Konstantinopel en het Serail De Aarde en haar Volken, 1865
Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
KONSTANTINOPEL EN HET SERAIL.
I.
Blik op Konstantinopel.
Wanneer men van de zee van Marmara komende den Bosporus nadert, wordt het oog getroffen door een schouwspel, zooals er waarschijnlijk geen tweede op de aarde gevonden wordt. Konstantinopel, met recht de koningin der steden en de parel van het Oosten genoemd, vertoont zich dan voor onzen blik. De natuur en de kunst hebben hier elkander de hand geboden om een geheel te scheppen, zoo tooverachtig schoon, dat geen woorden den indruk kunnen weergeven, dien de aanschouwing op den vreemdeling maakt. Allen, die immer dit wondervolle panorama, in zijn rijkdom en pracht, in zijne eindelooze afwisseling en verscheidenheid, in zijne heerlijke harmonie aanschouwden, brengen om strijd hulde aan deze bijna volmaakte schoonheid. Sommigen hebben Rio-Janeiro, Lissabon en Napels in de rij der mededingsters van Konstantinopel geplaatst, maar toch moeten zij het allen toestemmen, dat, hoe heerlijk en treffend het eerste gezicht op de genoemde steden ook zijn moge, de aanblik van de hoofdstad des turkschen rijks alles overtreft wat den roem van deze mededingsters uitmaakt.
Terwijl het schip langzaam voortzeilt, vertoont zich allereerst voor het oog des reizigers eene bekoorlijke groep van eilanden, bedekt met boschjes van cypressen, arbukas en altijd groene eiken, in wier schaduw men hier en daar de muren van een grieksch klooster ontwaart. Deze eilanden, de Prinseneilanden genoemd, prijken met de buitenverblijven en lusthuizen der aanzienlijke Grieken, die des zomers de hoofdstad verlaten om hier rust en aangename koelte te genieten. Rechts van deze eilanden rijst de kust van Klein-Azië statig omhoog, overwelfd door den donkerblauwen hemel van het Oosten, en op den achtergrond de bithynische Olympus, welks hellingen met dichte bosschen beplant zijn, terwijl zijn spits met bijna altijddurende sneeuw is gekroond. Na een half uur voortgezeild te hebben, tusschen eene menigte schepen die voor anker liggen, nadert men het keizerlijke paleis, het uitgestrekte serail, met zijn steenen muurgordel, de uiterste punt innemende van den driehoek, door de zee van Marmara, den Bosporus en den Gouden Hoorn, Konstantinopels prachtige haven, gevormd.
Zoodra de reiziger in de haven aangeland is, behoeft hij niet te vragen hoe hij stadwaarts zal komen. Honderde bootjes liggen tot zijne beschikking gereed. Deze bootjes worden kaiks genaamd en zijn zeer sierlijk van vorm, bijna als een in de lengte doorgesneden ei. Zij zijn uit noteboomhout vervaardigd en zoo dun als de berkenschors van een indiaanschen kano, doch veel fijner bewerkt en met allerlei beeldhouwwerk versiert. De roeiriemen zijn van wit beukenhout, en de roeier of kaiktsji behoeft voor geen engelschen of hollandschen roeier onder te doen. Ieder kaiktsji hanteert zijn kleinen kaik met twee roeiriemen, en zoo glijdt het lichte vaartuig snel en behendig over de wateren heen, even als eene zwaluw door de lucht. In de grootere en breedere kaiks zitten ook wel eens twee roeiers naast elkander op ééne bank; zelfs zijn de grootste booten bemand met acht, ja somwijlen wel met twintig kaiktsjis. Dit is onder anderen het geval met den staatskaik des sultans, die allerprachtigst gedecoreerd is. De beheerscher van het turksche rijk zit in zijn boot onder een rooden en met goud omzoomden troonhemel, wanneer zijne roeiers hem iederen vrijdag uit zijn paleis aan den Bosporus naar een der moskeeën van Konstantinopel voeren, waar hij zijn gebed moet doen. Bij deze gelegenheid verschijnt de beheerscher der geloovigen, anders meest