Korte Arabesken: Bébert le Boucher en André le Pêcheur

Chapter 1

Chapter 14,187 wordsPublic domain

Produced by Johan Boelaert

Bébert le Boucher en André le Pêcheur

Louis Couperus

Ik zit in vage avondstemming, geweven uit een beetje spleen, wat meer melancholie, en heel veel verveling op een bankje voor de Quai du Midi, daar waar de visschers van Nice hun barkjes omhoog, op de kade zelve, getrokken hebben, beducht voor boos weér, want de zee schuimt hoog op en de wind waait straf. De kraag van mijn overjas op, en mijn handen in de zakken, en mijn pet getrokken tot over mijn oogen, zit ik te staren en, wat weemoedigjes en alleen, te droomen over de schuimziedende golven. Het zal van nacht wel gaan spoken over de Middellandsche wateren.

Plotseling, links en rechts, verschijnen de beide heeren, Bébert le Boucher en André le Pêcheur. Ik was zoo in trieste stemming, winddoorhuiverd, verloren, zoo weg gedoken in pet en in kraag, dat ik hun twee impozante figuren niet had zien naderen, hun twee diepe stemmen niet had hooren opblageeren, zoo dat ik opschrik, nu ik ze plots herken, links en rechts, ik zittende, op het midden des bankjes.

- Zoo, monsieur le duc, zegt André le Pêcheur; zijn we fier van avond en kennen we de oude jongens niet?

- Is de duc lijdende aan ongelukkige liefde, dat hij zoo eenzaam in de zee zit te kijken? blageert Bébert le Boucher.

Ik strek twee handen uit, die duchtig worden geschud in pooten van heb-ik-jou-daar.

- Wel heeren, zeg ik; het doet me pleizier je te zien. Fier is de duc niet, dat weet je, maar hij lijdt veel aan distractie. Is er van avond iets te doen, dat jullie zoo broederlijk en collegiaal samen loopen? Of kom je een oogenblik mij gezelschap houden en zitten aan mijn zijden?

Zij zetten zich links en rechts, Bébert le Boucher en André le Pêcheur en ik verzeker u, dat er niemand meer bij kan op het bankje. Het is warmpjes, gezellig en tjopvol, met ons drieën. Mijn slankheid, als pièce-de-milieu, wordt indrukwekkend geflankeerd door, links, Bébert le Boucher en, rechts, André le Pêcheur. Ik maak liever eens een grapje met deze jongens, of drink met ze een borrel in een bar, dan dat ik standjes met ze kreeg. Ik voel mij tusschen hen beiden als een klein, niet volgroeid jongentje, waarop met minzamen spot, maar toch met goedgunstige straatvriendschap glimlachend beschermend wordt neêr gekeken. Des te beter. Liever maar niet vechten met die twee bazen. Uit speelschheid zelfs, geloof ik, zouden ze je dood drukken, zoo als ik een muskiet vernietig.

Wij wisselen opmerkingen over den wind en het weêr en Bébert en André zijn het eens met mij, dat het boos weêr zal gaan worden.

Zij noemen mij "monsieur le duc" of meestal "duc," omdat Bébert mij eens heeft gevraagd:

- Jij bent immers een "duc?" Ze hebben me gezegd, dat je een "duc" was.

- Natuurlijk ben ik een duc! heb ik geantwoord met aplomb. En André, die wel beter wist, maar veel houdt van in het ootje te nemen, staafde mijn bewering:

- Natuurlijk is die een duc! heeft André aan Bébert verzekerd.

Zoo dat ik geloof, dat die domme Bébert gelooft, dat ik een "duc" ben, en authentiek.

Bébert le Boucher is van het Noorden, van Amiens, geloof ik. André le Pêcheur is van het Zuiden, van Marseille, zoo niet van Nice. Beiden worstelaars van beroep, was Bébert eenmaal slagersjongen, en is André nog altijd visscher. Bébert is, hoewel een blagueur, somber; André is vroolijk, grappig en guitig. Het Noorden en het Zuiden. Ik hoû niet veel van Bébert, maar ik heb een zwakje voor André.

