Koning Richard de Tweede

Part 4

Chapter 43,997 wordsPublic domain

SCROOP. 't Verheugt mij, dat mijn vorst gewapend is, Om tijdingen van onheil te vernemen. Gelijk een booze dag, die zilvren stroomen Onstuimig over de oevers bruisen doet, Als waar' de wereld opgelost in tranen, Zoo rijst ver boven iedren dam de woede Van Bolingbroke, die 't bange land bedekt Met hard, blank staal en nog veel harder harten. Grijswaarden waap'nen tegen uwen troon Den kalen schedel, vrouwenstemm'ge knapen Beproeven grof te spreken en bedekken Hun teêre meisjesleden met een stijve, Plomplogge rusting tegen uwe kroon; Zelfs uw bedeelden leeren bogen spannen Van giftig, dubbelmoordend taxishout; Ja, spinrokwijven drillen oude pieken Op uwen troon; 't woelt alles, jong en oud, En erger is 't, dan ooit mijn tong ontvouwt.

KONING RICHARD. Te goed, te goed, meldt gij zoo booze dingen, Waar is de graaf van Wiltshire, waar is Bagot? Wat is van Bushy, wat van Green geworden, Dat zij den fellen vijand ongemoeid De perken van ons rijk doorkruisen lieten? Verwinnen wij, dan zal hun hoofd het boeten. Zij sloten vrede, wis! met Bolingbroke.

SCROOP. In vrede zijn zij met hem, ja, mijn vorst.

KONING RICHARD. O schurken, adders, reddingloos verdoemd! Die honden, vaardig kwisplend voor een elk! Die slangen, 't hart, dat hen verwarmde, stekend! Drie Judassen, elk driemaal Judas waard! Zij sloten vrede? voer' de schrik der hel Tot loon met hun bevlekte zielen krijg!

SCROOP. Als zoete vriendschap eens van aard verandert, Dan, zie ik, wordt zij doodlijk bittre haat. Neem uwen vloek terug; den vrede sloot Hun hoofd, niet hunne hand; zij, die gij vloekt, Gevoelden de' ergsten slag, die 't leven wondt, En liggen diep bedolven in den grond.

AUMERLE. Zijn Bushy, Green, de graaf van Wiltshire dood?

SCROOP. In Bristol, ja, verloren ze allen 't hoofd.

AUMERLE. Waar is mijn vader York dan met zijn macht?

KONING RICHARD. Wààr ook, het helpt niet. Niemand spreek' van troost. Laat ons van graven spreken, wormen, grafschrift, Stof nemen voor papier, en kommer schrijven Met stroomende oogen op de borst der aard; Van testamenten spreken, alles reeglen, Uitvoerders kiezen,--neen, toch niet,--waartoe? Wat kunnen wij vermaken, dan ons lichaam, Dat afgezet, onttroond is, aan den grond? Land, leven alles is van Bolingbroke; Niets noemen wij meer 't onze dan den dood, En dit klein proefje van onvruchtbare aarde, Dat om 't gebeent gekneed is en het dekt. Om Gods wil, laat ons op den grond gaan zitten, Voor sombre praatjes van den dood van vorsten,-- Hoe deze in de' oorlog viel; hoe die onttroond werd; Die door den geest vervolgd, dien hij onttroonde; In bed gesmoord; vergiftigd door zijn vrouw; Allen vermoord;--want in de holle kroon, Die om het sterflijk hoofd eens konings prijkt, Daar houdt de dood zijn hof; daar zit de schalk, Lacht om den troon en grinnikt om zijn praal,-- Laat hem een ademtocht, een kort bedrijf, Monarch, gevreesd zijn, met zijn blikken dooden; Doordringt hem gansch van ijdlen eigenwaan,-- Als waar' dit vleesch, dat onze ziel omschanst, Van onverganklijk brons,--hij speelt met hem, Maar komt in 't eind en boort met kleine naald Zijn burgwal door, en--goede nacht dan, koning! Bedekt uw hoofd, drijft niet door huldebrenging Den spot met vleesch en bloed; verzaakt den eerbied, Gebruik en vorm en statig plichtbetoon; Gij hebt u altijd door in mij vergist; Als gij, leef ik van brood; heb dorst, proef leed, Zoek vrienden;--zooveel malen onderdaan, Hoe kunt gij zeggen, dat ik koning ben?

