Koning Richard de Tweede

Part 6

Chapter 63,866 wordsPublic domain

HERTOGIN. Hem na, Aumerle! neem zijn eigen paard; Spoor, ijl en kom hem bij den koning voor, En smeek vergiff'nis, eer hij u beschuldigt. Ik volg u op den voet; zoo oud ik ben, Hoop ik toch even snel als York te rijden; En 'k sta niet van mijn voetval op, aleer U Bolingbroke vergiff'nis schenkt. Weg! voort!

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Windsor. Een vertrek in het kasteel.

Bolingbroke treedt op, als koning, met Percy en andere Lords.

BOLINGBROKE. Weet niemand van mijn zoon, den losbol, iets? Drie volle maanden zijn 't, sinds ik hem zag. Zoo een'ge booze plaag ons dreigt, is hij het. O, waar' hij, lords, te vinden, ja, bij God! Spoort hem in Londen, in de kroegen, na, Want daar, zoo zegt men, zwerft hij daaglijks rond, Met losse teugellooze knapen, ja, Met volk, dat zich in nauwe straten nestelt, De wachten afrost, reizigers berooft; En hij, die losbol en verwijfde deugniet, Hij steunt, als ware 't hem een zaak van eer, Een zoo verwaten troep.

PERCY. Voor een paar dagen, heer, sprak ik den prins En sprak hem van de feesten ginds in Oxford.

BOLINGBROKE. Wat zeide toen de wildzang?

PERCY. Zijn antwoord was,--hij zou in een bordeel Een handschoen aan de veilste deerne ontrukken, Dien als een helmtooi dragen en daarmee Den stoutsten ridder uit den zadel lichten.

BOLINGBROKE. Loszinnigheid en driestheid! Toch, ik zie In beide vonken spranklen, die doen hopen Op eed'ler vuur in later tijd. Wie daar?

(Aumerle komt op.)

AUMERLE. Waar is de koning?

BOLINGBROKE. Wat drijft nu onzen neef, dat hij zoo staart Met wilde haast in 't oog?

AUMERLE. God hoede uw hoogheid! Dringend smeek ik, heer, Een mondgesprek, alleen, met uwe hoogheid.

BOLINGBROKE. Verwijdert u, en laat ons hier alleen.

(Percy en de Lords af.)

Wat is het, neef, dat gij mij melden komt?

AUMERLE (nederknielend). Mijn knie moog' wort'len aan den grond, mijn tong Moge in mijn mond vastkleven aan 't gehemelt, Tenzij, aleer ik oprijs of mij uit, Mijn schuld vergeving vindt bij uw genade.

BOLINGBROKE. Was uwe schuld nog opzet of reeds daad? Is 't eerste waar, hoe zwaar uw schuld ook zij, Ik spreek, om u te winnen, thans u vrij.

AUMERLE. Vergun mij dan, den sleutel om te draaien, Opdat er niemand koom', die mijn verhaal Afbreke voor het einde.

BOLINGBROKE. Toegestaan.

(Aumerle sluit de deur af.)

YORK (van buiten). Mijn vorst, neem u in acht, wees op uw hoede, 't Is een verrader, die daar bij u is.

BOLINGBROKE (zijn zwaard trekkend). 'k Zal u onschaad'lijk maken, schurk!

AUMERLE. Heer, schors uw wraak; gij hebt hier niets te duchten.

YORK (van buiten). Doe open, zorglooze en doldrieste koning, Moet ik, uit trouw, verraad in woorden plegen? Ontsluit de deur, heer, of ik breek haar open.

(Bolingbroke opent de deur.)

(York komt op.)

BOLINGBROKE. Wat is de zaak, oom? kom op adem, spreek! En zeg, van hoe nabij 't gevaar ons dreigt, Opdat we ons waap'nen, om het kwaad te keeren.

YORK. Lees dit geschrift, heer, en erken 't verraad, Dat mij mijn hijgen niet vertellen laat.

AUMERLE. Denk onder 't lezen, heer, aan uw belofte; Ik heb berouw; lees gij mijn naam daar niet; Mijn hart is met mijn hand niet in verbond.

