Korte Arabesken: Bébert le Boucher en André le Pêcheur
Chapter 2
O, ik loop zoo droefgeestig door ... Nu maar geen kenissen ontmoeten en lief moeten praten; liever maar alleen op een bankje zitten, met die onweêrhoudbare tranen de oogen vol. Het is niet om mij, ik ben gelukkig; er is zoo veel liefs òm mij; ik ben nog door het leven bedorven geworden; het is niet om mij. Het is, omdat het zoo is. Omdat wij oud worden en zachtjes gesloopt, en geknakt. Het is, om Sarah Bernhardt, die ik een maand geleden gezien heb in den Aiglon, als een lijk, dat nog sprak en liep, vertoonende een jong mensch van zeventien jaar ... De weêrgâloos magnifieke en zoo lang geniaal jeugdige vrouw en artieste ... Dat ik, stil in een hoekje, grien op een bankje, is van daag niet om mij ... maar om een oud paard, dat ik mij heug, om Caroline, om Sarah Bernhardt. ...
En om den Lion du Littoral ... den ouden leeuw Theofile. ...
De zee schuimt met elegante golfjes aan.
Het is of de zee, na hare woede van gisteren, weêr elegant wordt, met kanten en parelenschitterende golfjes--zoo als het betaamt aan een zee van een dure seizoen-plaats; een mondain zonne-stadje.
Het is of de golfjes een lief ballet dansen, of zij blauw gerokte danseresjes zijn, met schuim van kanten volants, waarover pailletten gezaaid zijn.
De zon giet haar warme douche neêr over mijn rug.
Dat troost mij een beetje.
Plots ... daar zie ik de beide heeren: Bébert le Boucher en André le Pêcheur.
De roode razernij ziedt weêr in mij op.
Maar ik overmeester mij en wil mij niet driftig maken; je weet niet, die heeren zijn zoo sterk. ...
En daarom vergenoeg ik mij door heel duidelijk, als ik ze zie naderen, hun mijn rug, al verzittende, toe te draaien.
Zij naderen; zij smoezen, achter mijn rug.
En een beetje van ter zijde loerende, bespeur ik ... Bébert, die het er liever niet op waagt, en zich, handen in de zakken en rug gebombeerd, uit de voeten maakt. ...
Bébert is bang voor mij!!
Nu, daar heb ik dan toch pleizier van!
En wat doet André? ...
André is genaderd ... Staat voor mij.
- Dag, duc! zegt André joviaal.
- Bonjour! antwoord ik, héel koel.
- Mooi weêr! zegt André en zet zich naast mij.
- Héel mooi! beâam ik, met een glaciale stem.
- Kom duc, zegt André; wat is er? Ben je boos?
- Minstens vind ik jullie twee misselijke kerels! antwoord ik, niet meer voorzichtig.
André kijkt mij aan en bedenkt: de duc weet er alles van; de duc heeft den Lion gezien. - Ik heb niet met den Lion geworsteld, verontschuldigt zich André.
- Neen, maar Bébert wel, en jij bent meê gegaan.
- Nou, dat is toch zoo erg niet. Daarom hoef je toch niet zóo boos te zijn, duc.
- Jawel, André, ik ben wel boos. Ik heb het jullie gezegd. Ik wil jullie niet meer kennen.
- Kom, duc, het was maar een grapje. ...
- Dan moet het jou maar eens overkomen, als je zoo oud bent als de Lion nu, en als je spieren slap zijn geworden.
Ik verzit weêr, en draai hem mijn rug toe.
Hij loopt om, en zet zich aan de andere zijde, en glimlacht guitig mij in het gezicht. Wat heeft die een uiïg smoel! Net een groote kwâjongen.
- Duc, zegt André; ben je dan heusch boos?
- Ja.
- Wil je me nooit meer zien?
- Bébert niet en jou ook niet.
- Drink ik nooit meer eens een borrel met je?
- Ik heb van jullie gesoupeerd, hoor! zegt de duc, in argot.