BISSCHOP VAN CARLISLE. Geen wijze, heer, klaagt om het leed van heden, Hij werkt op heden 't leed van morgen tegen. Vrees voor uw vijand geeft, wijl vrees verzwakt, Van uwe kracht den vijand meerdre kracht; En zoo bestrijdt uw dwaasheid steeds uzelf. Brengt vrees den dood, het strijden brengt niets ergers; Wie strijdend sterft, wint roem en doodt den dood; Wie vreezend sterft, is slaaf van dood en nood.

AUMERLE. Zorg, dat mijn vader met zijn manschap naakt; Zie dan, dat ge uit een lid een lichaam maakt.

KONING RICHARD. 'k Verdien dit;--trotsche Bolingbroke, één dag Van bloed besliss' voor uw of mijn gezag. De koorts van vrees is af, die 't hand'len stoort; Licht te herwinnen is 't, wat ons behoort. Zeg, Scroop, waar ligt onze oom nu met zijn macht? Spreek helder, man, al is uw blik omnacht.

SCROOP. We erkennen aan des hemels kleur en schijn Het weder en de toekomst van den dag; Zoo moog' mijn somber oog u teeken zijn, Dat ik slechts erger nieuws u brengen mag. Ik speel voor folt'raar, wijl ik langzaam aan Het ergste rek, wat toch gezegd moet worden:-- Uw oom van York is reeds bij Bolingbroke, Uw burgen in het noorden in zijn macht; In 't zuiden staat heel de adel in de waap'nen, Aan zijnen kant.

KONING RICHARD. Gij hebt genoeg gezegd.-- Wee u, gij neef! die van mijn zoeten weg Naar wanhoop mij teruggeroepen hebt! Wat zegt gij nu? Wat blijft mij nu tot troost? Bij God, ik haat den man met eeuw'gen haat, Die mij nog eenmaal rept van hoop en troost. Ik ga naar Flintburg, waar ik mij begraaf; Bij Koning Leed zij daar een koning slaaf. Ontslaat mijn volk; en elk beploege 't land, Waar hoop op oogst is, als hij zaait en plant; Bij mij geen hoop meer.--Niemand spreek', niets baat; Besloten is 't, en ijdel elke raad.

AUMERLE. Mijn vorst, één woord!

KONING RICHARD. Neen;--dubbel krenkt hij mij, Die mij te wonden tracht door vleierij. Ontslaat mijn volk; elk vliede, die 't vermag, Uit Richards nacht naar Hereford's heldren dag.

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Wales. Een vlakte voor Flintburg.

Bolingbroke en troepen, met trommen en vaandels, York, Northumberland en Anderen komen op.

BOLINGBROKE. Dus zijn,--zoo blijkt het ons uit dit bericht,-- De Wallisers verstrooid, en Salisbury Ging naar den koning, die op deze kust Met enkle trouwe volgers is geland.

NORTHUMBERLAND. De tijding is gewenscht en goed, mijn prins; Richard houdt hier nabij het hoofd verborgen.

YORK. Het paste lord Northumberland toch wel Te zeggen: koning Richard.--Welk een tijd, Dat een gezalfde koning 't hoofd moet bergen!

NORTHUMBERLAND. Misduid dit niet, mylord; om kort te zijn Liet ik den titel weg.

YORK. Er was een tijd, Dat, hadt gij hem verkort, hij korte metten Met u gemaakt had; hij had u verkort, Om kort te zijn, de hoogte van uw hoofd.

BOLINGBROKE. Neem toch niet kwalijk, oom, wat gij niet moet.

YORK. Neem gij niet, waarde neef, wat gij niet moogt, Of gij neemt kwalijk, en de Hemel ziet het.

BOLINGBROKE. Ik weet het, oom, en tegen Zijnen wil Verzet ik mij geenszins.--Doch wie komt daar?

(Percy komt op.)

Wees welkom, Hendrik.--Geeft de burg zich over?

PERCY. De burg is koninklijk bemand, mijn prins; De toegang blijft gesloten.

BOLINGBROKE. Koninklijk? Wat! hij omsluit een koning?

PERCY. Ja, mylord; Ja, hij omsluit een koning; koning Richard Is binnen de' omvang van die kalk en steen; En met hem zijn Aumerle, Salisbury, Sir Stephen Scroop, alsmede een hooge kerkvoogd; Doch wie, dit kon ik niet te weten komen.

