Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking

Part 4

Chapter 44,123 wordsPublic domain

Wanneer ik my op mijn vorig reisjen, in het gebergte bevond, en de lust opvatte om de nacht op te zoeken, had ik my van de zon afgekeerd, en in die richting, zoo veel de grond toeliet, mijn weg genomen. Ik was vervolgens te rug gekeerd, maar de aardbol was toen mijn leidstar geweest, en een geheel andere weg had my onder zijn meridaan of laat ik zeggen, hem in mijn zenith gebracht. Maar de plaats, waar ik den aardbol als in 't zenith geplaatst kon beschouwen, was om zijne grootte, by zijn afstand niet zeer bepaald. Ik had dus het plekjen, waar de overblijfsels van mijn luchtvaartuig te vinden waren, niet weder gevonden, en wist niet, hoe het ooit weder te vinden. Het ware natuurlijk, ten minste verstandigst geweest, daar naar om te zien, en mijne eerste stappen aan te wenden om dit weêr te ontdekken, en dan eenige maatregel te nemen ten einde die overblijfsels die daar op het veld in den vochtigen nevel of waassem vergeten lagen, en door wie alleen, zoo de zaak ooit te wagen was, mijn te rug reis naar de aarde geschieden kon, op wat wijze dan ook, voor het spoedig bederf te bewaren. Maar dit kwam niet by my op. De stand van den bol was nu, als by mijne aankomst van de aarde. Ik was toen rechtsaf gegaan, en nu wilde ik daartegen de linkerhand volgen. Ik had een deel van de helft des bols, die naar de aarde toegekeerd was bezocht, nu wilde ik de andere helft zien aan te doen, alwaar ik veellicht heel iets anders dan struissen en eenden ontmoeten kon.

Inderdaad verbeeldde ik my de mooglijkheid van iets zeer ongemeens. Ik had in mijn jongen tijd eenig werk van de Oostersche talen gemaakt, en by die gelegenheid met de schriften van ouder en later Rabbynen bekendschap gekregen. Bekendschap, die ik, zeker (als 't gaat) weinig heb aangekweekt, maar waar uit my echter altijd nog denkbeelden en herinneringen door den geest bleven waren. Ons oordeel over de zaken verschilt naar de omstandigheden waarin wy zijn. Het is met de denkbeelden als met kamermeubelen. Wanneer wy ze niet weten te plaatsen waar zy voegen, of er geen gebruik van zien te maken, zoo brengen wy ze op den zolder, en vergeten ze. Daar raakt dan wel eens iets verloren, en het zeggen van den Dichter wordt bewaarheid:

_Exilis domus est, ubi non et multa supersunt, Quæ dominum latent, et prosunt furibus._

Deze dieven zijn tijd en volstrekte vergetelheid. Doch, ontstaat er iets, waar door wy gelegenheid vinden of nemen, om een ledig vakjen te meubileeren, of een vertrek anders dan eerst te stoffeeren, zoo worden zy voor den dag gehaald, geboend, en opgekuischt, en zy worden ons door de plaats die zy nu verkrijgen, van belang en waarde, schoon ze ons eerst in den weg stonden.--Onder het geen my in vroeger tijden als eene belachlijkheid voorkwam, was het gevoelen van eenige dier Joodsche Geleerden, dat het Paradijs, by de omwenteling des zondvloeds, van den aardbodem weggenomen en op zekere hoogte in de lucht was gevestigd en daar nog bestond. Men heeft dit gevoelen in de Geologische stelsels somtijds aangevoerd als eene bevestiging dat het paradijs op een hoogeren grond dan de tegenwoordige aardbodem gelegen had, maar die door den zondvloed verzwolgen is. Thands kwam het by my, als een stem uit de diepte of een licht uit den afgrond, weêr op, en te gelijk het denkbeeld: Zou ook op een dezer ondermanen het paradijs kunnen zijn? zou een van die ook dat afgescheiden brok des eersten aardbodems kunnen zijn, niet (als het overige) verzwolgen door den watervloed, maar van den rotsgrond, waar het paradijs op geplant was, losgebroken? En zou het ook misschien op dezen zelfden bol waar ik my nu tegenwoordig bevinde, bestaan?---Zoo ongerijmd het my-zelven voorkwam, iets dergelijks te stellen, zoo bleef het my echter door 't hoofd malen; het hield mijne inbeelding bezig, en dreef my, als ware 't, mijns ondanks, om toch mijn planeetjen wel en ter deeg te doorzoeken.