- Duc, zegt André; kom je van nacht meê op zee, in mijn boot: La Jeune Jeannette??

- Ja wel, hoor! zeg ik. Kom maar eens kijken, of ik er niet zijn zal. Zeg, André, slaap je van nacht in de "Jeune Jeannette?"

Want André, in den zomer, slaapt in zijn boot, op de kâ getrokken, onder zwoel wellustige sterrenachten.

Bébert maakt grapjes over la Jeune Jeannette, die nachtelijke rustplaats van André, grapjes, die ik den lezer laat raden, maar ter kuischheid wille omsluier met de vaagheid van het minder dan halve woord.

Neen, André, van nacht, zal niet slapen in den ronden schoot van zijn "Jeune Jeannette"--een mooi barkje, wit en rood geschilderd--want de wind is hèm zelfs te bar, om niet zijn kamer in de Vieille-Ville op te zoeken.

- Duc, zegt André weêr; ga je straks meê naar de Place Garibaldi? Là-bas, nous rigolerons tous les trois!

- Wat is daar dan te rigoleeren? vraag ik.

- Voor den donder, já, souligneert Bébert; we moeten dáar eens flink lol hebben.

- Maar wat is er dan te doen op de Place Garibaldi? vraag ik.

- Kan je het niet raden? vraagt André.

- Kom, duc, zegt Bébert; ràadt je het dan niet?

Ik haal mijn schouders op: ik heb geen imaginatie van avond.

- Le Lion du Littoral is er terug! zegt Bébert en buldert het uit van het lachen, als of hij zich met den naderenden storm wil meten.

Ik schrik op en kijk hem aan. Ik hoû niet van Bébert, van dien blonden, uitwendig somberen kolos: hij is niet te vertrouwen; hij is een bruut, zonder meer; als hij worstelt, doet hij altijd de verbodene trucs en wordt brutaal en zoo nijdig als hij verliest, dat de andere sterke heeren hem vreezen. In die immense klomp spieren, tusschen dien kolossalen rug en kolossale borst, klopt niet het goede hart van de meeste heel sterke mannen.

- Is de Lion terug gekeerd? vraag ik, een beetje angstig.

- Ja, zegt André; en van avond spreidt die al weêr zijn tapijtje op de Place Garibaldi en daagt die de heele wereld uit. We hebben het bij toeval gehoord, en we zijn van plan ons eens te amuzeeren.

- André, zeg ik; mag de duc je eens even wat zeggen?

Ik hoû van André. André is ook één spiermassa, maar hij is een prachtige vent in zijn kracht. En zijn roze vleezig gezicht is niet de sombere bruutkop van Bébert, met die loensche, groene oogen, en dien onvertrouwbaren lach om zijn rossen stekelsnor; de kop van André is loyaal en prettig om naar te kijken; zijn bruine oogen zijn groot en open; zijn geschoren mond heeft een trek van franchise, en terwijl de handen van Bébert zware biefstukken zijn, zijn die van André de groote, van werk vereelte, pooten van een heel sterken, maar eerlijken jongen.

- Wel, duc, wat woû je dan zeggen? zegt André.

- Bébert, zeg ik en wend mij tot den bruut; mag de duc jou ook wat zeggen?

- Vooruit er meê! zegt Bébert.

- Welnu dan; ik vind jullie twee beroerde jongens, als je dien armen Lion gaat plagen.

- En waarom? stuift Bébert op, als een orkaan en blaast, loenschende groen, in mijn gezicht. Waarom zouden wij dien Lion niet eens op zijn donder mogen geven? Waarom moeten wij ons zijn verwaandheid laten welgevallen? Wat beteekent het, dat hij zich noemt den Lion du Littoral, als of er niemand is dan hij, die worstelen kan tusschen Nice en Genua! Hij zal er van lusten van avond!

- Duc, zegt André; Bébert heeft gelijk. De Lion is een verwaande vent, en we zullen hem van nacht op zijn donder geven.