NORTHUMBERLAND. O, zeker is 't de bisschop van Carlisle.

BOLINGBROKE. (Tot Northumberland.) Mijn waarde lord, Ga naar de ribben van dien ouden burg, En zend door een trompet een vredesadem Tot zijn vervallen ooren. Breng dit hem over: Hendrik Bolingbroke Kust koning Richards hand op beide knieën, En brengt zijn leenplicht en zijn echte trouw Zijn koninklijken heer, hierheen gekomen, Om voor diens voeten zwaard en macht te leggen, Zoo hij zijn ballingschap herroept, volkomen Teruggave aller goed'ren mij verleent; Zoo niet, dan bezig ik mijn overmacht, Leg 't zomerstof met regens vast van bloed, Aan Engelschen ontstroomd, die 't leven lieten. Hoe ver dit is van Bolingbroke's gemoed, Dat zulk een vloed den frisschen, groenen schoot Van koning Richards land zou overpurp'ren, Mijn hulde toone 't, op de knie gebracht. Ga, breng dit over; ondertusschen trekken Wij op het grastapijt van deze vlakte,

(Northumberland begeeft zich met een Trompetter naar het slot.)

Trekt op, maar zonder dreigend tromgeraas, Opdat men op des burgs verweerde tinnen Den zachten voorslag, dien wij doen, versta. Mij dunkt, wij moesten, Richard en ikzelf, Met niet gering'ren schrik elkaar ontmoeten, Dan vuur en water, als hun donderschok 't Bewolkt gelaat des hemels openscheurt. Zij hij het vuur en ik het buigzaam water; De woede zij aan hem, terwijl mijn regen Op de aarde stroom',--op de aarde, niet op hem. Voorwaarts; merkt op, hoe koning Richard blikt.

(De Trompetter blaast, om een mondgesprek te verzoeken; een trompet van den burg beantwoordt het sein. Op den muur verschijnen: Koning Richard, de Bisschop van Carlisle, Aumerle, Salisbury en Scroop.)

Ziet, ziet daar, koning Richard zelf verschijnt, Zooals de blakende en verstoorde zon Vooruittreedt uit de vuur'ge poort van 't oosten, Als hij bespeurt, dat booze wolken streven Zijn glorie te verduistren, 't lichte pad, Waarlangs hij naar het westen schrijdt, te vlekken.

YORK. Toch blikt hij als een koning; ziet, zijn oog, Eens aadlaars oog in schitt'ring, straalt gezag En grootheid uit. Ach, ach, zoo eenig leed Een majesteit, zoo schoon, verduist'ren deed!

KONING RICHARD (tot Northumberland). Wij zijn verbaasd, en wachten hier reeds lang Op de eerbiedvolle buiging van uw knie. Wij hielden ons voor uwen heer en koning; En zijn wij dit, hoe kan dan uw gewricht De ontzagbetooning, ons verplicht, vergeten? Zijn wij het niet, toon ons de hand van God, Die ons ontsloeg van onze waardigheid; Want, inderdaad, geen hand van vleesch en been Kan onzes scepters heil'ge greep omspannen, Indien zij niet ontwijdt of steelt of rooft. En schoon gij waant, dat allen, zooals gij, Hun zielen van mij scheurden en verdierven En wij ontbloot staan, zonder een'gen vriend,-- Zoo weet, mijn meester, God almachtig, brengt Voor ons in zijne wolken scharen samen Van pestilentie; treffen zullen ze u In uw nog ongeboren kind'ren, u, Die tegen mij vazallenhanden opheft, En de' eed'len glans van mijne kroon bedreigt. Zeg Bolingbroke,--want ginder staat hij, meen ik,-- Dat iedre voetstap van hem op mijn land Strafbaar verraad is. Oop'nen wil hij hier Het bloedig purpren testament des oorlogs; Doch eer de kroon, waar hij naar streeft, in vrede Zijn slapen siert, ontsieren tienmaal duizend Bebloede slapen van geliefde zoons Het bloemrijk moederaangezicht van England, Verandren 't meisjesbleek van haren vrede In vurig roode gramschap en bedauwen Der weiden gras met trouw, echt Engelsch bloed.

