Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking
Part 5
Ik zal hier niet ophalen, al wat my al inschoot; al wat ik voor of na, 't zij terstond by den inval, het zij na er een poos aan gefatsoeneerd te hebben, verwierp; en dat, het een somtijds belachlijker dan het ander, my echter in my-zelven een soort van onderhoud verschafte, waarin ik my gelukkiger gevoelde dan ik sedert mijne aanlanding in die wareld nog gedaan had. Een voorwerp te hebben waarover men denken mag, en dat ons belangrijk genoeg is om de aandacht wel vast te houden, is zeer veel in de eenzaamheid. Maar mijn lezers zijn niet in het zelfde geval, en ik heb hun verveling te ontzien. Ik zal dus alleenlijk dat aanvoeren, wat het uitsluitsel van al die bedenkingen en overwegingen wierd. En dit bestond in de volgende punten, die ik den geleerden als gissingen voorstelle, waarop zy, behaagt het hun, nadenken mogen. Misschien zijn zy sommigen onder hen deze moeite waardig.
1^o. Dat de Noordlijke Reiziger Abaris hier aangeland en gestorven was en deze opschriften van hem waren.
2^o. Dat die Abaris een naam had, in 't Oosten bekend (het geen by een Schyt gants niet vreemd zijn kan), en dat deze naam, by de Grieken door hun uitspraak en den uitgang dien zy er, naar hunne gewoonte, aan gaven, dus als wy hem plegen te noemen, veranderd, in wezen de zelfde was met het Oostersche _Abram_, of wel, met de wortel [Hebreeuws: abr].
3^o. Dat deze Abaris niet slechts by de Grieken den naam had van door de lucht te reizen, maar ook de daad. Van waar misschien de naam _Aber_, in de beteekenis van _Vlieger_, in de Noordlijke taaltakken nog over in _Eber_ en _Adebaar_ (nu in het Hollandsch _Ooievaar_), aan hem gegeven en door hem aangenomen is.
4^o. Dat hy, naamlijk, den luchtbol, en wel niet slechts de _Montgolfiere_, maar dien met de brandbare of eene andere gelijksoortige, en ons mooglijk onbekende lucht, gekend heeft, en zich van dien bediende.
5^o. Dat de oorsprong van het fabeltjen van zijn vliegenden pijl, waar hy op reed, of, te zoeken is in het zeggen, dat hy _als een pijl_ door de lucht vloog; of wel, dat men den naam van _bol_, (_baul_), _bal_, of _bel_ (alle talen oorspronklijk gemeen), waarmeê hy zijn voertuig benoemde (by de Grieken veellicht tot [Grieks: balos], of [Grieks: bolos], of [Grieks: bêlos], gemaakt), met hun Grieksche woord [Grieks: belos] verwarde.
6^o. Dat hy op gelijke wijze als ik, op dien planeet aangekomen, by zich in zijn vaartuig eenige gereedschappen gehad heeft, die ik miste; waarvan de bijl, die een Grieksche of Oostersche gedaante had, en van zeer hard koper was[5].
[5] Dat de Oostersche Schyten koperen bijlen gebruikten, meldt Strabo, XI, 10.
7^o. Dat hy veellicht uit eenig Oostersch landschap, waar de kalkoenen inlandsch zijn, ook een paar of meer vogels met zich meêgenomen had, met voornemen om die in zijn vaderland voort te telen. En dat hy veellicht op gelijke wijze en met het zelfde voornemen de garst en nog andere vogels en zaden of granen by zich had, wanneer hy op mijn bol aanlandde: alwaar zich de vogels voortplantten, de garst in wezen bleef, en het overige met den tijd in den vreemden grond en lucht weêr uitstierf.
8^o. Dat hy door behulp zijner gereedschappen, zich daar eene woning, en akker- en vee- of vogelteelt maakte, welke echter zeer gebrekkig waren, als alleen kunnende bestaan uit de soorten die hy daar vond, of toevallig by zich had.
9^o. Dat hy, zijn voertuig misschien verongelukt zijnde, niet weder te rug kon, en zijn leven aldaar heeft moeten eindigen.
10^o. Dat hy de hem mooglijke voorzorgen genomen heeft, om door middel van opschriften de gedachtenis of kennis van dit zijn lot te bewaren en over te brengen aan den gene, die op gelijke wijze daar aanlanden mocht.