Ik had tot dus verre geen voetspoor of schijn van iets dat menschen kon doen vermoeden, ontwaard. Ik had geene verslindende dieren gezien, maar alleen onschadelijke soorten. Ik ging dus in de allervolmaaktste gerustheid op weg, overkruiste eene bergrij en eene breede vlakte daar achter, waar ik overvloed van aardvruchten vond, en eenig geboomte dat my nog niet was voorgekomen; maar mede onvruchtbaar, anders dan van een soort van stakkelbezien, en met een byzonder ras van torren of kevers bezet. Ik had my nu een stok afgesneden, ten einde de diepten des waters te kunnen peilen; nadien ik my voorstelde, dat verscheiden meertjens die ik telkens ontmoette, wellicht waadbaar zijn mochten; in welk geval ik begreep vele omwegen te kunnen afsnijden. Ik vond my echter bedrogen, en nergens zoodanige doorgaande en gelijkmatige ondiepten als waarop ik my wagen dorst. Nu stapte ik een opgehoogd en geëffend pad, als het scheen, op, doch waarvan my echter het byzondere niet in het oog viel, en ik kwam na een kleine bocht, tusschen struiken en heesters en eenige grootere dikgestamde boomen door, op een soort van hoenderwerf als het zich aan liet zien, waar een menigte van kalkoenen, graauw van gevederte, door elkaâr liepen.

Naauwlijks had ik hier eenige voetstappen gedaan, of een geweldig geschreeuw ging van het midden van dit gevogelte uit, en een goed deel viel stout op my aan en beet my verwoed in de beenen. Ik sloeg hen af; maar nu vlogen zy alle, met uitgebreide vlerken, van alle kant toe, en ik voelde my te gelijk in het aanzicht, van voren, van achteren, over het geheele lichaam en aan alle leden, zoo wel met hun nagels als snavels besprongen; en dit, onder een oorverdovend getier dat my vreemd was, en zeer van de stem dezer dieren by ons verschilde. Ik zwaaide met mijn stok dapper in 't rond, maar de aanranding was zoo algemeen, zoo heftig, en zoo onverwacht, dat ik onder hun woede geloofde te moeten bezwijken eer ik de helft van hun, buiten gevecht kon stellen; en daar ik verre de grootste menigte voor my had, keerde ik my om, om door de genen, van wie ik van achter bloedig in den nek en kuiten gebeten wierd, heen te slaan, en my dus een te rug tocht te maken.

Ik stroomde, van 't afloopende bloed uit mijn wonden, die zelfs op mijn borst door de kleederen heen het vleesch opgescheurd hadden; overal was ik van kneuzingen bedekt: ja, geheele vlokken hairs, van mijn baard uitgerukt, hingen my hier en daar in de plooien der kleederen. Ik schaamde my voor my-zelven, door kalkoenen verjaagd te zijn. Maar my docht, hier moest meer achter schuilen; en ik week ter zijde, baadde my, en strekte my uit in de groente, waar ik een geruimen tijd toebracht, alvorens ik mijn leden volstrekt tot mijn wil kreeg.

De zwelling en pijn was genoegzaam verdwenen, en er bleef my, by de lidteekens, die ik altijd behouden zal, (die nog rood waren,) voor 't overige een geweldige stramte, wanneer ik besloot om dit oord der kalkoenen van rondom waar te nemen, en uit te vorschen, wat van deze belachlijke maar gants niet verachtbare krijgsmacht toch zijn mocht.

Ik vond een van rondom rijzenden grond, tusschen heuvelen ingevat, die met de zoo even gemelde stakkelbezien zeer dicht omzet waren, en geen anderen open toegang verleenden, dan dien waar uit ik te rug was gedreven. Ik wilde my eerst door het uitrukken van eenige dier heesters een weg maken, maar vond het ondoenlijk door gebrek aan alle gereedschap; te meer, daar de stammen en takken met dorens bezet waren, en de uitgestrektheid van de diepte waarop zy stonden te groot was, dan dat ik het met eenige vrucht ondernemen kon. Ik besloot dan, een niet wijdgelegen rotsachtigen berg te beklimmen, of ik van daar in de omperking, door de heuvelen ingesloten, eenig inzicht mocht hebben. Met veel moeite besteeg ik den ruwen en weinig begroeiden steenberg, en bloosde, dat de vrees van door kalkoenen mishandeld te worden, my dien arbeid kostte. Dan, ik drong my op, dat het dit gevogelte niet was, maar de plicht van voorzichtigheid, die my drong om wel toe te zien, wat my uit eene zoo besloten natuurlijke verschansing, maar die wel door kunst voltooid kon zijn, en die vooral niet het voorkomen had van aan louter kalkoenen toe te behooren, onverhoeds opdagen mocht.

