Koning Richard de Tweede

Part 3

Chapter 34,094 wordsPublic domain

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een vertrek in het paleis.

De Koningin, Bushy en Bagot komen op.

BUSHY. Doorluchte vrouw, gij zijt te zeer bedroefd; Den koning hebt gij toegezegd bij 't afscheid, Niet toe te geven aan verterend leed, Maar steeds uw opgeruimdheid te bewaren.

KONINGIN. Om 's konings wille deed ik 't, voor mijzelve Kan ik 't niet doen; 'k erken, ik weet geen grond, Om zulk een gast als droefenis te ontvangen, Dan dat ik zulk een lieven gast als Richard Vaarwel moest zeggen; tòch is 't mij, als naakte Een ongeboren leed mij, in den schoot Van 't lot gerijpt; en in mijn binnenst beef ik Staâg voor een niets; er is iets, dat mij meer Dan 't afscheid van mijn gade en koning drukt.

BUSHY. Het wezen van elk leed heeft twintig schimmen, Die wel als 't leed er uitzien, maar 't niet zijn. Het oog der smart, beglaasd met duistre tranen, Ziet één ding als verdeeld in duizend andre, Zooals een oogbedrog, dat, recht beschouwd, Niets dan verwarring toont, maar, schuins bekeken, Een vorm doet zien;--zoo, waarde koningin, Het afscheid schuins beziend ontwaart gij vormen Van 't leed, die erger schijnen dan het leed; Doch ziet men zoo als 't is, dan zijn zij schimmen Van wat niet is. Daarom, doorluchte vrouw, Beween niet meer dan 't afscheid uws gemaals; Meer ziet gij niet, en wat ge meer mocht zien, Is wat des kommers oog te ontwaren meent, Dat waan en schijn als werk'lijkheid beweent.

KONINGIN. Dat moog' zoo zijn, maar toch, mijn innigst wezen Zegt, dat het anders is. Doch, hoe het zij, Ik moet bedroefd zijn, en zóó zwaar bedroefd, Dat, schoon ik, denkend, geen gedachten voed, Een drukkend niets mij kwelt en huiv'ren doet.

BUSHY. Het is verbeelding, eed'le vrouw, niets meer.

KONINGIN. Niets is het minder; want verbeelding stamt Van vroeger leed steeds af, wat mij drukt, niet. Uit niets ontsproot mijn leed, dat iets is, of Uit iets ontsproot het niets, dat mij bekommert; Wat ik bezit, het is nog niet aanvaard; Ik kan 't niet noemen, weet niet wat het is; Het is een naamloos wee, dat is gewis.

(Green komt op.)

GREEN. Heil, eedle vrouwe!--Weest gegroet, gij heeren. De koning, hoop ik, is nog niet op zee?

KONINGIN. Wat hoopt gij dit? Hoop liever, dat hij 't is. Zijn werk eischt spoed, zijn spoed eischt goede hoop; Wat hoopt gij dan, dat hij nog niet vertrok?

GREEN. Opdat hij, onze hoop, zijn volk terugroep', Eens vijands hoop in schrik en angst verkeer', Die reeds met groote macht hier is geland; De balling Hereford roept zichzelf terug En is reeds met getrokken zwaard genesteld Te Ravenspurg.

KONINGIN. Verhoede dit de Hemel!

GREEN. O, 't is maar al te waar, en, erger nog, De lords Northumberland, zijn zoon, de jonge Percy, De lords van Ross, Beaumond en Willoughby Zijn met hun sterken aanhang reeds bij hem.

BUSHY. Waarom verklaardet gij Northumberland En heel 't oproerig rot niet voor verraders?

GREEN. Dit is geschied, waarop de graaf van Worcester Zijn staf verbrak, zijn hof betrekking opgaf; En met hem vlood geheel de mindre hofstoet Naar Bolingbroke.

KONINGIN. Gij, Green, zijt vroedvrouw van mijn wee geworden, En Bolingbroke mijns kommers onheilskind. Nu bracht mijn ziel haar angstgedrocht ter wereld; Ik, de uitgeputte, pas bevallen moeder, Draag angst op angst, en wee op wee gehoopt.

