Konstantinopel en het Serail De Aarde en haar Volken, 1865

Part 4

Chapter 43,861 wordsPublic domain

In de nabijheid der kazerne bevindt zich het dorp Hazkol, dat bijna alleen door Joden bewoond wordt. Hunne kerkhoven zijn frisscher dan hunne huizen, welke in een jammerlijken toestand verkeeren. Even voorbij dit dorp ziet men het paleis van den Tershane Emini of opzichter van het arsenaal. Thans wordt het bewoond door den minister van marine. Aan dit paleis is de geheele inrichting der marine verbonden. De magazijnen, werven en andere gebouwen strekken zich bijna een uur ver langs de haven uit. Bij dit paleis bevindt zich ook de kazerne der mariniers, een zeer geoefend slag van volk. Gewoonlijk zijn in deze kazerne 15,000 man ingekwartierd. Achter dit gebouw rijst de toren van Galata omhoog; de schildwachten, die bij den omloop van dezen toren geposteerd zijn, kunnen de stad en hare omgeving tot op vijf uren afstands overzien. Deze schildwachten, alsmede die van den Seraskiër-toren, zijn belast met het uitsteken van een brandsignaal, waarbij zij tevens op groote trommen moeten slaan ten einde de manschappen der verschillende kazernes bijeen te roepen. Zoodra er ergens in de stad brand ontstaat en de schildwachten het teeken geven, worden er in de stad zeven kanonschoten gelost: maatregelen in Konstantinopel zeer noodzakelijk, omdat de brandbluschmiddelen jammerlijk, de straten nauw en de huizen meest van hout zijn. De brandspuiten kunnen nooit in de stegen komen, en gewoonlijk is er zulk een gebrek aan water, dat men om de woede der vlammen te keer te gaan, geheele straten moet platschieten. Het is geene zeldzaamheid dat er in éénen nacht 200 huizen afbranden.

Konstantinopel bezit vele en zeer schoone moskeeën, onder anderen de Aya Sophia, de Achmed-moskee met zes minarets, en verschillende andere. Ter westzijde van het douanenkantoor, waar ook de Emirs wonen, bevindt zich het grieksche kwartier. Hier is de woonplaats van den griekschen patriarch, alsmede de hoofdkerk, welke door den veroveraar van Konstantinopel, Mohammed II, aan de Christenen werd afgestaan, toen de Turken de Aya Sophia in bezit namen. Ook wonen hier de zeven zoogenoemde vorsten der grieksche natie, die vroeger het ambt der Hospodaren in Moldavië en Wallachije vervulden.

De straten van dit district zijn vuil en zeer nauw, en de huizen bijna het aanzien niet waard. Niets is er wat hier den vreemdeling kan boeien dan alleen de vele schoone aangezichten der grieksche vrouwen en meisjes, die nog geheel de type der oude klassieke grieksche schoonheid dragen. Achter het grieksche kwartier komt het district van Blacherne, waar de muur, welke de beide zeeën aan elkander verbindt, aan de haven grenst, zijne hooge tinnen over haar verheft en zich dan tot Eyub uitstrekt. Tegenover Blacherne is de groote turksche begraafplaats, en niet ver vandaar bevindt zich het meest bekoorlijk gedeelte van Konstantinopel, de zoogenaamde paradeplaats. Hier wandelen des avonds de aanzienlijkste bewoners der stad, de Franken en de rijke Turken. Gezanten, attachés, hekims (geneesheeren) en kooplieden van allerlei natiën zijn hier te zamen vereenigd, en vormen door hunne verschillende kleederdrachten een merkwaardig tafereel, dat bijna iederen avond wordt afgewisseld. Wij willen dit gedeelte van ons artikel besluiten met eene vluchtige beschrijving van de Aya Sophia moskee.