YORK. Het was dit, schurk, aleer uw hand dit schreef.-- Ik reet dit den verrader uit zijn boezem; Niet liefde, vreeze wekt berouw in hem. Gun hem geen deernis, of uw deernis blijkt Weldra een slang, die in het hart u steekt.

BOLINGBROKE. O groote, stoute, zwarte samenzwering!-- O trouwe vader van een valschen zoon! Gij zuivere, onbevlekte, zilvren bron, Waar deze stroom langs vuile modderpoelen Zijn loop uit nam en zich bezoedeld heeft! Uw overvloed van goed verkeert in boosheid; Maar de overmaat van goed in u ontschuldigt 't Afschuwlijk plan uws afgedwaalden zoons.

YORK. Zoo wordt mìjn deugd handlangster van zìjn ondeugd, En hìj verspilt mijn eer in zijne schande, Als woeste zoons het goud van zuin'ge vaders. Mijn eer zal leven, zoo zijn schande sterft, Of sterft, als zijne schand' genâ verwerft; Mij doodt gij, zoo gij hem het leven geeft; Die trouw was sterft, en de verrader leeft.

HERTOGIN (van buiten). Om Gods wil! vorst, doe open, laat mij binnen.

BOLINGBROKE. Wie meldt zich daar met zulk een roep vol schrik?

HERTOGIN. Een vrouw is 't, uwe moei, o koning, ik! Verstoot een beed'lares niet, hoor mij aan; Denk, die hier bedelt, heeft dit nooit gedaan.

BOLINGBROKE. Ziedaar op eens verand'ring van vertooning; Geen treurspel meer; 't is "Beedlares en Koning". Laat zelf uw moeder binnen, snoode neef; Zij komt mij smeeken, dat ik u vergeef.

YORK. Schenk geen vergiff'nis, wie 't ook zij, die smeekt; Bedenk, dat zulk een goedheid zonde kweekt. Weg 't rotte lid, en 't andre blijft gezond; Verschoon het, heel het lichaam gaat te grond.

(De Hertogin komt binnen.)

HERTOGIN. Hoor niet naar hem, heer, hij is hard gezind; Wie minde ooit andren, die zichzelf niet mint?

YORK. Verdwaasde vrouw, wat wilt ge een schurk behoeden, Om dien nog eens aan dorre borst te voeden?

HERTOGIN. Stil, lieve York;--(Zij knielt.) mijn koning, hoor mij aan!

BOLINGBROKE. Op, lieve moei!

HERTOGIN. Neen, neen, laat mij begaan; Mijn knieën blijven aan den grond hier kleven; Ik kan en wil geen dag van heil beleven, Eer gij door blijdschap al mijn angst verdreeft, En Rutland, mijn verdwaasden knaap, vergeeft.

AUMERLE (nederknielend). Ik buig de knie voor mijner moeder beden.

YORK (nederknielend). Ik tegen beiden mijn getrouwe leden. Hun beê brengt ramp, zoo gij er acht op slaat.

HERTOGIN. Meent hij het waarlijk? Zie hem in 't gelaat; Hij smeekt uit scherts, zijn oog meldt niets van smart; Hij spreekt slechts met den mond, wij met het hart; Hij wenscht een weigring op zijn zwakke bede, Bij ons smeekt hart en ziel en alles mede; Hij schuwt de knieën langer te vermoeien, Wij knielen, tot zij met den grond vergroeien; Bedrog en huichlen schuilen in zijn beê, In de onze leed en angst en zielewee. Wij óverbidden zijn gebed; bekroon' Ons waar gebed genade, vroomheidsloon!

BOLINGBROKE. Sta op, mijn lieve moei!

HERTOGIN. Zeg niet: sta op! Zeg eerst: genade, en zeg daarna: sta op! Moest ik u, als uw voedster, spreken leeren, Dat woord, "genâ", herhaalde ik duizend keeren. Nooit smachtte ik naar een woord, als ik nu doe; Zeg, vorst, "genade," en deernis leere u, hoe; Kort is het woord, doch minder kort, dan zoet; Geen woord klinkt uit eens konings mond zoo goed.