BUSHY. Geef niet aan wanhoop toe!

KONINGIN. Wie kan 't verbieden? Ik wil het doen, wil met bedriegend hopen In vijandschap nu zijn; dat is een vleier, Een tafelschuimer, die den dood terughoudt, Als die des levens band zacht los wil maken, Dat valsche hoop in 't uiterste nog rekt.

(York komt op).

GREEN. Daar komt de hertog York.

KONINGIN. Met teek'nen van den krijg om de' ouden hals. O vol van ernst en zorgen is zijn blik.-- Spreek, oom, om Godswil, spreek een woord van troost!

YORK. Als ik dit deed, beloog ik mijn gedachten. De hemel huisvest troost; wij zijn op aarde, Waar niets dan onheil, zorg en kommer woont. Uw gade is weg, ver weg, om ginds te redden, Terwijl een ander hier zijn huis verheert; Mij liet hij hier, als steunpilaar des lands, Die, zwak door jaren, nauw mijzelven schraag; Nu komt na 't feestgelag het uur van ziekte, De tijd, dat hij zijn vleier-vrienden toetst.

(Een Dienaar komt op.)

DIENAAR. Uw zoon, mylord, was bij mijn komst reeds weg.

YORK. Was weg?--Nu, 't zij.--Ga alles, zooals 't wil.-- De lords zijn weg, en de gemeenten koud, En kiezen, vrees ik, weldra Hereford's zijde.-- Knaap, ijl naar Plashy, tot mijn zuster Gloster; Zij moet nog heden duizend pond mij zenden; Hier, neem mijn ring.

DIENAAR. Mylord, ik heb vergeten u te melden: Toen ik er langs kwam, straks, ging ik er aan;-- Ik zal u leed doen, als ik verder spreek.

YORK. Wat is er, knaap?

DIENAAR. Een uur te voren stierf de hertogin.

YORK. Nu hoede ons God! wat springgetij van weeën Stort zich op eenmaal op dit weevol land! Ik weet niet, wat te doen;--had God gewild, Dat met mijn broeder mij de koning, (doch Tot straf voor ontrouw niet,) had doen onthoofden!-- Spreek, zijn er nog geen boden weg naar Ierland?-- Hoe komen wij aan geld voor dezen krijg?-- Kom, zuster,--toch niet, nicht; houd mij ten goede.-- Gij, knaap, ga fluks naar huis en zorg voor karren, En voer de waap'nen weg, die daar nog zijn.--

(De Dienaar af.)

Gij heeren, wilt gij volk gaan monstren?--Weet ik, Hoe, op wat wijs ik deze zaken orden, Mij zoo verward geworpen op de schouders, Geloof mij dan nooit meer. Zij beiden zijn Mijn neven, de een mijn vorst, voor wien mij eed En plicht tot strijden noopt; voor de' andren, die Gekrenkt werd door den vorst, pleit mijn geweten En ook verwantschap, dat ik recht hem schaff'. Iets moet geschieden.--Kom nu, nicht, ik breng u In veiligheid;--gij heeren, monstert volk, En spoedt u tot mij op het slot van Berkley.-- Naar Plashy moet ik ook;-- Maar tijd te vinden!--alles is in 't honderd, En alles loopt verkeerd, niets uitgezonderd.

(York en de Koningin af.)

BUSHY. De wind is goed voor tijdingen naar Ierland, Doch niets komt weder. 't Zaam'len van een macht, Aan die des vijands evenredig, is Voor ons volstrekt onmoog'lijk.

GREEN. Bovendien, 't Nabij den koning staan door liefde brengt ons Nabij den haat van wie den koning haten.

BAGOT. De wank'lende gemeenten! hare liefde Ligt in haar buidels, en wie deze leêgt, Vult wis haar hart met doodelijken haat.

BUSHY. Waarom de koning algemeen gelaakt wordt.

BAGOT. En wij met hem, zoo zij de richters zijn, Wijl wij altijd nabij den koning stonden.