11^o. Dat hy zich hiertoe beide van de Grieksche, en van zijne eigen taal bediend heeft, en dat deze beide talen toen ter tijd de zelfde letters hadden, doch het Schytsch als het Oostersch, waarmeê het nog zeer veel gemeen had, in omgekeerde richting van 't Grieksch geschreven wierd.
Het is zeker, dat Herodotus en de verdere oude Grieken niet altijd liegen, wanneer men het daar voor houdt. Wanneer zy verhalen, dat in het Noorden de lucht dikwijls geheel vervuld is met neêrvallende vederen, 't geen het reizen aldaar moeilijk maakt, is het zeker, dat zy van de sneeuw spreken, waarvan die hun dit meêgedeeld had zich geen denkbeeld had kunnen maken dan uit vergelijkende beschrijvingen, die het uiterlijk aanzien der vlokken betroffen. Even weinig konnen zy, of die genen, van wie zy het overnamen, zich het reizen door de lucht voorstellen; maar het naaste denkbeeld was, als een vogel, of als een pijl. Als een vogel geschiedde het niet, want er waren geen vleugels by, door wier middel de opheffing geschiedde: zie daar al wat men wist. De pijl bleef dus overig, en het denkbeeld van een ingedrukte beweging als een afgeschoten schicht eigen is. Men plaatste hem dus in verbeelding op zijn pijl, waartoe zelfs de naam van zijn voertuig, als gezegd is, iets doen kon. Dit inbeeldsel was zoo belachlijk als onmooglijk; maar de bol maakte zijn luchtreis, waar van toch getuigen en blijken waren, voor hun allen even zeer onmooglijk, en veel beter nog wist de verbeelding zich van een pijl dan een bol te bedienen, om van deze vlucht eenig schijntafereeltjen te vormen. De ongeloovigheid der menschen, waarin zy bewijs van verstand stellen, is veelal niet dan een gevolg hunner onkunde. De eenoogigen van Herodotus (Arimaspen) zijn in een volk van schutters, dat zich gewend heeft het eene oog te sluiten--; de menschen met de oogen in de borst, in de zwaar gekarpoesde Eskimaux of Tsuchties--; de meermannen in de half in hun schuitjens genaaide en daarmeê in en onder het water omtuimelende ijskustbewoners weêrgevonden. Voor weinige jaren nog werd Abaris reizen door de lucht als een bloot verdichtsel aangezien. Latere ontdekkingen zullen nog meer verhalen der oudheid, waarmeê wy nog thands den spot drijven, bewaarheden. En wellicht wordt _de ware geschiedenis_ van Luciaan (hoe zeer ter beschimping, uit loutere ongerijmdheden saamgesteld) zoo de wareld slechts voortduurt, nog eens vol van zeer wezendlijke en t' eenigen tijd algemeen bekende waarheden bevonden, en hy, tegen zijn' dank, een [Grieks: alêthographos]. _Il ne faut desesperer de rien_.
Dat Abaris, de Noordsche reiziger, die uit zucht om wetenschap te verzamelen verre landen bezocht, Natuurkundige begrippen had, welke de Grieken nooit gekend hebben en die by ons nog zoo nieuw zijn, behoeft niet te verwonderen. Wat zijn onze kundigheden, dan het geen van sedert kort voor onze jaartelling uit de Grieken tot ons overgebracht was? En hoe deerlijk was de vervallen, verwoeste, en verwilderde staat van de in woedende horden verkeerde volken, afschrik van het zuidelijk deel van ons warelddeel, geworden. Een staat, die te minder verwonderen moet, als men de geweldige natuurschokken die de grond van dat Noorden blijkt ondergaan te hebben, in aanschouw neemt. De Grieken stelden er den _ouden Hof van Febus_, [Grieks: Phoibou palaion kêpon] (als Sofokles zegt by Strabo VII, 1); roemden de schoonheid der Hyperboréën[6]: en dat zy van hun, zelfs godsdienstplechtigheden hadden overgenomen, is kennelijk. Doch wat ook de Grieken daarvan hielden, kinderen in verstand en in volksouderdom, en die toch bekennen dat zy van Anacharsis (een Noordlander) den vuurslag, het anker, en het pottenbakken geleerd hebben (Strab. ib. 8.): dat oudtijds in het Noorden een machtig en zeer beschaafd volk gebloeid heeft, onmiddelijk uit het Oosten daar heen