André begint verontrust te worden. De duc meent het. En het zoû jammer zijn, want de duc tracteert wel eens op een kelkje anisette en daar is André dol op.
- Kan ik het niet meer goed maken? fleemt André, en steekt zijn poot uit.
De hertogelijke hand gaat die poot niet te gemoet. Maar de duc zegt:
- Jawel. Je kàn het goed maken. Als je wilt.
Hoe dan? vraagt André, bepaald blij om die mogelijkheid, dat geopende perspectief van een "zinc" in een bar, waarop zoet kelkje gevuld wordt na kelkje.
- Dat zal ik je zeggen! zegt de duc, en zijn stem heeft iets onvermurwbaars. Als je weêr goed vriend met me wilt worden, moet je van avond worstelen met den Lion.
- Ik? zegt André. En waarom?
- Om den Lion je te laten leggen.
- Wat??? roept André uit. Ik? Moet ik worstelen met den Lion, om ... Heb ik je goed begrepen??
- Héel goed! zeg ik. Je bent een vlugge jongen. Tweemaal zeggen is niet noodig. Toch zal ik het doen: het tweemaal zeggen. Wil je goed vriend blijven met den duc, dan worstel je van avond met den Lion, en laat je door hem netjes leggen. En als je dat niet doet,--en nu ben ik heel ernstig--hoef je nooit meer op een bankje naast me te komen.
- Maar duc, zegt André; het is je niet ernst! Ik kan toch mijn reputatie niet naar de maan gooien!
- Zoo als je verkiest, zegt de duc, koud.
André staat op. De duc denkt al, dat hij het spel verliest.
Maar André, verontwaardigd over des ducs voorstel, loopt op en neêr, op en neêr, het wilde beest gelijk.
- En wat krijg ik er voor? zegt André eindelijk, stil staande voor den duc.
- Een goed souper daarna. Een lekkere bouillabaisse, in de Réserve, is het hertogelijk antwoord.
- Honderd franc, zegt André, zijn oogen hebzuchtig in de mijne.
- Ga maar eens kijken of ik ze al niet thuis bij je gebracht heb, onder je kussen.
- Duc, zegt André; het kost me mijn reputatie. Ik doe het voor honderd franc.
- Kijk eens, André: je doet het voor een bouillabaisse ... of je doet het niet. Net zoo als je wilt. Maar àls je het doet, doe je een goed ding, maak je een medemensch gelukkig. Je verzoent je er tevens meê met den duc, en je soupeert lekker. Doe je het niet, dan doe je het niet, maar dan ben je een beroerling, net als Bébert, en is het uit tusschen ons.
- Je bent een type! roept André.
- Het is mogelijk.
- Duc, zegt André; ik doe het.
- Zonder grapjes?
- Zonder grapjes. Mijn hand er op.
Ik schud zijn hand: auw!
- André je moet niet zoo knijpen: ik weet wel, dat je sterk bent.
- Ik heb niet geknepen. - Kijk, hoe je mijn ringen in mijn vingers hebt geperst. Kom je dan van avond, op de Place Garibaldi?
- Ja. Hoe laat?
- Om zeven uur. Heel ernstig, hoor. Denk er aan: om ácht uur, bouillabaisse.
- Ik zal er zijn.
Weér handdruk; o God, die vingers, doen me zoo een pijn. Zoû André er heusch komen? ...
Ik ben er niet zeker van. ...
Ik weifel en ik twijfel. ...
Voór zeven uur ben ik op de place en vind bij den bistro den ouden Leeuw.
- Leeuw, kom eens hier. Hij komt, onder de arkaden.
- Leeuw, zeg ik; straks komt André le Pêcheur, denk ik. Dan moet je hem uitdagen.
Hij wordt bleek.
- Waarom? vraagt hij met kelderstem. Ik fluister hem iets in.
Hij glimlacht.
- Neen zegt hij, ongeloovig.
Ik knik van ja, heusch van ja, hoor.