YORK. Zoo spreek nu Fransch, heer; zeg: "pardonnez-moi."

HERTOGIN. Dan gaf "pardon" den doodsteek aan genâ. Gij bitt're gade, booze man, die 't woord Belaagt en dooden wilt door broedermoord! Spreek van "genade", als onze taal gebiedt, Het Fransche Koeterwaalsch verstaan wij niet.-- Uw oog wil spreken, plant uw tong er in, Of geef door 't oor uw hart een zachten zin, Opdat, door onze klacht en bede week, Uw ziel, bewogen, 't woord "vergeving" spreek'!

BOLINGBROKE. Kom, moei, sta op!

HERTOGIN. Ik vraag niet op te staan; Neen, enkel om vergeving houd ik aan.

BOLINGBROKE. 'k Vergeef hem, zooals God het mij eens doe.

HERTOGIN. Wat heil stroomt daar een knie, die knielde, toe! Nog ben ik ziek van angst; herhaal dat woord! 't Herhalen breidt niet uit, doch voor wie 't hoort Erlangt dat woord een hooger kracht en waarde.

BOLINGBROKE. 'k Vergeef hem, ja!

HERTOGIN. Gij zijt een god op aarde.

BOLINGBROKE. Maar wat mijn lieven zwager en den abt, En de andren van 't verbonden rot betreft, 't Verderf zal fluks hun op de hielen zijn.-- Zend troepen uit, mijn waardige oom, naar Oxford, En overal, waar die verraders steken; 'k Laat hen op aard niet leven; zij zijn mijn, Zoodra ik weet, waar zij te vinden zijn. Oom, vaar nu wel;--neef, zoo ik op u bouw, Dank dit uw moeder, en blijf thans mij trouw.

HERTOGIN. Kom, oude zoon, word nieuw door diep berouw.

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Sir Pierce van Exton en een Dienaar komen op.

EXTON. Hebt gij des konings zeggen opgemerkt: "Heb ik geen vriend, die van mijn angst, die leeft, Mij wil ontslaan?" Niet waar, zoo was het?

DIENAAR. Ja, Dit zijn zijn eigen woorden.

EXTON. "Heb ik geen vriend," zoo sprak hij, tweemaal zelfs; Hij zeide 't tweemaal achtereen, niet waar?

DIENAAR. Dat deed hij, ja.

EXTON. En keek daarbij mij onderzoekend aan, Als om te zeggen: "waart gìj eens de man, Die de' echt mijns harten met dien angst verbrak!" De koning is 't, in Pomfret, dien hij meent; Kom mee, ik ben de vriend, die hulp verleent.

(Beiden af.)

VIJFDE TOONEEL.

Pomfret. De gevangenis van het kasteel.

Koning Richard komt op.

KONING RICHARD. Ik was aan 't denken, hoe ik best mijn kerker, Mijn woning, met de wereld vergelijk; Doch nademaal de wereld volkrijk is, En hier geen schepsel is, dan ik alleen, Zoo kan ik 't niet; toch kom ik er met peinzen. Mijn brein zal 't gaaiken wezen voor mijn geest, Mijn geest de vader; en die twee verwekken Een teelt van steeds zich meerdrende gedachten, En die bevolken deze kleine wereld, Zoo grillig als het volkje dezer wereld, Want geen gedachte is ooit tevreden. Enkle, De beet're soort, de geestrijke gedachten, Aldoor behept met twijfelzucht, bestrijden De schrift zelfs met de schrift, Als: "Laat de kindren komen", en toch volgt: "Het ingaan is niet minder zwaar, dan dat Een kemel ga door 't ooge van een naalde." Eerzuchtige gedachten vormen plannen, Zoo dol als moog'lijk, als: met zwakke nagels Door dezer harde wereld kiezelribben, Mijn kerkerwand, een doorgang zich te krabben, En sterven, wijl ze onmachtig zijn, van trots. Geduldige gedachten vleien zich, Dat zij niet de eerste slaven van fortuin, Noch ook de laatste zijn,--als domme beed'laars, Die, in den stok gezet, hun schande ontkennen, Wijl menigeen zoo zat en zitten zal; En die gedachte is hun een soort van troost; Zij leggen hun verneedring op de schouders Van andren, wie voorheen hetzelfde trof. Zoo speel ik veel personen, gansch alleen, Nooit een tevreed'ne. Somtijds ben ik koning; Dan wekt verraad den wensch, ik ware een beed'laar; Fluks ben ik dit, doch bitt're nood bewijst mij, Dat ik het toch als koning beter had; Dan word ik weer gekoningd, doch weldra Denk ik mij als door Bolingbroke ontkoningd, En word terstond tot niets.--Doch wat ik zij, Nòch ik, nòch eenig mensch, die eenmaal mensch is, Is ooit bevredigd, tot die vrede komt, Dat hij een niets is.--