NORTHUMBERLAND. Verhoede God de Heer, dat onze heer Door burgerwapens zoo onburgerlijk Bestormd zou worden. Hendrik Bolingbroke, Uw eed'le neef, kust need'rig u de hand, En zweert u bij de eerwaarde tombe, die 't Gebeente dekt uws koninklijken stamheers, Den vorstenadel van u beider bloed, Ontstroomd aan ééne hoog te roemen bron, Bij de begraven hand des dapp'ren Gents, En bij zijn eigen eer en ridderdeugd,-- Wat iedren eed en elk gezegde omvat,-- Zijn komst alhier beoogt geen ander doel, Dan 't vragen van zijn rechten, en het knielend Afsmeeken van onmidlijke herstelling. Wordt dit door uwe hoogheid toegestaan, Dan geeft hij 't blanke staal aan roest nu prijs, Verwijst zijn strijdros naar den stal, en wijdt Zijn hart den trouwen dienst des konings toe. Dat dit zoo is, bezweert hij hier, als prins; En ik betuig dit mede, als edelman.

KONING RICHARD. Northumberland, bericht: dit zegt de koning: Zijn eed'le neef is hartlijk welkom hier; En al zijn billijke eischen worden gaarne Hem ingewilligd zonder tegenspraak. Breng, zooals gij dit vleiend uiten kunt, Aan zijn welwillend oor mijn beste groeten.

(Northumberland keert naar Bolingbroke terug.)

(Tot Aumerle.) Niet waar, neef, wij verneed'ren ons, niet waar, Door zoo bedeesd te zien, zoo lief te spreken? Waar' 't goed, Northumberland terug te roepen, 't Verraad ten strijd te dagen, zoo te sterven?

AUMERLE. Neen, strijd met zachte woorden, tot de tijd U vrienden schenk', met zwaarden, u gewijd.

KONING RICHARD. O God, o God, dat ooit mijn tong, die eerst Dien trotsaard met den vloek der ballingschap Belaadde, 't vonnis weer herroepen moet, Aldus, met vleitaal! O, ware ik zoo groot Als nu mijn smart, of kleiner dan mijn naam; Of dat ik kon vergeten, wat ik was, Of niet begrijpen, wat ik nu moet zijn! Zwelt gij, trotsch hart? klop vrij, met felle slagen! Ons treffen 's vijands slagen, u en mij.

AUMERLE. Daar komt Northumberland van Bolingbroke.

KONING RICHARD. Wat moet de koning doen? zich onderwerpen? De koning zal het doen. Den troon ontruimen? De koning schikt zich. Wordt de naam van koning Hem ook ontroofd? In Godsnaam, die vaar' heen; 'k Geef mijn juweelen voor een bedesnoer, Mijn vorstenwoning voor een kluiz'naarshut, Mijn rijke kleeding voor een boetlingspij, Mijn fijne bekers voor een houten nap, Mijn scepter voor eens pelgrims zwerversstaf, Mijn volk voor enkle grofgesneden heil'gen, En mijn groot England voor een kleinen grafkuil, Een klein, klein graf, in een verborgen hoek;-- Of neen, begraaft mij op des konings heerweg, Waar 't volk verkeert, waar de onderdanen telkens Huns konings hoofd met voeten treden kunnen; Zij treden mij op 't hart, nu, bij mijn leven, Waarom dan, na mijn dood, niet op het hoofd? Aumerle, weeke vriend, gij weent? Kom, laat ons Slecht weder maken met verachte tranen, Dat die, met onze zuchten, 't zomerkoren Ter neder, 't valsche land met honger slaan! Of zullen wij gaan dartlen met ons wee, Een wedstrijd aangaan in het tranenstorten? Bij voorbeeld: steeds op ééne plaats ze drupp'len, Totdat voor ons in de aard een tweetal graven Zijn uitgehold, waarbij een opschrift sta, Zooals: "Twee neven liggen hier, twee droeve; Hun weenende oogen dolven zelf hun groeve." Deed zulk een wee niet goed?--Maar ik zie 't in, Gij spot met mij, ik praat hier zonder zin.-- Grootmachtig prins, mylord Northumberland, Wat zegt de koning Bolingbroke? vergunt hij, Dat Richard leeft, tot Richard sterft? 'k Versta, Gij maakt een strijkvoet, Bolingbroke zegt ja.

