Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking
Part 3
Ik had my opgedrongen, geslapen te hebben, en een nacht ondersteld, maar er geen gezien: Ja, in tegendeel, altijd den zelfden zonnestand waargenomen. Nu overtrof de tijd dat ik, zonder mij met iets anders bezig te houden, op de nacht gewacht had, zeer zeker meer dan een etmaal, en ik schatte hem wel op twee dag- en nachtwisselingen. Ik moest dus besluiten, dat ter plaatse waar ik my onthield gene nacht viel. Ik kon echter niet buiten den poolcirkel zijn, want de koude was my niet hinderlijk, ook was het het boven den horizont blijven van de zon en maan niet alleen dat my wonderbaar was, maar zy beschreven geen zichtbaren loop. Ik was als betooverd, verzonk in gedachten, lei my neêr op den grond; en waarschijnlyk duurde 't nog wel den tijd van een dag of meer, dat ik nu eens inslapende, dan weêr wakker, en al telkens op nieuw het gezicht op twee hemellichten vestigende, in dezen mistroostigen staat, vol van angst en twijfel bleef voortleven, en intusschen het geen ik nog had, verteerde. Eindelijk, de nood dwong my, en ik moest my vermannen om den eerstbegonnen tocht te hervatten, waarvan mijn behoud afhing. Wat ik wonderlijks zag, moest ik opgeven: dit zou zich veellicht nader verklaren; voedsel was de hoofdzaak en dringendst, en dit moest ik zoeken; daarna, menschen. Wat was my het overige?
Ik ging dan andermaal den weg van 't gebergte op.--Ik was eenigzins wild in het hoofd, vond dat de lucht my de borst belemmerde, 'tgeen ik aan het doorgestane op mijn zonderlinge reis toeschreef, en het denken vermoeide my zoo wel als het gaan: ook waren mijn denkbeelden verward, als die van een kind, voor het eerst een schouwspel bywonende, waar hem tooveryen en spookvertooningen voor het oog gebracht worden, waarvan hy niet weet wat te maken of te gelooven.
Het zou te wijdloopig zijn, hoe ik mijnen eersten weg met een stouten stap en op alles achtgevend gezicht hervattende, tot de ontdekking kwam van een aardvrucht, die in de dalen vrij algemeen onder den grond wies, en om welke op te sporen en op te delven de veelvuldige gaten die my eerst konijnholen schenen, door de dieren gemaakt werden. Ik zal by 't uitvoerige bericht, het welk ik my voorstelle van mijn reis door die wareld in 't licht te geven, deze vrucht nader doen kennen, zoo wel als het geen my verder omtrent het plantwezen, en de overige natuurrijken, heeft mogen gebeuren waar te nemen. Thands vergenoege ik my, met te melden dat dit voorbrengsel, na dat mijn geringe reisvoorraad op was, mijn eenig voedsel heeft uitgemaakt. De ontdekking was vertroostend voor my. Ik vond de spijs flaauw, maar niet gants onsmakelijk, en kon er my meê onderhouden.
Het gedierte was schuw en vlood voor my. Ik verraste een der struisvogelen, gelijk ik ze om het algemeen beloop hunner gedaante blijf noemen, schoon hun snavel geheel van die der struissen verschillend, zwaar beenig, en van een lepelaarachtige vorm, doch minder lang dan by die soorte, en eenigzins naar boven gekromd was. Hun hals desgelijks was dikker. Ook hun klaauwen verschilden aanmerklijk van die van 't geslacht waarvan ik den naam op hen toepasse. Doch zy vlogen volstrekt niet, alleenlijk somtijds een sprong doende, waarby zy hun vleugels dan uitbreidden. Hun kleur was een blaauwachtig graauw; en deze was ook aan al het overig gevogelte dat ik in deze wareld beschouwd heb, met eene geringe verscheidenheid tusschen lichter of bleeker, en meer of minder naar 't blaauw trekkend, gemeen. Dien ik mijn gevangen maakte, stond in dat oogenblik met het hoofd en de hals verr' in de aarde te boren. Ik doodde, en gedeeltelijk plukte, gedeeltelijk vilde ik hem. Maar ik had geen vuur. Dit trachtte ik wel door het tegen een wrijven van schorsen, of stukken houts, die ik van de boomen sneed, voort te brengen; maar het mislukte my, op welk eene wijze ik het ook bezocht. Ook was al het hout dat ik afsneed, tot dit einde te vochtig, en er scheen alle harstachtigheid aan te ontbreken. Ik besloot toen, mijn prooi in den wind te droogen, en hing hem op een plaats, die my daar geschikt toe scheen, over een dorren boomtak: dan nooit wist ik die plaats weder te vinden. Van de eendvogels kon ik er geene machtig worden. Naderhand vond ik aan de oevers der meeren een zekere schelpvisch, maar ik vreesde die te eten, zoo lang ik niet gezien had dat dieren die aten, en dit heb ik by mijn verblijf op dien grond niet ontdekt.--Doch ik moet by mijn aangevangen tocht blijven.