Ik zag van de rots werklijk een hoek der onbeperkte vlakte, en aldaar koren, te veld staande, waarin en waaromtrent het van deze vogels krioelde. Dit koren geleek op dien afstand naar gerst. Of het daar natuurlijk groeide en dit soort van hoenders zich daar, om dit voedsel, gezeteld had, dan of het gebouwd, en voor hun gebouwd was, kon ik niet onderscheiden, maar het eerste kwam my het waarschijnlijkst voor. Blijken van hutten of menschenbewoning zag ik er niet.--Ik oordeelde 't voorwerp, niet belangrijk genoeg, immers niet dringend genoeg, om er my langer by op te houden en ging voort.--Afklimmende, zag ik op eenigen afstand een rook opgaan. Hier dacht ik nu menschen te vinden. Ik was, eer ik het wist, aan de plaats; maar het was een rook uit den moerassigen grond opgaande, die zwavelachtig stonk, en vrij heet was; en ik verwijderde my van dien plek.

Nu zag ik de zon na aan den zichteinder, en vond dus de nacht spoediger nu ik tegen de zon ingegaan was, dan ik langs den anderen weg gedaan had, waar op zy my achterhaalde, en vooruit ging. Dit was my nu klaar, door de kromte der loopbaan die mijn bol beschreef, en waardoor het punt dat naar de aarde gekeerd was, zich in het tweede vierde deel van dien cirkel naar de zon toewendde, de haar nadere punten afkeerende. Ik zag schemering, duisternis, maar dit in een oord, niet naar de aarde gekeerd, en waar dus de nacht donker was, haar verlichting ontbeerende. Ook de maan was aldaar niet zichtbaar, want zy was zoo verr' niet vooruitgeschoten dat zy op dit deel eenig licht had kunnen werpen, zijnde haar duister gedeelte derwaart gekeerd, en zij in haar parahelischen halven cirkel. De duisternis was dus aaklig. Ik zag nu de starren flikkeren en herkende hare beelden; maar alles was niet te min vreemd voor my daar de Noordpool my faalde. Ik kon my niet _orienteeren_ als men zegt, en had geen behulp van werktuigen. Ik verdwaalde met het oog in den hemel, die eene andere beweging had dan ik gewoon was, en alles werd verward voor mijn geest. Men begrijpt licht, dat ik nooit sterk in de oefening van de Astronomie was geweest, noch er my eigenlijk meê had opgehouden.

In die volle duisternis te willen voortwandelen om waarnemingen nopens het land te doen, zou dwaasheid geweest zijn. Daar was niets by te winnen. Ik nam het besluit, naar het daglicht te rug te keeren, maar mijn weg zoo veel 't wezen kon, langs den boord der schemering te nemen, het geen my door nieuwe velden moest brengen, en waarby ik mijn pad aan de linkerhand liet. Intusschen werd ik toen ook een soort van vleêrmuizen gewaar, die, het schijnt, aan het ander gedeelte des bols, waar de nachten zoo helder zijn van het schijnsel des aardbodems, niet gevonden worden, maar hier by de dieper duisternis t' huis zijn.