gewandeld, en dat in verstand en kennissen uitmuntende, de leeraar des overigen menschdoms geweest is, dit getuigt heel het Oosten, dat aan hen zijn beschaving en de mededeeling van de belangrijkste kennissen dankt. En dat ook dit volk Natuurkundige en Chemische kennissen had, waar van men twijfelen mag of zy de onzen niet in vele opzichten te boven gingen, maakt alles waarschijnlijk. Tot in het diepste van Indien, is niet de algemeene overlevering onder de Bramannen alleen, maar zijn de geheiligde boeken vol van een (om het dus uit te drukken) heilig ontzag voor het Noorden. Daarin wordt het Noorden, bestendig voorgesteld en met levendige kleuren geschilderd, als de zetel van welvaart en rijkdom. Daar stellen zy sedert onnagaanbare eeuwen den wonderbaren berg _Meru_, waarin _Kuvero_, de God van den rijkdom, zijn throon heeft gebouwd. De rijkheid der mijnen van het (eertijds een geheel ander aanzien hebbende) Scandinavie, mag dit laatste denkbeeld verwekt hebben; maar het bewijst, dat men, van zoo oud als dien narichten, vertellingen, en haar aanteekeningen of overleveringen heugt, aldaar deze mijnen bewerkte en sints lang met veel vrucht bewerkt had; en zoodanig een volk kon niet missen in Natuurkundigheden en Scheikundige wetenschap alle andere verre te boven te gaan; maar het kon ook, daarin gants oorspronkelijk zijnde, vorderingen gemaakt hebben, die wy, naar systemaas geleerd, die wy van Arabers en Grieken ontleenden (zelve onkundige en uit nabootsing en naprating denkende en handelende volken), niet dan na eeuwen op eeuwen, en dan nog niet anders dan door een gelukkig toeval, bereiken konden.
[6] Men zie, by voorbeeld, Kallimachus in zijnen Hymnus aan Delos. Diogenes Laërtius verhaalt, dat Pythagoras om zijne uitstekende welgemaaktheid niet slechts een _Apollo_ genoemd, maar voor den _Apollo van uit het Noorden_ door zijn leerlingen gehouden werd. [Grieks: Kai autou hoi mathêtai doxan eichon peri autou, hôs heiê Apollôn ex Hyperboreôn hyphigmenos.]
Veel ware er nog aan te merken, over de verkeerde wijze, waarop deze wetenschap altijd behandeld is geweest, en vooral over de tot in onze dagen altijd verwaarloosde beoefening der uitzettende vloeistoffen, door het welke al onze ontbindingen altijd onvolkomen gebleven zijn, en het allergewichtigst werkmiddel in de hand der natuur en in die van haar nabootster, de kunst, nutloos bleef. Men verongelijkt een beter, een wijzer, een minder vervallen menschengeslacht, dat ons op zoo groot eenen afstand, zoo reusachtig voorging, wanneer men het de onnoozele verkeerdheden aanwrijft, die in het nietige, ijdelhoofdige Griekenland of Arabie de opkomst der wetenschappen, die er niet geboren waren, of in Italie hare overbrenging uit Griekenland of Arabie, zoo vele eeuwen later vergezeld hebben. Gewis kenden zy de uitzettende vloeistoffen, die wy daadlyk gekend hebben, zoo dra wy op 't rechte pad raakten om de Scheikunde recht te beoefenen. En kenden zy die, hoe konden zy niet, daar eenige aanwending van maken op de Weegkunde? Hoe kon het missen, of een doorzichtig, een recht wijsgeerig brein moest er een middel in zien, om zich in de lucht op te heffen, en op het geleide van den wind, van oorden en landstreken te verwisselen.
Het is ongetwijfeld ook door de verwantschapping en het verband der Schei- en Natuurkundige kennissen met Genees- en Heelkunde, dat de Noordlijke volken by de Grieken-zelf in dit laatste vak zoo beroemd waren. Plato maakt daar, op meer dan één plaats, gewag van. Hy spreekt van Zamolxis Artsen, die den naam hadden de onsterflijkheid te kunnen meêdeelen, en wien het bygeloof der vertellers, by 't aanwenden hunner bereidingen of artsenyen, bezweeringen toedichtte, waar in Plato-zelf onnoozel genoeg was om de heelkracht te stellen; dan die niemand zekerlijk thands in aanmerking nemen zal.
