Konstantinopel en het Serail De Aarde en haar Volken, 1865
Part 2
Soliman II, een achterkleinzoon van Mohammed II, verliet dit paleis, wijl hij het niet naar zijn wensch kon verfraaien, en bracht zijne vrouwen en zijne schatten over naar het andere einde der hoofdstad, naar de bekoorlijke plekken, weleer bewoond door de grieksche monniken, die vroeger den dienst waarnamen in de basiliek van Aya-Sophia. Dat oord was toenmaals reeds beplant met schoon geboomte, en byzantijnsche waterleidingen voerden er het water in overvloed heen. Soliman liet op die hoogten zijne keizerlijke woning bouwen en die beroemde tuinen aanleggen, waar duizend bastandsjis (hoveniers) de schoonste groenten en de zeldzaamste bloemen aankweekten. De zee bespoelde den voet harer muren, en eene kleine vloot, welke den sultan op zijne tochtjes diende, lag geankerd bij die strook lands, welke men reeds toen de spits van het serail noemde.
Soliman bracht in het nieuwe serail de weelde zijner voorgangers over, alsmede eenige verfijningen van de beschaving der westersche landen. De kamer, waarin hij sliep, was door het helderste licht beschenen: er brandden lampen in van zuiver goud. Zijn bed echter was niets dan eene plank, bedekt met geborduurd goudlaken. Ook bezat hij chineesch porcelein, venetiaansche spiegels en bekers van boheemsch glas. Even als Frans I, zijn tijdgenoot, hield hij veel van pracht en van al wat schoon was; als er kunstenaars in zijn rijk geweest waren, zou hij ze gewis beschermd hebben, maar hij regeerde over een volk, dat allen zin voor kunst miste en dat hoogstens slechts een paar zeer middelmatige dichters voortbracht.
De etiquette van het ottomanische hof dagteekent van zijne regeering; hij regelde de bevoegdheden der hooge staatsambtenaren, dat wil zeggen van de slaven, welke hij tot de hoogste posten verhief, door hen aan zijn persoon te verbinden en allerlei diensten te doen bewijzen. Hij vermeerderde aanmerkelijk het aantal vrouwen, die in den harem opgesloten waren, en maakte haar verblijf aldaar verlokkelijk en aangenaam; tevens verdubbelde hij de wacht der zwarte eunuchen, die de sultanen bewaakten.
Het serail bevatte toen ongeveer vijfduizend zielen, als men er de soldaten bij rekent, die in den eersten hof gelegerd waren. De zwarte en blanke eunuchen, de dwergen, de stommen, de vrouwen en de jonge dienaars van den sultan woonden in de binnenvertrekken; hun aantal bedroeg ongeveer drieduizend. Zij behoorden niet tot het turksche ras. De meesten, als christenen geboren en onderdanen van den Grooten Heer, waren kinderen der schatting.
Met dien naam noemde men de jongelingen en jonge dochters, die door de pasjas ieder jaar van de overwonnen volken als tienden opgeëischt werden. Griekenland en de aziatische kusten leverden den ruimsten voorraad. Deze kinderen hadden nog nauwelijks den jongelingstijd bereikt, of zij werden reeds aan hunne ouders ontrukt en naar Konstantinopel vervoerd. De kapou-agasi (opperhoofd der blanke eunuchen) koos de schoonsten, de verstandigsten en de sterksten onder hen uit, en bracht hen in het serail, waar zij weldra hunne godsdienst, hun land, en zelfs hunne familie vergaten. De knapen, opgevoed onder de ruwe behandeling der eunuchen, leerden al de verrichtingen der dienstbaarheid. De vlugsten werden onderwezen in het arabisch, het perzisch en in de fraaie letteren. Uit hunne rijen werden de zestig pages van den sultan gekozen, alsmede zijne muzikanten, zijne barbiers, zijne schrijvers, zijne badmeesters, zijn wapendrager en zelfs zijne ministers: de keur van deze jongelingschap was eene kweekschool van ambtenaren; de minst begunstigden werden met geringere bedieningen en posten belast, als kapyis (portiers), bastandsjis (tuiniers) enz.