(Muziek).

Hoor ik daar muziek?-- O gij, houd maat!--Een zoete klank wordt bitter, Wordt tijd miskend en regelmaat gestoord! Zoo is 't met de muziek van 's menschen leven. Zie, mijn gehoor is fijn genoeg, om nu Een snaar, die tijd en maat verstoort, te gispen, Doch voor den welklank van mijn staat en tijd Had ik geen oor, al was de maat verbroken. 'k Verdeed mijn tijd, nu doet de tijd het mij; Zijn uurwerk heeft hij nu van mij gemaakt; Gedachten zijn minuten, die met zuchten Haar uren immer tikken, en mijn oogen Zijn cijferplaat, en wijzer is mijn vinger, Die telkens weer een traan uit de oogen pinkt. De slagen, die het uur verkonden, zijn Mijn luide klachten, haam'rend op de klok, Mijn hart; zoo toonen zuchten, klachten, tranen Minuten, uur en tijd; zoo snelt mijn tijd Steeds voort, den trotschen Bolingbroke tot vreugd; En ik sta hier als nar, zijn klokkeventje.-- Dol maakt mij die muziek, dat zij verstomme! Want bracht zij dollen soms tot hun verstand, In mij, zoo schijnt het, maakt zij wijsheid dol. En toch gezegend hij, die haar mij brengt! Zij spreekt van liefde, en liefde jegens Richard Is in deez' tijd vol haat een flonkerbag.

(Een Stalknecht komt op.)

STALKNECHT. Heil u, mijn souverein!

KONING RICHARD. Dank, noble pair! Munt van 't metaal, waar ik van ben gemaakt, Wellicht gelijk ikzelf in 't stof geraakt. Wie zijt gij? om wat reden komt gij hier, Waar niemand dan de brombeer komt, die mij De spijze brengt, waar kommer van blijft leven?

STALKNECHT. Ik was een knecht in uwe stallen, koning, Toen gij nog koning waart. Ik ging naar York, Waar ik ten laatste mij de gunst verwierf, Om 't aanschijn van mijn vroegren heer te zien. O, hoe 't mijn harte zeer deed, toen ik onlangs Den kroningsdag in Londens straten zag, Toen Bolingbroke den Berberschimmel reed! Dat ros, dat gij zoo vaak bestegen hebt, Dat ros, dat ik met zooveel zorg verpleegde!

KONING RICHARD. Reed hij den Berber? Zeg mij, lieve vriend, Hoe liep hij onder hem?

STALKNECHT. Zoo trotsch, als waar' de grond hem te gering.

KONING RICHARD. Zoo trotsch, dat Bolingbroke zijn ruiter was! Die knol at brood uit mijne koningshand; De hand hier deed hem trotsch zijn door te kloppen. Hij struikelde dus niet? hij stortte niet,-- Trots komt toch vóór den val!--en brak den hals Des trotsaards niet, die rechtloos hem besteeg?-- Vergeef mij, paard! waarom val ik u hard? Geschapen werdt gij, om den mensch te vreezen, Te dragen. Ik werd niet tot paard geschapen, En draag toch, als een ezel doet, een last, Bloedig gespoord, gestriemd door Bolingbroke.