NORTHUMBERLAND. Mylord, omlaag in 't buitenhof verzoekt hij Een onderhoud; 't behage u af te dalen.

KONING RICHARD. Af! af! ik daal; als Phaëton de snoever, Die woeste kleppers niet bedwingen kon.

(Northumberland keert naar Bolingbroke terug.)

In 't lage hof! laag hof,--waar vorsten bukken, Verraders vleien, komen op hun nukken! In 't lage hof? omlaag, hof! koning, daal! De nachtuil krijscht, dan zwijgt de nachtegaal.

(Allen van boven af.)

BOLINGBROKE. Wat zegt zijn majesteit?

NORTHUMBERLAND. Door leed en kommer Sprak hij verward als een waanzinnig mensch; Maar toch, gekomen is hij.

(Koning Richard en zijn Begeleiders komen beneden op.)

BOLINGBROKE. Staat ter zijde, En brengt uw hulde aan zijne majesteit. (Hij knielt.) Genadig vorst!

KONING RICHARD. Mijn neef, uw prinselijke knie onteert gij, Als de aard, hoe laag ook, trotsch haar kussen mag; 'k Erkende liever met mijn hart uw liefde, Dan met mijn somber oog uw hoff'lijkheid. Op, neef! uw hart verheft zich hoog,--getuige Geheel uw doen,--hoe laag uw knie zich buige.

BOLINGBROKE. Mijn vorst, ik kom slechts voor mijn eigendom.

KONING RICHARD. Uw eigendom is u, en ik, en alles.

BOLINGBROKE. Wees zooveel mijn, verheven vorst, als ik Door trouwen dienst en liefde zal verdienen.

KONING RICHARD. O veel verdient gij;--hij verdient te ontvangen, Die vast en goed den weg weet om te erlangen.-- Mijn oom, uw hand; neen, neen, geen tranenvloed; Die toone liefde, maar hij maakt niets goed.-- Voor vader, neef, van u ben ik te jong, Gij oud genoeg voor erfgenaam van mij. 'k Geef u, wat gij verlangt, weerstreef ook niet; Wij moeten doen, wat overmacht gebiedt.-- Naar Londen;--neef, niet waar, daar gaan wij heen?

BOLINGBROKE. Ja, waarde vorst.

KONING RICHARD. Ik mag niet zeggen, neen.

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Langley. De tuin van den Hertog van York.

De Koningin en twee Hofdames komen op.

KONINGIN. Wat spel bedenken wij in dezen tuin, Dat ons den druk der zorgen doe vergeten?

EERSTE HOFDAME. Laat ons gaan keeg'len, hooge vrouwe.

KONINGIN. 'k Herdenk dan al den aanstoot in de wereld, En mijn geluk, dat zijwaarts rolt en stuit.

EERSTE HOFDAME. Laat ons dan dansen, hooge vrouwe.

KONINGIN. Mijn voet vermag met lust geen maat te houden, Nu mijn arm hart geen maat in kommer houdt; Daarom geen dans, mijn kind,--een ander spel.

EERSTE HOFDAME. Laat ons elkaâr verhaaltjes doen.

KONINGIN. Van vreugde of leed?

EERSTE HOFDAME. Van beide, hooge vrouwe.

KONINGIN. Van geen van beide, kind. Want is 't van vreugde, die ik ganschlijk mis, Dan doet mij dit te meer aan kommer denken; En is 't van leed, dat ik zoo ruimschoots heb, Dan voegt het kommer bij 't gemis van vreugde, Want wat ik heb, behoef ik niet te hooren, En wat ik mis, verhelpt geen weegeklag.

EERSTE HOFDAME. Dan wil ik zingen.

KONINGIN. Goed, als gij dit kunt; Doch liever waart gij mij, indien gij weendet.

EERSTE HOFDAME. 'k Zou kunnen weenen, als u weenen hielp.

KONINGIN. En ik kon zingen, zoo mij weenen hielp, En borgde dan van u geen enklen traan. Doch stil, daar zijn de hoveniers; Gaan wij ter zij, hier onder deze boomen. Mijn rampspoed voor een speldenbrief,--zij praten Daar van den staat; zoo doet een elk, zoodra Een omkeer dreigt; men ducht, en wee komt na.

(De Koningin gaat met haar Hofdames ter zijde.)