De meisjes, uit deze kinderen der schatting gekozen, werden in den harem (verblijf der vrouwen) overgebracht. Zij waren onderworpen aan eene strenge tucht en werden bewaakt door de kadines. De kadines, over welke hierna zal gesproken worden, waren weleer ook slavinnen, die in den bloei haars levens in het serail gekomen waren, er oud werden en stierven. Zij maakten het gevolg uit van de favoriten en van de prinsessen van het keizerlijk gezin. De jonge meisjes, in het serail opgenomen, waren uit bijna al de streken der wereld afkomstig: de Tartaren brachten er hunne gevangenen, de Cirkassiërs verkochten hunne schoonste meisjes aan het serail, en de barbarijsche zeeroovers leverden een aanmerkelijk contingent van spaansche, italiaansche en zelfs fransche slavinnen. De zwarte eunuchen waren bepaald belast met het opzicht en de bediening van al die vrouwen. Hun chef, de kislar-agasi, was de belangrijkste persoon van het hof, met uitzondering van den kapou-agasi (chef der blanke eunuchen). Deze verliet nooit den sultan, bij wien hij de diensten van groot kamerheer, opper-intendant en opper-ceremoniemeester vervulde.
De stommen, die eene geheel ondergeschikte betrekking vervulden, werden gebruikt om de noodlottige zijden koord toe te halen. Als de Sultan een doodvonnis had uitgesproken, voerden zij het zonder toestel en het minste gerucht terstond uit. Deze ongelukkigen hadden eene taal, welke zij slechts door teekens konden overbrengen, en die iedereen in het serail verstond, waar het overigens gebruik was om zooveel mogelijk in teekens te spreken, uit achting voor de tegenwoordigheid van den Grooten Heer. De stommen waren, even als de pages, ten getalle van zestig.
De dwergen hadden ook het voorrecht de binnenvertrekken te bewonen; gewoonlijk vervulden zij de rol van narren; de mismaaktsten en de afzichtelijksten waren het meest gezocht.
IV.
Een blik in den harem.
Uit den aard der zaak is het licht begrijpelijk, dat men weinig van het inwendige van den harem kan weten; nogtans is nu en dan iets uitgelekt, waardoor men met eenige bijzonderheden is bekend geworden.
De vrouwen van den harem zijn, naar haren rang en hare bestemming, in vijf klassen verdeeld.
De hoogstgeplaatsten heeten "Kadinen." Deze naam is afgeleid van Khatun, zooals alle aanzienlijke turksche vrouwen genoemd worden. De Kadinen dragen dien titel van "beminden" des sultans, en genieten dezelfde voorrechten als weleer de sultanen of sultaninnen. Haar aantal is door de wet bepaald op zeven.
Als zij zich eenmaal binnen den harem bevinden, verliezen deze vrouwen, gelijk de andere vrouwen van den sultan, haren eigen naam, en worden dan, even als in sommige gevangenissen, door een nummer aangeduid. Zij heeten alsdan, volgens hare aankomst, Khatun birindski, Khatun inkindski enz., of in het nederduitsch: Mevrouw Een, Mevrouw Twee enz. Volgens gerucht en gedeeltelijk uit de mededeeling van ontvluchte wachters, is de tegenwoordige Mevrouw Een achttien jaar oud, slank van gestalte, maar heeft zij nietsbeteekenende gelaatstrekken. Mevrouw Twee is blond, lieftallig, levendig, vroolijk en wel in staat om te bekoren. Mevrouw Drie is eene schoone Tsjerkessische, die aan eene prinses het leven schonk. Mevrouw Vier is eene onberispelijke schoonheid, maar kinderloos. Mevrouw Vijf is donkerbruin met blauwe oogen; Mevrouw Zes eene betooverende blonde van Salonika; Mevrouw Zeven ziet er wel een weinig onnoozel uit, maar haar gelaat straalt als de maan en hare oogen schitteren als die der houris.
Naast dezen kring van vrouwelijke gestarnten van de eerste grootte, de zonnen van den harem, vertoont zich eene groep van vijftig tot zestig planeten, aan welke men den naam geeft van Odalyq (odalisken). Zij zijn in den bijzonderen dienst des sultans, en dragen verschillende titels en namen, naar gelang van het ambt dat zij bekleeden. Daar de sultan, in de bijzondere vertrekken van zijn paleis als ook in den harem, alleen door vrouwen bediend wordt, zoo spreekt het van zelf dat deze ook verschillende waardigheden en posten bekleeden. De eene is intendant der tafel, eene andere intendant der garderobe, enz. De overigen bedienen den monarch bij het middagmaal, baden hem, kleeden hem, trekken hem de laarzen aan, verdrijven de muskieten gedurende zijnen slaap, en ondersteunen zijn hoofdpeluw als hij zijn siesta houdt.