GREEN. Nu, ik ga daad'lijk naar 't kasteel van Bristol; De graaf van Wiltshire nam er reeds de wijk.

BUSHY. Ik ga met u er heen, want luttel liefde Bewijzen ons de wrokkende gemeenten, Dan dat ze als honden ons in stukken scheuren.-- Sluit gij u bij ons aan?

BAGOT. Neen, ik wil gaan naar Ierland, tot den koning. Vaarwel; wanneer mijn hart het juist bevroedt, Dan wiss'len wij hier onzen laatsten groet.

BUSHY. 't Hangt er van af, of York den opstand dempt.

GREEN. Die arme hertog! eer hem dit gelukt, Drinkt hij de zeeën leeg en telt haar zand; Op duizend houdt er één der zijnen stand. Vaarwel voor goed; voor heden en voor immer!

BUSHY. Wij zien elkander weer.

BAGOT. Ik vrees van nimmer!

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Een woeste streek in Glostershire.

Bolingbroke en Northumberland komen op, met troepen.

BOLINGBROKE. Hoe ver, mylord, zijn wij van Berkley af?

NORTHUMBERLAND. Geloof mij, eedle lord, Ik ben een vreemdling hier in Glostershire. Dit land vol wilde heuvels, ruwe wegen, Rekt, tot vermoeinis toe, ons elke mijl; Maar uw schoon onderhoud was suiker; 't maakte Den zuren weg ons zoet en recht verkwikk'lijk. Doch, mij valt in, hoe zwaar zal niet de weg Van Ravenspurg naar Cotswold zijn voor Ross En Willoughby, die uw gezelschap derven. Want dit heeft mij, verklaar ik, van mijn reis De moeilijkheid en lengte doen vergeten. Maar toch, ook hunnen marsch verzoet de hoop, Dat hun de weldaad wacht, die ik geniet. En hoop op vreugd is weinig minder vreugdrijk Dan de gehoopte vreugde zelf; zij kort Den moeden lords den weg, zoo als mij 't zien Van wat ik heb, uw bijzijn, heeft gedaan.

BOLINGBROKE. Mijn bijzijn is van vrij wat minder waarde Dan uwe goede woorden.--Wie komt daar?

(Hendrik Percy komt op.)

NORTHUMBERLAND. Mijn zoon is 't, Hendrik Percy, en hij komt, Van waar 't ook zijn moog', van mijn broeder Worcester.-- Hoe maakt uw oom het, Hendrik?

PERCY. Dit rekende ik, mylord, van u te hooren.

NORTHUMBERLAND. Wat, is hij bij de koningin dus niet?

PERCY. Neen, beste heer, hij heeft het hof verlaten, Den staf zijns ambts verbroken en den hofstaat Des konings doen uiteengaan.

NORTHUMBERLAND. Om wat reden? Zijn plan was 't niet, toen ik het laatst hem sprak.

PERCY. Om u, die voor verrader werd verklaard. Hij is, mylord, naar Ravenspurg gegaan, Om hertog Hereford zijnen dienst te bieden, En mij zond hij naar Berkley, ter verkenning, Wat macht de hertog York daar samenbracht, Met last om dan naar Ravenspurg te keeren.

NORTHUMBERLAND. Knaap, zijt gij hertog Hereford gansch vergeten?

PERCY. Neen, beste lord, hoe kan ik iets vergeten, Wat ik nog nooit gekend heb? bij mijn weten Heb ik hem van mijn leven nooit gezien.

NORTHUMBERLAND. Zoo leer hem kennen, knaap; dit is de hertog.

PERCY. Genadig heer, ik bied mijn arm u aan, Zooals hij is, teer, ongeoefend, jong; Doch ouder dagen zullen eens hem sterken Tot meer te roemen diensten en verdiensten.

BOLINGBROKE. Ik dank u, beste Percy, en, geloof mij, Ik acht me in niets ter wereld zoo bevoorrecht, Dan dat mijn hart zijn vrienden steeds gedenkt; En wat uw liefde mijn geluk doet rijpen, Wordt van uw trouwe liefde 't loon. Mijn hart Sluit dit verbond, dat dus mijn hand bezegelt.

