadhuis, tusschen de grijsblauwe keien, waarmede de Breedestraat ten deele geplaveid is, en lezen daarin de woorden »Al niet sonder God. 1586",--een dier spreuken welke ons weder den godsdienstigen geest onzer vaderen in herinnering brengen--en wij gaan de schoone straat ten einde, om, rechts, het Steenschuur op te slaan, waar ons oog getroffen wordt links door het aan de overzijde gelegen gebouw der vrijmetselaarsloge »_La vertu_", rechts door de Heilige Lodewijkskerk, vroeger als saaihal- en nog vroeger als gasthuis gebezigd, doch onder het bestuur--wij zeggen: het bestuur, niet de regeering--van Koning LODEWIJK NAPOLEON den Roomsch-Catholieken afgestaan. Zij is de bezichtiging overwaardig, al ware het slechts om het beeld van den Heiligen LODEWIJK, en het marmeren altaarstuk de afneming van het kruis voorstellende, daar aanwezig. Het gebouw uit roode en gele steen opgetrokken ziet er met zijn slanken toren allervriendelijkst uit en schijnt bestemd om al de negentiende-eeuwsche naaktheid van het daarnevens gelegen rechtlijnige huis, waarboven de woorden »Tot nut van 't algemeen" geschreven staan, te doen uitkomen. Toch is dit laatste voor _Leiden_ eene belangrijke stichting geweest, niet zoozeer omdat daar de vergaderingen der maatschappij, wier naam boven den ingang staat, plaats hebben, als wel omdat hier gelegenheid geschonken wordt tot het houden van verschillende soorten van bijeenkomsten en de rijke bibliotheek der maatschappij van Nederlandsche letterkunde hier bewaard wordt, al deden ook de met zaagsel en turf opgevulde afscheidingen der vertrekken en het brandgevaar aan vergaderings- en uitspanningslokalen onafscheidelijk verbonden, bestuurders dier inrichting besluiten hare kostelijke handschriften op veiliger plaats in bewaring te stellen en de hoop voeden ook den anderen boeken een beter verblijf te bezorgen.
Het grootsche gebouw eenige schreden verder staande links latende liggen, slaan wij den hoek om en zien ter rechterzijde een tweeden ingang tot het nutsgebouw, welke naar de bewaarschool voert door het Leidsche departement in het leven geroepen en door geene instelling van dien aard tot dusverre overtroffen. Daarnevens verheft zich het vriendelijke--en in vergelijking met »het nut" artistieke huis, waarin de Nieuwe Sociëteit geherbergd is, welke als een hooggewaardeerde plaats van ontspanning door de Leidsche burgerij van den deftigen stand wordt aangemerkt. Nog eenige schreden verder en de Sint-Petruskerk--hoofdkerk der Roomsch-Catholieken te _Leiden_--vertoont zich met zijne vier pilaren en frontespies, zijn Petrus-beeld en zijn koepelvormigen toren aan ons oog. Wie haar binnentreedt zal er eene keurige schilderij van NICAISE DE KEYZER vinden, boven het altaar geplaatst en den Apostel--patroon van deze kerk--voorstellende in gesprek met den Heer der Gemeente. Wij doen dit dan ook en slaan daarna een blik op het grootsche gebouw, waarvan wij reeds straks gewaagden, dat met zijn tuin en bijgebouwen het ruime plein beslaat vroeger als Kleine Ruïne bekend. Gij vindt daar het chemisch en het physiologisch laboratorium, het anatomisch kabinet, dat van den landbouw en van natuurkundige werktuigen, en bij dat alles ruime zalen voor het academisch onderwijs in eenige dier vakken. Het dient tevens tot het geven van een industriecollege dat steeds--vooral onder wijlen Professor VAN DER BOON MESCH--oprechte waardeering vond. Wilt gij die lokalen bezoeken, houd dan in het oog dat de Nieuwsteeg toegang tot kabinet van landbouw en scheikundig laboratorium; de Zonneveldsteeg (straatnummer 18) tot physiologisch laboratorium, het Steenschuur (straatnummer 124) tot anatomisch kabinet en de zijde waar wij ons thans bevinden, de Langebrug, dien tot het kabinet van natuurkundige werktuigen verleent; terwijl gij u voor de bezichtiging van het anatomisch kabinet zult hebben aan te melden bij den custos, die in de Zonneveldsteeg zelve (straatnummer 9) woonachtig is. Wij gaan daar juist voorbij, wanneer wij, links afslaande, ons naar de Nieuwsteeg begeven, daar gekomen rechts gaan, en zoo door die steeg--alwaar slechts de Bank-van-leening, in 1675 opgericht, onze aandacht trekt--het Pieterskerkhof bereiken, een blik slaan op het Walsche weeshuis en het zich daarachter verschuilende »Speckhofje" om dan, weder links wendende, aan de kosterij der Sint-Pieterskerk aan te schellen, welke kerk een bezoek overwaardig is.