- Neen, zegt de Leeuw. Dat zal André zich niet laten doen. Als ik hem leg, dan lég ik hem ook. Dan ben IK het, die hem leg. Maar ik zal hem niet leggen ... ik ben slap, ik heb gedronken.
Ik ruik het . ...
- En ik wil niet met hem worstelen.
- Jawel, Leeuw, zeg ik; je moèt met hem worstelen, als hij straks komt. - Nou ... zegt de Leeuw, half zat. We zullen wel zien. Ik heb het kostuum laten halen. Het zit me nauw, maar dat is de mode, zeggen ze.
- Ja, zeg ik, serieus. Nauw is de mode. Maar je moet het nu aandoen en niet naar "tante" brengen.
- Het is al bij "tante," zegt de Leeuw. Heusch, meneer de duc, het was me te veel naar de mode.
- Nu, dan maar niet aandoen, beste kerel, zeg ik wat treurig en kijk naar zijn kwalijk riekend bronzen jasje en gelapte broek. Maar worstel nu straks met André. Als je het doet, dan ...
- Wat dan?
- Dan krijg je wat van me.
- Dàn doe ik het!
Het is afgesproken. Wat stinkt de vent naar absinth!
Ik loop wat om, langs de zee, en weêr terug. De avond is gevallen als ik weêr op de Place Garibaldi kom. Zie, de Lion heeft zijn tapijtje gespreid; hij heeft zelfs een verlichting van acetyleen, die een vreeslijk luchtje geeft. En hij staat, op zijn tapijtje, gewichten te heffen. De tors naakt, is hij verjeugdigd. Toch doet hij mij onweêrgeefbaren weemoed aan. Zijn lichaam--hij heeft alleen een donkere onderbroek aan--is, hoe gespierd ook, gesloopt, vervallen, met vreemde holtes tusschen de spieren en zoo grauw bleek mager van tint, als of hij niet genoeg eet, en te veel drinkt. Zijn weinige vleesch heeft een tint van absinth, is groen en groezelig in den heen-en-weêrschijn der lampen. Zijn gezicht heeft iets verwaands, zijn oogen kijken laatdunkend. Hij heft machinaal zijn gewichten.
Hij heeft mij gezien en groet mij. Hij pozeert nu voor zijn publiek, dat niet groot is: een paar voyou's, enkele trambeambten, een paar straatjongens.
- Wie onder het geëerde publiek wil zich meten met den Lion du Littoral? Wie den Lion legt, zonder de bij de lutte verboden trucs, ontvangt eén thune (vijf francs). Wie onder het ge-ëerde publiek. ...
Ik voel op mijn schouder een zwaar gewicht. Het is bedoeld als vrienschapsgebaar, want mij omwendende, bons ik tegen André le Pêcheur, die zijn handen op mij gelegd heeft.
- Je ziet, duc, ik ben gekomen, fluistert André. Eigenlijk vind ik het beroerd wat je me gevraagd hebt te doen, maar je was zoo drommels kwaad van morgen, dat. ...
- André, fluister ik; wat kan het je schelen ... hier, op de Place Garibaldi! Doe het nu, niet waar, doe het in drie minuten: laat hij je even leggen, en dan gaan we de bouillabaise eten.
Dat laatste geeft den doorslag.
- Wie onder het geëerde publiek wil zich meten met den Lion? blageert Theofile, verwaand en laatdunkend. ...
Maar hij heeft André bespeurd. Hij wordt bleek.
- Ik! roept André.
Emotie onder het publiek, dat aanzwelt. Het is in eens propvol.
Ik ben den Lion genaderd en fluister hem toe:
- Ik ben overtuigd, dat je André legt ... Je bent "en forme" van avond: ik zie dat aan je oogen. ...
Arme, waterige absinth-oogen van den Leeuw
- Gelooft u, meneer? aarzelt, groenbleek, de Leeuw.
Maar André heeft zijn jasje al uitgetrokken, zijn broek, zijn hemd: hij staat--stel u gerust!--op een zwart onderbroekje na, zoo als God hem schiep en deed groeien. Neen ... zoo staat hij niet. André heeft veel aan zichzelven gewerkt. Of liever verwerken laten. André staat ... niet als een mensch, maar als een kunstvoorwerp. Want André is geheel en al getatoueerd!