in zijn serail opgesloten, in het openbaar om zich aan het volk te vertoonen. Men kan zich niets prachtigers voorstellen dan deze keizerlijke kaik, welke tachtig voet lang is, en op wier voorste spits eene vergulde meeuw hare vleugelen uitbreidt. De keur van Konstantinopels kaiktsjis, uit de krachtigste en schoonste mannen uitgelezen, heeft de eer de boot des sultans voort te stuwen. Deze roeiers zijn zeer sierlijk gekleed: zij dragen een korten sneeuwwitten broek, die aan de heupen door een gordel van roode zijde bevestigd is. Op het hoofd rust de roode fez met een langen kwast van donkerblauwe zijde; de hals en de borst zijn bloot, terwijl slechts hunne schouders en armen door een soort van kamizool van ruwe witte zijde bedekt zijn. Bij iederen riemslag verheffen zij zich, om aan den roeiriem de volle kracht te kunnen bijzetten, en hunne gelijkmatige bewegingen, welke als door eene machine bestuurd schijnen, drijven het schoone vaartuig met de snelheid eener stoomboot door de golven. De boot des sultans wordt gevolgd door eene menigte van kaiks, in welke de hooge staatsdienaars hebben plaats genomen, en die naar gelang van den rang dier heeren, door tien of twintig roeiers voortgedreven worden. Achter dit gevolg komt de bijzondere kaik van den sultan, waarin hij plaats neemt als hij naar zijn paleis teruggekeert, wijl de wet voorschrijft dat hij zijn terugtocht niet in dezelfde boot mag houden. Bij die gelegenheid is de Groote Heer zeer gemakkelijk van alle andere personen te onderscheiden, en wel aan eenen soort van rooden parasol, welk teeken van waardigheid hij alleen mag dragen.
De kaiks zijn bijna de eenige bootjes, die men op den Bosporus aantreft, en overal ziet men langs het strand kleine steigers, iskellis genaamd, waar zij aanleggen. Bij iedere aanlegplaats staat een oude Turk, met een langen baard en dikwijls ook met een amulet om zijn hals, waardoor hij zich aankondigt als een pelgrim, die de lange en gevaarlijke reis naar het graf van den profeet gemaakt en ter belooning hiervan dit station als post ontvangen heeft. Hij draagt een staf in zijne hand, als bewijs zijner aanstelling, en zorgt voor de handhaving der orde. Zoodra eenige menschen in het bootje plaats genomen hebben en op het punt zijn van weg te roeien, spreekt hij zijne pelgrimsgroete uit: "Allah slamadak!" God behoede u, waarbij hij tevens zijne hand uitstrekt om een aalmoes te ontvangen; die men hem gewoonlijk geeft, en die uit een tien parastuk (drie cents) bestaat. Men kan zich een denkbeeld maken van de groote menigte kaiks, die onophoudelijk over de wateren glijden, als men nagaat dat er meer dan een millioen menschen aan beide zijden van de zeeëngte wonen. Nog onlangs werd het aantal dier kaiks op meer dan tien duizend geschat.
Behalve deze sierlijke vaartuigjes treft men hier ook verscheidene breede en lomp gebouwde barken aan, die door lange en zware roeiriemen voortgestuwd worden. Deze barken zijn gemeenlijk bezet met menschen van verschillende kleur, natie en taal, die naar de voorsteden, of wel naar de aziatische kust moeten overgebracht wordt. In een land waar de wegen, ook in de onmiddelijke nabijheid der hoofdstad, in zulk een slechten toestand zijn als in Turkije, zijn deze barken het geliefkoosde vervoermiddel voor de lieden uit het volk, die er dan ook ijverig gebruik van maken, daar zij voor weinige penningen uren ver worden getransporteerd. Men ziet deze barken den ganschen dag door de haven in- en uitroeien, bezet met Turken, Joden, Armeniërs, Grieken en Franken, allen in hun eigenaardig kostuum, en omgeven door een wolk van tabaksrook, die zij aan hunne tsjiboeks of hunne papiersigaren ontlokken.