(De Stokbewaarder komt op met een schotel.)

STOKBEWAARDER (tot den Stalknecht). Gij knaap, wat doet gij hier? ga, pak u voort!

KONING RICHARD. Als gij mij lief hebt, mijd voortaan dit oord.

STALKNECHT. Al spreekt mijn hart, toch waagt mijn tong geen woord.

(De Stalknecht af.)

STOKBEWAARDER. Gelief, heer, toe te tasten.

KONING RICHARD. Proef gij dan voor, zooals gij anders doet.

STOKBEWAARDER. Ik mag 't niet doen, heer, want Sir Pierce van Exton, Die van den koning kwam, verbood het mij.

KONING RICHARD. Hale u en Hendrik Lancaster de duivel! Geduld is duf, ik heb een walg er van.

(Hij slaat den Stokbewaarder).

STOKBEWAARDER. Help, help, help!

(Sir Pierce van Exton komt op, met Dienaars, allen gewapend.)

KONING RICHARD. Ha! wat is dat! Wat wil de dood met zulk een overrompling? Schurk, zelf brengt gij het werktuig van uw dood.

(Hij ontrukt aan een der Dienaars zijn wapen en slaat hem neder.)

Ga, zoek ook gij uw plaats op in de hel.

(Hij doodt een tweeden Dienaar, doch wordt daarop door Exton geveld.)

Die hand zal branden in 't onbluschbaar vuur, Die mij zoo vallen doet.--Uw drieste hand Bevlekt met 's konings bloed des konings land. Stijg op, mijn ziel! des hemels stemme klinkt;-- Terwijl 't laag vleesch hier sterft en nederzinkt.

(Hij sterft.)

EXTON. Aan moed zoo rijk, als koninklijk van bloed! 'k Vergoot die beide;--waar' mijn daad slechts goed! Nu zegt de duivel, die mij heeft gedreven, Dat in de hel die daad is aangeschreven. 'k Breng aan den vorst, die leeft, den dooden koning; Delft voor die andren hier hun laatste woning.

(Allen af.)

ZESDE TOONEEL.

Windsor. Een vertrek in het kasteel.

Trompetgeschal. Bolingbroke en York, met Lords en Gevolg komen op.

BOLINGBROKE. Mijn waarde oom York, het nieuwste, dat wij hoorden, Is, dat door de oproerlingen Cicester In Glostershire in de asch gelegd is. Maar Of zij geslagen of gevangen werden, Bleef me onbekend.

(Northumberland komt op.)

Wees welkom, Lord! wat nieuws?

NORTHUMBERLAND. Mijn nieuws, heer, is, dat ik naar Londen zond-- Ja, heil uw rijk; wat dreigde is afgewend!-- Het hoofd van Salisbury, Blunt, Spencer, Kent.-- Hoe wij door ons beleid hen deden zwichten, Moog' dit geschrift uitvoerig u berichten.

(Hij reikt een geschrift over.)

BOLINGBROKE. Dank, beste Percy, voor dit heilrijk pogen; Het zal uw rang, hoe hoog reeds, nog verhoogen.

(Fitzwater komt op.)

FITZWATER. Mylord, van Oxford uit zond ik naar Londen Het hoofd van Brocas en van Bennet Seely, Twee medestanders der verradersbent, Die u in Oxford gruwlijk heeft belaagd.

BOLINGBROKE. Fitzwater, wel herdenk ik, wat gij deedt; Geloof, dat ik uw waarde lang reeds weet.

(Percy komt op, met den Bisschop van Carlisle.)

PERCY. Heer, de abt van Westminster, het hoofd des opstands, Heeft, diep bedrukt en van zijn schuld bewust, Zijn lichaam aan het graf ten buit gegeven; Doch levend wacht hier Carlisle voor uw troon Uw koningsvonnis, zijner stoutheid loon.

BOLINGBROKE. Uw vonnis luidt, Carlisle: kies u een huis, Klein, groot, hoe ook, maar verre van 't gedruisch Der wereld; wijd aan God uw levenstijd, En leeft ge in vrede, sterf dan zonder strijd; Mijn vijand waart gij steeds, doch ik waardeer In u een man van hart en moed en eer.