André heeft iets van een prentenboek. Onder het publiek zijn kreten van pleizier en aardigheid om André uitgestooten. Allen omringen hem om hem beter te zien.
Het is moeilijk u een katalogus te geven van alles wat op André's forsche muskulatuur al zoo te zien is. Laat mij het echter beproeven.
André's guitige, een beetje bestiale, maar bruut-mooie kop,--donker haar en vleezig lacherig gezicht, met lacherige oogen en lachenden mond--staat op een massieven nek, die breed aflijnt naar kolossale schouders. Zijn vierkante borsten, zijn ijzerharde bicepskogels, geheel zijn naakte tors, zijn bult-dijen en enorme kuiten zijn één en al illustratie, blauw-zwart op zijn jongroze vleesch. Om zijn hals is getatoueerd een slang, die als een snoer neêr hangt, staart gekronkeld om kop. Om zijn bovenarmen slingeren ook twee slangen, als vreemde braceletten. Op zijn borst zijn twee, ik zal maar zeggen, pornografische figuurtjes ingeprikt, maar zoo kunstig, dat ze mij laten denken aan de geheime muzeum-zaal in Napels, met de kleine obscene bronsjes uit Pompeï. Het is heusch "kunst" en geen pornografie, zoû een aesthetisch aangelegd rechter moeten beslissen. Het is zoo geestig en fijn geteekend, als ik nooit nog en nimmer gezien heb. Een vogel vecht met een kreeft. Een kat zet zijn rug op tegen een hond. Alle kleine vleeschplekjes tusschen de drie slangen en de twee Pompeïaansche tafereelen zijn ingenomen door keurig bewerkte détails: rozetten en arabesken. Geheel dat athletenlichaam is één bezienswaardigheid.
Het publiek heeft André dicht omringd: iedereen wil zien en de vrouwen strijken met de vingers over de illustraties, om te voelen of het perspectief wel glad is.
- Ja, zegt André: alles is glad, mijn huid is als zij! Strijk maar!
- Vooruit, vooruit! brult het publiek. André le Pêcheur, contre Theophile, le Lion du Littoral!
Cirkel wordt uitgebreid. In een kist is zaagsel en de beide lutteurs wrijven zich de handen droog. Zij groeten elkaâr met het professionale gebaar vol waardigheid. Gladiatoren in een antieke arena. ... Maar modern is het schouwspel om hun zwarte onderbroekjes, en om het publiek, nu kop aan kop.
Een jongentje dat den Lion bijstaat, gaat rond met een bakje; de sous regenen en klikklakken neêr.
Leeuw en André grijpen elkaâr aan.
Het schijnt of zij elkander aaien.
Maar het is niet aaien, het is wederzijdsche kracht aanvoelen en schatten.
Ik zie aan des Leeuws oogen ... dat hij er inloopt.
Zij schitteren, des Leeuws wateroogen ... want hij meent, dat André niet zoo geweldig is als hij wel dacht.
De Leeuw spant zich in; hij wil André afmatten.
In gewicht zullen zij beiden ongeveer het zelfde wegen: 108, 110 kilo.
Daar valt de Leeuw, onder André's pressie, maar hij valt op de knieën.
En blijft als een rots.
Het gaat mij weêr interesseeren, als altijd--tòch weet ik, ditmaal beter dan ooit--dat het "chiqué" is; dat André--veél sterker en volhoudender dan den Leeuw--moét verliezen, omdat ik het verkies.
Hoe zal het gaan?
Het publiek is eén spanning, ik ook.
- Vooruit, Leeuw! roep ik. Leg hem! Leg hem! Hoû je flink!
Het publiek stemt in.
André poogt den Leeuw omver te halen, op den rug. ...
Hij glimlacht, André: hij gluurt even naar mij, Ik weet het: hij werkt met halve kracht.