Wanneer men van dit punt der haven (Gouden-Hoorn) een blik werpt over de stad, dan vertoont zich Konstantinopel in onbeschrijfelijke pracht en schoonheid; eene bonte menigte van huizen ligt voor ons, zoover het oog slechts kan reiken. De zeven heuvels, op welke de stad, als Rome, gebouwd is, vormen eene golvende lijn aan den horizon, gekroond met de keizerlijke moskeeën, die door hare buitengewone grootte en gedaante aan de stad een merkwaardig karakter verleenen. Deze gebouwen zijn over het algemeen vierkant, met een of meer koepels gedekt, en aan de vier hoeken mot hooge en slanke torens of minarets versierd. De koepels zijn met metaal belegd, de spitsen der minarets verguld en uitloopend in een halve maan: deze metalen daken, verlicht door de stralen der zon, verspreiden een tooverachtigen glans. De moskeeën nemen zulk eene groote plaatsruimte in, dat zij niet het minst in verhouding staan tot de andere gebouwen in hare nabijheid, en vergeleken met de gewone huizen op donkere heuvels gelijken. Er is slechts één voorwerp, dat boven al die moskeeën en huizen uitsteekt: de Seraskiër-toren, die zich, als een reusachtige kolom, hoog boven alles verheft. Deze toren behoort tot het seraskeriaat (ministerie van oorlog), welk gebouw tevens ingericht is als kazerne, waarin tien duizend soldaten hun verblijf houden. Een evengroot gebouw is het ministerie van buitenlandsche zaken, dat geheel in westerschen stijl opgetrokken en het eenige gebouw van dien bouwtrant is, dat zich in het eigenlijke Konstantinopel bevindt.
De dalen rondom de stad worden door eene waterleiding doorsneden, welke het water, dat van de bergen langs de Zwarte-zee afstroomt, naar de verschillende pompen en fonteinen der stad leidt. De muren, welke zoowel geheel Konstantinopel als ook sommige wijken en zelfs vele afzonderlijke gebouwen omringen, zijn meestentijds als in een groen feestgewaad gehuld, dank zij de bestendige vochtigheid dier muren, waardoor de wortelen van verschillende planten voedsel krijgen en op deze wijze onafgebrokene priëelen, slingers en festoenen vormen, die aan de door den tijd verbrokkelde muren een bekoorlijk en frisch aanzien geven.
Voordat wij nu het oog vestigen op het inwendige gedeelte der stad zelve, willen wij eerst een bezoek brengen aan het serail.
II.
Beschrijving van het serail.
Eenigszins westwaarts tegenover Scutari, strekt zich eene strook lands in zee uit, welke onder den naam van Spits des serails (zie blz. 72) bekend staat. Hier, te midden van al de vereenigde schoonheden der natuur, bevindt zich het paleis van den Sultan, dat, wat zijne ligging betreft, door geen andere Vorstenwoning wordt overtroffen. Gelijk Konstantinopel geene eigenlijke stad, maar eene bijna eindelooze en verwarde verzameling van burchten, dorpen en uitgestrekte gebouwen is, zoo ook biedt de residentie des Sultans niets regelmatigs aan, hoewel de eerste blik op het serail of het keizerlijk verblijf den beschouwer verrast en verbaast. Het serail is het bekoorlijkste punt van Konstantinopel; het is het Kapitool der voormalige Keizersstad, het middelpunt van dit tweede Rome, dat voor een poos den glans van het eerste scheen te zullen verduisteren. Inderdaad is het, vooral van verre gezien, niet slechts een paleis of een uitgestrekt gebouw, maar men kan het veeleer noemen eene met muren omringde vorstelijke stad, te midden van eene verzameling van vlekken en steden.
Reeds in 1786 schreef eene aanzienlijke engelsche dame, die een gedeelte van het fransche gezantschapspaleis te Pera bewoonde, het volgende: "De namen, welke men aan sommige voorwerpen geeft, ondergaan eene geheele verandering en verkrijgen eene gansch andere beteekenis, als men die voorwerpen in de vreemde landen zelve gadeslaat. Gewoonlijk toch verstaan wij door serail de woning of liever de bewaarplaats der mohammedaansche vrouwen; doch hier is het serail de residentie des beheerschers van het Oosten. Evenwel kan men het niet zijn paleis noemen: want het bestaat uit zulk eene wanordelijke groep van kiosken, tuinen, hoven en stallen, dat men even zoogoed zou kunnen zeggen dat het eene verzameling van huizen is met hun toebehooren, die zonder regelmaat of symmetrie gebouwd zijn binnen een park, omringd van hooge muren."