NORTHUMBERLAND. Hoe ver is 't nog van Berkley? En hoe houdt Zich de oude, goede York er met zijn krijgsvolk?

PERCY. Daar, bij die groep van boomen, staat het slot, Bemand, vernam ik, met driehonderd man; Er binnen zijn de lords York, Berkley, Seymour, Geen andren van geboorte en grooten naam.

(Ross en Willoughby komen op.)

NORTHUMBERLAND. Daar zijn de lords van Ross en Willoughby, Van 't sporen bloedig, vurig rood van haast.

BOLINGBROKE. Welkom, mylords; ik weet, uw liefde spoort Een hoogverrader en een balling na. Mijn gansche schat is nog ontastbre dank, Die eenmaal, is hij rijker toegerust, Het loon zal zijn voor al uw liefde en moeite.

ROSS. Uw hierzijn maakt ons rijk, hoogedel lord.

WILLOUGHBY. En overtreft de moeite van 't erlangen.

BOLINGBROKE. Dank, altijd dank, de schat van arme lieden, Die, tot mijn teêr geluk tot jaren komt, Als rijklijk loon moet gelden! Doch, wie daar?

(Berkley komt op.)

NORTHUMBERLAND. Het is mylord van Berkley, als ik wel heb.

BERKLEY. Mijn boodschap is aan u, mylord van Hereford.

BOLINGBROKE. "Aan Lancaster", mylord; dus antwoord ik;-- Dien naam kom ik mij hier in England zoeken, En 'k moet op uwe tong dien titel vinden, Eer ik u antwoord geef op eenig woord.

BERKLEY. Versta mij goed, mylord; mijn doel is niet, Een enklen eeretitel u te schrappen;-- Ik kom tot u, mylord,--lord hoe gij wilt,-- In naam des rijksbestuurders, hertog York, En vraag u, wat u dreef, om 's konings afzijn Voor u te baat te nemen en 's lands vrede Met eigenmachtig zwaard te komen storen.

(York komt op, met Gevolg.)

BOLINGBROKE. 'k Behoef mijn antwoord nie door u te zenden; Daar komt de hertog zelf.--Mijn edele oom!

(Hij knielt.)

YORK. Toon mij uw hart deemoedig, niet uw knie, Wier huldebrenging valsch is en bedrieglijk.

BOLINGBROKE. O, mijn genadige oom!

YORK. Stil, stil! Niets van genade, en oom is doof voor oomen. 'k Ben geen verraders-oom, en 't woord "genade", Ontheiligd wordt het in onheil'gen mond. Waarom heeft uw verbannen voet gewaagd Van Englands aarde een stofje aan te roeren? Nog meer "waaroms". Waarom 't gewaagd, zoover Haar op de borst, waar vrede woont, te treden, Haar bleeke dorpen door uw krijg verschrikkend En door vertoon van diep verfoeide wapens? Verlokte u 't afzijn des gezalfden konings? Verdwaasde knaap, de koning is nog hier; In mijne trouwe borst berust zijn macht. Beheerde ik nog een jeugd, zoo vol van vuur, Als toen ik--met den dapp'ren Gent, uw vader-- Den Zwarten Prins, dien jongen Mars der menschen, Uit duizenden geschaarde Franschen redde, O dan, hoe ras zou ik met dezen arm, Thans door de jicht geboeid, u tuchtigen, U straf doen lijden voor uw zwaar vergrijp!

BOLINGBROKE. Genadige oom, doe mijn vergrijp mij kennen; Op welke handling steunt het? waaruit blijkt het?

YORK. 't Blijkt uit een handling van den ergsten aard,-- Uit vloekbaar oproer en verfoeid verraad; Gij zijt van hier verbannen, en gij komt, Aleer uw tijd verstreken is, terug, En tart uw koning met uw trotsche waap'nen.

