Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking

Part 1

Chapter 13,226 wordsPublic domain

Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

+------------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | Gebruikte trancriptie: | | de 'lange s' is vervangen door een normale 's'; | | superscript o's (zoals in primo, secundo, etc.) worden | | weergegeven als bijvoorbeeld 1^o, 2^o, etc.; | | tekst die in het originele werk schuingedrukt is, is | | getranscribeerd als _tekst_; | | tekst die in het originele werk in klein kapitaal is gezet is | | getranscribeerd als KAPITALEN; | | Griekse en Hebreeuwse teksten zijn getranscribreerd als | | [Grieks: tekst] en [Hebreeuws: tekst]; individuele letters als | | bijvoorbeeld [alfa] en [kaf]; | | de 'ij met accent-circonflex' is weergegeven als [^ij]; | | de door de auteur aangetroffen inscripties worden hier | | weergegeven als [Illustratie]. | | | | Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarop ze | | betrekking hebben. | | | | Verdere opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst. | | | +------------------------------------------------------------------+

LUCHTREIS.

KORT VERHAAL VAN EENE AANMERKLIJKE LUCHTREIS,

EN

NIEUWE PLANEETONTDEKKING.

UIT HET RUSSISCH VERTAALD

GEDRUKT en UITGEGEVEN

Bij W. WOUTERS te _Groningen_.

1813.

[Grieks: Ho de geôgraphikos ouk epichôriôi geôgraphei, oude politikôi toioutôi, hostis mêden ephrontise tôn legomenôn idiôs mathêmatôn, oude gar theristêi kai skapanei, alla tôi peisthênai dynamenôi tên gên echein houtô tên holên, hôs hoi mathêmatikoi phasi, kai ta alla ta pros tên hypothesin tên toiautên.

STRAB.]

Wat zijn de wetenschappen niet al verplicht aan het geval! Een geringe toevallige waarneming wekt een vluchtig denkbeeld op in het hoofd van een eenig mensch, en een nieuwe wareld, of 't ware, is gevonden. Zeker, die het eerst een ontwortelden boomstam zag drijven, en zich daar schrijlings op zette, dacht niet aan de ontdekking van drie warelddeelen, die zonder dat nooit bekend konden worden. Even weinig geloofde Mevrouw Montgolfier, als zy haar gewasschen japon op de vuurmand droogde, dat dit ons den weg banen moest tot ontdekkingen, die het geheele hemelstelsel een nieuw aanzien geven, en het geen duister en ons onbereikbaar scheen, in het helderst licht zouden stellen, en met onze aarde vereenigen.

Men heeft veel getwist over de nuttigheid der Luchtbollen, of, om duidelijker te spreken, der Aërostaten! De ondervinding heeft alreeds geleerd, welk een nut in den oorlog uit deze vliegtuigen te trekken is, het zij ter ontdekking of opneming van vijandlijke legeringen, verdedigingsinrichting van steden en dergelijke, het zij ter overziening en verkondschapping van streken lands, waar men geene topografische kaarten van heeft. En zoo dra slechts de wijze van deze machienen te besturen tot zekere maat van volkomenheid gebracht, en de vaste wind- of luchtstroomen in de hoogere oorden des dampkrings door vaste waarnemingen bepaald zullen zijn, zal zich een oneindig ruim uitzicht ontsluiten van voordeelen, die voor de onderlinge verstandhouding en gemeenschap der landen en volken, nog onberekenbaar zijn. Een nieuwe weg zal zich voor den koophandel openen; geheel nieuwe takken van industrie zullen ontstaan: de voor- en nadeelen van de ligging der landen zullen ophouden, de bezetting van grenzen vergeefsch worden; en het meesterschap ter zee zal vervallen of nutteloos zijn, wanneer men door Luchtvloten, met waren, met wapens, en manschap geladen, den overvloed of den oorlog in de afgelegendste oorden zal overvoeren, zonder aarde of water aan te doen. Want, zoo thands eene doorgaande en geregelde luchtvaart de verbeelding nog eenigermate ontzet; wat zou de eerste schipper gedacht hebben, die zich met zijn vlotjen of hollen boomtronk aan 't nat overgaf, indien men hem van onze oorlogschepen en van de wijze van die door de zeën en stormen te voeren, verhaald had?