- André, zeg ik; en jij, Bébert, ik herhaal, dat jullie beroerde jongens bent, als je van avond worstelt met den Lion. De Lion is misschien verwaand, maar dat doet er niets toe: de Lion is een arme, oude kerel, die vroeger zijn triomfen heeft gevierd, net zoo goed als jullie nu. De Lion heeft veel verdriet gehad; dat wijf van hem is een feeks; zijn eigen zoon heeft hem eens afgeranseld; zijn dochter "fait le pavé." Als jullie voor dien armen, ouden kerel, al is hij dan ook wat verwaand, omdat hij vroeger champion is geweest, niets voelt, en hem daarbij nog onmogelijk wilt maken op de Place Garibaldi, waar hij een paar centjes verdient met gewichten heffen en een "copain" te leggen--dan vind ik jullie twee beroerde kerels, en wil ik jullie niet meer kennen.

- Hoor den duc, hoor den duc! buldert Bébert en blageert door van dit en van dat.

- Kom, duc, we mogen wel eens een grapje hebben, met den Lion! zegt André. We zullen, eerst Bébert en dan ik, zijn défi aannemen, en hem éen voor éen netjes leggen op den grond, met beide schoudertjes op zijn tapijtje, zonder hem pijn te doen, heel voorzichtigjes weg.

- En hem zoo onmogelijk maken, en hem prijs geven aan het gejouw van al dat gepeupel daar. Jullie weten heel goed, dat hij alleen maar worstelt met types, die hij een paar sous geeft, en die zich na een paar grepen zus of zoo laten vallen, en jullie weten heel goed, dat de oude man geen partij voor jullie is. Als jullie het doen, wil ik je nooit meer zien. ...

- Kom, duc, zegt Bébert, die zich herinnert, dat de duc soms wel eens royaal kan zijn en tracteert; zoo hoog moet je het niet opnemen. We willen alleen maar een grapje hebben, maar als je zoo een zwak gevoelentje hebt voor dien ouden Lion, nou... dan zullen we het niet doen, hoor; dan gaan we alleen maar eens kijken. ...

- Je moet zelfs niet gaan kijken, zeg ik, verteederd, omdat Bébert toch beter is dan ik dacht. Want als de Lion je ziet, onder het publiek, dan krijgt hij het land. ...

- Hoor eens, duc, zegt André; als Bébert niet wil, omdat jij het liever niet hebt, dan zal ik den Lion ook niets doen, maar ons zelfs te verbieden eens te gaan kijken op de Place Garibaldi, dat is te sterk, hoor! We hoûen wel van een pretje.

De wind is heftig opgestoken. De lucht is dreigend van wolken.

- Als jullie me beloven den Lion niets te doen, zeg ik; dan trakteer ik in den Rocher de Cancale.

Zij vinden dit een goed idee, en omdat, ten eerste, groote droppelen vallen, en ten tweede ik de beide heeren verre van de Place Garibaldi wil houden, sta ik op en begeven wij ons alle drie naar een bar-en-restaurant, de Rocher de Cancale, dicht bij, waar de visschers gewoon zijn een borrel te pakken.

Het is heel donker geworden, de regen ruischt neêr en de lucht is zwart.

- De Lion zal zijn tapijtje niet spreien, zegt Bébert, achter mijn rug, tegen André en ik zie ze wel knipoogen, en wantrouw vooral Bébert.

In den Rocher de Cancale buigt de dikke waard ons te gemoet.

Het lokaal is heel vol, nu het regent. In een hoek zitten visschers te kaarten. Op een tafel zitten twee meiden, en smoezen, nu wij binnen komen, met haar types: éen herken ik, dat is Lucien l'Impair, een gevaarlijke vent, maar niet zóo kwaad als hij soms gevaarlijk kan zijn. Ik groet Lucien, die mij terug groet, en de eene meid smoest:

- Wie is dat?

- Dàt? hoor ik Lucien zeggen. Dat is een duc.

- Is dat een duc? vragen de meiden, geïnteresseerd.