(Een Hovenier komt op met twee Knechts.)

HOVENIER. Ga, bind die zwevende abrikozen op, Die als moedwill'ge kindren hunnen vader Doen bukken onder zwaren schuldenlast; Geef een'gen steun aan die gebogen twijgen.-- En gij, sla als een dienaar des gerichts Den kop af aan die al te weel'ge spruiten, Die zich te hoog in onzen staat verheffen; Gelijkheid moet er zijn in ons gebied.-- Terwijl gij dit bezorgt, wied ik het onkruid, Dat schaadt, wijl 't nutt'loos aan gezonde bloemen De vruchtbre sappen van den grond ontzuigt.

EERSTE KNECHT. Wat moeten we, in den omvang van een heining, Naar wet en vorm en juistheid alles reeg'len, Als waar' 't een beeld van onzen vasten staat, Nu 't rijk, die door de zee omwalde tuin, Vol onkruid is, verstikt zijn schoonste bloemen, Vruchtboomen ongesnoeid, zijn heggen woest, Zijn bedden omgewoeld en 't nuttig kruid Van booze rupsen weem'lend?

HOVENIER. Houd u stil! Hij, die dit woeste voorjaar heeft geduld, Leeft zelf nu in het vallen van de blaad'ren; Het onkruid, door zijn breede kruin beschermd, Dat, op hem woekrend, hem te stutten scheen, Is met den wortel uitgeroeid door Hereford,-- Ik meen den graaf van Wiltshire, Bushy, Green.

EERSTE KNECHT. Wat! zijn die allen dood?

HOVENIER. Dat zijn ze, ja; En in de macht van Bolingbroke is onze Spilzieke koning.--Welk een jammer, dat Hij niet zijn land in orde bracht en hield, Als wij den tuin! Zie, in den tijd van 't jaar, Verwonden wij de schors, de huid des vruchtbooms, Opdat hij niet, te trotsch op sap en bloed, Zichzelf verteer' door al te groote weelde; Had hij zoo ook gedaan met groote heeren, Dan droegen zij voor hem, en hij genoot De vruchten van hun dienst. Te geile takken, Die kappen wij, opdat de vruchttak leve; Had hij zoo ook gedaan, hij droeg de kroon; 't Verlies is zijner tijdverspilling loon.

EERSTE KNECHT. Wat! zou de koning worden afgezet?

HOVENIER. Zijn troon is half bezet, en afgezet, Ja, wordt hij wel. Een brief kwam gist'ren avond Bij een oud vriend des goeden hertogs York, Die zwarte dingen meldt.

KONINGIN. Ik stik bijna en zoek mij lucht door spreken.-- (Vooruittredend.) Gij Adamsbeeld, die dezen hof verpleegt, Hoe waagt uw ruwe tong zoo boos een tijding? Welke Eva, welke slang was 't, die u ingaf Den val en vloek der menschheid te hernieuwen? Wat zegt gij, koning Richard afgezet? Durft gij, gij, nauwlijks beter dan een aardkluit, Zijn val voorspellen? Waar, wanneer en hoe Kwaamt ge aan die onheilstijding? Spreek, gij worm!

HOVENIER. Vergeef mij, hooge vrouw; dit nieuws te melden Is mij geen vreugd, doch wat ik zeg is waar. De koning, ja, is in de sterke hand Van Bolingbroke; hun lot wordt dra gewogen; En in uws heeren schaal is slechts hijzelf, Met ijdel tuig, dat hem nog lichter maakt; Doch in de schaal des grooten Bolingbroke Zijn, buiten hem, nog alle pairs van Engeland; Dit overwicht weegt koning Richard op. Spoed, wilt gij 't zelf zien, u naar Londen heen; Want wat ik zeide, weet daar iedereen.

KONINGIN. Luchtvoetig onheil, steeds zoo vlug en haastig, Gaat uwe zending mij niet aan, dat ik Het laatst er van verneem? Gewis, het laatst Komt gij tot mij, opdat mijn borst uw leed Het langst bewaar'.--Jonkvrouwen, komt, gaat mee, En ziet in Londen Londens vorst in wee.-- Werd ik hiertoe geboren, dat mijn oog Door droefnis Bolingbroke's triomf verhoog'?-- Tuinier, door u werd mij dit leed bekend, Zoo tier' dan nooit een boom, door u geënt!