De Pieterskerk--vroeger de Sint-Pieter- en Pauluskerk--is een schoon gebouw in den Gothischen stijl opgetrokken, den 11 September 1121 gewijd, in het jaar 1339 vergroot, ten dienste van den Roomsch-Catholieken eeredienst, welke er ruim een dertigtal altaren bezat, boven een waarvan de schilderij van LUCAS VAN LEYDEN »het laatste oordeel"--later in Burgemeesters kamer opgehangen--gevonden werd. Zij had toen een hoogen toren, welke in Maart 1512, na een schier driehonderdjarig bestaan, instortte en--volgens JAN VAN HOUT--een deel van het stedelijk archief dat daarin bewaard werd deed verloren gaan, welk gezegde later is gebleken onjuist te wezen, daar dit archiefsgedeelte in de nabijheid der tegenwoordige thesaurie schijnt te zijn teruggevonden. Treden wij dezen tempel binnen dan gevoelen wij ons ernstig en plechtig gestemd. Als een woud van steen, verheffen de reusachtige pijlers zich tot aan het looverdak der kruisbogen in zachte en toch krachtige golvingen en lijnen verzinlijken zij de gedachte welke aan den tempelbouw ten grondslag ligt. Gelijk de toren op het dak met zijne spitse naar boven wijst, zoo is het geheele plan des bouwheers er op ingericht uit zijne schepping van hout en steen een eeuwendurend »Excelsior" te doen hooren. En dan dat in de zonnestralen schitterend koperen hek dat het majestueuze koor van het schip der kerk afscheidt, hoe getuigt het van de onbekrompen wijze waarop die werken vroeger werden in het leven geroepen. Een viertal der zuilen--van het vier en twintigtal dat het gewelf schraagt--schijnt door zijne dikte aan te duiden dat het vroeger heelwat meer te dragen had dan tegenwoordig, en zoo is het, want zij dienden mede tot steunsel voor den toren waarvan wij daar straks gewaagden en de daarin zijnde zware klok, welke na den torenval in een afzonderlijk klokhuis werd opgehangen, waarnaar de steeg, welke wij straks zullen betreden, nog de Kloksteeg heet. Het orgel dat gij hier ziet is een der fraaiste van Nederland; terwijl een tal van monumenten hier worden aangetroffen, welke het bewijs schijnen te leveren dat de beeldstormerij--helaas, ook hier vertoond--geen noodzakelijk gevolg was van het Protestantisme, maar de geïsoleerde daad van datzelfde opgewonden, kwaadaardig gestemde grauw, dat, zijne woede koelend aan alles wat geestelijk en wereldlijk boven hem staat, ook in 1795 hier op schandelijke wijze huishield en de wapenschilden der patriciërs vernielde. Toch hebben deze beeld- en wapenstormers nog het recht als _cause atténuante_ aan te voeren dat zij in den roes der godsdienstige dweepzucht en onder den prikkel der revolutionaire ijlkoorts gehandeld hebben; maar wat zal men zeggen van hen die de beschilderde pilaren daarginds met een laag kalk overdekten, gelijk dat witgedasten en wittenden schoonmakers betaamt. Dan zwijgen wij hierover. Wijzen wij liever op den kunstzin van een onzer stadgenooten, Mr. KNEPPELHOUT VAN STERKENBURG, die de teekening dezer muurschilderingen voor het nageslacht bewaarde, al werden zijzelven ook achter hout verborgen. Beschouwen wij veeleer de monumenten--waaronder wij ook de grafsteenen begrijpen--welke hier in groote mate aanwezig zijn en welker opschriften ons aan de laatste abdissen van _Leeuwenhorst_ en _Rijnsburg_, aan den kruidkundige DODONAEUS, aan de godgeleerden HOLMANUS, VAN KERKHOVEN en COCCEJUS, den mathematicus SNELLIUS VAN ROYEN, den wereldberoemden SCALIGER en aan zoovele andere edele mannen en vrouwen herinneren; slaan wij een