- Dat is een duc, zegt Lucien: en schàtrijk.

- Dire qu'il y a des types, qui sont duc! zegt de andere meid vol eerbied.

De waard heeft ons ingeschonken, brandende punch voor Bébert en mij, terwijl die gekke André weêr een anisette-tje lebberen wil; die groote, sterke vent lebbert altijd aan een anisette-kelkje en likt het uit met zijn tong, op gevaar, dat hij het kelkje stuk likt. In mijn rug hoor ik de meiden ons kritizeeren: een duc, die met twee lutteurs in den Rocher een borrel komt pakken, dat vinden ze eigenlijk gek, maar ze hebben eerbied, voor mij, omdat ik duc ben, en voor Bébert en André, omdat ze zoo geweldig sterk zijn.

- Nou, de duc is goed bewaakt! hoor ik de eene meid zeggen.

En de andere:

- Beter, als dat hem de Lion zoû bewaken!

- Welke Lion? vraagt Lucien.

- Le Lion du Littoral! giechelen de meiden.

- Is hij terug? roept de waard, met glimmende wangen en oogen.

Het gesprek is algemeen, want de opmerkingen over mij, duc, zijn ook niet met halve stem geweest.

- Jawel, verzekeren om strijd Bébert en André; de oude Lion is terug.

- Waar heeft die zoo lang gezeten? vraagt de eene meid, die ze, om haar kuif, Polichinelle schijnen te noemen; de andere heet Escalopine, of dewel: kalfs-oestertje.

- En dagen jùllie hem uit? vraagt Lucien.

Gebulder en gejuich. En de gitten oogen van Lucien schitteren al van pleizier; trouwens, hij schittert heelemaal in het gaslicht, van pommade en van valsche brillanten, op zijn das en aan zijn pink.

- Neen, antwoordt goedig André. Het zoû te vergeefs werk zijn. De Lion du Littoral overwint ons allen.

Gebulder en gejuich. Er krimpt iets van angst in mij, om dien ouden, armen Lion. Maar Bébert slurpt punch na punch en André lebbert kelkje uit na kelkje en ze zullen den Lion van avond wel niets doen; hij heeft zijn tapijtje niet eens gespreid, omdat het stortregenen zal. Hij zal niet eens zijn centjes verdienen kunnen. Het gesprek is heel druk en grappig geworden tusschen de meiden, Lucien en de beide lutteurs, en ik maak van hun bulderpret gebruik, om den waard te betalen en de deur uit te wippen.

- Duc! Duc! hoor ik roepen.

Maar de duc is weg, kraag op, pet neêr, door den regen naar de tram, om naar huis te gaan. ...

Neen, toch niet, vlug gewipt in een andere tram, om te zien, eventjes, op de Place Garibaldi.

De regen stroomt niet meer, als de duc op de plaats arriveert.

Hij ziet rond. ...

Maar geen tapijtje, geen Lion zijn te zien.

Zoo dat de duc, gerust gesteld in zijn teeder hart, de tram juist pakt, die hem naar zijn hertogelijk kwartier voert.

II.

Den volgenden dag, blauwe lucht, en zonnefeërie, na den storm. Dat wisselt zich af in Nice als met dekoratie na dekoratie.

Weêr neemt de duc, blij om het mooie weêr, en nieuwsgierig naar de Place Garibaldi, het eene trammetje na het andere.

En waarlijk, daar op een bankje, zit... de Lion du Littoral!

Arme Lion, wat ziet hij er uit!

