Koning Richard de Tweede

Part 5

Chapter 54,047 wordsPublic domain

AUMERLE. Wie zet nog meer? Bij God, ik werp om alles. Ik heb in éénen boezem duizend harten Om twintig duizenden als gij te staan.

SURREY. Mylord Fitzwater, 'k weet den dag zeer goed, Dat gij en lord Aumerle samen spraakt.

FITZWATER. Volkomen juist, gij waart toen tegenwoordig, En kunt getuigen, dat dit waarheid is.

SURREY. Zoo valsch, bij God, als God de waarheid is.

FITZWATER. Surrey, gij liegt.

SURREY. Gij eervergeten knaap, Die logen ligg' zoo zwaar op mijne kling, Dat zij vergelde en wreke, tot gijzelf, De logenstraffer, met uw logen saam, In de aard zoo stil ligt als uws vaders schedel! En als getuige is hier mijn eerepand; Bewaar het tot den tweekamp, als gij 't waagt.

FITZWATER. Hoe dwaas geeft gij een toornig ros de sporen! Durf ik wel eten, drinken, aad'men, leven, Zoo durf ik Surrey staan in een woestijn En naar hem spuwen, zeggend, dat hij liegt, En liegt, en liegt. Hier is mijn bindend pand, Om u te boeien aan mijn zware straf. Zoo waar ik hoop, in deze nieuwe wereld, Op voorspoed en geluk, zoo waarlijk is Aumerle schuldig en mijn aanklacht waar. Ook hoorde ik den verbannen Norfolk zeggen, Dat gij, Aumerle, twee der uwen zondt, Om de' eed'len hertog in Calais te dooden.

AUMERLE. Vertrouwe een wakker christen mij een pand, Dat Norfolk liegt; hier werp ik dit nu neer, Als hij mag keeren om zijn eer te staven.

BOLINGBROKE. Al deze twisten rusten, met de panden, Tot Norfolk is gekeerd; want keeren zal hij, En, schoon hij ook mijn vijand zij, zijn leenen En rechten weer erlangen. Komt hij weder, Dan gaat zijn tweekamp met Aumerle door.

BISSCHOP. Nooit zullen wij dien dag van eer aanschouwen; Want menigmaal streed de verbannen Norfolk In heil'gen christenkamp voor Jezus Christus, Ontplooide in 't veld zijn kruisbanier tot schrik Van zwarte heidnen, Turken, Saracenen, Maar strijdensmoede trok hij naar Itaalje; Daar liet hij, in Venetië ruste vindend, Het lijf aan de aarde van dat schoone land, De reine ziel aan zijnen veldheer Christus, Wiens vaan zoolang ten strijd hem had gevoerd.

BOLINGBROKE. Wat, bisschop! Norfolk dood?

BISSCHOP. Zoo waarlijk, heer, als ik hier sta.

BOLINGBROKE. Geleide zoete vrede naar den schoot Des goeden vader Abrahams zijn ziele! Uw twisten, heeren klagers, zijn geschorst, Tot wij u dagen om uw kamp te strijden.

(York komt op, met Gevolg.)

YORK. Doorluchte Lancaster, ik kom als bode Des kaalgeplukten Richards, die gewillig U erfgenaam verklaart, zijn hoogen scepter Ter voering afstaat aan uw koningshand. Bestijg zijn troon, gij, die van hem nu stamt, En lang leev' Hendrik, vierde van dien naam!

BOLINGBROKE. In naam van God dus, stijg ik op den troon.