BOLINGBROKE. Toen 'k werd verbannen, was ik balling Hereford; Maar nu ik weerkom, is 't als Lancaster. Werp, edele oom, dit smeek ik uw genade, Een onpartijdig oog thans op mijn onrecht; Gij zijt mijn vader, want, mij dunkt, in u Is de oude Gent in leven; dies, mijn vader! Kunt gij het zien, dat ik veroordeeld staan moet, Als zwervend vagebond, dat rechten, titels Mij uit de hand gerukt zijn en gegeven Aan lage brassers? Wat was mijn geboorte? Indien mijn neef, de koning, Englands vorst is, Dan ben ik hertog, ja! van Lancaster. Gij hebt een zoon, mijn eed'len neef Aumerle; Waart gij gestorven, hij aldus vertrapt, Dan had oom Gent een vader zich getoond, Om iedere krenking voort en dood te jagen. Men weigert mij mijn leenen op te vord'ren, En 'k heb toch door mijn open brieven 't recht; Mijn erfgoed wordt versnipperd en verkocht, En 't wordt, als alles hier, onnut verkwist. Wat kan ik anders doen? 'k Ben onderdaan, En vorder recht. Men weigert mij beheerders, En daarom doe ikzelf mijn rechten gelden Op de erfnis, krachtens mijn geboorte mijn.

NORTHUMBERLAND. Te zeer verongelijkt werd de eed'le hertog.

ROSS. Hem recht te doen, aan uw genade staat het.

WILLOUGHBY. Laag volk werd groot door wat aan hem behoort.

YORK. Gij lords van England, laat mij dit u zeggen: Dat onrecht aan mijn neef, het ging me aan 't hart, En 'k deed het mijne, om recht hem te verschaffen;-- Doch dat hij zoo, met trotsche waap'nen komt, Zich zelf bedient, zijn eigen weg zich houwt, En recht door onrecht zoekt,--dit mag niet zijn; En gij, die in dit doen hem steunt en schraagt, Stookt oproer en zijt allen oproerlingen.

NORTHUMBERLAND. Hier de eed'le hertog zwoer, zijn komst beoogt Het zijne slechts, zijn recht; en daartoe zeiden Wij allen hem bij eede bijstand toe; En wie dien breekt, beleev' nooit vreugde meer.

YORK. Goed, goed, ik zie den uitslag van die waap'ning; En ik erken, verandren kan ik 't niet. Mijn macht is veel te zwak, en niets in orde; Doch,--ja, bij Hem, die mij het leven schonk;-- Zoo ik 't vermocht, ik liet u allen vatten, Dat gij voor de genade u boogt des konings; Doch wijl ik 't niet vermag, zij hier verklaard, Dat ik onzijdig blijf. En nu, vaartwel,-- Tenzij het u behage op 't slot te komen En daar uw rust te nemen deze nacht.

BOLINGBROKE. Wij nemen, oom, dit aanbod dankbaar aan, Maar willen nog verwerven, dat gij met ons Naar 't slot van Bristol gaat, door Bushy, Bagot En heel hun aanhang, zoo men zegt, bezet, Die rupsen van den staat, waarvan ik zwoer, Dat ik hen zou verdelgen, uit zou roeien.

YORK. Meegaan? misschien; beloven doe ik 't niet; Ongaarne doe ik, wat 's lands wet verbiedt. Doch welkom, vriend of vijand, om het even; Waar geen herstel op is, 't zij opgegeven.

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Een legerkamp in Wales.

Salisbury en een Krijgsoverste komen op.

KRIJGSOVERSTE. Lord Salisbury, wij wachtten hier tien dagen, En 't volk bijeen te houden viel ons zwaar, En ziet, niets laat de koning van zich hooren; Wij gaan dus heen, verspreiden ons; vaarwel!

SALISBURY. Wacht, brave Walliser, nog éénen dag, De koning stelt in u zijn vol vertrouwen.