Andere vrouwen hebben--in haar oog--meer benijdbare verrichtingen, en deelen met de kadinen de betuigingen van gunst en liefde des sultans. In weerwil hiervan, wordt zulk eene begunstigde slavin toch niet van hare gezelinnen gescheiden. De eenige onderscheiding welke zij heeft, bestaat uit haren titel Ikbal, gunstelinge, en eerst als zij zwanger is stijgt zij tot den rang eener kadine.
De dochters of zusters van den Grooten Heer dragen alleen den titel van sultane; zijne moeder voert den titel van valide-sultan, of sultan's moeder, en bekleedt na hem den hoogsten rang in het rijk.
Het aantal odalisken wordt noch door de wet, noch door het gebruik bepaald; hierin geldt alleen de smaak des sultans als regel. Sultan Moerad IV onderhield onder anderen meer dan driehonderd odalisken, bij welke hij honderd-en-dertig kinderen had. Sedert Mahmoed II zijn echter de sultans in dit opzicht bedachtzamer geworden, niet alleen uit spaarzaamheid, maar vooral uit achting voor de publieke opinie, die in Turkije grooter en invloedrijker is dan men wel denkt.
Op de odalisken volgen de ustas, die aan de persoonlijken dienst der valide-sultan, der kadinen en van hare kinderen zijn verbonden; vervolgens komen de novicen (nieuwelingen), en daarna de gewone slavinnen, die het dagelijksche huiswerk moeten verrichten.
Deze verschillende klassen vormen een personeel van drie- tot vierhonderd vrouwen, [2] die meest allen uit Tsjerkessië of andere deelen van Kaukasië afkomstig zijn. Vele van deze voor den harem bestemde meisjes kennen noch hare familie, noch haar vaderland; zij die geen titel dragen overeenkomstig hare diensten, verkrijgen een naam naar gelang harer bekoorlijkheden of bijzondere eigenschappen, bijvoorbeeld: Hayata (de levengevende), Safayi (de vreugdebereidster), Dilbaste (de hartensnoerster), Nurisabah (het morgenrood), Gulbahar (de lenteroos). Deze allen, met uitzondering van de kadinen, staan onder het toezicht eener opperhofmeesteres, die door den sultan gemeenlijk uit eene der oudste favoriten gekozen wordt, en als teeken harer waardigheid een bevelhebbersstaf, met zilver ingelegd, voert.
Dat er nu en dan in den harem wel eens een klein oproer onder de aanwezige dames losbreekt, zal gewis niemand verwonderen. Wij willen slechts een enkel staaltje hiervan aanhalen, dat onder de regeering van een der laatste sultans plaats greep. Die sultan had in zijn harem eene jonge slavin, voor welke hij een vurigen hartstocht had opgevat. Zij heette Zeïnib. Om harentwille bemoeide hij zich weinig met de kadinen, hoewel hij er voor zorgde dat hij haar slechts in het geheim zag, misschien ook uit vrees van haar in gevaar te brengen, of wel om zich zelf onaangenaamheid en last te besparen. Zeïnib zelve, die over dit voorrecht dat zij genoot, ten toppunt van geluk was, deelde hiervan niemand iets mede. Ten laatste kwam toch eene der kadinen, die zich langen tijd voor de meest bijzondere gunstelinge des sultans gehouden had, achter het geheim. Niet minder in hare trotschheid dan in hare liefde gekwetst, overlaadde zij de arme slavin met allerlei beleedigingen en gaf, in 't eind haar drift geen meester, aan de eunuchen bevel haar te grijpen en te geeselen. Zeïnib echter week eene schrede achteruit, verhief met fierheid haar hoofd en zeide tot hen: "raakt mij niet aan, want ik draag een sultan in mijn schoot." Nauwelijks had zij deze woorden gesproken, of alle aanwezigen wierpen zich voor haar ter aarde en kusten den zoom haars kleeds. De kadine echter, wier woede nu geene grenzen kende, greep eene kan met kokend water en goot die over het hoofd der arme Zeïnib uit. In dit oogenblik trad de sultan, die het oproer vernomen had, het vertrek binnen. Zeïnib, die aan al hare leden sidderde en van pijn niet wist wat zij deed, wierp zich aan zijne voeten. De sultan richtte haar op, maar de gevolgen van dit voorval bleven niet achterwege. Eenige weken later stierf zij, terwijl zij het leven schonk aan eene dochter, voor welke de vader eene bijna afgodische liefde koesterde, doch ook dit kind verloor, op haar elfde jaar, bij een brand ongelukkiglijk het leven.