Doch weinig is dit alles, wanneer men het oog hooger opheft, en het zelfde als een middel tot nadering van de hemelsche lichamen beschouwt, waarvan ons de geweldige afstand en ongenaakbaarheid tot dus verr' niets anders dan gissingen en hoogst onvolkomen besluiten uit weinige en geringe, en zeer ongenoegzame _data_ veroorloofde. Het is waar, dat het onbeduidend moet schijnen, of men op een afstand, als die van de maan, eenige duizend roeden gewonnen heeft; en dat nu reeds (dank zij het beter onderwijs van onzen verlichten leeftijd!) de waschvrouw van haar kleine dochtertjen uit wordt gelachen, wanneer zy 't beveelt de touwen voor 't droogen der hemden wat hooger aan de boomen te binden, om nader by de warmte der zon te zijn. Ik denk ook dat niemand een leugenachtigen Brydone gelooven zal, wanneer hy ons wijs maakt, op den Etna veel meer starren gezien te hebben, dan men anders gewaar wordt, om dat hy daar boven de dikke dampen verheven was, het geen ze overnevelen verduisterende: vooral daar hy van die hoogte, deze dampen vergetende die nu tusschen hem en de vlakte der aarde waren, een zoo ten uiterste duidelijk en uitvoerig gezicht van geheel Sicilie, en wat niet al meer, zegt gehad te hebben. Maar alschoon het niet mooglijk zij, onze maan, de naastbyzijnde der ons bekende planeten, eenigzins merklijk te naderen; genoeg is het, wanneer wy eenig hemellichaam bereiken, het geen wy met de overige van eenerlei natuur mogen stellen, en dit leeren kennen.

Maar zijn er dan zoodanige hemellichamen, ons nader by zwevende dan de maan? en zijn die voor ons tot zoo verr' te naderen dat wy er eene duidlijke kennis van kunnen bekomen? Deze vraag verheft zich natuurlijker wijze by den Lezer; en het is om hem die te beandwoorden, dat dit stukjen is ingericht.

Ik zeg te beandwoorden; en dit wel, bestemmend. Ja zy zijn er, die lichamen, die planeten, en zy zijn onzen dampkring zoo na, of om beter en juister te spreken, de lucht waar ze in drijven, vloeit zoo met den dampkring des aardkloots in een, dat zy niet volstrekt ongenaakbaar zijn. De bespiegeling mocht ons dit leeren, het vooroordeel dit doen verwerpen, de ondervinding bewijst. 't Is een feit dat ik aanvoere. Ik heb gezien, ik heb getast, ik heb ze aangedaan. Tegen dit vermag niets, wat in opvatting of redekaveling over mogelijk- of onmogelijkheden bestaat. _Potest, nam est_ (het kan zijn, want het is), is sterker dan het _non est, nam non potest_, 't argument der bestrijderen van de tegenvoetelingen, en van zoo vele Natuurwaarheden. Ik ben er geweest, ik heb gezien, zei Kolumbus, en die hem belachen hadden, verstomden. Ik zeg u het zelfde, mijne Lezers, en geve u een korte beschrijving der reis die ik afgelegd heb. Ontdekkingsreis in hare uitkomst en door toeval, schoon niet met een oogmerk om deze ontdekking te doen, ondernomen; maar die als zoodanig echter ('k vertrouw het) niet missen kan, in een tijd van zucht voor ontdekkingen als die wy beleven, algemeen belang in te boezemen: afgescheiden zelfs van dat der Natuur- en Sterrekunde, en der allen sterveling ingeschapene weetlust en hem boven alles prikkelende nieuwsgierigheid.

Ik verbeeld my te mogen hopen, dat het geen men Kolumbus niet weigerde, ook my niet ontzegd zal worden. Geloof, namelijk, aan het geen ik oprechtlijk en zonder den minsten opschik verhalen zal. Het is waar, dat Kolumbus veel voorhad. Hy was toegerust met het gezag en vertrouwen dat een groot koning hem meêdeelde; hy bracht reisgenooten, vlootvolk mede, die wat hy verhaalde, bevestigden: Ja hy bracht voortbrengsels van de door hem ontdekte kusten met zich: En wie kon op dit gezicht anders dan overtuigd worden? Ik zal niet onderzoeken, of die door hem vertoonde voorwerpen iets anders of meer dan ontdekking van een tot nog vreemd land bewezen, het geen juist de zaak niet was; maar niet van een land, verr' in 't westen gelegen, en op zulken afstand als Kolumbus voorgaf; maar ik vraag, zoo ik planten of ertsen vertoonde, wat blijk of wat stempel die moesten hebben, om als uit eenen anderen planeet overgebracht, aangenomen te worden? En indien Kolumbus in de t' huisreis schipbreuk geleden mocht hebben en naakt en van alles ontbloot ergens op het strand ware geworpen, zou dan zijne ontdekking minder waarachtig geweest zijn? Zeker neen: zy ware dan slechts minder nuttig gebleven, maar had eenen spoorslag moeten geven tot nieuwe ondernemingen, die haar konden bevestigen en hernieuwen. Maar het voorgestelde geval is het mijne. Te rug keerende is mijn luchtvaartuig verongelukt, en tot wonder van my zelven heb ik (schoon naauwlijks) het leven daar af gebracht. Wat ik ontdekt heb, is verloren, dan voor zoo verr' mijn door dit ongeluk-zelf verzwakt geheugen my toelaat, wat ik zag, aan mijne planeetgenooten mede te deelen. Dit acht ik my aan het gemeen welwezen verschuldigd, en dit doende, meen ik recht op inschikkelijkheid te hebben voor het gebrekkige van mijn verslag; maar vooral, om zonder vooringenomenheid tegen het geen ik zal voordragen, gehoord te worden.