(Exton komt op, met Dienaars, die een lijkkist dragen.)

EXTON. In deze lijkkist ligt, verheven koning, Uw vrees begraven, zonder ademtocht De grootste vijand, dien gij duchten mocht; Heer Richard van Bordeaux voer ik tot u.

BOLINGBROKE. Exton, ik dank u niet; voorwaar, ik gruw Van zulk een daad, waardoor uw booze hand Vloek brengt op mij en heel dit roemrijk land.

EXTON. Op uwen wensch, heer, is de daad geschied.

BOLINGBROKE. Die gif behoeft, bemint het gif toch niet, Ik u niet; wenschte ik hem ook dood, de daad Maakt hem mij lief, den moord'naar diep gehaat. 't Bewustzijn van uw zonde zij uw loon; Maar wacht geen gunst, geen dank van onzen troon. Zwerf om met Kaïn door stikdonkre nacht, Maar berg uw hoofd, als licht of daag'raad lacht.-- Lords, ik betuig u, dat mijn ziele weent, Nu bloedbesprenkling wasdom mij verleent. Komt, treurt met mij om wat mijn ziel benart; Hulle elk van u zich fluks in somber zwart. Ik doe een pelgrimstocht naar 't heilig land, En wasch dit bloed, die schuld, van mijne hand. Volg, ieder uwer, mij vol rouw, en staar Met weenend oog op deze vroege baar.

(Allen af, de lijkbaar volgende.)

AANTEEKENINGEN.

Koning Richard II vormt met de beide deelen van K. Hendrik IV en met K. Hendrik V het viertal stukken, waarin de verheffing van het huis van Lancaster geschilderd wordt. Reeds vroeger had Shakespeare (zie de Epiloog van K. Hendrik V) in een ander viertal: de drie deelen van K. Hendrik VI en K. Richard III, het verval van dat huis, zijn verdringing door dat van York en den ondergang van dit laatste ten tooneele gevoerd.

Edward III, die door zijn overwinningen in Frankrijk, hoe spoedig de veroveringen ook te loor gingen, den roem der Engelsche wapenen hoog had opgevoerd, zag zijn oudsten zoon, Edward, prins van Wales, den overwinnaar van Crecy (1346) en onder den naam van "de Zwarte Prins" een der beroemdste ridders van zijn tijd, ten grave dalen, stierf zelf een jaar later, in 1377, en werd opgevolgd door den zoon van den Zwarten Prins, den elfjarigen Richard II. Gedurende de minderjarigheid des Konings voerde vooral zijn oom Jan van Gent,--naar zijn geboorteplaats zoo genoemd,--Hertog van Lancaster, de oudste der overgebleven zonen van Edward III, de teugels van het bewind, een wakker vorst, tevens begunstiger van den grooten dichter Chaucer en den reformator Wycliffe, doch niet zoo vrij van eerzucht, als de dichter hem in dit stuk geteekend heeft. Reeds vroegtijdig maakte de jonge koning zich vrij van den invloed zijner ooms; de oudste, Jan van Gent, en de derde of jongste, Thomas, hertog van Gloster, werden door hem gewantrouwd, terwijl de tweede, Edmund, hertog van York, een goedmoedig man, wel op beteren voet met hem stond, maar hem weinig kon leiden. Lichtzinnig en verzot op vermaken, luisterde Richard gaarne naar zijn jeugdige gunstelingen, die zijn neiging tot weelde en verkwisting voedden; zij werden met eer en rijkdommen door hem overladen, tot groote ergernis van het parlement, zoodat er telkens over nieuwe geldheffingen getwist werd. Hard en onbillijk jegens zijn tegenstrevers, gaf hij steeds blijken van groote gehechtheid aan zijn vrienden en begon weldra in den haat, dien deze zich op den hals haalden, te deelen. Wel had hij, nog weinig meer dan knaap, bij den geduchten opstand van Wat Tyler grooten persoonlijken moed betoond, maar hij bleek toch geen krijgshaftig vorst te zijn en het gelukte hem niet, de nederlagen af te wenden, die Franschen en Schotten aan de Engelsche wapenen toebrachten. De ontevredenheid over zijn bewind nam steeds toe, en hijzelf werd door den weerstand, dien hij bij zijn streven naar uitbreiding der koningsmacht telkens ondervond, van misnoegen op den hoogen adel en van wantrouwen jegens zijn ooms Jan van Gent en Thomas van Gloster vervuld.