Ik verlangde, als natuurlijk, naar zoet, en, zoo wy het gewoon zijn te noemen, drinkbaar water. Rivieren vond ik niet, zoo men op eene enkele plaats eene opborling van een meer dan laauw, stinkend, onzuiver water, dat een eind weegs langs een hellenden grond afvloeide, en daar staan bleef, uitzondert, en dit dien naam dragen kan. Mijn dorst echter was lijdelijk, wanneer ik my tusschen de bergen in de laagte bevond. Op de hoogten vermeerde zy zeer aanmerklijk; en dit dreef my telkens naar de valleien. Ik merkte dit naauwlijks op, of ik nam tevens waar, dat alles tot zekere hoogte in een waterdamp stond, dichter dan die men by ons in de zomer- of herfstavondstonden op de weiden gewaar wordt; en dien damp heb ik altijd en zonder afwisseling op den grond gezien. Ik had echter noodig te drinken, en moest my dus met het water der meeren behelpen; doch allengs gewende ik, zeldzamer te drinken. Van de dieren heb ik wel baden in 't water, doch geen kennelijk drinken gezien. Voedsel dat dorstverwekkend was vond ik ook niet, zoo min als dat dorst versloeg. Hoe zeer aan alles gewoon wordende, heb ik echter nooit eene hoogte van slechts weinige vademen kunnen beklimmen, of de dorst werd my lastig, en al spoedig onverduurbaar. Aan eenige struiken en heestergewassen vond ik een soort van bezien met een taai vocht, maar met kleine wurmen vervuld, en deze boomtjens zeer sterk met kruipend gedierte beladen, de grootsten van een halve vinger lengte. 't Scheen my naderhand toe, dat de boomgewassen alleenlijk voor het kruipend gedierte, de aardvruchten voor de vogelen waren: viervoetige dieren vond ik niet.
Daar ik in de dieren geen roovenden, vleeschetenden, of beschadigenden aart kon bespeuren (want noch de bek, noch de nagels droegen daar eenig bewijs van), en de kruipende beestjens zich even zoo zeer op hun heesters als de schelpdieren in 't water schenen te houden, verging mijn bevreesdheid, en ik lei my, vermoeid zijnde, onbekommerd neêr; waar ik dan ook doorgaands insliep, en, na de verkwikking des slaaps, mijnen weg vervolgde. Aardvruchten vond ik alom, en meestal wezen de gemaakte holen in den grond my den weg, waar zy rijklijkst en rijp waren. Ik had voor het overige een fles met water gevuld, dat ik spaarzaam gebruikte. Zijn brakheid beval het den smaak niet sterk aan; ik ontwendde het drinken meer en meer; ik vermijdde de dorre hoogten, en hield my in de vochtige laagten; ik voegde daar een veelvuldig baden by; en mijn fles duurde lang.
Geen dieren schenen op elkander te azen. My ook verging dra de lust naar het vleesch, en zoo ik somtijds den inval kreeg om te zien, dat ik eenig gedierte verstrikte of ving, bedacht ik dat de prikkelende dierlijke geesten my dorst mochten verwekken, waarvoor ik zeer vreesde. Ik begon dit land te beschouwen als niet geschikt voor het vleescheten. Alles had den schijn en het voorkomen van dit aan te kondigen, en ik onthield er my van, zonder enig gevoel van ontbering.
Somwijlen dacht ik, zoo de dieren elkander niet eten, wat wordt van hun lijken; en ik nam voor, aan dit voorwerp eene bijzondere opmerkzaamheid te geven. Ik vond genoegzaam geen lijken van de struisvogels dan onder de heesterstruiken, waarvan ik gemeld heb, als of zy hun tijd uitgeleefd hebbende, zich daar eene sterfkoets zochten. Van de eendvogels geene lijken in het geheel. Veellicht dat dezen zich ten zelfden einde in het water lieten nederzijgen.