BISSCHOP. Neen, dit verhoede God!-- Slecht moge ik spreken in zoo hoogen kring, Toch past het mij, de waarheid uit te spreken. O waar',--gaav' God dit!--in deez' eed'len kring Er één zoo edel, om den eed'len Richard Naar 't recht te richten; dan zou zielenadel Hem leeren, zulk een gruwlijk kwaad te schuwen. Kan ooit een onderdaan zijn koning richten? En wie hier is niet Richards onderdaan? Geen dief wordt ooit gericht, dan dat hij 't hoort, Al is zijn schuld voor ieder openbaar; En wordt het toonbeeld van Gods majesteit, Zijn krijger, zijn beheerder, zijn verkoor'ne, Gezalfd, gekroond, sinds zooveel jaar erkend, Alsnu gericht door onderdanen, mind'ren, En in zijn afzijn? O! verhoede God, Dat, in een christenland, verloste zielen Een daad, zoo snood, zoo zwart, zoo gruw'lijk plegen! Hier spreekt een onderdaan tot onderdanen, Door God gedreven, stout voor zijnen koning. Deez' lord van Hereford, dien gij koning noemt, Smeedt tegen Hereford's koning driest verraad; En kroont gij hèm, dan wil ik profeteeren, Dat Engelsch bloed den bodem mesten zal, De verre toekomst kermen om dien gruwel. De vrede zal bij Turk en Heiden sluim'ren, En hier, in vredes zetel, woeste krijg Vriend tegen vriend, bloed tegen bloed doen opstaan; Verwarring, schrik en angst, en muiterij Zal hier verblijven en dit land den naam Van Golgotha, van schedelplaats, erlangen. O, zoo gij dit huis aanhitst op dit huis, Dan brengt gij tweedracht voort, zoo jammervol Als ooit met zwaren vloek deze aarde trof; Weerstaat, verhoedt dit, toont u wijs en kloek, Opdat uw kind, uws kinds kind u niet vloek'!

NORTHUMBERLAND. Gij spraakt met klem, heer, maar wij nemen thans, Tot loon, u wegens hoogverraad in hechtnis. Mylord van Westminster, 't zij uwe taak Hem tot den dag der rechtspraak te bewaken.-- Beaamt gij, Lords, 't verlangen der Gemeenten?

BOLINGBROKE. Haal Richard hier; hij drage in 't openbaar Den scepter over; vrij blijft dan ons doen Van achterdocht.

YORK. Ik wil hem hier geleiden.

(York af.)

BOLINGBROKE. Gij Lords, wier zaak nog hangt voor onzen stoel, Stelt borgtocht voor den dag, dat wij u roepen.-- (Tot den Bisschop.) 't Is luttel, wat we uw liefde zijn verplicht; Doch luttel hulps verwachtten wij van u.

(York komt terug, met Koning Richard en Beambten, die de kroon enz. dragen.)

KONING RICHARD. Ach, waarom voert gij mij voor eenen koning, Eer ik den vorstenaard heb afgeschud, Waarmede ik heerschte? Nauwlijks leerde ik nog Mij plooien, vleien, buigen, nederknielen; Geef aan het leed den tijd, dat het mij leer' Gedwee te zijn. Zie, ik herken de trekken Van al die mannen; waren zij niet mijn? En riepen zij niet pas mij "Heil u!" toe, Als Judas deed aan Christus? Christus vond Elf trouw van twaalf, niet één ik van twaalfduizend. Den koning heil!--zegt niemand "Amen"? Moet ik En priester zijn en leek? Nu goed dan,--Amen! Den koning heil! schoon ik het niet meer zij; En Amen ook, erkent de hemel mij.-- Tot welken dienst werd ik hierheen gebracht?

YORK. Om hier uit eigen vrijen wil te doen, Wat moede majesteit u aan deed bieden, Het overdragen van uw macht en kroon Aan Hendrik Bolingbroke.

KONING RICHARD. Geef mij de kroon.--Hier, neef, hier, vat de kroon; Aan gene zijde uw hand, neef, hier de mijne. Nu is de goudband als een diepe put, Een met twee emmers, die elkander vullen; De ledige altijd dansend in de lucht, De tweede omlaag en ongezien, vol water; Ik ben die eene omlaag, vol, uit het oog, Ik drink mijn kommer en hef u omhoog.

BOLINGBROKE. Ik dacht, dat gij gewillig afstand deedt.

KONING RICHARD. Ja, van de kroon; niet van mijn zieleleed. Verliezen moge ik kroon en heerschappij; 'k Blijf koning van mijn leed, dit blijft mij bij.

BOLINGBROKE. Uw kroon brengt mij uw zorgen mee, ten deele.

KONING RICHARD. 't Zij zoo, mijn zorgen blijven even vele. Zorg om verloren zorg is 't wat mij wacht; Zorg is de winst, die mijne kroon u bracht; Ik gaf de zorg aan u, maar houd ze toch; Zij volgt de kroon, maar bij mij toeft zij nog.

BOLINGBROKE. Doet gij gewillig afstand van de kroon?