In een oud, bronsbruin jasje, een gelapte broek, en touwen pantoffels, zit de Lion in éen gedoken. Zijn kop is hem gevallen op de borst, zijn wangen zijn hol, zijn haar is dun en grijs, en al zijn zijn schouders breed, en al bombeeren zijn armen nog van biceps in de te nauwe mouwen, de Lion ziet er uit als een zóo vervallen en ellendige leeuw, zoo een oude leeuw van den Littoral, zoo een afgejakkerde kampioen van Marseille tot Genua toe, dat des ducs gevoelig teêr hart samen krimpt, met die heel oncomfortabelen kramp, die de duc ondervindt om allerlei: bedelaars, oude trampaarden, ellendig geduldige trekezels, oude meiden, oude akteurs en oude worstelaars: àlle oude en afgeleefde artiesten, gymnasten en lastdieren, voor wie de duc zoo gaarne toevluchtsoorden zoû willen stichten, met villa's en parken, voor de menschen, en warme stallen en weiden, voor de beesten. Helaas, de duc heeft nooit iets gesticht: zijn hertogelijk fortuin is zeer ge-entameerd, en hij moet zich vergenoegen met--als hij niet een luttele aalmoes geeft aan den mensch, of een blik van meêlij aan het lijdende beest--heel hard weg te loopen, om hun misère niet te zien. Het is niet mooi van den duc; het is struisvogelpolitiek; het zoû beter zijn flink op te treden tegen den karrevoerder, voor het oude lastdier, en tegen de maatschappij, voor de oude artiesten, meiden en worstelaars. Maar de duc is, hoewel gevoelig van harte en erg sentimenteel, niet bepaald krijgslustig en energiek in het "optreden"; de duc keert liever ter zijde dan op, en zoo komt het, dat hij nooit veel veranderd heeft aan de treurige dingen des levens, die zijn week hart soms doen krimpen van akeligheid.

Gij lezer, oordeel met zachtheid den duc: hij is in alle geval oprecht.

- Zoo, Theofile, zeg ik: ben je terug? Dat doet me pleizier je te zien

O God! Wat een blik! Het hoofd heeft zich opgericht, zoo moê, zóo moê, en twee waterige oogen zien mij aan. De Lion drinkt, dat is zeker, en niet alleen punch als Bébert, of anisetjes als André. De Lion is verslaafd aan de "groene fee".

- Dag meneer, groet hij met kelderstem. Is u ook al in Nice?

Ik ga naast hem zitten. Het is niet prettig dat te doen, want het jasje is heel oud en riekt kwalijk. Maar ik bedenk, dat ik het soms in de komedie of in een salon wel eens een half uur uithoû naast een vrouw, die mij wee maakt met musc, en ik blijf stoïcijnsch zitten naast den leeuw Theofile.

- Theofile, zeg ik. Waar ben je geweest?

- Genua, Ventimiglia, Menton, somt de Leeuw triestig op.

- Heb je veel geworsteld?

Hij lacht bitter en zijn waterige oogen ... tranen. O de blik vol tranen van dien ouden man.

- Wat is er, Theofile? Kom, zeg mij eens wat er is?

- Ach, meneer, wat zoû er zijn ... Er is het einde, dat is alles.

- Het einde? ...

- Het is gedaan.

- Hoe gedaan?

- Als ik het van daag niet doe, doe ik het morgen.

- Wat??

Hij heeft een gebaar van een touw om den nek te slingeren en dan òp te trekken.

- Maar waarom kerel, waarom?

- Meneer, ik ben oud.

- Hoe oud ben je?

- Ik ben ... acht-en-veertig.

Acht-en-veertig! En hij noemt dat oud! Er graaft zich iets om mij als een afgrond. Ik ben niet veel jonger dan hij. Ben ik oud? Het wordt mij kilkoud in mijn aderen.

- Dat is toch niet oud ... Theofile, zeg ik, bijna smeekend.

- Oud, voor een worstelaar, meneer. Het gaat niet meer. De goeie tijden zijn voorbij. In een wedstrijd beteeken ik niets meer. De directie's willen me zelfs niet meer toelaten. Ik werk wat op mijn tapijtje. Ik hef wat gewichten. Maar het geeft niets meer. Ze kijken en lachen even, en geven een sou en gaan weg. Mijn vrouw ... is weg.

- Is je vrouw weg??

- Ja. Ze is er van door, met een jongen kerel. ... Ik ben bijna blij voor hem.

- En je zoon?

- Mijn zoon werkt. Hij worstelt in Milaan. Maar hij vergeet zijn vader en eens.

