Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking

Part 6

Chapter 61,135 wordsPublic domain

Ik stak drie gevorkte takken door den ring, die boven aan den bol was, en waardoor hy nu ter vulling boven mijn schuitjen verheven wierd. By gebrek van touwen, sneed ik van mijn kleed stroken om door dien ring te halen en hem dus te overspannen, en ik maakte deze stroken met pinnen in de aarde vast. Ik bond voorts eenige dergelijke maar kortere stroken aan de koorden waarmeê mijn bootjen aan het overnet van den bol vast was, om als ik over eind stond, my voor het uitvallen te hoeden. Ik had te voren trechters van verschillende grootte in gereedheid gehad, om de invloeiing des damps die zich ontwikkelde door de buis te besturen; een van die was in 't schuitjen gebleven en diende my weêr. Ik voorzag wel dat de bol door mijn pinnen niet genoegzaam vastgehouden zou worden om niet op te gaan eer hy rond uitgespannen zou zijn, maar ik begreep hem in 't opgaan-zelf nog te kunnen blijven vullen, om daardoor een meerder drift aan de vaart der oprijzing te geven. Eindelijk ik beval my den Hemel, sloot mijne oogen voor alle gevaar, maakte mijn dozen of bussen open, verlengde de zuren en begon de dampvorming en vulling.--Weldra ging ik op; ik hield aan te vullen, tot het gezicht my verging. Toen wierp ik mijn uitgediende metaalschorien uit. Ik gaf nu wederom bloed op, had geweldige pijn in de borst en ingewanden, en het was my of ribben en buik my openberstten. Ik had geenerlei voedsel noch versterking meê, werd geheel buiten besef; en, hoe lang dit duurde, dit gevoelt ieder dat my onmooglijk was na te gaan.

Toen ik my wedergevoelde was het met een verward maar ontzettend besef van klaterend of klapperend geluid en een pijnlijke gewaarwording van kwetsing die my aan mijn kalkoenbeten herinnerde. Ik bloedde werklijk en het scheen of my dit de bedwelming waar ik in was verlichtte. Maar daar zweefde ook iets geweldigs om my heen, dat my daar ik oprijzen wilde om verr' sloeg, en zonder dat ik 't zoo dra herkende, na eenige allergezwindste in 't ronddraaiingen, woedende aanviel. Het was erger dan een kalkoen: 't was een arend, en dit overtuigde my eensklaps dat ik in den dampkring der aarde zweefde. Ik had Abaris bijl by my, en dien lang gesteeld; ik hieuw mijnen vijand een wond in de hals, en hy verdween. Ik waagde 't nu uit en naar beneden te schouwen, maar geen grond was voor my te zien. Ik had een wonde in de borst door mijn kleed heen ontfangen, en zoo vleesch als huid waren my weggescheurd, en de wond hol en diep. Eenige schrappen van minder belang deden my 't aangezicht bloeden; en de linker arm was my doof en als lam. Ik verbond mijn borstwonde met een lap van mijn kleed, na haar met verlengde vitrioolgeest die by my stond gebaad te hebben, doch de pijn die zy my deed was hevig, en tot stuiptrekking toe. Ik zag wederom uit, maar het zij dat ik nog werklijk te hoog was, om met mijn verzwakt gezicht den bodem waarboven ik zweefde te kunnen bereiken, het zij de bedwelming van geest my verblindde, ik herkende geen grond onder my, zelfs geen wolken, en scheen steeds op gelijke hoogte te blijven. Te vergeefs zag ik weder en weder uit. Eindelijk werd ik radeloos van een angst, die steeds aangroeide, en my docht, dat ik uit- en inwendig verstijfde. In vertwijfeling en zonder te weten wat ik deed greep ik den bijl en sloeg eene opening in den bol waar hy wijdst was. Nu zonk ik welhaast, maar de beweging naar benedenwaart versnelde verbazend en ik stelde een verpletterend nederkomen onvermijdelijk. Ik gaf 't op, lei my plat neder op den rug, en neep mijne oogleden toe. Behoud viel niet meer in den kring van mijn denkbeelden.

Het was echter bestemd, dat ik nog bij het leven bewaard moest blijven. Ik was, als by de uitkomst gebleken is, boven den grooten oceaan. Een Russisch schip dat zich op 12° breedte bevond, zag mijn voertuig op kleinen afstand van zich, met geweldige snelheid in zee storten, doch na eenigen tijd boven komen, omgekeerd, en ledig, mij-zelven eenige vademen verr' daar van daan. De boot was juist uitgezet, en men redde my, schoon ik in dat oogenblik en nog een geruimen poos lang voor dood werd gehouden. De omstandigheden die hier by plaats hadden en de gevolgen van deze behoudenis beware ik voor mijn reeds meermaal gemeld uitvoeriger Reisverhaal. Zy behooren niet tot dit verhaal.--Ik wilde hier alleen de door my gedane ontdekking der ondermanen beschrijven; waarvan ik de verdere nasporing aan de Starrekundigen onzes tijds aanbevele. Ik laat daarby aan de Natuurkundigen over, de noodige proeven en waarnemingen in het werk te stellen, hoe het mogelijk zijn of gemaakt worden mag, de snelheid der vaart van den luchtbol zoodanigerwijs te regelen en te bestieren, dat men veilig van de overwegende werkingskreits der aantrekkingskracht van den aardbol in die van eene der ondermanen gerake; en daar den koers naar toezette, en aan- en weêr van te rug kome, waar ik zoo onwillig aanlandde en op een zoo hachlijke wijze van wederkeerde. De eerste reis te water, en daarby toevallige kustontdekking, was by eenen veel onwetender staat van het menschdom toch niet verloren; en ik verbeeld my niet, dat deze luchtreis en planeetaandoening het zou moeten zijn. Ten minste heb ik haar, voor zoo veel het van my afhing, niet onnut willen maken, en dit is al wat ik vermag. Om haar te herhalen, gevoel ik my in mijn tegenwoordigen toestand en na al het geen ik daarop geleden heb, even weinig de lust als de krachten. Maar ik steun op den moed, op de inspanningskracht des verstands van mijn tijdgenooten; en dit doet my, van nu aan, de hemelbollen niet slechts als bereikbaar, maar als reeds met onze aarde vereenigd beschouwen.

+------------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | Voor deze tekst is gebruik gemaakt van scans van Google en de | | Koninklijke Bibliotheek. | | | | Inconsistenties in spelling en ander taalgebruik (inclusief het | | gebruik van 'ij' en 'y' en twijfelachtige zinsconstructies) zijn | | ongewijzigd overgenomen uit het originele werk, behalve zoals | | hieronder aangegeven: | | overduidelijke zetfouten zijn stilzwijgend verbeterd; | | 'schildvereffening' is veranderd in 'schuldvereffening'; | | 'beschoude' is veranderd in 'beschouwde' zoals elders in de | | tekst. | | | | In de Griekse teksten wordt in het originele werk gebruik gemaakt| | van ligaturen en andere speciale weergavetekens; deze zijn als | | normale Griekse letters getranscribreerd. | | | | Het citaat van Horatius is niet als zodanig terug te vinden; het | | originele citaat luidt 'Et dominum fallunt' in plaats van 'Quæ | | dominum latent'. | | | | '... en gingen voor toovenaren ...': mogelijk ontbreekt het woord| | 'door'. | | | | De genoemde wetenschappers zijn Jean-André de Luc, 1727-1817 | | ('de Luc' in het boek) en Jean-François Pilâtre de Rozier, 1754- | | 1785 ('Pilastre de Rosier' in het boek). | | | +------------------------------------------------------------------+