KONING RICHARD. Ja, neen; neen, ja;--niets moet ik zijn, niets meer; Daarom geen neen; voor u leg ik haar neer. Merk op nu, hoe ik hier mijzelf vernietig:-- Ik geef dien zwaren last nu weg van 't hoofd, Dien zwaren, plompen scepter uit de hand, Des heerschers fierheid uit mijn koningshart; Met eigen tranen wasch ik af den balsem, Met eigen handen geef ik weg mijn kroon, Leg neer met eigen mond mijn heilig ambt, Onthef met eigen stem van plicht en eed, Verzaak hier al mijn glans en heerlijkheid, Geef riddergoed'ren, pachten, renten op, Herroep wat ik verordende en besloot;-- Vergeev' God elk, die mij zijn eeden schond, God make elk trouw, die zich aan u verbond; Maak' mij, die niets meer heb, om niets bedrukt, U blijde om alles, daar u niets mislukt, Leef lang en bloei en zit op Richards troon, En Richard hebb' welras een graf ter woon! Leef, koning Hendrik, lang, in zonneglans; Zoo roept u Richard toe, ontkoningd thans! Wat wilt gij meer?

NORTHUMBERLAND (een geschrift aanbiedend). Slechts dit, dat gij deze aanklacht En krenkende vergrijpen leest, die gij, 't Zij in persoon, 't zij door uw volgelingen, Begaan hebt tegen England en zijn heil, Opdat heel 't volk door uw bekent'nis zie, Dat uw onttroning wel te recht geschiedt.

KONING RICHARD. Moet ik dit doen? mijn weefsel hier ontraaflen Van vroegre dwaasheid? Vriend Northumberland, Stondt, waren uwe zonden zoo geboekt, Gij niet beschaamd, zoo gij in zulk een kring Ze voor moest lezen? Als gij 't deedt, gij zoudt Er één verfoeilijk punt in de aanklacht vinden, De onttroning van uw vorst vermeldend, en 't Verbreken van een eed van trouw,--een daad, Zwart aangestipt, vervloekt in 's hemels boek.-- Gij allen, die daar staat en zwijgend toeziet, Hoe mij de ellende jaagt,--schoon enklen uwer, Uitwendig vol meêdoogen, als Pilatus, Uw handen wascht, toch, gij Pilatus' jongren Gaaft hier mij over aan mijn bitter kruis, En uwe zonde wascht geen water af.

NORTHUMBERLAND. Mylord, besluit, en lees die aanklacht voor.

KONING RICHARD. Ik kan niet zien; mijn oogen zijn vol tranen; En toch, hen blindt der tranen zilt niet zoo, Of zij ontwaren hier een bent verraders. Ja, zoo ik op mijzelf mijn oogen richt, Dan zie ik mij, met de andren, als verrader; Want ingewilligd heb ik met mijn ziel, Mijn lichaam van den koningstooi te ontdoen, Mijn hoogheid laag, mijn heerschappij een slaaf, Mijn fiere majesteit een onderdaan, Mijn vorstlijkheid een schooier te doen zijn.

NORTHUMBERLAND. Mijn vorst,--

KONING RICHARD. Geen vorst van u, trotsch, overmoedig man, Noch iemands vorst; ik heb geen naam, geen titel, Zelfs dien naam niet, die mij de doopvont gaf, Dan aangematigd.--Ach, wat booze dag! Dat ik zoo meen'gen winter heb doorleefd, En nu niet weet, wat naam ik dragen mag. Spotkoning wilde ik, dat ik waar', van sneeuw, Om voor de zon van Bolingbroke te staan, En zacht in waterdropp'len weg te smelten!-- O, goede koning,--groote koning,--toch Niet overgoed,--geldt iets mijn woord in England,-- Dan doe het fluks een spiegel voor mij komen, Die mij moog' toonen, welk gelaat ik heb, Sinds dit zijn majesteit verloren heeft.

BOLINGBROKE. Het zij; dat een van u een spiegel haal'.

(Een Dienaar gaat heen.)

NORTHUMBERLAND. Lees nu 't geschrift, terwijl de spiegel komt.

KONING RICHARD. Gij duivel, die mij foltert vóór de hel!

BOLINGBROKE. Dring niet meer aan, mylord Northumberland.

NORTHUMBERLAND. Maar dan zijn de Gemeenten niet voldaan.

KONING RICHARD. Zij zullen 't zijn;--genoeg denk ik te lezen, Heb ik het boek voor mij, waarin mijn zonden Geschreven staan, en dat boek--ben ikzelf.