Elke kadine heeft hare eigene kamer en haar eigen bed. De odalisken bewonen kleinere, gelijkvormige cellen, welke allen uitkomen in een groot rond salon, waarvan de wanden geheel met spiegels behangen zijn. Deze rotonde is de plaats der vereeniging, het forum van dit vrouwelijk personeel.
Waarmede houden zich al die jonge vrouwen den ganschen dag bezig? Ziedaar eene vraag, die gewis reeds bij dezen en genen is opgekomen. Zij hebben immers bijna niets te doen, verlaten het serail nooit, en genieten ongeveer dezelfde mate van vrijheid als de dieren van een zoölogischen tuin, met dit onderscheid nog, dat zij nimmer bezoek ontvangen en nooit andere mannen zien dan de eunuken. Liggende op hare divans, en behagelijk hare narghilés rookende, gebruiken zij al de zoetigheden en lekkernijen, welke het Oosten haar kan aanbieden en wijden voorts hare uren aan het gebed--en de zorg voor het toilet. Zij wisselen verscheidene malen daags van kleeding, en de eene is hierin nog ijdeler dan de andere. Reeds vroeg in den morgen komen de eunuken en de slavinnen binnen en brengen met de pijpen ook het onontbeerlijke blanketsel, waarmede zich kadinen, odalisken en ustas de wangen beschilderen. Daarna neemt ieder een penseel, verft hare wenkbrauwen, kleurt hare nagels, doet de overtollige haartjes verdwijnen, en op deze wijze gaat de dag voorbij. Dit kleuren geschiedt door middel van hennabladeren, welke plant in Egypte, Nubië en in andere streken in menigte groeit. Het fijne groene poeder dezer bladeren wordt met kokend water aangemengd, en dit des nachts op de vingers gelegd; de kleur is zeer duurzaam en verdwijnt eerst als een nieuwe nagel te voorschijn komt; gewoonlijk wordt ook de huid aan de toppen der vingers hierdoor donkerzwart gekleurd, met oranjekleurige randen. Wijl echter de opperhuid zich telkens hernieuwt, hebben de jonge vrouwen den geheelen dag genoeg te doen om hare nagels en wenkbrauwen in orde te brengen. Als het avond wordt en de sultan in den harem wil overnachten, wijst hij de kadinen of gunstelingen aan, die hom gezelschap moeten houden.
V.
Andere harems.
Niet alle harems zijn echter zoo onverbiddelijk voor het oog der vreemdelingen gesloten als die des sultans. Heden ten dage is het niet ongewoon, dat eene westersche vrouw, mits zij van goede introductie voorzien is, den harem van een rijken effendi of hoogen staatsdienaar binnentreedt. De beroemde schrijfster Frederika Bremer deelt, in hare reis naar het Heilige Land, daaromtrent de volgende merkwaardige bijzonderheden mede uit haar verblijf te Jeruzalem. [3]
"Nadat wij met de medegenomen spijzen en vruchten ons middagmaal hadden gedaan, maakte ik met de beide meisjes een bezoek in den harem van den sheikh. Wij werden daar vriendelijk ontvangen door een krachtige vrouw van omstreeks vijftig jaren, die met onze goede burgervrouwen in Zweden zeer veel overeenkomst had, en aan ieder van ons een versch geplukten ruiker van welriekende tazetten bood, waarbij zij, als welkomstgeschenk voor mij, nog eene roos voegde. Vervolgens bracht zij ons in hare kamer, waarin rondom langs de wanden divans stonden; en daar begonnen wij, dat wil zeggen de beide dochters van den bisschop, die het arabisch ten volle machtig zijn, een gesprek met haar, waaraan ik alleen door middel van een tolk deel kon nemen. Toen de goede vrouw hoorde, dat de dames nog ongehuwd waren, toonde zij zich zeer verwonderd, en noemde het "groote schande, dat zulke groote meisjes nog geen man hadden." En toen de meisjes daarop lachende op mij wezen en zeiden dat ik ook nog altijd buiten den echt leefde, sloeg zij de handen ineen, liep verschrikt naar de deur, als wilde zij het vertrek verlaten, en zeide daar op hartstochtelijken toon, dat zij zich, zonder man en kinderen, geen geluk denken kon. Voorts verlangde zij van mij te weten, waarom ik niet was gehuwd, en toen ik haar dat had uitgelegd, hernam zij wel, dat ik gelijk had, maar verklaarde tevens, dat zij hiervan niets meer wilde hooren, en geleidde ons op het dak der woning, om er het uitzicht te bewonderen. Er was in het spreken en doen van die goede vrouw iets levendigs, geestigs en degelijks. En daar zij van den dag van haar huwelijk af de éénige vrouw van den sheikh gebleven is, zoo vermoed ik dat deze, die een goed en vroom man schijnt te zijn, bij zijne wederhelft wel wat onder den pantoffel staat, en dat die mohammedaansche pantoffel juist niet altijd van fluweel zal wezen.