Dikwijls als ik nederzat, dacht ik over de wijs van eenige zekerheid voor mijne reis_routes_ te hebben, of de plaats van waar ik vertrokken was, weder te vinden. De volstandige hoogte der maan, die, hoezeer by de plaatsverwisseling van mijn reis verandering ondergaan hebbende, echter nog altijd zeer ongewoon bleef, dwong my de onderstelling af dat ik tusschen de keerkringen moest zijn; en de onveranderde stand der zon daarby, dat de aard by een wonderwerk stil stond. Ik had ook nog geen aanmerklijk verschil tusschen haar beider betreklijken stand opgemerkt, alhoewel het my somtijds voorkwam, of hare onderlinge afstand iets minder wierd. Ik bleef ze dus als stilstaande houden. Het was en bleef dag. Geen gestarnte, geen parallaxis, voor my waar te nemen. Alleen de verwijdering van de zon kon (dus begreep ik 't) my deze onder den horizont brengen en nacht geven. Ik was begeerig nacht te zien, en nam mijne reis, zoo veel doenlijk, rechtlijnig van de zon af, de maan in het zenith houdende. Ik merkte een bergspits op, die met my en de zon in een rechte lijn stond, en ik stelde my deze ten doel om op af te gaan.
Al wandelende berekende ik ten ruwste, hoe veel uren gaans ik wel afleggen moest, om de zon, nu, gelijk ik het schatte, omtrent 15° boven den zichteinder, en daar staan blijvende, beneden de kim te krijgen. Het getal was niet aanmoedigend; maar ik had den tijd. Echter geenerlei kans ziende om den voortgang in tijd dien ik maakte, te erkennen, daar er geen dag- en nachtverwisseling was, zag ik daadlijk dat mijn rekening my niets baten mocht, en al het bewijs dat ik van mijn vordering hebben kon in de werklijke daling der zon moest bestaan. Intusschen, het geen ik in 't eerst niet bemerkt had, naderhand flaauw, en onzeker of ik 't wel opmerkte, werd my nu kennelijk en zeker: De zon en de maan naderden zich; en het licht der laatste nam daarby zoodanig af, dat ik er slechts een flaauwen en als schemerenden rand van te zien hield, die welhaast in de meerder nabyheid der zon zich verloor. Doch in plaats van de zon te zien dalen, zoo als ik door mijne verwijdering my verbeeld hadde, rees zy en stond wanneer ik de maan niet meer zag na aan 't toppunt, het geen zy weldra besteeg. De maan was welhaast weêr zichtbaar aan de andere zijde der zon; en nu was mijn weg die eerst van de zon afgekeerd was geweest, naar de zon toe: of liever, de zon was my voorgegaan. Ik kon haar niet inhalen; en besloot, nu zy ging, stil te staan, en ter plaats waar ik was, de nacht af te wachten, die ik eerst zoeken ging, maar die my nu zelve wel haast stond op te komen.--Ik was nu overtuigd, dat er wederom nacht en dag was; maar met één, dat zy veel langer duurden, dewijl ik in één dag de maan afgaande en vernieuwd had gezien. En ik merkte tevens op, dat de verlichting in die twee kwartieren geheel omgekeerd was van het geen ik haar altijd gekend hadde. De horens hadden te voren naar mijn linkerhand gekeerd gestaan, en nu stonden zy by de herschijning naar mijn rechterhand heen gewend. Dit-alleen had my alles moeten verklaren; maar ik was zoo verr' van het denkbeeld van buiten den aardbol te zijn, dat al wat ik zag en opmerkte, my een raadsel bleef. Ik maakte my nu geen tentbed, maar wat ruimer tentjen van takken om schaduw te hebben, en toefde de nacht.
Dit echter, indien ik het zeggen zal, was loutere weelde van my, want de zon was my in der daad niet te heet op het hoofd, en de wind altijd vrij gematigd, zoo dat ik zoo min storm of onweêr als eenige regen beproefd heb, al den tijd van mijn verblijf op dien aardbodem. Ik zag er zelfs geene eigenlijke wolken; alleen nu en dan was de lucht iets minder helder, en alsdan de warmte grooter; doch te gelijker tijd vond ik my dan de borst beter, en my minder spoedig door 't gaan afgemat. Het scheen of de dampen, die gewoonlijk slechts eenige voeten hoog rezen, en waaraan ik het toeschreef dat de beenen my opzwollen, alsdan hooger rezen; doch nooit in die maat, dat zy den hemel-zelf plaatslijk bedekten. Ook het onderscheid van hitte toen de zon in het toppunt was, van toen zy vrij laag stond, merkte ik naauwlijks op. De dampkring waarin ik hier leefde, was blijkbaar verschillend van die ik ooit beproefd had. Dit werd my steeds duidelijker.