Dit oordeel is volkomen waar, en nog heden ten dage ten volle nauwkeurig. De muren van het serail vormen een ongelijkmatigen driehoek, waarvan twee zijden door de zee bespoeld worden. Het terrein, waarop het serail is gebouwd, daalt in eene zachte glooiing strandwaarts, en wordt daar door een zwaren muur begrensd. Waarschijnlijk is deze muur opgetrokken uit de oude overblijfsels van Byzantium, zooals men meent te moeten opmaken uit onderscheidene grieksche opschriften, kapiteelen en kroonlijsten, in het metselwerk opgenomen. Deze muren hebben gewis belangrijke geschiedenissen doorleefd. Hier bemerkt men onder een gordijn van klimop, een gewelfden zuilenboog, die weleer toegang verleende tot de uitgestrekte onderaardsche gewelven, welke, naar men zegt, zich onder de geheele stad uitstrekken; ginds is eene geheime deur verborgen tusschen vooruitspringende bolwerken; verder een soort van zwevende brug, over de zee hangende, en van waar, naar men zegt, de vrouwen werden afgeworpen, die verdacht waren van ontrouw. Van hoeveel misdaden, intriges, geheimzinnigheden en bloedige tooneelen waren deze sombere muren, in den loop der eeuwen, getuigen. Van buiten kan men verscheidene gebouwen ontdekken, ordeloos tusschen het groen en het dichte lommer verstrooid. De vooruitspringende daken der kiosken en de vergulde of metalen koepels, welke de daken vervangen, geven aan die gebouwen een eigenaardig voorkomen, te verrassender naarmate hunne ligging tusschen het weelderig geboomte, hen half aan het oog onttrekt, en aan het geheel een zeer eigenaardig rustiek karakter geeft.
Men treedt het serail binnen door eene groote poort, wier bouwstijl volstrekt geen karakter draagt en tot geen bijzonder tijdperk behoort. Dit is de keizerlijke poort, of, gelijk zij meer bepaald genoemd wordt, de Verheven poort, die haar naam geschonken heeft aan de regeering van Turkije zelve, in diplomatieken stijl de Verhevene Porte of kortweg de Porte genoemd. Aan beide zijden van deze poort ziet men twee groote nissen, in welke weleer de afgeslagen hoofden der pasjas werden tentoongesteld, die op bevel van den sultan ter dood gebracht waren. Wanneer het doodvonnis in eene der provinciën voltrokken was, vulde de scherprechter het hoofd met hooi op, sloot dit in een lederen zak, en bracht het aldus, hangende aan den zadelknop, te paard herwaarts. Op deze wijze werd ook het hoofd van Ali, den woesten pasja van Janina, naar Konstantinopel gevoerd, en daar op een zilveren schotel gedurende negen dagen tentoongesteld.
Wanneer men den drempel van de hoofdpoort overschreden heeft, bevindt men zich op eene groote, onregelmatige en zeer lommerrijke binnenplaats, omringd van gebouwen, die zich echter door niets bijzonders onderscheiden. Ter linkerhand is de bewaarplaats der oude wapens, weleer eene kerk, gewijd aan de H. Irene; daarnevens bevindt zich de munt, welke door Armeniërs bestuurd wordt; rechts ziet men de bakkerij der keizerlijke residentie, in welke dagelijks het brood gebakken wordt voor de bewoners van het serail, wier getal op bijna tien duizend geschat wordt. Een weinig verder komt men aan eene deur, die den toegang geeft tot eene tweede poort. Menig vizier heeft gesidderd, als hij onder haar somber gewelf doorging, want op die plaats stonden de djellad of scherprechters, en wachtten op de staatsdienaars, die door den souverein ter dood veroordeeld waren. Overigens levert deze hof of liever deze binnenplaats niets merkwaardigs op. Het plaveisel laat veel te wenschen over, en zoo er geen geboomte was, dat eenige frischheid of verkoeling gaf, zou niets u aan deze plaats boeien, die niets anders aanbiedt dan herinneringen aan een bloedig verleden.
Schuin tegenover de Verhevene poort bemerkt men eene tweede poort, aan beide zijden voorzien van twee kleine torens, die aan een van schietgaten voorzienen muur verbonden zijn. Dit is de Bab-us-Selam, de Poort des heils (zie blz. 56). Niemand had voorheen het recht om haren drempel te overschrijden, dan alleen de viziers, die zich naar den divan begaven, [1] en de ambassadeurs der groote mogendheden, indien hun door den sultan eene audiëntie wordt toegestaan. De Bab-us-Selam wordt, even als de hoofdpoort, bewaakt door een dertigtal turksche soldaten, die tamelijk slordig gekleed zijn, en belachelijke, granaatkleurige mutsen dragen, welke in niets op den rijk versierden fez der Janitsaren gelijken. Behalve eenige gebouwen van weinig beteekenis, treft men op deze binnenplaats de deur aan, welke naar de zaal van den divan geleidt.