"De sheikh, zijn zoon, zijne dochter en de kinderen van deze onderscheiden zich, even als hunne woning, door schoonheid en welvaart zeer gunstig van de overige bewoners en huizen van het dorp. De eerste heeft ook het opzicht over de moskee. En nadat wij dat heiligdom bezocht, de koffie, welke de echtgenoote van den sheikh ons aanbood, gedronken en haar voor de genoten gastvrijheid door een klein geschenk in geld onze dankbaarheid betoond hadden, keerden wij door de dalen Kedron en Hinnom, door de Sionspoort naar huis terug, waar wij, na dien langen en vermoeienden, maar tevens interessanten tocht, met een dankbaar gevoel aan de rust ons overgaven.
"Op de mededeeling van dat uitstapje, laat ik het verhaal volgen van mijn bezoek in den harem van Effendi Musa, waar ik door de jeugdige en beminnelijke echtgenoote van den consul Rosen, eene dochter van den bekenden componist en pianist Moscheles, werd ingeleid. De Effendi Musa, een vermogend man, was jaren lang, zonder kinderen te krijgen, met zijne eerste vrouw gehuwd geweest. Hij nam daarop eene tweede vrouw, die hem na verloop van een jaar door de geboorte van een zoon verblijdde. Schier gelijktijdig beviel nu echter ook de eerste vrouw van eenen zoon.
Maar toen dat kind binnen ettelijke maanden weder overleed, werd de tweede vrouw zoo bevreesd dat de andere haren zoon vergiftigen zou, dat zij 't in den harem niet langer kon uithouden en naar het ouderlijke huis wederkeerde, waar zij sedert door haren echtgenoot wordt bezocht.
"Van dien tijd af kon de eerste dus weder ongestoord in den harem heerschen; doch onze intrede in dezen beloofde niet veel goeds. De gewelfde poort en de trap, die erheen voerden, waren vuil en vol met allerlei dingen, die er niet behoorden; maar daarna werd het beter, en de trap opgegaan zijnde, traden wij een ruime, zindelijke plaats binnen, die met steenen platen was bevloerd. Hier kwamen twee jonge, sierlijk getooide dames, in vuurroode jakjes en met bloemen in de haren, ons te gemoet, en brachten ons, na ons vriendelijk welkom geheeten te hebben, in hare gezelschapskamer. Het waren de eerste vrouw van Effendi Musa en een ongehuwde bloedverwante van haar. De eerste, Sitti Selma, gaf mij den indruk van een volwassen kind. Zij telde vier-en-twintig jaren, had een teeder, rank figuur en een zeer lief gelaat met fijne, mooi gevormde trekken en schoone donkere oogen. Een halve krans van levende dubbele jonquilles, die door een agraffe van amethyst boven het voorhoofd bevestigd was, omgaf een klein fluweelen mutsje, waarvan twee kwasten van donkerblauwe zijde tot laag over den nek naar beneden hingen. Het krippen kleed, dat met opgeplakte geborduurde bloemen met gloeiende kleuren was bezaaid, werd beneden het jakje samengehouden door eenen gordel, die een gouden horloge en andere versierselen droeg. Hare nagels waren zwartblauw geverfd, en hare handen overdekt met figuren van dezelfde kleur. Zij scheen kinderlijk vroolijk en ongegeneerd te zijn, maar was ook zeer vrijpostig in het opnemen van mijne kleeding en die van mevrouw Rosen. Ieder stuk er van werd afzonderlijk bekeken en betast, ja zelfs onderzocht zij of wij korsetten droegen, en gaf daarover hare verwondering te kennen.
"De ongehuwde dame, Sitti Nephisa, was een zeer mooie blondine van zeven-en-twintig jaren met volle en ronde vormen, en veel minder nieuwsgierig dan hare gehuwde nicht. Hare handen en nagels waren niet beschilderd, maar veel mooier dan die der jonge vrouw, en op haar hoofd droeg zij een krans van heel kleine bloempjes.