Ik was hier in eene vallei van groote uitgebreidheid die halvemaanswyze zich boog om een meer, waar ik voor het eerst andere dan schelpvisch zag. Deze was een soort van platvisch, en daar ik bepaald had hier te blijven tot de zon onder mocht gaan, en den dag die my langer dan veertien dagen gevallen was, eindigen, kwam ik op den inval van te visschen. Ik dacht dezen platvisch gedroogd te kunnen nuttigen, en mijn vrees voor de dorst zweeg. Ik had echter noch net, noch touw om een net te vervaardigen. Ik stak een aardvrucht aan een boomtak, maar de visch wilde niet aanbijten, alschoon hy op de brokken aasde die ik in 't water uitstrooide. Mijn oogmerk derhalve verviel. De soort van eendvogels waarvan ik gemeld heb, vlogen hier af en aan. Nu, zich in het nat dompelende, dan zwemmende, dan weêr op den oever omhuppelende, dan weêr wegvliegende, hielden zy my door de verscheidenheid van hun soorten, hoezeer allen graauwgevederd, en door de meerdere zachtheid van hun kreet, die in sommigen zelfs iets zangerigs had, bezig. Ik teekende hier wat ik zag, in mijn zakboekjen af, zoo veel 't weinige wit papier, dat daar nog in overig was, toeliet; en het zijn deze afbeeldingen die ik in mijne uitvoerige reisbeschrijving zal meêdeelen, ten welken einde zy werklijk in het koper gebracht worden.
Hier herinnerde ik my ook, dat ik tot nog geene eieren, het zij van de eenden, hetzij van de struissen, ontmoet had; die echter misschien een goed voedsel konden opleveren. Ik besloot er naar om te zien. Sedert vond ik eenige eendvogeleiers, maar zonder harden schil en alleen in een vlies omvat, en veel te verr' heen om eetbaar te zijn, aan een oever van 't meertjen. Van de struisvogels heb ik er geene in 't geheel gezien, ook geen geheel kleine kiekens. Het schijnt dat zy zich om te leggen en te broeden wisten af te zonderen waar ik hen nooit beloerd of betrapt heb, en van daar niet wederkeerden dan wanneer hunne jongen reeds vrij wat in grootte en krachten gewonnen hadden.
Het duurde nu niet lang of 't werd avond, en, na eenen zeer langzamen overgang, nacht. Doch die nacht, door den onbegrijplijken luister der maan verlicht, was vrij helderer dan menige wintersche dag. Ik kon my niet genoeg verwonderen over de grootte der maan, die al voller werd naar mate de nacht groeide. Het was thands dat ik den overgang der vlakken, en door dezen, de omwenteling, kennelijker onderscheidde. Lang staarde ik dit nieuwe schouwspel met verwondering aan. De geheele schijf had echter minder verscheidenheid van licht dan wanneer zy minder vol was, en de vlakken waren dus gedeeltelijk flaauwer. Het had iets van het achterste van een mappemonde, waarvan de voornaamste trekken doorgedrukt zijn. Slechts twee der planeeten vielen my in het oog: Venus, die ik duidlijk herkende, en, waarschijnelijk, Mars. Ik zag ook de gestarnten, maar flaauw en zeer onduidelijk, daar de glans der maan haar verdoofde. In een vrij geruimen tijd, en na een herhaalde waarneming in die nacht, die niet heel veel minder lang was dan de dag die haar voor had gegaan, en die ik in verscheiden waak- en sluimertijden verdeelde, bespeurde ik nu ook de algemeene beweging des hemels, maar zeer flaauw en langzaam, en ik vond niet dat hy om den pool- of noordstar draaide. Deze star-zelve beschreef een aanmerkelijken kring, en de pool scheen veranderd. Eindelijk, alles wees my, dat het middelpunt der beweging, zoo veel ik zonder gereedschap of toestel, met het oog na kon gaan, ongevaar 20° van haar verschilde.