Toen Konstantijn zijne groote hoofdstad den Verlosser der wereld toewijdde, achtte hij het zijn plicht een gebouw op te richten, bestemd voor de uitoefening der christelijke godsdienst, en dat overeenkomstig de grootheid der stad zou zijn. Dientengevolge bouwde hij den eersten tempel der christelijke eeredienst, welke sedert de laatste vervolging der Christenen onder Diocletianus, die alle kerken liet verwoesten, in het romeinsche rijk werd geduld, en wijdde dien toe "aan de heilige en eeuwige wijsheid Gods." Na den dood van Konstantijn, werd dit prachtige gebouw vernietigd, maar door Justinianus herbouwd. Om het noodige kapitaal tot dit belangrijke werk bijeen te krijgen, liet hij onder anderen het zilveren standbeeld van Theodosius den Groote, dat 7400 pond woog, versmelten. Meer dan tienduizend menschen waren aan den bouw werkzaam, en toen na bijna zes jaar de kerk eindelijk gereed was, riep de keizer in de vervoering zijner vreugde uit: "O Salomo! ik heb u overtroffen!" Nauwelijks was echter het binnenste gedeelte des tempels voltooid, of het gebouw werd door eene aardbeving geheel in een puinhoop herschapen: doch de onvermoeide Keizer liet alle gebroken stukken weder te zamen voegen, en op nieuw rees de kerk even prachtig als voorheen omhoog. De kerk der Heilige Sophia staat nog, zooals ze door Justinianus herbouwd is. Toen de Turken Konstantinopel innamen, drongen hunne woeste benden in den tempel door en wilden dien vernielen, maar gelukkig trad de Sultan tusschen beiden en nam oogenblikkelijk het besluit deze christelijke kerk in eene turksche moskee te herscheppen. Standbeelden, schilderijen, altaren enz. werden weggenomen, en de versierde muren overkalkt. De koran verving de plaats van den bijbel, en het voorhangsel dat, gelijk men zegt, den toegang tot den tempel in Mekka verborg, werd hier opgehangen. Overigens bleef het gebouw juist zooals het door Justinianus werd opgericht. De platte grond bestaat in een vierhoek, een grieksch kruis, welks zijden 243 voet lang zijn, terwijl de lengte van het geheele gebouw, met inbegrip van den zuilengang, 269 voet bedraagt. Boven het middenpunt van het kruis verheft zich de koepel, welks hoogte slechts een zesde gedeelte van zijn diameter beslaat, en welks gewelf zoo vlak is alsof de bouwmeester de gedaante des uitspansels heeft willen nabootsen. Opdat deze koepel het gebouw niet al te zeer drukken zou, is hij zamengesteld uit puimsteen, die specifiek lichter is dan water, alsmede uit tichelsteenen van Rhodus, die bekend zijn wegens hunne geringe zwaarte. De koepel wordt door zuilen gedragen, welke op eene vernuftige wijze ingericht zijn om aan niet al te sterke aardbevingen wederstand te kunnen bieden. Een zuilengang van zes-en-dertig voet breed, die door negen poorten met marmeren bogen en vleugeldeuren met andere zuilenrijen in verbinding staat, geeft den toegang tot de moskee. Als men binnenkomt, wordt het oog allereerst getroffen door den breeden koepel, welke eene hoogte heeft van 180 voet en op vier groote marmeren bogen rust, Zes en twintig groote en eenige kleinere vensters vermeerderen nog den lichtstroom binnen het gebouw. In het geheel staan er binnen het gebouw 104 zuilen, van welke er acht zijn van porfier, die Konstantijn uit den zonnetempel van Rome derwaarts deed overbrengen, en zes van groene jaspis, welke oorspronkelijk den tempel van Diana te Efeze versierden. Aan de zuilen hangen groote schilden met gouden arabische opschriften, die de verschillende attributen Gods (de Turken tellen er 104) opnoemen, welke door de geloovigen elken dag in het gebed moeten vermeld worden. De grond is met matten belegd, Banken, altaren of kansels zijn er niet. De tempelbezoekers knielen op den vloer neder, en de Imans houden hunne prediking voor een kleinen lessenaar, die met paarlemoer ingelegd is en iets of wat heeft van een schaakbord. De priesters zitten op groote kussens van rooskleurige zijde. Geheel aan het einde der moskee bevindt zich eene soort van verhevenheid, die door den Iman beklommen wordt, als de Sultan den tempel bezoekt. In weerwil van al de pracht der bouwkunst aan dezen tempel besteed, laat deze moskee, ten minste wat haar voorkomen betreft, den bezoeker toch onbevredigd. Er is te veel onregelmatigs in, of liever de koepels, daken, torentjes en minarets, welke laatsten de Turken er zonder den minsten kunstzin bijgevoegd hebben, zijn te veel verspreid en te wanordelijk, dan dat het oog er met welbehagen op rusten kan. Hier en daar ziet men groote scheuren, en aan de onvergeeflijke traagheid en nalatigheid harer inwoners zal eenmaal Konstantinopel het te wijten hebben, dat deze merkwaardige tempel plotseling in elkaar zinken, en tegelijk de stad een der merkwaardigste gebouwen der oudheid verliezen zal.