Het was eindelijk zoo ver gekomen, dat de misnoegde adel, aangevoerd door den Hertog van Gloster en in verbond met de Gemeenten, den koning met de wapenen in de hand dwong, een door het parlement benoemden rijksraad te erkennen, die met uitgebreide volmacht alle uitgaven naging en ook verder groot gezag had. Nadat een poging tot verzet mislukt was, moest de koning zijn gunstelingen aan de bloedige wraak van het parlement prijsgeven; de hertog van Gloster was machtiger dan de koning. Bij dezen strijd waren voor het eerst Hendrik Bolingbroke, oudste zoon van Jan van Gent, alsmede Thomas Mowbray, graaf van Nottingham, op den voorgrond getreden, en wel aan de zijde der ontevredenen.

Richard had zich, wel is waar, moeten onderwerpen, maar was niet gezind, deze ondergeschikte rol te blijven spelen; hij streefde naar het herstel zijner volle koninklijke macht en dorstte naar wraak op hen, wien hij zijn vrienden had moeten opofferen, en vooral op Gloster. Om dezen des te zekerder te treffen, verzoende hij zich met zijn twee oudere ooms. De hertog van York werd gewonnen door zijn zoon Edward, die Richards zijde hield en tot Graaf van Rutland benoemd werd. De hertog van Lancaster, Jan van Gent, werd met genadebewijzen overstelpt; hij had jarenlang omgang gehad met de dochter van een Henegouwer ridder, Catharina Swijnford; nadat des hertogs tweede gemalin, Constance van Castilië, gestorven was, werden in 1397 de kinderen, uit zijn verbintenis met Catharina gesproten, die den naam van Beaufort droegen, geheel met echte kinderen gelijk gesteld, als echt en in het bezit van alle rechten, ook troonrechten, erkend [1]; zijn zoon Bolingbroke, graaf van Derby, werd eveneens gewonnen. Evenzoo koos Thomas Mowbray de zijde des konings en verwierf weldra Richards volle vertrouwen. Met Frankrijk werd een verzoening getroffen; na den dood van Richards diep betreurde eerste gemalin in 1394, hield hij om de hand van de jeugdige dochter, Isabella, van Koning Karel IV aan; zij werd in Jan. 1397 te Westminster gekroond, een huwelijk, dat veel ontevredenheid wekte. Na langdurige voorbereiding werd, in Juli 1397, de stoute slag geslagen. Gloster en zijn voornaamste vrienden werden plotseling in hechtenis genomen. De eerstgenoemde werd naar Calais gevoerd, waar Mowbray het bevel voerde; hij stierf er in de gevangenis, juist toen hij, van hoogverraad beschuldigd, weder naar Engeland moest gevoerd worden; het zeggen was, dat hij door dienaars van Mowbray en Rutland onder veeren bedden gestikt was. Er werd een parlement bijeengeroepen, waarin 's konings aanhangers de meerderheid hadden en dat omgeven was door een groote lijfwacht des konings, van wel een paar duizend boogschutters. Het herriep de vroeger genomen besluiten, die de macht des konings aan banden legden, verscherpte de wetten tegen hoogverraad en maakte, door toegestane gelden, den koning onafhankelijker dan ooit. Drie van de eerste pairs des lands: de Graaf van Arundel, de Graaf van Warwick en de Aartsbisschop van Canterbury, Thomas Arundel, werden bij het huis der Lords van hoogverraad aangeklaagd; de eerste werd ter dood, de tweede tot levenslange gevangenschap, de derde tot ballingschap veroordeeld.