Ik had dan mijn weg in deze nieuwe richting ingesteld, en volgde die, (als ik plach) met verpozingen, waarin ik my nederzette om uit te rusten, en somwijlen insluimerde. Sints lang nam ik de voorzorg niet meer van een bedtentjen op te rechten, maar wanneer de slaap my beving, was de bloote grond mijn leger, meest overal door de natuur-zelve met kruiden gespreid; en de bolle wind, die ik altijd gelijkmatig vond woei over my heen. Vijanden of bespringers duchtte ik niet, en zelfs, had ik niets dat ik vreezen kon te verliezen. Wat mijn voedsel betreft, zelden was ik lang zonder aardvruchten weêr te vinden, en ook de onrijpe waren eetbaar, en hadden iets van de kastanjes, doch minder hard zijnde. Echter droeg ik er altijd eenige by my, in den doek geknoopt, die my eenmaal voor wrong om mijn tulband diende, en dien ik nu om mijn middel wond. Ik had daar mijn mes by, of het stak in mijn gordel; en mijn stok was in mijn hand. Mijne Perzische pantoffelen waren lang doorgesleten, maar mijn voeten hadden zich door het gaan, zonder mijn kosten, met eelt verzoold. Mijn kruik of fles (want zy had een lange hals en was van palmhout gedraaid) hong my aan een koord over de schouder, nu eens op de rug wapperende, dan aan mijn linker heup, dan over den arm. Nu en dan baadde ik my in de plassen of meeren die ik overal op mijn weg vond, en dit gaf my by de vermoeidheid de meeste verkwikking: doch ook dan behoefde ik voor mijn kleederen niet beducht te zijn. Overreed van het eenig menschelijk schepsel te zijn in een land, dat ook geene verslindende of anders gevaarlijke dieren bevattede, was ik voorlang t' eenen maal zorgloos geworden, en ofschoon de ontmoeting met de kalkoenen een zonderlingen indruk op my gemaakt had, en my ook wel eenige achterdocht deed ontstaan, of er niet wellicht menschlijke bewoners in den omtrek zijn mochten, ik had nog niet weder gedacht om my te bedekken. Thands echter, ik weet niet door welk eene oorzaak, viel het my in, en, zonder eenig besef uit wat hoofde, ving ik aan, eenige takken af te snijden. Doch het was tot mijn groote schade en leedwezen; want ik brak er mijn mes op, en had toen geen ander werktuig meer, hoe genaamd, waar ik iets meê kon doorsnijden. Ik begreep nu eerst recht het belang van dit zoo eenvoudig gereedschap, wond de stukken in mijn doek, en nam voor, naar een bekwamen steen te zoeken, dien ik tot een mes of een bijl slijpen mocht: dan, daar het hout dat ik vond, uitermate taai was, en zich niet door liet breken, moest ik van het toestellen eener slaapstede afzien. Ik deed dus, en sliep ook in zonder my te bekommeren.

Ik ontwaakte door een onaangenaam gevoel van knijping in den arm en in 't aangezicht; en terstond zag ik een' mijner vijanden; een zeer donkergraauwen kalkoen, die op mijn borst stond en stout op my inpikte. Ik bewoog my zoo dra niet, of hy was van mijn lijf: hy keek my boos aan, vloog op, scheen zich te bedenken, vloog achterwaarts, en stapte voorts met een fieren tred, en nu en dan omziende, van my af naar een kleine hoogte, daar niet verr' van afgelegen. Ik begreep nu, aan de andere zijde van het kalkoenenrijk te zijn, waar ik kort te voren zoo wel onthaald was geworden. Ik stond een poos in beraad wat te doen; had geen trek, om my andermaal dat geheele leger op 't lijf te schennen; maar was echter brandend om dat verblijf van een anderen kant te beschouwen. Ik besloot dan, het beest zachtkens en op eenigen afstand te volgen. Ik deed zoo, en zette my by dien heuvel, die my voorkwam uit gevelde boomstammen, die deels zelfs in de rondte behouwen waren, brokken steen, en aarde te bestaan, en dus eene lang begroeide en oude ruïne aan te wijzen, die gewrochten van menschlijke handen te kennen gaf. Alles echter lag vast in een, en was door de lucht derwijze vergaan dat er niets stelligs uit op was te maken. Ik stiet met mijn stok in dien hoop; en na dit etlijke malen, nu hier, dan elders gedaan te hebben, klonk er iets, als of men op metaal stiet. Ik wroette zoo wat in die opening, en daar kwam een verroest stuk koper voor den dag, het geen, hoe verknaagd en misvormd, echter duidlijk de gedaante van het blad van een bijl had. Wel bezien bleek het dit inderdaad, en volkomen te zijn. Deze vond was van groot gewicht voor my: ik eigende my dit stuk gereedschaps, en wroette voort, nu met mijn stok, dan met mijne handen en nagels; maar het was zonder eenig verder gevolg, dan dat ik met het afkrabben van eenige door- en overwortelde aard, de punt van een kennelijk vierkanten schoon genoegzaam verrotten en zich in splinters of vezels verdeelenden balk van geringe dikte voor den dag deed komen. Te vergeest wenschte ik om een spade of houweel; en alles zat te dicht en te stijf op een gepakt om door my verwrikt te worden.