Abaris is ook de eenige Schyt of Hyperboreër niet geweest, die de Grieksche wareldstreken bezocht. Verscheiden worden er door de Historieschrijvers der Grieken, door Dichters en Filozofen, genoemd; alle als liefhebbers van wijsheid, en verlichte verstanden. Zoodanige reizen toonen beschaafdheid en kunde by 't volk waartoe zy behoorden; en dit volk woonde diep in het Noorden, als de hun gegeven naam medebrengt. Geen wilde, reist om kundigheden op te doen. Maar de beschaafde geest der genen die van uit dit volk tot de Grieken kwamen, bewijst, op wat punt van verlichtheid en kunde, zoo wel als rechtschapenheid dit volk toen gesteld wierd. Zy boezemden alom door hunne hoedanigheden verbazing en achting in, en gingen voor toovenaren, bovenmenschlijke verrichtingen machtig.
Niets overzulks is er onwaarschijnlijks in, dat zoo my deze hachlijke reis naar een planeetbol, die in onzen dampkring met den zijnen als samensmelt, toevalliger wijze heeft kunnen gebeuren, zy ook Abaris den luchtreiziger gebeuren kon, wiens naam niet alleen als reiziger, maar ook meê als Natuur- en Scheikundige of als Arts der toenmalige tijden bekend staat. En natuurlijker wijs berust ons verstand in de opschriften die geen ander dan hem schijnen aan te kondigen.
Ik zal voorts mijnen Lezer met geenen geleerden Commentarius over deze inscriptien ophouden. Ik wil alleen aanmerken, dat de Alpha daarin voorkomende, zichtbaar de oude Fenicische form heeft, die naar het getuigenis van Plutarchus den ploegenden os afbeeldde, en nergens zoo duidelijk voorkomt: Dat er geen onderscheid tusschen de [rho] en de [stigma] is: Dat de [kappa] haar standaart niet heeft, welke dus van een later tijd schijnt, maar de omgezette Oostersche [kaf] is, als de Roomsche C: en de N de form der [pi] heeft. In een byzonder Hoofdstuk hoop ik by de nader ontwikkeling dezer byzonderheden de geschiedenis der letterfiguren niet weinig toe te lichten, wanneer ik mijn uitvoeriger reisverhaal en beschrijving in 't licht geve.
In de middelste regel van het Grieksche opschrift van 't plaatjen verbeeldde ik my ook het woord [Grieks: ODOPOROS] ([Grieks: hodoiporos]) op te maken, doch de plaats was zeer uitgevreten, en mijne lezing onzeker.
Van de tegenzijde wist ik niets uit te brengen. De taal, voor zoo verre ik iets gewaar werd, was my onverstaanbaar, en het plaatjen had daar ongelijk meer geleden.
Ik heb gezegd, dat ik my onder 't ontcijferen van de opschriften, en in het gewoel van de denkbeelden, die dit in my deed opkomen, gelukkiger vond, dan ik op mijn planeet nog geweest was. Dit ging zoo verr', dat ik, lang genoeg, my met niets anders ophield dan wat hier betrekking toe had. Ik stelde my mijnen Schytschen lotgenoot voor in zijne oprichting van de ingestorte woning en van zijne huishouding. Ik dacht om hem daarin na te volgen, terwijl ik zijn bijl op een steen scherpte, of er een boomtak mede afscheidde die ik er tot een steel in vastmaakte. Ik dacht, hoe my best van de kalkoenbende meester te maken. Ik bedacht, hoe deze weerbare vijanden te beloeren, te verstrikken, by kleine partyen aan te vallen en t' onder te brengen. Ik rekende uit, hoe velen er om moesten komen, om my heer van de overigen te maken; nam maatregelen om dezen op te sluiten, en de jongen die zy voort zouden brengen, vervolgens te voederen en daaruit een nieuw tam geslacht te vormen. Nu dacht ik my in Abaris plaats, als zijn opvolger, gevestigd, en wilde my _Abaris den tweede_ noemen. Zelfs was het my geen gering voorwerp van overleg, of ik my _Abaris_ op zijn Grieksch, dan (gelijk mijne opschriften als den eigenlijken naam medebrachten) _abra_ of _abir_ zou heeten. Indien ik geweten had hoe _de tweede_ in datzelfde Schytsch waar ik _abra_ of _abir_ toe bracht, uit te drukken, ik had ongetwijfeld het laatste verkozen als ongemeener. Nu helde ik meer tot het eerste, en [Grieks: Habaris ho deuteros] klonk my al vrij welluidend in de ooren, Maar nu schoot my in, dat de ouden de personen van éénen naam zoo niet onderscheidden. Dat dit niet _Abaris de tweede_, in den hedendaagschen zin, zijn zoude, maar _de tweede Abaris_, en een vergelijking met Abaris als met een model of voorbeeld, te kennen geven, waarmede ik veel minder gekuifd was.