blik op de gedenkteekenen gewijd aan GERARD en JOHAN MEERMAN, leden van een burgemeesterlijk geslacht in _Delft_ en _Leiden_ op het kussen gezeten, van de Hoogleeraren CAMPER, VAN DER PALM, BRUGMANS en KEMPER, van Mr. JOHAN LUZAC, »den schrik der verdrukkers, den troost der verdrukten," en op den steen onder het orgel die van Dr. E. LAURILLARDS verblijf hier ter stede en de daarmede in verband staande vernieuwing van het inwendige dezer kerk spreekt. Misschien hebt gij ook nog lust aan de zuiderdeur een marmeren gedenkplaat te bewonderen, waarmede eene eerbewijzing bedoeld wordt aan zekeren Student BEECKMAN, die--als zoovele anderen--in den strijd met _België_ gebleven is; maar die dat deed als student-jager en daarom aan het nageslacht ter herinnering moest worden aanbevolen. Een der pilaren draagt het wapen der VAN DUIVENBODES, wier naam denken doet aan de diensten door hen en hunne vogels in _Leidens_ tweede beleg bewezen, en die herinnering brengt ons den derden October van het jaar 1574 voor den geest, toen de psalm der verlossing in dit bedehuis weerklonk en eene blijde schare hing aan de lippen des predikers, die de gemeente in den gebede voorging en God, met haar, voor de verkregen uitredding dankte. Geen wonder dan ook dat deze kerk steeds eene hoofdrol speelde, waar er sprake was van godsdienstige plechtigheden, welke met _Leidens_ ontzet in verband stonden, en dat de Leidenaar daarvoor eene zekere vereering gevoelt, welke, op de geschiedenis zijner stad steunend, van geslachte tot geslachte hen bezielt die een voet zetten op de blauwe zerken, waaronder hunne dooden eenmaal zijn ter ruste gelegd.
Onder die dooden is er een, die noch in zijn leven noch bij zijn sterven tot de machtigen der aarde werd gerekend, en wiens naam toch aan gene zijde des oceaans een weerklank heeft, welke onze MEERMANNEN en andere mannen daar vruchteloos zouden zoeken. Zijn naam is ROBINSON. Hij was een dier Engelsche puriteinen, die, even gehaat door de Roomsche als door de Episcopale kerk, na de hitte der vervolging in hun vaderland verduurd en ontweken te hebben, hier eene schuilplaats vonden en later stichters werden van de Amerikaansche kolonie _Plymouth_. Op hem is echter wel het eerste niet het laatste toepasselijk; want toen de broederen te _Delfshaven_ scheep gingen, toen vergezelde hij hen tot aan de »_Speedwell_", welke hen naar het beloofde land zou overvoeren; maar hijzelf bleef als herder der kudde die te _Leiden_ verbleef aan deze verbonden en het schip kliefde de golven der Maze zonder hem. Waar men hem ten grafkuil heeft nedergelaten is ons onbekend; maar dat het in deze kerk geschiedde, op den 4 Maart 1625, is bewezen door het begrafenisboek, waaruit tevens schijnt te blijken dat het er met zijn boedel povertjes moet hebben uitgezien, daar er zeer weinig voor zijne teraardebestelling betaald werd.
Toch zien wij, wanneer wij het kerkgebouw verlaten hebben, uit een steen in den voorgevel van het Walsche Jan Pesijnshof, dat zijne nagedachtenis dierbaar is aan zijn volk want, al mocht de steller van het vers boven den ingang gewagen van »het puin van een bouwvallig nest" waaruit dit »fraai gebouw" oprees, dat bouwvallig nest wekte de belangstelling van tijdgenoot en nageslacht, en wanneer de zonen van het vrije _Amerika Leiden_ bezoeken, dan laten zij zich gaarne naar de plek geleiden, waar een hunner in grauwen steen deze woorden deed griffelen:
ON THIS SPOT LIVED, TAUGHT AND DIED JOHN ROBINSON 1611-1625.