Aan gene zijde van den Bab-us-Selam bevindt zich nog eene andere binnenplaats, binnen welke eenige oude platanen een weinig schaduw afwerpen. Het uitzicht is hier somber en treurig; zelfs hoort men geen geluid. Als men nogtans een weinig verder gaat, bemerkt men tusschen dicht geboomte van cypressen en indische vijgen, het sierlijk dakwerk en de getraliede vensters van gebouwen, die bewoond zijn. Hier is de eigenlijke woonplaats des sultans, of, gelijk hij genoemd wordt, de Schaduw Gods. Het is geen vreemdeling veroorloofd dit gedeelte van het serail te betreden, waar, behalve de vertrekken van den souverein, ook die zijn, waar eenige oude favoriten van sultan Mahmoed, en wellicht ook eenige jonge weduwen van sultan Abdul-Mejid haar verblijf houden. Hier bevindt zich ook het zomer-salon, dat ons op blz. 65 wordt voorgesteld.
Na een vluchtig bezoek gebracht te hebben aan eene verzameling van oude wapenrustingen en de bibliotheek, die tevens eenige weinig beduidende portretten der vroegere sultans bevat, nadert men de tuinen van het serail. Begeerig wendt men overal den blik heen, in de verwachting iets te zien van al die wonderen waarvan de oude reizigers ons zooveel merkwaardigs verhaalden, en die, naar deze verhalen te oordeelen, inderdaad aan het fabelachtige grensden. Maar helaas, men wordt zeer teleurgesteld. Men verwacht de wonderen der Duizend en een nacht,--en men vindt niets dan eenige onregelmatige en het schoonheidsgevoel kwetsende bloemperken; een paar oranjerieën en eenige planten in half verrotte houten bakken of gebroken potten. Maar waar zijn dan de fonteinen, van welke Sheherezade ons zooveel schoons verhaalde, en die hare waterstralen, nu eens rood gekleurd als parelenden wijn, of met schuim vermengd als zilveren regenbogen, hoog opwierpen? Waar zijn zij? Men wijst u eenige springbronnen, wier buizen half verteerd zijn, en die slechts hier en daar een straal opwerpen van nauwelijks zes voet hoogte; voorts verscheidene waterbekkens vol troebel water, omgeven van eenige vruchtboomen, en in de verte een haag van geschoren palmboomen, die eenigszins de gedaante en de bladeren van den cypres hebben, maar aan het geheel eene nog grootere treurigheid bijzetten. Alle poëzie is van hier verdwenen, sedert de toegang tot deze plaats ontsloten, en daarmede de weldadige sluier van het geheimzinnige opgeheven is. Men wandelt langs eenige perken vol van--althans voor ons westerlingen--zeldzame bloemen, en verwijlt eenige oogenblikken bij de kafés, welke als in een doolhof van sombere boschjes verborgen liggen. Deze kafés, letterlijk kooien, zijn kleine steenen gebouwen, zeer stevig gemetseld, welke weleer den prinsen der keizerlijke familie tot verblijf waren aangewezen: namelijk hun, aan wie de regeerende sultan bij zijne komst tot den troon genadiglijk het leven liet.
Eene uitzondering, wat ten minste fraaiheid betreft, maakt hierop de fontein van het serail, welke op blz. 53 is afgebeeld. Zij is nog tamelijk goed onderhouden, en hoofdzakelijk samengesteld uit perzisch porcelein en marmer van verschillende soorten. Zij dagteekent van de regeering van Achmed III. Op een van hare fronten staat het navolgende in schitterende letters geschreven: "Drinkt met eerbiedige aandacht het water van Khan Ahmedie en bidt voor hem." Deze fontein, van vierhoekigen vorm en gekroond met sierlijke koepels, is overal bedekt met arabesken en schitterend glazuursel, terwijl vergulde tralievensters van bevallige teekening en met geschulpte bogen den blik bekoren. Aan de vier hoeken van het gebouw bevinden zich, in getraliede vensters of liever nissen, de springbronnen, welke evenwel van binnen bedekt zijn, om de frischheid van het water te bewaren.