KRIJGSOVERSTE. Elk acht den koning dood; wij wachten niet. In 't gansche land staan de laurieren dor; Voor meteoren taant het vast gesternte; De bleeke maan ziet bloedig neer op de aard; En maag're zieners fluistren huiv'rend omkeer; De rijken zijn bedrukt en schelmen dansen;-- Die duchten het verlies van geld en goed, En dezen hopen op geweld en oorlog; Die teekens spellen vorsten dood of val.-- Vaarwel, de macht van ons, die hier was, vlood, Vast overtuigd van koning Richard's dood.

(Krijgsoverste af.)

SALISBURY. O Richard, met een blik vol bangen kommer Zie ik, gelijk een sterre, die verschiet, Uw glans van 't firmament ter aarde ploffen. De zon zinkt weenend in 't laag westen neer En kondigt wee en storm aan en boos weer. Wie vriend was, vliedt en zoekt den vijand op; En wat gebeur', het voert uw leed ten top!

(Salisbury af.)

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Bolingbroke's legerplaats bij Bristol.

Bollingbroke, York, Northumberland, Percy, Willoughby, Ross komen op, gevolgd door Dienaren, met Bushy en Green als gevangenen.

BOLINGBROKE. Brengt nu die mannen voor.--Bushy en Green, Ik wil hier uwe zielen, die terstond Van 't lichaam moeten scheiden, niet meer plagen Door 't gispen van uw snood en zondig leven, Want dit ware onbarmhartig. Doch ik wil, Om van uw dood mijn handen schoon te wasschen, Voor 't oor der mannen hier het een en ander, Van wat uw dood veroorzaakt heeft, ontvouwen. Een edel koning werd door u verleid, Een vorst, door bloed en trekken rijk begaafd, Door u verarmd, onkenbaar zelfs gemaakt. Gij hebt, als 't ware, door uw zondige uren De koningin van haar gemaal gescheiden, 't Bezit van 't vorstlijk huwlijksbed verstoord, Het schoon gelaat van een vorstin bezoedeld Met tranen, haar door uw vergrijp ontperst. Ikzelf,--een prins door 't recht van mijn geboorte, Den koning na in 't bloed, nabij door liefde, Eer hij door uw bedrijf mij heeft miskend,-- Ik boog mijn nek voor uwe krenking, zuchtte Mijn Engelsche' adem uit naar vreemde wolken, En at het bitter brood der ballingschap; Ik,--tijdens gij gebrast hebt van mijn leenen, Mijn parken hebt ontparkt, mijn hout geveld, Mijn wapens uit de vensters hebt gereten, Mijn kenspreuk uitgewischt, geen teeken latend,-- Dan menschenheug'nis en mijn levend bloed,-- Dat mij den lande als edelman doet kennen. Dit, en veel meer, veel meer dan tweemaal dit, Veroordeelt u ter dood. Men stell' hen dus Terecht, en geev' hen in de hand des doods.

BUSHY. De slag, die 't leven endt, is meer mij welkom, Dan Bolingbroke aan England.--Lords, vaartwel!

GREEN. Mijn troost is, dat de hemel ons ontvangen, En onrecht straffen zal met hellepijn.

BOLINGBROKE. Mylord Northumberland, geleid hen weg.

(Northumberland en anderen met Bushy en Green af.)

De koningin, oom, zegt gij, is ten uwent; Om 's hemels wil, zij worde goed bejegend; Zeg haar, dat zij op mij als vriend steeds reken', En zorg vooral, dat haar mijn groet geword'.

YORK. Ik zond haar, door een edelman, een brief, Die haar uitvoerig van uw vriendschap meldt.

BOLINGBROKE. Dank, waardige oom.--Komt, heeren, op! met lust Nog Glendower bestreden en zijn aanhang; Een korte wijl aan 't werk,--en dan volgt rust.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

De kust van Wales. In de verte een kasteel.

Trommen en trompetten. Koning Richard, de Bisschop van Carlisle, Aumerle en Soldaten komen op.

KONING RICHARD. Barkloughly-slot noemt gij den burg daar ginds?

AUMERLE. Ja, heer. Hoe vindt uw hoogheid hier de lucht Na dat gewiegel op de holle zee?