* * * * *

Ik heb in mijn jeugd de legers gevolgd, en dit in verschillende en zeer onderscheiden standen. Noodlottigheden van velerlei soort hadden my na duizenden slingeringen arm en nooddruftig in Perzie gevoerd, van waar ik my voorgesteld had met een karavaan naar Bagdad te trekken, om van daar in Europa te keeren. Ik meld den Lezer niet, wat mijn vaderland zij. Dit kan hem even zoo onverschillig zijn als de naam dien ik of eenmaal gevoerd heb of sedert heb aangenomen. Ik zal ook het jaartal verzwijgen, waarin dit is voorgevallen; het kon tot herinneringen aanleiding geven, die vermoedens verwekten, welke niemand voordeel konden doen, en my of een ander schadelijk zijn. Na al de gebeurtenissen die Europa geschokt hebben, zijn en de betrekkingen en de verwijderingen zoo menigvuldig en dermate ingewikkeld geworden, dat men zich niet genoeg wachten kan. In alle partyen heb ik goede en kwade trouw gemengeld, en de dolheid der geestdrift, met de koude berekening der staatkunde vereenigd gevonden. Met geenen aanhang heb ik my recht van harte kunnen vereenigen, en geenen ooit willen vervolgen. Geen wonder derhalve, zoo ik overal haat en vervolging voor dienst- en trouwbewijs, of voor betrachting van menschelijkheid en rechtvaardigheid kwam te ontmoeten. Ik hield vast aan een grondbeginsel en handelde daar naar: Anderen namen grondbeginsels aan of verwisselden die, naar de oogmerken waarvoor zy handelden, meêbrachten. Ik was dus niemand bruikbaar, en niemand my. Ik stond alleen, en had geene soort, waar ik toe behoorde, op dezen aardbol; wat wonder, zoo ik wel eens aan een anderen dacht?

Veelvuldige verschijnsels, in onze dagen het eerst of meer by herhaling waargenomen, overtuigden my spoedig van de gebrekkigheid onzer Planeetstelsels. Na zoo vele eeuwen berustens in zeven zonnewachters en eenen enkelen wachter van tweeden rang (die wy de maan noemen), waren er nu, niet slechts om Jupiter en Saturnus, om Mars en Venus, rondloopende wachters ontdekt of vermoed, maar een Uranus, een Ceres, een Pallas, vermeerderden de eerstgemelde zeven, en dat plechtig getal waar men zoo veel geheimzinnigs in stelde, lag in duigen, zoo wel als de evenredigheid in de afstanden die men hun onderling of ten aanzien van hun gemeen middenpunt toeeigende. Daar konden er derhalven nog meer zyn, die met deze tien om de zon draaiden. Daar konden er meer zijn om de planeten-zelven. Wat tot heden niet ontdekt was, kon morgen zich den nasporer opdoen, en dit des te lichter, daar het geen tot dus verre nieuw ontdekt was geworden geen grond van vermoeden by de waarnemers gehad had, en het tegenwoordig waarschijnelijk werd dat er meer te ontdekken viel. Ik verwachtte dus meer planeten te zien opdagen, en den hemel bevolken; ik verwachtte meer manen of wachters om hen.