Ik ging het heuveltjen om, en zag daar in de laagte twee of drie kleine vogels, die ik niet wist of ik voor by uitstek schrale en kleine hoenders moest houden, dan voor iets anders, op iets wits pikken het geen uit de aarde of groente scheen uit te steken. Ook dit trok mijn nieuwsgierigheid, door de vorige ontdekking ontvlamd geworden. Het was, zoo ik dra bemerkte, de knokkel van eens menschen dijbeen, zeer wit van de lucht uitgebleekt, half vergaan, en als verkalkt. Het been-zelf lag hellend, met de geleding der knie opwaarts gestoken. De schenkel met de knieschijf, een overblijfsel van 't kuitbeen, en een stomp van den voet, waar de teenen en het meest van den metatarsus aan ontbraken, lag wat lager, meest bedekt door kleine heesterplanten daarover gewassen. Ik trok de struiken en planten rondom uit, en het geheele geraamte ontdekte zich dus, vrij volkomen wat de deelen of leden betrof, doch, even als de geleding des dijbeens, krijtachtig wit, en meestal geheel sponsachtig geworden; ook op vele plaatsen met een fijn mosch begroeid. Daar ik 't omkeeren wilde, brak de ruggegraat in haar wervels af, en de ribben stortten in, met het borstbeen en de sleutelbeenen. Doch by dit breken rammelde iets, dat wederom metaalachtig klonk. 't Was een koperen plaatjen, door de roest zeer afgeknaagt, maar dat kennelijke overblijfsels van letters of naar letters gelijkende teekens droeg. Meer kon ik hier niet ontdekken; doch van eenige der zwaarste boomstammen die ik tot nog gezien had, en die daar by één stonden, was op gelijke hoogte niet slechts een goed deel van de schors, maar het hout daar binnen tot op een derde der dikte uitgekapt, en ik zag daar ook sporen van letters op. Vele dier boomen stonden dood in den grond; anderen lagen omgeworpen; eenige droegen een verouderde en zeer schrale kruin. Mijn zucht om dit na te sporen groeide. Ik streek met de handen en met den gevonden bijl over deze vlakte of uitholling der boomen, om er het mosch en de kleine takjens die er zich opgezet hadden, van af te vegen. Doch het grootst gedeelte der oppervlakte was week, en tot dieper dan de insnijding verrot. Op slechts weinige plaatsen had de ingesneden grond zoo veel vastheid, dat zy zich samenhield. Ik zag dus op den eersten boom by het lijk Grieksche letters van een zeer oude form, en die my woorden schenen op te leveren en ik las:

[Illustratie]

de overige schrappen verdwenen. Op den tweeden boom las ik [Illustratie], niets meer. En op de vijf overigen (want het waren er zeven die dus uitgekapt waren) was niets overig dat zich herkennen liet. Ik maakte hiervan:

[Grieks: xene (xeine), tis an eiês hos.....]

_vreemdeling, wie gy zijn moogt, die..._

Dat dit [Grieks: tis an eiês] slecht Grieksch was, bekommerde my niet: het behoefde geen taalkundige te zijn die het gesneden had. 't Was genoeg, docht my, dat het iemand was, die een vreemdeling, welke daar aan mocht komen, iets had willen meêdeelen.