VII.

De bazar te Konstantinopel.

De heer Bartlett, die Konstantinopel bezocht tijdens er de pest uitgebroken was, woonde bij een vriend te Pera. Op zekeren morgen lieten beiden hunne blikken uit het venster over de stad weiden. "Het is daarbeneden nog niet geheel pluis," zeide de vriend, en noemde te gelijk verscheidene van zijne konstantinopolitaansche kennissen op, die aan de pest gestorven waren. De Heer Bartlett echter had geen lust om zich te Pera te doen opsluiten, en daar hij volstrekt niet bevreesd was voor die ziekte, haalde hij zijnen vriend over om naar de overzijde te varen, en de golf te doorklieven welke Europa van Azië scheidt. "De zon," verhaalt hij, "spiegelde zich zoo schoon in de gerimpelde golven, welke van kaiks en vaartuigen van allerlei soort wemelden, de moskeeën en de minarets staken zoo prachtig af tegen den donker blauwen hemel, en de duizenderlei voorwerpen, welke zich aan ons oog vertoonden, traden voor onzen blik in zulk een gunstig licht, dat wij, toen wij de honderden menschen de brug op en neder zagen wandelen bijna geneigd waren al de geruchten van "de pest die in de donkerheid wandelt" als overdreven te beschouwen, en wij het er voor hielden dat die ziekte slechts in de achterbuurten der stad woedde. Onze moed nam toe naarmate wij het gevaar naderden, en wij behoefden onze stokken niet meer te gebruiken om de noodige ruimte voor onze voeten te bewaren. Weldra echter bevonden wij ons te midden van het gedrang der bonte volksmenigte.

"De stroom voerde ons mede, en dreef ons door eene rij van nauwe straten, waar wij nu eens eene moskee en dan weder eene prachtige fontein bewonderden, totdat wij ten laatste den bazar bereikten. Deze bazar is, gelijk die van Damaskus, de verzamelplaats der geheele bevolking, de zetel van den handel, de stapelplaats van den rijkdom, het middenpunt van allerlei vliegende geruchten en de plaats waar allerlei intriguen en samenzweringen worden op touw gezet. Als men zich een denkbeeld van dezen bazar wil maken, dan moet men zich voorstellen eene groote stadswijk, die van een muur omgeven en als het ware met een dak overspannen is; het is een doolhof van smalle gangen, die door open winkels gevormd worden, en in welke slechts door zekere openingen in de gewelfde daken een zonnestraal dringen kan. Voor wagens is hier geene plaatsruimte; alleen door de grootere doorgangen ziet men nu en dan een paard of kameel die een last draagt. Alle overige gedeelten zijn slechts ingericht voor voetgangers, die hier in gansche scharen te zamen komen en een onophoudelijk gemurmel veroorzaken. Waar men zich echter het meest over verwondert, is de menigte vrouwen, die den bazar bezoeken, terwijl men in Europa in het denkbeeld verkeert, dat de vrouwen in het Oosten nooit de muren harer huizen verlaten. Gehuld in hare witte yakmaks (sluiers) en zeer dun gekleed, trippelen zij in hare geel lederen pantoffels u voorbij, terwijl zij u met hare zwarte fonkelende oogen aanzien. Gewoonlijk worden zij gevolgd door een knecht of eene zwarte slavin. Vooral is de vrouwenschaar te vinden in die winkels waar shawls en allerlei opschik verkocht worden. Deze voorwerpen lachen de konstantinopolitaansche dames even zoo sterk toe, als hare mannen daarvoor met vrees en schrik zijn vervuld. Hier is het nog slimmer dan in een bijenkorf; wel wordt er niet geschreeuwd als bij sommige gelegenheden op de beurs, maar toch is het gedruisch hier zoo oorverdoovend, dat geen man het er vijf minuten uithouden kan. In dien schoonen bazar ziet men groote rijen van hoogroode schoenen, gele laarzen en geborduurde pantoffels van alle kleur, van laken en fluweel, sommigen met goud bedekt, anderen zeer prachtig versierd; uit de bazars der suikerbakkers stroomen de geuren van duizenderlei gebak en confituren u te gemoet, en dikwijls treft men voor zulke winkels de dienaars der aanzienlijke Turken aan, welke manden vol naar de huizen hunner heeren dragen.