Dit alles was goed en wel. Ik had daar, op een planeet waar ik geen mededinger had, koning kunnen zijn even als Adam; maar het schortte my, waar het Adam aan faalde. En hier was geen hulpmiddel voor. Mijn rijk moest als dat van mijn Schytschen voorzaat eindigen, zijne nagedachtenis in my verdwijnen, en de mijne verloren gaan. Want hoe kon ik my vleien, dat spoedig weder een ander luchtreiziger hier mocht aanlanden, en dat er met de aarde eene gemeenschap ontstaan zou. Ja was die gemeenschap-zelve wel eens zoo te wenschen voor den wareldkoning wiens eenige legermacht in het overschot der kalkoenen bestaan moest, die hy om zijn throon te bestijgen, op zeer weinige na, uit moest roeien. Deze denkbeelden kwamen niet op, of zy kregen vat by my.----En echter, altijd alleen en ellendig, hier om te komen als Abaris, de oogen misschien uitgepikt door mijn hoenders! mijn beenders voor 't minst door hen uitgepikt als zy dor wierden!----En geheel geene nagedachtenis van my!----Ja, wist men op den aardbol, daar is hy, daar leeft hy, daar woont hy, daar geneert hy zich als een klein onafhanklijk prinsjen, 't waar wel. Maar daar was ter wareld geen uitzicht op.
Ik gevoelde nu eerst in volle kracht, dat alleen voor zich-zelven te bestaan, geen bestaan is; dat men niet leeft, dan wanneer men in anderen leeft, en dezen in ons; en nu werd ik in een groote mate naargeestig. Alle lust verging my om waarnemingen te doen. Ik zag den hemel niet meer aan; ik bereisde mijn planeet niet meer. Ik raakte al meer en meer in mijmeringen verzonken, die hoe langer hoe onduidlijker waren, en van langzamerhand in een stompe gevoelloosheid overgingen, die niet afgebroken werd dan door slaap, of door 't zoeken van aardvruchten, wanneer de behoefte van voedsel my daartoe aanprikkelde.
Dus had ik verscheiden malen den aardbol vol en nieuw, en in zijn kwartierstanden gezien, en derhalve (naar de tijdrekening, op hem gebruiklijk) etlijke maanden doorgebracht; wanneer ik, zonder oogmerk of doel omwandelende, op den plek gronds kwam waar ik 't eerst aangeland was, en mijn bol en vaartuig weêrom vond. Dit gezicht wekte my hevige aandoeningen op, en ik raakte aan het schreien. De zucht om op het gemeene vaderland aller menschen, de aarde, weder te keeren, verhief zich in my. Ik zag daar geene mooglijkheid op. Echter onderzocht ik mijn bol en bootjen. De eerste was ledig, gelijk men begrijpen kan, maar had slechts een geringen scheur van niet meer dan twee vingers lengte, in een van de naden. Het schuitjen was gaaf, behalven dat de onderkielbalk er af gestoten was, het geen tot de zaak weinig deed. En, daar ik al het ijzervijlsel en al de vitrioolgeest die ik van mijn Perzianen gevorderd, maar niet half gebruikt had, in verscheiden tonnetjens, en glazene met hout overtogen bussen, by my in het schuitjen genomen had, had ik dezen deels in, en gedeeltelijk in de rondte om dat bootjen op den grond wedergevonden, en ook weder by een gepakt.----Wat (dacht ik nu) zoo ik de breuk van mijn bol herstelde, en op nieuw opging? Eens tot eene genoegzame nabyheid der aarde genaderd, zou deze my wederom tot zich trekken; en, men moet iets wagen in een' staat als de mijne is.