(De Dienaar komt terug, met een spiegel.)

Geef hier den spiegel, daarin wil ik lezen.-- Wat, nog geen dieper rimpels? Heeft mijn kommer, Die mij zoo meen'gen slag gaf op de kaak, Niet dieper mij gestriemd?--O vleiend glas! Als zij, die in mijn voorspoed om mij waarden, Bedriegt ook gij. Was dit eens het gelaat, Dat daag'lijks onder zijner woning dak Tienduizend man ontving? dit het gelaat, Dat, als de zon, verblindde wie er in zag? Dit het gelaat, dat zooveel dwaasheid kleurde, En nu door Bolingbroke van kleur verschiet? Broos is de glans, die speelt op dit gelaat; Broos als die broze glans is dit gelaat;

(Hij werpt den spiegel op den grond.)

Daar ligt het op den grond in honderd scherven.-- Zie spraakloos vorst, de leering van dit spel, Hoe ras mijn kommer mijn gelaat vernielde.

BOLINGBROKE. De schaduw van uw kommer heeft de schaduw Van uw gelaat vernield.

KONING RICHARD. Zeg dat nog eens. De schaduw van mijn kommer? Laat ons zien:-- 't Is waar, 't is waar, mijn kommer huist hier binnen;-- En heel dit uiterlijk vertoon van smart Is schaduw slechts van diep verholen kommer, Die zwijgend opwelt in de bange ziel; Daar huist haar wezen; en ik dank u, koning, Voor zulk een goedheid, dat gij mij niet slechts Grond geeft tot klagen, maar ook leert, hoe ik Mijn lot bejamm'ren moet. Nog één gunst vraag ik, Dan wil ik gaan en u niet verder storen. Wilt gij die toestaan?

BOLINGBROKE. Noem haar, eed'le neef.

KONING RICHARD. Uw eed'le neef? Nu ben ik meer dan koning; Want toen ik koning was, had ik tot vleiers Slechts onderdanen; nu, als onderdaan, Heb ik een grooten koning tot mijn vleier. Werd ik zoo groot, dan ook geen smeeken meer.

BOLINGBROKE. Begeer het dan.

KONING RICHARD. Zult gij het toestaan?

BOLINGBROKE. Ja.

KONING RICHARD. Nu dan, geef mij verlof om heen te gaan.

BOLINGBROKE. Waarheen?

KONING RICHARD. Waarheen gij wilt, slechts heen en u uit de oogen.

BOLINGBROKE. Zoo laat ik naar den Tower u geleiden. Gij, ijlt vooruit en haalt hem plechtig in.

KONING RICHARD. Inhalen? goed!--Inhalig zijt gij allen, Die, om te stijgen, zoo een vorst doet vallen!

(Koning Richard af, door een Wacht begeleid.)

BOLINGBROKE. Wij stellen 't plechtig feest van onze kroning Op Woensdag vast; gij, Lords, houdt u gereed.

(Allen af, behalve de Abt van Westminster, de Bisschop van Carlisle, en Aumerle.)

ABT. Een weevol schouwspel hebben wij gezien.

BISSCHOP. Nog volgt het wee; de thans nog ongeboor'nen Zal deze dag eens steken, fel als doornen.

AUMERLE. Gij vorsten van de kerk, weet gij geen plan, Dat van dien smaad het rijk ontsmetten kan?

ABT. Mylord, aleer ik vrij hierover spreek, Moet gij het sacrament er op ontvangen, Dat ge in uw borst begraaft, wat ik ontwerp, En ook, dat gij mijn plan ten uitvoer legt.-- Uw wrevel lees ik op u beider voorhoofd, Uw hart is kommervol, uw oog vol tranen; Neemt met mij 't avondmaal; mij woelt in 't hoofd Een plan, dat blijde dagen ons belooft.

(Allen af.)

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een straat naar den Tower.

De Koningin en Gevolg komen op.

KONINGIN. Hier komt de koning langs, want deze weg Geleidt naar Julius Caesar's onheilstoren, Waar, in dien steenen boezem, mijn gemaal Gekerkerd wordt door trotschen Bolingbroke. Laat ons hier rusten, zoo de oproerige aard Haar echte koningin nog ruste gunt.

(Koning Richard komt op, vergezeld van zijn Wacht.)