"Dit gedeelte van den bazar is steeds het drukst bezocht; minder dat van den bazar der juweliers, die niets doen om de toeschouwers door het ten toon spreiden der rijke versierselen te lokken. Zoodra een kooper binnentreedt, wordt hij in een afzonderlijk vertrek gebracht, waar hij te kust en te keur koopen kan. Men verhaalde ons dat hier groote schatten opgestapeld liggen. Het allerminst bezocht is de boek- en papierbazar, wijl de Turk weinig smaak heeft voor literatuur en te traag is tot schrijven. Daar naast bevinden zich de tabak- en specerij-bazars, welke altijd in een nevel van geuren en parfumerien gehuld zijn. De Tsjarsji of wapen-bazar overtreft echter alle andere bazars in smaakvolle uitrusting. Deze bazar heeft een duister voorkomen; het is er zoo donker als in de schemering. Rembrandt zou er zeker gaarne eenigen tijd doorgebracht hebben. De zware deuren, welke des nachts zorgvuldig gesloten worden, laten gedurende den dag juist zooveel licht binnen, dat men de gewelven en zuilen, alsmede de onafgebrokene menigte van bezoekers, met moeite kan onderscheiden. Men ziet hier alle soorten van wapens, waaronder van zulk een hoogen ouderdom en van zulke grillige vormen, dat men meent verplaatst te zijn in de eeuw der fabelhelden, in de tijden der kruistochten en in de roemrijke dagen der Muzelmannen, toen hunne onwederstaanbare legers het Westen met schrik vervulden. Hier hangt de kromme sabel en het schild versierd met de halve maan, dat Saladin misschien eenmaal gebruikte; het pantsier en het slagzwaard van den christelijken ridder; de lichte speer, welke wellicht aan de oevers van den Donau te midden van de rijen der vijanden werd geworpen, en de wapens, die eenmaal de gevreesde Janitsaren gezwaaid hebben. Hier liggen rijk met zilver versierde pistolen in prachtige holsters; daar lange karabijnen bezet met paarlen en arabesken, welke veeleer schijnen bestemd te zijn om in eene wapenzaal te schitteren dan om daarmede een vijand te dooden. Naast deze wapens, welke tot den verleden tijd behooren, ziet men ook zulke, die uit de nieuwere fabrieken te voorschijn zijn gekomen en zoowel voor de jacht als voor den oorlog dienstig zijn. Buitendien vindt de jager en de krijgsman hier alles wat hij slechts begeeren kan: geborduurde gordels en sjerpen, huiden van luipaarden, panters en tijgers, zadels van allerlei vorm en ouderdom; alle muren hangen vol, en alles ligt in eene schilderachtige wanorde op de banken.

"In den donkersten hoek en geheel achter deze goederen verborgen, zitten de verkoopers, wier hoofden met tulbanden bedekt zijn; ernstig is hun gelaat; zij zitten met de pijp in de hand en schijnen altijd te droomen; maar nauwelijks zien zij een reiziger uit Europa, vergezeld van zijn sluwen gids, of die droomers worden levend: zij lokken hem uit binnen te treden en doen al hun best om van dit bezoek voordeel te trekken.--De oudekleeren-bazar, geheel opgevuld met versleten kaftans, oude slaaprokken, wijde broeken, misschien nog een paar dagen geleden in het bezit van een eigenaar die aan de pest gestorven was, zag er niet zeer vroolijk uit en boezemde ons zelfs afkeer in. Maar wij konden ook niet langer blijven en wij hadden onze schouders en armen reeds met die van de halve bevolking van Konstantinopel in aanraking gebracht. Niemand zou binnen den bazar vermoed hebben, dat de pest zulke groote verwoestingen aanrichtte. Maar het gaat hiermede als met Konstantinopel zelve. Men kan de stad beschouwen als het hart van het zinkende turksche rijk, dat steeds versch levensbloed verkrijgt, terwijl de bevolking der provinciën van jaar tot jaar afneemt. De bazar blijft onveranderlijk; jaarlijks stroomen nog meer koopers, verkoopers en nieuwsgierigen toe, terwijl pest en brand, hongersnood en ellende de andere wijken der stad ontvolken."

VIII.

Het huiselijk leven der Turken.