- Ja, dat weet ik, Theofile, maar ik dacht, dat het bijgelegd was. Je zoon was driftig en je beschouwde hem nog een beetje als een kleine jongen. Ik dacht, dat Jean toch verzoend was met je?

Hij schudt triestig het hoofd.

- Ik hoor niets van hem.

- En je dochter? vraag ik, om meer te weten.

- Ziek, in het hospitaal. Te Genua.

O God, wat vind ik dat alles vreeslijk! En ik kan toch niets daar aan doen! Wàt kan ik doen!

- Kom, Theofile, zeg ik; je moet je niet zoo laten neêrslaan, we worden allemaal oud. Je moet nu langzamerhand uitscheiden met worstelen, en ik ben overtuigd ... ik meen, ... ik zoû misschien ... met een meneer kunnen spreken, die veel invloed heeft ... om je een bureau-de-tabac te bezorgen; zoû je dat willen?

Hij schudt het hoofd, zóo triestig, zóo triestig.

- Neen, meneer. Het is heel braaf, om dat voor me te willen doen. ...

- Er is niets braafs aan; ik kèn juist een meneer, die invloed heeft, en. ...

Hij schudt het hoofd langzaam, langzaam van neen en nog eens neen.

- Neen, meneer, ik ben athleet. Ik kan niet tabak en postzegels verkoopen. Mijn spieren, dat is mijn leven. Mijn worstelen ... dat is mijn kunst. Twee jaar geleden nog hield niemand het tegen mij uit. Wàs ik de Lion du Littoral. Nu ... ben ik oud en slap en rheumatiesch, en niets meer waard. En na gisteren avond ... is het uit.

- Wàt is uit? vraag ik en spring op. Vertel mij, Theofile, wàt is er gebeurd?

Hij lacht, zóo bitter, zóo bitter!

- Wat er gebeurd is? zegt hij. Bébert heeft volstrekt met me willen worstelen. ...

- Bébert!

- En na even met me gespeeld te hebben als de kat met de muis ... me gelegd ... me zoo gemeen gelegd ... wel niet met een truc ... maar toch ... toch ... me gelegd ... mij ... mij ... den Lion ... den Lion du Littoral. ...

Een snik schokt hem zijn holle, breede borst. Een razernij ziedt in mij op: het bloed vliegt als met een congestie naar mijn hoofd. ...

De Lion is weêr in een gezonken.

- Maar hij is ook jong en sterk; ik ben oud, ik ben slap en niets waard meer. Gisteren avond, toen het niet meer regende, is het gebeurd. Ik had mijn tapijtje gespreid, en poogde nog een paar sous te verdienen. Ik bewaar mijn gewichten, daar, bij den bistro in die buvette, en ik haalde ze te voorschijn, en daagde de omstanders uit ... Voor een thune (vijf francs); vroeger beloofde ik een zigue (louis-d'-or), aan wien me kon leggen, ik meen zoo op straat, niet in een serieuzen wedstrijd ... Nu, meestal biedt zich niemand aan, want ik ben nog wel een "costaud," al ben ik niet meer, die ik was ... Maar gisteren avond, daar zag ik in eens, toen ik het publiek had uitgedaagd, en zou gaan lutteeren met mijn copains--voor de frime; die krijgen dan eén balie van me (eén franc), als ze zich laten leggen--daar zag ik in eens uit de arkaden te voorschijn komen Bébert, en met hem waren André le Pêcheur, en Lucien, die pommade-vent, met twee meiden. Nu, dacht ik dadelijk, die komen alleen om me te embêteeren. En waarachtig, Bébert wou met me lutteeren; het heele publiek lachte ... En wat kòn ik doen, wàt kon ik doen?? Ik ben de Lion du Littoral. ...

Een hevige hoestbui overvalt hem en hij schrapt en spuwt, naast mij: ... zoû hij tering hebben? Hij hoest zóo akelig. ...