Nu trokken de steenregens mijne aandacht. Men verstaat dat ik hier aan geen eigenlijk regenen van steenklompen denke, maar van brokken steen hier of daar uit de lucht gevallen, en zeker niet genoeg in menigte om den naam van regenen te verdienen. Men had die van ouden tyd af waargenomen. Een der zeven wyzen van het hooggeroemd Griekenland, Thales, had er uit besloten, dat de hemel uit steenen gewelfd was, en wel zonder kalk; en dat het zijn geduurzame omzwaai was, die hen in 't verband hield, waar uit deze enkele door een onbekend toeval losgeraakt waren. Een denkbeeld waarin lateren een zeer diepe Wis- en Natuurkunde gevonden hebben[1]. Maar in onze dagen viel het meermalen voor, dat men steenen zag vallen, waar aan men geen oorsprong kon toeschrijven dan in of boven den dampkring, en die oorsprong werd een voorwerp van gissingen. Sommigen deden die steenen zonder bedenking uit de bergen der maan opwerpen; niet gedachtig dat, naar de volkanen op onzen bol te rekenen, deze opwerping met geene zoodanige snelheid geschiedt als noodig zou zijn om ze buiten de kracht der aantrekking van den maanbol te brengen. Anderen deden haar door een Chymische werking in den dampkring-zelven voortbrengen, zich niet latende invallen, dat er altijd een te groote zwaarte in de vormstoffe moest zijn, om zich, zelfs één oogenblik maar, in de lucht op te houden. Van de genen, die het vallen van deze steenen of geheel ontkenden, of hen uit ver afgelegen of niet bestaande volkanen op onzen aardgrond afleiddeden, spreek ik niet. Met de eersten toch moet men alle geloof aan getuigenissen, hoe plechtig ook, weigeren; en de laatsten zeggen niets, zoo zy de volkanen, waar toe zy verwijzen, en tevens de mogelijkheid van uit hunnen boezem tot in Frankrijk of Duitschland steenen uit te jagen, niet aantoonen.

[1] Onder anderen Keil die er het geheele Newtonianismus, immers de theorie der aantrekkingskracht in vindt.

Wat my betreft, aan de vorming van een stof zoo veel specifiek zwaarder dan de vloeistof waarin zy gevormd wierd, als de steenen ten aanzien der lucht zijn, en die dan, niet in de vorming zelve nederzeeg om zich op den grond te volmaken, maar, geheel en volkomen gevormd, in eens, als hard lichaam neêrplofte, kon ik geenerhande waarschijnlijkheid hechten. Ik helde dus ongevoeligerwijze tot de meening van die deze brokken uit de maan deden afdalen. De overeenkomst in het uiterlijk aanzien, van de maan met het geen onze aardkloot op dien afstand vertoonen moest, en wat men meer als gronden voor de onderstelling eener eenvormigheid van grondstof tusschen de planeten pleegt aan te voeren, gaf hier veel aannemelijks aan. Maar welke berekening ik in 't werk stelde, ik kon geene oorzaak van snelheid uitdenken, genoegzaam om de aantrekkingskracht die hen op de maan moest te rug brengen, te overwinnen. Deze bol was altijd te groot, en de afstand der aarde te verr', dan dat deze op zekere hoogte van de uitwerping, haar in de aantrekking dier brokken kon opwegen, hoe veel temeer, overhalen! Ik moest om dit mooglijk te stellen, beide den maanbol en den afstand ontzachlijk verminderen, en dus de zaak opgeven.

Maar sedert hoe lang is het, dat men om Saturnus de drie laatst ontdekte manen had waargenomen? Men is thands overtuigd dat hy er vijf heeft, Jupiter heeft er vier, die bekend zijn; en wie is zeker, dat of beide, of een van die, er niet meer hebben? Of waarom zou deze onze aarde niet meer dan een maan medevoeren, ofschoon slechts die eene door hare aanmerklijke grootte en den juist geplaatsten afstand, ons zichtbaar is? Waarom zouden tusschen haar en ons aardlichaam niet meer dan een, niet verscheidene wachters, om ons rondloopen, welke deels hunne kleinheid, deels hun te geringe afstand ons verborgen houdt? Zeker, te naby geplaatst, kan zoodanig lichaam by onze nacht niet verlicht zijn; en by dag moet het ons (alhoewel gewapend) gezicht ontslippen[2]. Te klein en op zekeren afstand, moet het, ook by onze nachten verlicht, ons niet merkbaar zijn, en zelfs by zijn overgang over de zonschijf, onze oogen geen erkenbaar stip aanbieden. Deze bedenkingen deden my gissen, of wellicht deze luchtsteenen uit zoodanige kleiner en ondermanen (die van volkanieke natuur mochten zijn) by aldaar voorvallende ontbrandingen, afkwamen[3].

[2] Wie zoekt met het gewapend oog by den dag naar planeten? Het woord _gewapend_ had hier gemist kunnen worden, en is misschien een tusschenvoegsel van een verbeteraar, en niet van den Schrijver afkomstig.