De Europeaan is er niet zeer op gesteld om groote zalen tot woonvertrekken te hebben. Hij houdt over het algemeen meer van kleine kamers, welke hij bovendien met zulk eene menigte van stoelen, sofa's en andere meubelen bezet, dat hij zich binnen die ruimte nauwelijks met zijne kinderen bewegen kan. De Turken zijn in dit opzicht wijzer dan wij; de vertrekken in hun huis zijn gewoonlijk--en ik spreek hier van den fatsoenlijken stand--ruim en helder. De muren zijn behangen met wit mousselienen gordijnen en de grond is met veelkleurig hout ingelegd. Rondom de wanden staan zeer rijk versierde divans, en heel dikwijls vindt men midden in de kamer eene fontein, die door hare frissche stralen eene aangename koelte onderhoudt.

In Pera, waar de meeste Franken en Europeanen wonen, zijn de vertrekken geheel naar de turksche mode ingericht, doch hier en daar vindt men ook nog wel een Franschman of Duitscher, die zijne woning op westersche wijze heeft gemeubeld.

Een Europeaan, die bij een aanzienlijken Turk gelogeerd was, deelt ons de volgende bijzonderheden daarvan mede. "Ik bewoon hier een vertrek, dat op de wijze der Franken is ingericht, namelijk met een half dozijn stoelen, een waschtafeltje, twee spiegeltafeltjes en eene pendule. Des nachts brengt een slaaf eenige kussens in de kamer, stapelt die midden in het vertrek, en overdekt ze met een zeer dunne zijden deken. Ik verzeker u, dat men er aangenamer onder rust, dan onder de zoo zeer geroemde duitsche dekbedden. Voor de deur blijft de slaaf de wacht houden. Met de pijp in den mond en het kromme zwaard in de hand, blijft hij den geheelen nacht wakker, en eerst des morgens veroorlooft hij zich een weinig rust te nemen.

"Wat het voedsel en de voeding betreft, zijn de Turken in het geheel niet te verachten. Zij houden van vele en velerlei spijzen. De eerste maaltijd wordt gebruikt terstond na het morgengebed, en wel na de gewone reinigingen der Mohammedanen, waartoe zij door den muezzin (omroeper der moskee) worden aangemaand. Zoodra de muezzin des morgens te negen uur het geroep laat hooren; "Allah il Allah, Mohammed resul Illaby," [4] komt er overal leven en beweging in huis, waarna het ontbijt gereed gemaakt wordt. Dit bestaat uit een glas regenwater, wijl het bronwater voor ongezond gehouden wordt; vervolgens allerlei suikerwerk met frisch, gezuurd brood, honing, zure melk en rijstpodding, waarna pijpen en koffie gediend worden. Rooken en drinken doet men den ganschen dag; als het zeer warm is, eet men af en toe zure kersen, druiven, kweeperen, gesuikerd ijs, enz. om zich te verfrisschen.

"Het middagmaal is eigenlijk de belangrijkste maaltijd, en wordt eerst na het derde gebed, te vijf uur, gebruikt. Daar de stoelen niet in gebruik zijn, is de tafelbediening in het Oosten geheel anders ingericht. Er wordt in het midden der kamer een zeer lange, lage bank geplaatst en daar rondom kussens gelegd waarop de gasten kunnen zitten. In plaats van een servet wordt deze bank belegd met eene koperen plaat, die spiegelglad is, en elke gast vindt op den rand van die plaat een stukje brood, dat met een cachet gestempeld is. Tusschen deze stukjes brood staan kleine bordjes en napjes met olijven, welke laatsten met eene soort van stroop bedekt zijn; op een ander napje liggen allerlei specerijen en gekleurde suikererwten. Als men in aanzienlijke huizen eet, dan ligt er naast een klein hoopje zout, bezijden het brood, eene smalle gepolijste staalplaat van de grootte onzer vorken, waarmede men de stroop en de olijven naar den mond brengt; rechts van het stukje brood liggen drie lepels, een van ebbenhout, de tweede van ivoor en de derde gewoonlijk van schildpad. Nooit ziet men, behalve bij de liberale Turken, eenig zilverwerk op tafel, aangezien de Profeet ergens in den koran uitgesproken heeft, dat hij die op aarde met zilver eet, in den hemel niets hebben zal. Dit is zijne verklaring van de woorden: "Wie zich verhoogt, die zal vernederd worden;" en "zalig zijn de armen, want hunner is het koninkrijk Gods".