* * * * *
Eens, terwijl ik zeer oplettend op het luisterrijk hemellichaam staarde, dat ik nog voor de maan hield, en waarin ik echter de maan niet herkennen kon, zag ik een vlak, die trager dan de overige dreef. Hy deed zich slechts als een klein stipjen voor, dat in de glans van het licht der schijf verzwolgen wierd, en verdween spoedig, zoo dat ik het naauwlijks bespeurde. Het scheen my iets van een soort van maanverduistering te hebben; als of een tusschen beide geplaatst lichaam, door den bol waarop ik my bevond overschaduwd wierd, en dus tegen den helderen grond van de maanschijn zichtbaar wierd, tot het deze schaduw door was gegaan. Het verschijnsel was mijn gezicht wel niet klaar (want ook dit had in mijn kort verblijf in dit vreemde land gants niet weinig geleden), en wellicht was het bloote verbeelding, of iets in den dampkring, dat my voor 't oog zweefde, maar het herriep my de tusschen- of ondermanen, waar van in mijne Inleiding, en waar ik in langen tijd niet aan gedacht had.
Nu begon ik alles, wat ik waargenomen had by een te trekken, en het was of my in eens een lichtstraal opging by het denkbeeld: het is niet de maan, maar de aardbol dien ik voor oogen heb; en die aardbodem, waarop ik my thands bevinde, is de maan. Dit eene loste my alle verschijnsels op. Maar nog naauwlijks in gepeins geraakt over de mogelijkheid hoe ik met mijn luchtbol tot den maanbol had kunnen naderen, werd ik door een ander schouwspel getroffen: Een tweede maan, kleiner dan ik de maan in mijn leven gezien had, maar volkomen met hare vlakken geteekend, deed zich op naast de groote en van achter haar, bleeker dan ooit. Zy verwijderde zich van de grootere, scheen my in die verwijdering zelve, in grootte iets toe te nemen, zoo wel als in de kracht van haar licht, even als of zy my nader by kwam; en wanneer de grootere, die ik nu voor den aardbol hield, begon te verminderen, nam zy desgelijks af, tot zy, na eenige mijner nachtwaken overgeduurd te hebben, in het ander gedeelte des hemels verdween.
Thands had ik de maan-zelve herkend, en dit bevestigde my te gelijk in het denkbeeld, dat de groote luisterrijke bol, de aardbol-zelf was, en, dat ik my niet op de maan vond. Waar dan ben ik? vroeg ik my, of wat is de bol van mijn tegenwoordig verblijf?--De verschijnselen hadden my overtuigd, dat hy een loop om de aarde had, die met die der maan overeenkwam; dat deze loopbaan tusschen de aarde en de maan was; en dat hy deze loopbaan in iets langer dan de maan haren kring, afleide.--Ik zal deze weinige punten kortelijk opnemen.
Vooreerst dan: de bol waarop ik was, had een loop om de aarde als die der maan. Want hy was nu achtereenvolgende tegen de linker halfverlichte, de duistere, de rechter halfverlichte, en de geheelverlichte zijde der aarde overgesteld geweest. In den eerstgemelden stand had hy de zon ter linkerzijde; in den tweeden, boven zich; in den derden, ter rechterzijde; en in den vierden onder zich. En deze standen zijn zoo in haar opvolging als anderzins even als die van de maan.
Ten anderen: de bol bevindt zich tusschen de aarde en de maan, want zijn nachtgetijde was naar de volle maan toegekeerd, wanneer deze in haar versten afstand van de zon was, en wanneer zy tot haren naasten afstand van die geraakte, werd haar duistere zijde zichtbaar, en grooter tot zy verdween, terwijl echter de bol-zelf zich tusschen de zon en de aarde bevond.
Ten derde: de bol voltrekt zijne loopbaan in iets langer dan de maan de hare afloopt. Zoo lang de bol in den stand 1, 2, 3, 4, 5 ten opzichte van den aardbol was, die hier in het middelpunt wordt vertoond, werd geen maan gezien. In het punt 6 werd zy gezien van achter de aarde uitkomende. Zy stond dus, niet meer rechtlijnig achter dezelve. In 5 was zy nog niet gezien, zy was dus toen door de aarde bedekt, en tot in den stand van den bol in 6 bedekt gebleven. Zy had dus een gelijk gedeelte van loopkring met den bol afgelegd, maar nog zoo veel daarboven dat zy nu uit de bedekking der aarde was in het punt _a_. En dit stemt overeen met het begin van haar afnemen toen de bol in 7 was. De bol had toen, van het zelfde punt 5 te rekenen, een dubbeld deel afgelegd, en de maan dus by haar dubbel deel ook een dubbel gewonnen in _b_, en alreeds kon haar begin van afnemen zichtbaar zijn. Toen de bol in 8 was, had de maan op gelijk cirkeldeel driemaal haar vordering gewonnen in _c_, en eer de bol tot het punt 1, waarvan wy zijn loop afrekenen, te rug kwam, moest met gelijke vordering de maan, in _d_ zijnde, reeds niet meer van hare verlichte z[^ij] aanbieden.