Hij zoû den Leeuw dadelijk hebben, op zijn rug, als hij, André, het verkoos.
Hij werkt en schudt en hijgt. ...
Mooi zoo: hij truqueert goed. ...
In het publiek wordt gewed.
Wedt maar op, oude jongens, maar weet, dat de duc de Voorzienigheid was!
André doet zelfs de verboden trucs!
Hij strekt zich uit, zwaar op den rug van den Leeuw, en poogt hem zijn armen te wrikken.
De Leeuw blijft onverwrikbaar.
Men applaudisseert den Leeuw!
Het doet mij pleizier voor hem!
André probeert een cravate; André probeert een ceinture; de Leeuw blijft als een blok.
André, schijnbaar razend, ranselt met de zij van de hand op des Leeuws nek.
Publiek brult, jouwt André uit.
Denk aan de bouillabaisse, André!
Plotseling richt de Leeuw zich op de knieën, slaat zijn armen achterom en sluit zijn handen als een schroef om André's nek. Eén beweging... hij is òpgestaan, en de Leeuw slingert geheel André's geïllustreerde muskulatuur over zijn leeuwenhoofd. Het lichaam van André beschrijft een huiveringwekkenden cirkel en ligt ... op het tapijtje.
Met beide schouders gedrukt! Hoezee!!
De strijd heeft drie minuten geduurd.
- De Leeuw heeft André gelegd! De Leeuw heeft André gelegd!
Publiek is dol, juicht, schreeuwt. ...
De sous regenen, klikklakkeren op het bakje van den kleinen jongen.
De Leeuw heeft overwonnen.
Hij drukt André, die is opgestaan, de hand.
De Leeuw glimt van zweet, en straalt van trots, in den glans der acetyleenlamp.
Hij buigt en groet met de hand links en rechts.
Een voldoening vonkt in zijn wateroog.
Hij heeft gemeend, dat hij heusch André te sterk is geweest, want, daar is hij zeker van, André zou zich nooit laten vinden voor een "chiqué."
De Leeuw weet niet, hoe dol André is op bouillabaisse en kelkjes anisette, vooral als de duc die betaalt!
- Leeuw, zegt de duc; je bent bewonderenswaardig!!
En de duc schudt des Leeuws klauw.
- Ja meneer, zegt de Leeuw fier; u ziet: heelemaal gedaan is het nog niet met den Leeuw--!
De Leeuw is zoo blij, en de duc is blij--!
De worstelaars kleeden zich aan; het publiek verspreidt zich. Vol commentaar.
Nogmaals afscheid van den Leeuw, die verrukt is.
Daar zie ik André, met zijn leuke smoel, knipoogen hier en knipoogen daar, en onder het nog aanwezig publiek smoezen ze, om mij, en hoor ik waarachtig fluisteren:
- Dat is de duc; die heeft er de hand in!
- André! sis ik. Ik vermoord je, als je je mond niet houdt. ...
Ik sleep hem meê, terwijl bewonderaars den Leeuw meê voeren naar den bistro.
Het jongentje vouwt het tapijtje op; een paar voyou's zeulen des Leeuws gewichten hem in de buvette.
De Leeuw wordt getracteerd: hij is populair!
- Honderd franc moet ik hebben! roept André goedsmoeds, toch wel joviaal om de grap!
- Niets anders dan een bouillabaisse krijg je! is het hertogelijk antwoord.
* * * * *
Een half uur later, aan zee, in de Réserve, soupeer ik met André, die guitiger is dan ooit en zich een bult buldert om dien verwaanden Leeuw.
- Wat een vent! schatert André over de oranje bouillabaisse heen.
- Arme kerel! zeg ik verteederd.
- Alleen duc, zegt André; eén ding moet je nog doen??
- En dat is. ...
- Straks, in den Rocher de Cancale, mij op een kelkje anisette trakteeren en ... Bébert op een brandende punch??
Hij kijkt mij smeekend aan en vouwt guitig zijn pootige klauwen.
Nu ... dàt wil de duc dan wel doen.