De fonteinwachters hebben den last ontvangen om aan ieder die het verlangt een tinnen kroes, gevuld met dit ijskoude water, toe te reiken, dat vooral bij de hitte des daags eene aangename verfrissching aanbiedt. In het Oosten toch is koud water een genot, veel grooter dan onze heerlijkste wijnen ons immer geven kunnen. Gewoonlijk danken deze fonteinen hare stichting aan eene of andere vrome gelofte, en zijn zij tot publieken dienst bestemd.
Nogtans bevatten de tuinen, hoezeer zij ook de hoog gespannen verwachting mogen teleurstellen, een en ander dat der bezichtiging wel waard is; zooals in het huis der rozen (Ghulané), dat vroeger inderdaad dien liefelijken naam moet verdiend hebben, doch thans omringd is van perken, waarin groenten geteeld worden, hier en daar afgewisseld door reusachtige zonnebloemen, en verdeeld in heggen, doorweven met kleine witte leliën.
Eéne poort echter blijft ook nu voor den vreemdeling gesloten en wordt alleen voor den sultan en zijn gevolg geopend. Dit is de poort welke naar den (ouden) Harem geleidt. De nieuwe harem of het serail Beshiktash, is door den laatsten sultan naar eene andere plaats verlegd, en onderscheidt zich door eene bevallige groepeering van gebouwen, koepeldaken en minarets. Het woord "harem" beteekent eigenlijk een verboden en geheiligd oord: harémi nebevi, d. i. heiligdom des profeten, welken naam ook de heilige stad Medina draagt. In het gewone taalgebruik geeft men dien naam niet alleen aan de afgezonderde woning der vrouwen, maar ook aan hare bewoonsters zelven. Het is het gynaeceum der oudheid, gewijzigd in verband met de denkbeelden en zeden van het tegenwoordige mohammedaansche Oosten. De sultan is de eenige man in Turkije, die het recht niet bezit om een wettig huwelijk aan te gaan. De turksche godsdienst, die vier wettige vrouwen vergunt aan eenen man, wiens vermogen toelaat haar te onderhouden, verloorlooft den Grooten Heer geene echte vrouwen, maar slechts gunstelingen, en wanneer het volk van zijnen heerscher spreekt, noemt het hem "den zoon der slavin."
Hoe schilderachtig de ligging van het serail Beshiktash moge zijn, toch heeft het, van meer nabij gezien, niets van die deftige en grootsche gebouwen, waaraan wij in onze steden gewoon zijn. De meeste gebouwen bestaan uit hout, hoewel zij van binnen zeer prachtig moeten zijn ingericht, en genietingen aanbieden die de gewone westersche verbeelding te boven gaan.
III.
Wat vroeger het serail was.
Van de vroegere heerlijkheid van het turksche hof, en de aziatische weelde waarmede zich de sultans en hunne gunstelingen weleer omringden, is, evenals van de macht van het rijk zelf, nog slechts een schaduw over. De turksche geschiedschrijvers deelen ons weinig mede omtrent het intieme leven van het serail; wat wij daarvan weten is ontleend aan de berichten der oude reizigers en der diplomatieke agenten, die de voornaamste europeesche mogendheden bij het hof van den Grooten Heer vertegenwoordigden.
De reizigers, die Konstantinopel bezocht hebben tijdens de grootheid der sultans, erkennen dat zij het serail niet van binnen hebben bezien; geen hunner heeft den drempel van de derde binnenplaats overschreden, noch een blik geworpen aan gene zijde van de troonzaal, in welke de Groote Heer--of zoo als hij meer genoemd wordt de Padishah, de Verheven Keizer, de Beheerscher der geloovigen, de Opvolger van den Profeet, de Schaduw Gods,--audiëntie gaf aan de afgezanten der christelijke mogendheden; maar allen hebben merkwaardige bijdragen geleverd, en velen hunner hebben hunne geschriften opgesteld als onder het oog van lieden, die in het serail geleefd hebben.
Tot omstreeks het midden der zestiende eeuw bewoonden de ottomanische keizers het oude serail van Mohammed II: eene soort van vesting, gelegen bijna in het middenpunt van Konstantinopel, en wel ter plaatse waar het hedendaagsche gouvernement het ministerie van oorlog heeft doen bouwen.