Doch stil, doch ziet, of neen, ziet liever niet, Hoe reeds mijn lieve roos verwelkt; ja, ziet toch, Opdat ge uit deernis smelt tot dauw, hem wascht Met echte liefdetranen en verfrischt.-- O, beeld van 't veld, waar eenmaal Troje stond, Der eere beeltnis, koning Richards tombe, Niet Koning Richard zelf, gij prachtpaleis, Waarom neemt somber leed in u zijn intrek En wordt de zegepraal een bierhuisgast?

KONING RICHARD. Sluit geen verbond met droefnis, schoone vrouwe, Om plotsling mij te dooden; leer, mijn beste, U, wat eens was, als schoonen droom te denken, Waaruit we ontwaakten, nu de waarheid ziend Van wat wij zijn. Ik ben gezworen broeder Van bitt'ren nood, melieve; hij en ik Zijn tot den dood vereend. Spoed u naar Frankrijk, Begraaf u in een klooster; heiligheid Moet thans een kroon des hemels ons verwerven; Onze aardsche lust wierp de andre neer, in scherven.

KONINGIN. Wat! is mijn Richard èn in vorm èn geest Veranderd en verzwakt? Heeft Bolingbroke Ook uw verstand onttroond, uw hart geplunderd? De leeuw steekt stervend nog zijn klauwen uit, En wondt, niets anders hebbend, de aard, uit woede, Dat hij bezwijkt; en gij, duldt ge, als een schoolknaap, Uw straf gedwee? Kust gij de roede? kwispelt Gij voor eens meesters woede, ootmoedig, laag, Gij, die een leeuw zijt en der dieren vorst?

KONING RICHARD. Een dierenvorst, ja;--waren zij geen dieren, 'k Waar' nog een blijde menschenvorst.--Mijn lieve Gewezen koningin, spoed u naar Frankrijk; Acht mij gestorven, denk u aan mijn sterfbed, En dat gij hier mijn laatst vaarwel ontvangt. Zit ginds aan 't vuur in trage winternachten Met oude goede lieden, die vertellen Van bitter droeve tijden, lang voorbij; Vertel dan eens, eer gij hun goede nacht zegt, Tot dank, van mijnen jammervollen val; Dan gaan zij weenend naar hun bed. Want, ja! 't Gevoelloos houtblok op den haard trilt mede Bij 't diep geluid van uw bewogen stem, En weent het vuur van mededoogen uit, En treurt, hetzij in assche, 't zij koolzwart, Dat zoo een wettig koning werd onttroond.

(Northumberland komt op, met Gevolg.)

NORTHUMBERLAND. Heer, Bolingbroke veranderde van plan; Naar Pomfret moet gij thans, niet naar den Tower.-- En eed'le vrouw, uw weg is ook bepaald: Met allen spoed geleidt men u naar Frankrijk.

KONING RICHARD. Northumberland, gij ladder, waar die klout'raar, Die Bolingbroke, mijn troon mee heeft bestegen, De tijd zal niet veel ouder zijn dan nu, Eer booze zonde rijpt en zich verzamelt En openbreekt. Dra zult gij denken, dat, Al deelt hij 't rijk en geeft aan u de helft, Hij u, die aan 't geheel hem hielpt, te kort doet; En hij denkt, dat, daar gij den weg zoo weet Om vorsten, tegen 't recht, ten troon te heffen, Gij bij de minste krenking weten zult, Hoe hèm van zijn geroofden troon te stooten. Bij snoode vrienden wordt licht liefde vrees, De vrees tot haat, en haat brengt één van beiden, Of beiden, welverdiend gevaar en dood.

NORTHUMBERLAND. Mijn schuld zij op mijn hoofd, en daarmee uit! Neemt afscheid; uitstel wordt u niet vergund.

KONING RICHARD. Een dubb'le scheiding!--Snoodaards, gij ontheiligt Een dubb'len echt: mijn huwlijk met mijn kroon, En dan, mijn huwlijk met mijn echte vrouw.-- Laat mij den eed wegkussen tusschen ons; En toch, dit niet; sloot niet een kus den echt? Scheid ons, Northumberland, naar 't noorden mij, Waar huiverkoude en ziekte kwijning wekken; Naar Frankrijk haar, vanwaar met glans en praal Haar England eens in meitooi komen zag, Bij 't keeren kaal als Allerheil'gendag.

KONINGIN. En moet er scheiding zijn en afscheidssmart?