"Zoodra de tafel nu geheel bedekt is, naderen er twee slaven, die achter de gasten blijven staan. De een houdt op de vlakke hand een bekken van metaal, dat van een deksel voorzien is. Dit deksel heeft veel van eene fijne zeef, door welker openingen eene wolk van geuren opstijgt; de andere slaaf heeft eene schoon gevormde metalen kruik in zijne hand; deze kruik is met water gevuld, en dient om de gasten behulpzaam te zijn in het afwasschen hunner handen, waartoe de slaaf over den linker schouder een paar handdoeken heeft geslagen. Voor dat men op de kussens plaats neemt, reinigt men zich in tegenwoordigheid van allen de handen, waarna men gaat zitten of liggen, al naar mate men dit het gemakkelijkst vindt.

"De gastheer neemt nu tusschen den duim en wijsvinger een stukje van het brood, doopt dit in het zout, en reikt het aan een der gasten toe, waardoor deze tot heer van de tafel verheven wordt: dat wil zeggen, dat hem het recht wordt gegeven elken schotel zoo lang op de tafel te houden als hij wil, waardoor hij echter tevens verplicht is van alle spijzen te moeten proeven. Een andere slaaf zet nu eene terrine met soep voor den gastheer, die er met den schildpadden lepel eenige scheppen uitneemt, waarna ieder gast zijn voorbeeld volgt. Onder dit soep eten giet de slaaf over de handen der gasten gedurig water uit, opdat deze vooral rein zouden blijven.

"Men eet in Turkije, en vooral bij de rijken, veel en velerlei, somtijds vier-en-twintig verschillende gerechten. Na de soep volgt een schotel met hawa, de lievelingsspijs van alle Oosterlingen. Dit is een zeer zoete brij, bestaande uit tarwemeel, honig en geklutste boter, waarbij room, specerijen en allerlei vruchtensappen gevoegd zijn. Vervolgens worden de vleeschspijzen rondgediend; deze bestaan meestal in gevogelte, en zijn zoo toebereid, dat men niet behoeft te kluiven. Onder de groenten bekleedt de bamia eene aanzienlijke plaats. De bamia is eene koolsoort, welke zeer aangenaam smaakt; de Turken zeggen dat het eten daarvan de zinnelijkheid zeer prikkelt. Dat het niet aan rijst ontbreekt, spreekt wel van zelf, en gewoonlijk eet men die op drie- of vierderlei wijzen toebereid. Visch wordt weinig gegeten, maar in plaats daarvan eene dikke soep van kippenvleesch, rijst, okkernoten en vischgelei. Aan het gebruik om bij elken hoofdschotel een stuk knoflook te kauwen, en de zoetigheden met rozenwater te verdunnen, gewent men zich zeer spoedig. Voor dat men na het eindigen van den maaltijd koffie gaat drinken, deelen de slaven nog een schotel soep rond, waarop rozen liggen, die gekookt en met suiker gestoofd zijn. Ik kan een ieder aanraden, zulk een schotel nooit te laten voorbijgaan.

"De Turk is bij het eten zeer op etiquette gesteld. Men kan niet met den lepel eten dien men verkiest: de soep vereischt een langen lepel, de gesuikerde spijzen behooren bij den ebbenhouten, en al wat brij is moet met den ivoren lepel gegeten worden. Nooit mag men eenige spijs met de linkerhand aanraken, en men maakt een zeer belachelijk figuur als men van het metalen staafje iets op de tafel of op zijne kleederen laat vallen. Daarentegen mag men zijne handen zoo dikwijls reinigen als men wil, en het behoort tot het gebruik om minstens alle vijf minuten zijne vingers af te likken."

IX.

De godsdienst der huilende derwischen.

Niets verrast den reiziger in het Oosten meer dan de verschijning der derwischen, die meestal in armoedige kleeding, met hooge vilten mutsen op en met den staf in de hand, als teeken hunner afgelegde pelgrimsreis naar Mekka, overal en in alle straten te vinden zijn, waar zij het den vreemdeling door hunne onophoudelijke bedelarij zeer lastig maken. Gelijk bekend is zijn de derwischen monniken van eene zekere bedelorde, gewoonlijk lieden zonder beschaving, maar die voorgeven visioenen te hebben, welke zij door het overmatig gebruik van opium te voorschijn roepen, en waardoor zij bij het geringe volk in groote achting staan. Dikwijls ziet men allerlei lieden, ja zelfs soldaten, de vuile handen der derwischen kussen als bewijs van godsdienstige vereering.