[3] Tot mijn verwondering vond ik by mijne aankomst in Astrakan, nu jongstleden, dit mijn denkbeeld in een klein geschrift van den vermaarden Geneefschen Natuurkenner, De Luc, aangenomen.

Ik behoef niet te zeggen, hoe zeer my dit in mijn lang te voren gekoesterd begrip van het hemelstelsel bevestigde. Ik beschouwde geheel het zonnestel, als, van afstand tot afstand, met grootere en kleinere hoofdplaneeten, en grooter en kleiner wachters van dezen doorzaaid. Dit leverde my een gants nieuwe beschouwing op. Edoch ik bepaalde mijn aandacht inzonderheid op die Ondermanen, indien ik ze dus mag noemen, waardoor men, gelijk het my toescheen, zeer vele byzonderheden en schijnbare ongeregeldheden zoo in ebbe en vloed als in andre natuurverschijnsels, verklaren mocht. Ja ik achtte het niet onmooglijk, dat dit eenmaal den sleutel aan de hand mocht geven van de nog zoo onvaste theorie der komeeten, welker niet weder verschijnen op den tijd, dien de aan hen toegekende loop mede bracht, de van elders zoo aanneemlijke hypothesis van de later Sterrekundigen jammerlijk tegendruischt. Ik stelde my voor, zoo my eenmaal een leefgetijde van rust voorbehouden mocht zijn, my dan aan het doen van naauwkeurige waarneming omtrent dezen, vooral in de morgen en avondschemeringen, over te geven; ook de zonneschijf vlijtig te beschouwen, en wat daar nog onbemerkts op voorvallen mocht, na te gaan. Wat kon ik in de onrust mijns levens meer doen! Ik dacht weinig aan de mogelijkheid eener andere wijze van omtrent dit voorwerp ontdekking te erlangen; veelmin, dat my die te beurt vallen zou. Werkeloos echter, en door niets opgewekt, verduisterden deze denkbeelden allengskens in my, en welhaast dacht ik er niet langer aan, dan by tusschenpozen, en wanneer 't geen my voorkwam, daar mijn geest als onwillig naar te rug riep.

Het is voor mijn lezer geheel onverschillig, wat my in mijn voornemen dwarsboomde, wanneer ik uit _Kerman_ naar Europa op reis meende te gaan. Ik kan echter my-zelven het genoegen niet weigeren, van het edel karakter der Oostersche volken, en inzonderheid dat der Perzen, recht te doen. Hun herbergzaamheid is bekend. Hunne erkentlijkheid voor ontfangen dienst, is Europa vreemd. Eenige kennis van genees- en heelkunde geeft er den Christen vertrouwen. Dit vertrouwen groeit aan, naar mate men ziet dat hij zich tot eenvoudige middelen, en inzonderheid voorbrengsels uit het plantenrijk, bepaalt. Bewerkingen van Scheikunst zijn hun verdacht. Zy hechten er een denkbeeld van tooverkracht aan, en gebruiken ze met een wederwil, die zijn grond in die opvatting-zelve heeft. Ook vreezen zy dien gene, dien zy als daardoor allen anderen te machtig beschouwen. Men vindt er ook zeer weinige ziekten, die tot buitengewone middelen noodzaken, daar hun levenswijs matig is, hunne lichamen, alschoon weinig met vet bekleed, echter meestal doorvoed en sapvol zijn, en door sterke dranken of verhittende wijnen, zeer zeldzaam bedorven worden. Om er veilig en met eenig aanzien te leven, doet men wel, zich als een geneeskundige te doen kennen. Men heeft er geen begrip van een Christen, dan als geneeskundige, koopman, of verspieder: en van deze drie boezemt de eerste alleen achting in. By hem zoekt men heul en noodhulp; by den tweede, goudwinst en roof; en die geen van beide is, wordt noodwendig tot de derde klasse gerekend. Men vreeze echter niet, voor een koopman te zullen doorgaan, zoo men ergens juweelen verruilt. De edele gesteenten verstrekken door geheel het Oosten voor een algemeen middel van schuldvereffening tusschen alle personen. Zy zijn een soort van ongemunt geld, waarvan zich een ieder bedient. Die een minder som te betalen heeft, geeft een grooter steen voor kleinere; die meer geld heeft dan hy op de reis denkt uit te geven, ruilt gemakshalve een grooter in, gelijk men by ons goud voor zilver, dubbele pistolen voor dukaten, inwisselt. De belooningen bestaan ook even zoo veel in gesteenten als goud; en zy zijn, in gesteenten gegeven, by gelijke waarde, aanzienelijker.