Het denkbeeld echter van zoodanig eenen overgang was zoo weinig klaar by my, als dat van mijn vorigen overgang naar _Selenion_. Tusschen de twee aantrekkingen opgaande, begreep ik in het punt des evenwichts (daar naamlijk waar de nabyheden der bollen hunne aantrekkingen gelijk maakten) te moeten blijven staan, en zoo had ik zeker moeten doen by mijn opgang van de aarde. Doch ik had toen mijn bol veel te licht gemaakt, en dit had my een geweldige vaart naar de hoogte gegeven, en deze vaart moest geduurd hebben tot over en door dat evenwicht van de twee tegenstrijdige aantrekkingen heen: als wanneer de aantrekking des naasten schoon kleineren bols over moest wegen. Mijn schuitjen, als zwaarder, onderging die aantrekking sterkst, de bol minder, maar hy had veellicht alreeds een gedeelte van zijn lichter lucht verloren; en het was op deze wijze dat ik was overgeraakt. Een duidelijker denkbeeld wist ik er my niet van voor te stellen; maar zoo duister en onvolkomen dit denkbeeld was, ik vergenoegde my daar meê. Ik meen opgemerkt te hebben, dat de Selenische lucht voor mijn denkvermogen niet gunstig was, en ik was in mijn naargeestigheid en verstrooiing voor geene Logische netheid meer vatbaar. Ik was, zonder zelfs my veel te bekommeren of ik de zaak wel dan kwalijk begreep, tot het waagstuk gereed, zoo ik 't vullen van den bol op nieuw in het werk kon stellen. Wat ongeluk toch, zoo ik omkwam? Zoo te leven, was in der daad geen leven, dat eenig genoegen meer had of hebben kon. En beter, door een halsbrekenden val uit de hoogte verpletterd, dan door de ontzetlijke langzame dood eener krankte, of, by eenig toeval van verlamming, door den neep des hongers verteerd!
Ik ontrafelde dan een lap van mijn kleed, en zocht kleine dorentjens om voor naalden te dienen. Het was een werk van geduld, en dat my ten hoogste onhandig afging, den geopenden naad van mijn bol weder te heelen. Het gelukte. De stof was zeer vochtig, en de bol werd in de hoogte in zon en wind te droogen gehangen. Nu zocht ik naar eenige klevende taaie stof. Ik vond niets dan een soort van smerige of vetachtige lijm van een moeras. Met dezen bestreek ik, tot meerder zekerheid, zoo dezen vernieuwden als de overige naden. Ik begreep, dat het gelukken mijner reis van de snelheid der vaart in het opgaan moest afhangen. Dit deed my zoo veel ik maar kon, van de zwaarte van mijn schuitjen verminderen. Het had den kielbalk onder den bodem verloren: de ribben naamlijk zaten slechts in een dunnen balk, welke met dezen versterkt was. Ik brak nu het tafeltjen met de twee zitplaatsen af, nam den vlakken bodem uit, waar onder ik by mijn eerste opgaan, de ballast had willen vastleggen. Van den voor- en achtersteven kapte ik weg wat ik kon, en stelde daarvoor slechts een soort van horde, uit lichte takken bestaande, in de plaats.
Nu begon ik te overleggen of het my raadzamer ware, mijne oprijzing te doen op een plaats waar ik de aarde in het zenith had dan waar niet. Dit problema hield my langer op dan het verdiende. Ik wilde de aantrekking des aardbols: de kortste lijn tot den aardbol was derhalve my dienlijkst. Maar het scheen my aan den anderen kant, dat eene aantrekking, die eenigzins zijdelings werkte, mijne omwending beter en geregelder uitwerken moest. Ik bleef dus voor de oplossing staan, en besloot eindelijk om daar op te gaan, waar ik was, en daartoe zonder verder uitstel het tijdstip van morgen te nemen. Dus namelijk, had ik my aangewend de tijd van ontwaking te heeten, na dat ik geslapen zou hebben. En zoodanige tijden van _morgen_ vielen er naar mijn gissing tusschen de dertig en veertig in den natuurlijken dag van mijn planeet. Zy waren zich ongelijk, daar zy bloot door mijne behoefte van rust geregeld wierden, die van velerlei oorzaken afhing.