KONING RICHARD. Ja, lieve, hand van hand, en hart van hart.

KONINGIN. Verban ons beiden; laat hem met mij gaan.

NORTHUMBERLAND. Dat waar' recht liefd'rijk, niet zeer wijs gedaan.

KONINGIN. Laat mij dan gaan, waar hij vertoeven moet.

KONING RICHARD. Ons beider leed wierd één, één tranenvloed. Ik weene hier om u, gij ginds om mij; Veel beter ver, dan, niet vereend, nabij. Ga, meet uw weg met zuchten, ik met klagen.

KONINGIN. Dan geeft de langre weg meer leeds te dragen.

KONING RICHARD. Bij iedren stap zal ik twee zuchten slaken, Den kortren weg door hartzeer langer maken. Doch kom, niet langer met het leed gevrijd; Het huwlijk volgt, en dit duurt langen tijd. Een kus verstomm' den mond bij de afscheidssmart;-- Zoo geef ik mijn en neem voor mij ùw hart.

(Zij kussen elkander.)

KONINGIN. Neen, geef mij 't mijne weer; 't waar snood, uw hart, Mij toevertrouwd, te breken door mijn smart.

(Zij kussen elkander nogmaals.)

Nu heb ik 't mijne weer; ga, ga nu heen; Ik tracht het ras te dooden door geween.

KONING RICHARD. Ons dralen leert aan 't wee een schertsend woord; Doch thans vaarwel; nu spreke kommer voort.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het paleis van den Hertog van York.

York en de Hertogin komen op.

HERTOGIN. Mylord, gij wildet juist het eind vertellen, Toen 't weenen u belette voort te gaan, Van de aankomst onzer neven binnen Londen.

YORK. Waar bleef ik?

HERTOGIN. Bij dat treurig oogenblik, Dat woeste, oproer'ge handen uit de vensters Op koning Richard stof en vaagsel wierpen.

YORK. Ja, 'k zeide reeds, de groote Bolingbroke, Gezeten op een vurig, moedig ros, Dat goed zijn fieren ruiter scheen te kennen, Reed langzaam maar plechtstatig stappend voort, En alles riep: "God hoede u, Bolingbroke!" Het was, alsof de vensters-zelve spraken, Zoo menig gretig oog van oud en jong Schoot door de ramenlijst zijn vuur'gen blik Naar zijn gelaat; ja, 't was alsof de muren, Behangen, spreukrijk, alle samen riepen: "U zeeg'ne Christus; welkom, Bolingbroke!" Hij ondertusschen, rechts en links zich wendend, Blootshoofds en lager dan zijns kleppers nek, Sprak telkens: "Hart'lijk dank, mijn landgenooten." Zoo, op die wijs, vervolgde hij zijn tocht.

HERTOGIN. Ach, arme Richard! waar reed hij intusschen?

YORK. Gelijk der menschen oogen in den schouwburg, Na 't heengaan van een hooggevierd acteur, Zich achtloos wenden op wie na hem komt, En ieder, wat die zegt, langwijlig acht,-- Aldus, ja met nog meer verachting, grijnsden Zij Richard aan; geen sterv'ling riep: "God hoede u!" Geen blijde mond gaf hem een welkom thuis; Zij wierpen op 't gewijde hoofd hem stof, Wat hij zoo zacht en droevig van zich schudde,-- Terwijl een glimlach met zijn tranen kampte, Getuigen van berusting en van smart,-- Dat, had niet God, naar hoogen raad, het hart Des volks verstaald, het wis had moeten smelten, Want de barbaarschheid zelf had zich erbarmd. Doch dit geschiedt naar 's hemels hoogen wil, En waar die spreekt, zwijge elk eerbiedig stil. Wij allen zwoeren Bolingbroke nu trouw, Wien ik voortaan als heer en vorst beschouw.

(Aumerle komt op.)

HERTOGIN. Daar komt Aumerle.

YORK. Die Aumerle was; Als Richards vriend heeft hij dien naam verbeurd; En vrouw, gij moet uw zoon nu Rutland noemen, 'k Was borg in 't parlement, dat hij zijn trouw Zijn nieuwen vorst en leenheer steeds zou wijden.

HERTOGIN. Welkom, mijn zoon! Wie sieren als viooltjes Den groenen schoot der nieuwgeboren lente?