[Illustratie]
Ik begreep dan nu op eene dier ondermanen te zijn, die ik my zoo lang tusschen de aarde en de maan had verbeeld, en meende in den stip dien ik over de aarde had zien gaan, nog een even dergelijken satelliet te erkennen.
Nu begon ik in het onderzoek van dit bolletjen, (want het was inderdaad klein, als ik dra uit alles bevond) een geheel nieuw belang te stellen. De nacht was weldra voorby, en weêrhield my niet meer. Want de duisternis zou my wel niet verhinderd hebben, daar ik voor een zoodanigen maneschijn geenen dag zou verkiezen, en tot mijne waarnemingen, van wat aart ook, geen helderer licht wenschen kon; maar door het omgaan der nacht, bleven die waarnemingen, welke zy alleen op kon leveren, voor zoo lang opgeschort, als de nu aangebroken dag duren moest. Dat is, er moesten nu, eer ik my wederom met de verschijning der verlichte aarde in haar vollen luister verheugen kon, naar onze aardsche rekening ruim drie weken verloopen. Ruim drie weken, zeg ik; want de loop van mijn bol wat trager dan die der maan zijnde, en zoo ik toen vermoedde in de reden van 3 tot omtrent 4, moesten nacht en dag voor my zeven en dertig etmalen duren, en het samenstemmend tijdstip van _volle aarde_ of _middernacht_ zes en twintig dezer etmalen van my verwijderd zijn; welke ik voornam geheel aan den staat van den bol-zelven te koste te leggen.
Met mijn nieuwe denkbeeld vervuld, dacht ik aan geen menschen, noch aan eenig gebrek. Ik gaf mijn planeet den naam van _Selenæa_; maar bedacht my welhaast en bewaarde dien voor een hoogere ondermaan, die ik my voorstelde weldra te zullen ontdekken, en nam dien van _Selenion_ voor de mijne aan, terwijl ik de lagere en zekerlijk kleinere, die ik meende beneden my en in mijn schaduw over de aardschijf te hebben zien doorgaan, _selenidion_ noemde. Hier meê was de geheele nomenclature voor de toekomstige _Maankunde_ die nu welhaast (dacht ik) geboren moest worden, in volkomen orde. Mijn bol maakte een verdeeling en vestigde die door de haar-alleen eigen naam _selenion_. Al wat boven dezen was of ontdekt stond te worden, zou _selenæa prima_, _secunda_, _tertia_ heeten; al wat tusschen hun en de aarde, _selenidion primum_, _secundum_, enz. Recht van harte verheugde ik my in deze uitbreiding der Astronomische kennissen, en de oneindige reeks die ik my voorstelde van al hare toepassingen, invloeden, en uitbreidingen. Hoe weder te keeren naar de aarde, kwam niet in my op: want ik gevoelde daar in die oogenblikken de behoefte niet van. Hoe hier, waar ik was, voort te leven van enkel aardvruchten, zonder middel om mijne kleederen of te vernieuwen of te onderhouden, viel in het geheel in den kring mijner bevattingen niet. Alleen wenschte ik my wel eens papier, 't geen me ontbrak, en gereedschappen van Meet- en Starrekunst; en, met dezen, had niets aan mijn wenschen gemangeld.
Het was ondertusschen verre van daar, dat ik niet in den grond van mijn hart naar menschen gewenscht zoude hebben. Ik stelde in mijn hoofd alreeds allerlei berichten voor geleerde tijdschriften op. Ik streelde my met mijne ontdekkingen in betrekking tot Starrekunde en Zeevaart. Ik zocht er een nieuw licht in voor de Natuurkunde. In 't kort, het geheele systema mijner gedachten onderstelde de bekendwording, de mededeeling, de overbrenging mijner ontdekking, op den aardbol, zonder dat mijne verbeelding zich met dat punt eenigzins bezig hield. Punt, dat my naderhand als ik er bepaald op begon te denken, zoo vele bekommering maakte!