- Ik ben de Lion, herhaalt hij. Ik kon Bébert niet weigeren. Nu ... heeft hij me gelegd ... Hier ben ik niets waard meer, hier op de Place Garibaldi is geen sou meer voor me te verdienen ... Als ik het van daag niet doe, doe ik het morgen.

Hij schetst weêr dat gebaar met een touw ... zoo òmslingeren ... en dan trekken.

Ik voel mij heel oncomfortabel van binnen. Mijn hart doet mij wee en ik voel als een fyzieke kramp, die mij ziek maakt en, na mijn roode razernij van zoo even, slap en energieloos. Ik voel dat dadelijk in mijn knieën. ...

Ik sta op. Ik heb den Lion eenige woorden van troost pogen te zeggen, die niet veel uitwerken. Ik heb hem iets in de hand gedrukt, dat meer uitwerkt, en hem gezegd, dat hij van middag even bij mij passeeren moest, om een broek en een jasje te halen.

Zullen mijn luttele weldaden den Lion nieuwe levenskracht geven? Ik ben zeker van niet. Er is zelfs geen twijfel in mij. En vol weemoed wandel ik naar de zee, langs de heerlijke bloemenmarkt, de kleurprachtige groentenmarkt, langs de uitstallingen van curieuze visschen. Zelfs al die kleuren en geuren in de zon wekken mij niet op. Al die rozen en mimoza's, die violieren en anjelieren en irissen; al die oranje en purperen aubergines en poivrons; die prachtige roze uien; en heel die byouterie-schat van de Middellandsche zee: die visschen met parelmoêren, azuren en violet-zilveren en rood-gouden schubben, die beesten met ál de glauke tinten van het water over rug en aan buik, al die vroolijkheid van het geding en geroep ... dat alles, wat ik anders zoo lief heb, omdat het bont, kleurig en vroolijk is in den genereuzen gloed van de morgenzon, die zoo mooi langs de oude huizen der oude stad felle schijnsels en lila schaduwen smeert ... dat alles wekt mij niet op. Mooi pogen de vischvrouwen mij met armdikke palingen, als blauwzwarte slangen, te bezweren mijn voordeel toch niet voorbij te loopen; mooi reiken de bloemenverkoopsters mij haar tuilen rozen en mimoza's onder de neus, de kleuren en geuren bedwelmen mij niet: ik sla zonder eén woord het gouden mimoza-stuifsel àf van mijn mouwen, en ik koop geen vijgen, zoo als ik wel eens doe--van die heerlijke, slanke cou-de-dames,--om ze te snoepen, in den Tuin, op een bankje, onder het standbeeld van den Maarschalk Masséna.

Neen, ik loop droefgeestig door ... Het is zoo mooi en zoo vroolijk en zonnig; die blauwe lucht, die heerlijke morgenzon, al hoog toe naar het midden, als een gouden genade om je heen ... en ik ben treurig, ik voel mij diep treurig. O, die vreeslijke smart om de dingen en menschen, die eindigen, die knakken, die kwijnen, die zich nog voort sleepen, belast met àlles wat de ouderdom geeft: ziekte, moedeloosheid, troosteloosheid, tot eindelijk wanhoop toe! Die vreeslijke smart van oude paarden nog te moeten zien trekken zware wagens vol steenen; die smart de oude Caroline nog iederen morgen en avond haar pavé af te zien loopen, van af de Jetée tot de Dames-de-France en terug, lonkend hier, lonkend daar, met dien lonk zóo moê, en zoo oud, met dat vervallen gezicht, te veel geverfd onder dien immensen hoed, en die bijna knikkende knieën ... o God, om haar een louis te geven en te zeggen: ga nu naar bed en blijf den heelen dag slapen. ... O, die vreeslijke smart, om oud en gebrekkig en ellendig te worden die vloek van God, die drukt op den mensch; die vloek, waarmeê God den mensch verpletterde, te gelijker tijd, dat hij de natuur zegende, want de natuur wordt niet oud: zij is altijd jong, eeuwig; zij herleeft ieder jaar, ieder oogenblik. ...