AUMERLE. Ik weet niet, moeder, en mij deert het niet; God weet, ik wensch er liever geen te zijn.

YORK. Draag in dit voorjaar zorg voor uwen groei, Om niet gewied te worden vóór uw bloei. Hoe is 't in Oxford? feesten en tornooien?

AUMERLE. Die gaan nog door, Mylord, zoover ik weet.

YORK. Gij wilt er heengaan, 'k weet het.

AUMERLE. Zoo God het niet belet; ja, 't is mijn plan.

YORK. Wat voor een zegel hangt daar uit uw boezem?-- Wat! gij verbleekt? Laat dat geschrift mij zien.

AUMERLE. Heer, het is niets.

YORK. Dan mag een ieder 't zien. 'k Wil zekerheid, laat dat geschrift mij zien.

AUMERLE. Ik bid u, heer, dat gij dit niet verlangt; 't Is iets van geen gewicht, maar ik heb reed'nen Om 't zeer ongaarne aan u te laten zien.

YORK. En ik heb reed'nen, heer, om dit te willen. Ik vrees, ik vrees,--

HERTOGIN. Wat zoudt gij vreezen? Kom, Het is een wissel, dien hij heeft geteekend, Om zich voor ginds een feestdos aan te schaffen.

YORK. Zijn eigen wissel? hij zijn wissel hebben, Waarmee hij zich verbindt? Wat onzin, vrouw! Kom, knaap, laat mij het zien.

AUMERLE. Vergeef mij, bid ik, toonen mag ik 't niet.

YORK. 'k Wil zekerheid; nog eens, laat mij het zien.

(Hij ontrukt hem het geschrift, en leest.)

Verraad! O zwart verraad!--Schelm! schurk! verrader!

HERTOGIN. Wat is er, mijn gemaal?

YORK. Hé daar! wie is daar? kom!

(Een Dienaar komt op.)

Mijn paard gezadeld! Algoede God! Wat boos en zwart verraad!

HERTOGIN. Wat is 't dan, mijn gemaal?

YORK. Mijn laarzen hier! en vlug mijn paard gezadeld!

(Dienaar af.)

Nu, bij mijn eer, mijn leven en mijn trouw, Ik klaag den booswicht aan.

HERTOGIN. Wat is er dan?

YORK. Zwijg, dwaze vrouw!

HERTOGIN. Ik zwijg niet, neen;--Aumerle, spreek, wat is er?

AUMERLE. Kalm, lieve moeder, kalm; het is niet meer, Dan wat mijn leven boet.

HERTOGIN. Uw leven? 't boeten?

YORK. Kom, breng mijn laarzen, naar den koning moet ik.

(De Dienaar komt terug, met een paar laarzen.)

HERTOGIN. Aumerle, sla hem weg!--Verbijsterd, jongen?-- Weg, schurk, en kom mij nooit weer onder 't oog.

(Dienaar af.)

YORK. Geef mij mijn laarzen, zeg ik.

HERTOGIN. Spreek, York, wat wilt gij doen? Wilt gij de schuld der uwen niet verbergen? Hebt gij meer zoons of hebt ge er meer te hopen? Is dan mijn barenstijd niet lang voorbij? Wilt gij mijn ouderdom mijn zoon ontrukken, Den zoeten naam van moeder mij ontrooven? Gelijkt hij niet op u? is hij uw zoon niet?

YORK. Verblinde, dwaze vrouw! Wilt gij die dwaze schurkerij verhelen? Twaalf hunner hebben 't sacrament ontvangen, Elkander schriftlijk onderling beloofd, In Oxford onzen koning om te brengen.

HERTOGIN. Hij zal niet met hen zijn, wij houden hem Bij ons en hier; wat kan het hem dan deren?

YORK. Weg, dwaze vrouw! al waar hij twintigmaal Mijn zoon, ik gaf hem aan.

HERTOGIN. Hadt gij als ik, Om hem gekermd, meer deernis zoudt gij hebben. Doch nu begrijp ik: gij voedt achterdocht, Als ware ik ooit uw bed ontrouw geweest, En hij uw basterd, niet uw eigen zoon. Mijn York, mijn lieve man, denk zoo toch niet; Zie, hij gelijkt op u,--het kàn niet meer-- En niet op mij, noch iemand van de mijnen, En toch, ik heb hem lief.

YORK. Laat door, verdwaasde!

(York af.)