"Zwarte slaven en slavinnen gingen de openstaande deur, waarmede men op de plaats kwam, uit en in, en zetten eenige ververschingen voor ons klaar. Daarop werd een jeugdige slavin uit Abyssinië, die eerst voor korten tijd gekocht was, voor ons gebracht en haar bevolen, den zoom van onze kleederen te kussen en de linkerhand op de borst te leggen, terwijl zij ons met de rechter in kleine echt porceleinen kopjes thee presenteerde. Op dezelfde wijze werd ons vervolgens, mede in zeer kleine kopjes, koffie aangeboden, die, even als de thee, sterk gesuikerd was. En daarna werden twee kleine negerkinderen--slaven des huizes--binnen geroepen, die weder onze kleederen moesten kussen, en door de beide dames geliefkoosd en zeer vriendelijk behandeld werden. Intusschen verlangde ik naar een meer degelijk onderhoud, en greep daartoe de gelegenheid aan, toen zij ons de boeken van Effendi Musa lieten zien, die zij echter zelf niet gelezen hadden, omdat--geen van beiden lezen kon: want een mohammedaansche vrouw, die lezen kan, is een groote zeldzaamheid. Door mevrouw Rosen, die het arabisch volkomen goed verstaat en spreekt, en die de goedheid had mij tot tolk te dienen, vroeg ik haar, of zij bidden konden en dagelijks tot "Allah" baden, 't geen aanstonds door beiden met "Ja!" bevestigd werd. Zij baden, zeiden zij, vijfmaal daags en telkens een ander gebed, hoewel dagelijks dezelfde gebeden. Vervolgens vroeg ik, of zij geloofden, dat zij, even goed als de mannen, in het paradijs zouden komen? Waarop weder haar antwoord luidde:
"Ongetwijfeld. Alle Moslemim komen in het paradijs. Sommige onmiddellijk na den dood, andere nadat zij eerst een straf- of louteringstijd hebben doorgestaan, die korter of langer duurt, naar gelang zij op aarde beter of slechter hebben geleefd."
"Waarmede," ging ik voort, "zullen de gezaligden in het paradijs zich bezig houden?"
"Met niets," hernamen zij, "dan met het afleggen van bezoeken bij hunne vrienden."
"Zullen zij daar ook muziek maken?"
"Neen; want dat zou zondig zijn."
"Zullen zij er ook eten en drinken?"
"Neen; want in het paradijs hebben de zaligen geene tanden en nog minder honger of dorst. Willen zij echter iets gebruiken, zoo behoeven zij 't maar te wenschen, en dadelijk zien zij een gedekte tafel voor zich staan, gelijk men over 't geheel in het paradijs maar een wensch heeft uit te spreken, om dien aanstonds vervuld te zien."
"Zullen zij daar God zien?"
"Voorzeker neen! Daarvan kan nimmer sprake zijn. Niet eens kan zulk een wensch in hen opkomen, daar de profeet Mohammed en zijn paradijs voor allen genoeg zullen zijn."
"Waar komen zij, voor wie de toegang tot het paradijs gesloten is, de zondaren en goddeloozen?"
"In het brandende vuur. Maar nadat zij in het vuur gelouterd zijn, zullen ook zij in het paradijs opgenomen worden."
Deze en meer andere vragen van dien aard werden allen vlug en helder beantwoord, met name door de ongehuwde dame, die blijkbaar in verstand en nadenken de andere overtrof. Zij scheen ernstig belang te stellen in godsdienstige zaken, waarin zij van hare tante mondeling onderwijs ontvangen had. En op de vraag, welke ik ten slotte tot haar richtte, of zij geen lust gevoelde om te reizen en andere landen te zien, zoo als mijn vaderland, dat ik haar als zeer schoon beschreef, hernam zij: "Neen. Als ik reizen kon, zou ik het liefst naar Stamboul (Konstantinopel), waar mijn vader heeft geleefd, of naar Mekka gaan. Maar daar dit niet mogelijk is, houd ik 't voor best, in de stad te blijven, waarin Abraham, David en Christus hebben verkeerd. In andere steden is misschien meer "fantasia"--vermaak--maar hier vind ik meer, dat tot stichting dient." En daarop kon ik niets dan "Taib, taib!"--"goed! goed!" laten volgen.