Het geen dit behelsde was weinig, maar ik trok er groote gevolgen uit. 't Scheen my nu zeker genoeg, dat ik in dit oord van den bol ten minste, en hoogst waarschijnelijk nergens, geene menschen vermoeden mocht. Iemand, die, daar gestorven, aan een vreemdeling, wien het geval na verloop van eeuwen derwaart moest voeren, een bericht wilde nalaten, en ook in dit tijdverloop niet ontdekt en naar de algemeene menschelijkheid begraven geworden was, was daar zeker alleen, en hy vond zich op een land van geen menschdom bewoond; het zij dan dat dit land geen menschenvaderland was, of dat het door een der ontzachlijkste omwentelingen ontvolkt geworden mocht zijn, en dees doode zijn geslachtgenooten overleefd had. Dat hy daar alleen geleefd had, en zich eene woning, een akker, met eene omperking voor gevogelte gebouwd had, kwam my voorts zeer waarschijnlijk voor; zoo wel, als dat het graan zich daar zelf had voortgeplant, en 't gedierte na zijn dood verwilderd geworden was, schoon het, van een tammen aart zijnde, zich by een, en aan een plaats waar het zijn voedsel vond en gewoon was, bleef ophouden. Het had mogelijk om het bezit van dit erf en het graan dat er groeide, alreeds dikwijls met de struissen of eendvogels gevochten, en my in het zelfde daglicht beschouwd en als roover en vrijbuiter afgekeerd.----Maar wat had alle sporen van menschen zoo geheel kunnen verdelgen, en dien eenigen kunnen doen overblijven?----Het was waar, ik had den geheelen bol niet doorzocht; maar ten minste een groot gedeelte; vooral, waar menschen woonden, daar moesten zich wijd en zijd blijken van hun aanwezen opdoen: vooral, daar noch koude, noch overmatige hette, noch moeielijkheid van gebergten, ja niets, hunne verwisseling van verblijf of hun doorreizen verhinderde.---Alleen mocht ergens in een groot meer, eenig eiland besloten zijn, waaruit zy zich niet begeven konden, het zij by gebrek van boomen of verstandelijk doorzicht; en van daar kon die doode afkomstig en door eenig onnagaanbaar toeval over het water gebracht zijn.--Maar die doode schreef Grieksch--wist den bijl te hanteeren--gaf door die omsluiting en het geen uit de gevonden ruïne besloten kon worden, een bewijs van beschaafdheid, grooter dan by dus bepaalde eilanders van een meertjen te stellen was.--Dit verbijsterde my.----Honderdmaal drong ik my op, dat het geen ik voor Grieksche letters gehouden had, vormlooze en niets beteekenende schrappen waren, door de lucht, door gewormte, en wat niet al, in de boomen veroorzaakt.

Nu zette ik my om het koperen plaatjen met alle my mogelijke opmerkzaamheid te beschouwen. Dat mijne gedachten te vlug waren om hierbij stil te staan, moet hier niemand verwonderen, die den aart van zijn geest kent, en weet welke de drift is, waar meê de verbeelding als voortbruischt, wanneer zy, eens met een geliefd voorwerp bezig, zich een nieuw open ontsloten ziet, waar zy door wil breken. Alsdan wacht zy den geleibrief noch de reiskaart des verstandigen overlegs niet af, noch het geen haar op den tocht die zy aangaat, het noodigst zal zijn. Ongelaarsd, ongeschoeid, vliegt zy voort; maar het is om, by de eerste hindernis van den weg, neêr te storten, of op hare treden te rug te komen.--Ik onderzocht dan het koperen plaatjen.

Het was, hoe zeer door de roest rondom afgevreten en ongelijkvormig geworden, van eene langronde gedaante, en had nagenoeg de groote eener handpalm. Daar was een oogjen of gaatjen in, als ware 't, om een snoer door te trekken, en ik twijfelde niet, of het was geschikt om het op de borst te dragen. Ik hield het dus in het eerst voor een _amuleet_, of, gelijk men in 't Oosten zegt, _talisman_. Ik wiesch het zorgvuldig af, krabde de verhevenheden van het spaangroen daar af, voor zoo verre ik dit met mijn nagels vermocht, en niet schroomde zoo veel van de oppervlakte weg te schrappen, dat de letters daar mede verloren gingen. 't Was aan beide zijden beschreven, of liever diep ingekrast, hier en daar als ingehouwen, elders meer oppervlakkig als ingevijld; en alles droeg het voorkomen van blijken zoo van het gebrek aan bekwame werktuigen voor dit beschrijven, als van het belang dat men moest gesteld hebben in er kennelijke en duurzame lettermerken in te groeven. Beide zijden hadden de zelfde soort van letters, en deze letters kwamen overeen met die van de opschriften der boomen: beide hadden onder het oogjen dat voor het snoer scheen gediend te hebben, de letters

[Illustratie]

en lager, twee en een halve regel, waar van ik aan de eene zijde niets maken kon, doch die aan de andere dit opleverden:

[Illustratie]

Het geen ik met uitlating van het onvolkomen woord in de middelste regel, dus las:

[Grieks: Abr, ho kaloumenos Abaris..... houtos egô.]

_Abr, die genoemd wordt Abaris... deze (ben) ik._

Nu dacht ik dadelijk aan den Hyperborischen Abaris, die voor derdhalf duizend jaren (zoo de Chronologie in dit punt juist is) in Griekenland gereisd heeft, en wien men den naam gaf, dat hy op een pijl door de lucht reisde.--Deze hier! Dit gaf mijn verbeelding een nieuw en een vruchtbaar veld om door te draven, en zy was niet traag om het zich ten nutte te maken.