(De Koningin met haar Hofdames af.)

HOVENIER. Ach, arme vrouw! zoo 't u verbeet'ring bracht, Wenschte ik, uw vloek ware op mijn kunst van kracht.-- Hier stortte zij een traan; ik zet er ruit,-- Hoe scherp, hoe bitter, toch Genadekruid, En ik herdenk, als het zijn geuren spreidt, Hoe eens een koningin er heeft geschreid.

(Allen af.)

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Londen. Westminster-hal.

De geestelijke Lords rechts, de wereldlijke Lords links van den troon, de Gemeenten aan den voet des troons.--Bolingbroke, Aumerle, Surrey, Northumberland, Percy, Fitzwater, een ander Lord, de Bisschop van Carlisle, de Abt van Westminster en Gevolg komen op. Op den achtergrond Gerechtsdienaars, met Bagot.

BOLINGBROKE. Roept Bagot voor.-- Nu Bagot, spreek vrijuit; deel mee, wat u Bekend is van des eed'len Gloster's dood. Wie dreef den koning aan, en wie volbracht Het bloedig werk van zijn ontijdig eind?

BAGOT. Stel dan voor mijn gelaat den lord Aumerle.

BOLINGBROKE. Neef, treed vooruit, en zie dien man in de oogen.

BAGOT. Mylord Aumerle, ik weet, uw stoute tong Versmaadt, wat ze eenmaal heeft gezegd, te looch'nen. Dien doodschen tijd, toen Gloster's dood beraamd werd, Hoorde ik u zeggen:--"Is mijn arm niet lang, Die, van het rustig hof in England, reikt Tot aan Calais, tot aan het hoofd mijns ooms?" Met nog veel andre zaken hoorde ik u Terzelfder tijd betuigen; liever sloegt gij Een aanbod af van honderdduizend kronen, Dan dat gij Bolingbroke hier keeren zaagt; Als ook, wat groote zegen voor dit land De dood zou zijn van dezen uwen neef.

AUMERLE. Prinsen en eed'le lords, Wat antwoord zal ik dezen niet'ling geven? Zal ik mijn schoon gesternte zoo onteeren, Dat ik hem tuchtig op gelijken voet? Dit moet ik doen, of wel, mijn eere blijft Door de uiting van zijn lastermond bezoedeld.-- Daar ligt mijn pand, 's doods eigenhandig zegel, Dat voor de hel u stempelt; 'k zeg, gij liegt. Getuigen, dat ge onwaarheid spreekt, doe ik Uws harten bloed, al zij dit ook te laag, Om 't staal te vlekken van mijn ridderkling.

BOLINGBROKE. Bagot, terug! gij neemt dat pand niet op.

AUMERLE. Ik wenschte, dat uit dezen kring de beste,-- Op één slechts na,--mij zoo had uitgetart.

FITZWATER. Indien uw strijdlust op gelijkheid staat, Ziedaar mijn pand, Aumerle, als 't pand voor 't uwe. Ik hoorde 't ook, en snoevend zeidet gij, Dat de eed'le Gloster stierf door uw bedrijf. Mocht gij dit loochnen, twintigmaal, gij liegt; En 'k drijf uw leugen in uw hart terug, Waar hij gesmeed werd, met mijn degenspits.

AUMERLE. Gij waagt dien dag niet te beleven, lafaard.

FITZWATER. Bij God, ik wilde, 't uur was nu reeds daar.

AUMERLE. Fitzwater, dit veroordeelt u ter helle.

PERCY. Gij liegt, Aumerle; vlekk'loos is zijn eer Bij deze klacht; want zeker, gij zijt schuldig. Dit houd ik staande en werp mijn pand hier neer, Gereed om tot den laatsten levensadem Dit u te staven. Neem het, als gij 't waagt.

AUMERLE. Doe ik dit niet, dan moog' de hand mij rotten En nimmermeer mijn wrakezoekend staal Doen flikkren op mijns vijands blanken helm!

EEN LORD. Ik doe als zij, Aumerle, meineedpleger; En prikkel u zoo vaak met de' uitroep "Leug'naar!" Als die een kampdag lang in 't eerloos oor U galmen kan. Daar ligt mijn eerepand; Aanvaard het tot den tweekamp, zoo gij 't waagt.