KONING RICHARD. Zij moet mij goed zijn; o, ik ween van vreugd, Nu ik mijn koninkrijk eens weer betreed. Geliefde grond, ik groet u met de hand, Ofschoon rebellen-rossen u verwonden; Gelijk een moeder, die haar kind in lange Niet zag, bij 't weerzien speelt met tranenlachjes, Zoo, weenend-lachend, groet ik u, mijn bodem, En wuif u met mijn koningshanden toe. Voed, dierbaar land, uws vorsten vijand niet, En laaf zijn roofzucht niet met uwe zoetheid; Maar dat uw spinnen, van vergif gezwollen, En trage padden op zijn weg zich leeg'ren, Om zijn verraders-voeten leed te doen, Die u met driest begeer'gen stap vertreden. Breng voor mijn haters scherpe netels voort; En, plukken zij van uwe borst een bloempje, Dat dan een loerende adder het bewaak', Die, met zijn dubb'le tong moorddadig stekend, Dood op uws vorsten tegenstrevers slinger'! Lach niet, dat ik bezweer, wat reedloos is; Want, lords, deze aarde zal gevoel erlangen, Haar steenen zullen sterke krijgers worden, Eer haar geboren vorst ooit struik'len zal Voor 't wapenklett'ren van een snooden opstand.

BISSCHOP VAN CARLISLE. Ducht niets, mijn vorst; Die u ten troon verhief, Heeft macht uw troon te hoeden, tegen allen. Doch grijp de midd'len, die de hemel schenkt; Verzuim die niet; want, zoo de hemel wil, En wij niet willen, weig'ren wij zijn bijstand, Des hemels aangeboden hulp en heil.

AUMERLE. Hij meent, mijn vorst, dat wij nalatig zijn, Wijl Bolingbroke, indien wij zorgloos rusten, Sterk wordt en groot in vrienden en in macht.

KONING RICHARD. O moedelooze neef! ik zeg u dit: Als achter de' aardbol zich het spiedend oog Des hemels bergt en de onderaard beschijnt, Dan sluipen dieven, roovers, ongezien, In moord en euveldaad hier bloedig rond; Doch als dat oog, van onder de aard zich heffend, Der oosterdennen trotschen top doet gloeien, Zijn licht doet schijnen door elk schuldig hol, Dan wordt aan moord, verraad en vloekbre zonden Des duisters mantel van den rug gescheurd; Dan staan zij naakt en sidd'ren voor zichzelf. Zoo zal die dief, die muiter Bolingbroke,-- Die heel de nacht nu heeft gerinkelrooid, Terwijl wij onder de antipoden toefden, Ons weêr zien stijgen op den troon in 't oosten; Dan zal 't verraad gaan blozen op zijn voorhoofd, En, niet in staat het daglicht te verdragen, Zichzelve schuwend, sidd'ren om zijn schuld. Niet al het water van de wilde zeeën Wascht de olie weg van een gezalfden vorst; Niet de ademtocht van stervelingen zet Gods uitverkoren plaatsvervanger af; Voor elken man, door Bolingbroke geprest, Die onze gouden kroon met staal bedreigt, Heeft God in hemelsche soldij voor Richard Een engel;--en, met englen in gevecht, Bezwijkt de mensch; de hemel schut het recht.

(Salisbury komt op.)

Welkom, mylord! hoe ver ligt uwe macht?

SALISBURY. Niet naderbij, noch verder af, mijn vorst, Dan deze machtlooze arm. Ontroostbaarheid Bestuurt mijn tong en slechts van wanhoop spreekt zij. Één dag te laat, mijn eed'le vorst, dit vrees ik, Heeft al uw blijde dagen overwolkt. O, roep den tijd terug, roep 't gistren weêr, En dan hebt gij tienduizend weerbre mannen; Deez' dag, één dag, rampzaal'ge dag te laat Ontrooft u vreugde, vrienden, heil, uw staat; De Wallisers zijn allen, op 't gerucht Uws doods, naar Bolingbroke,--verstrooid--gevlucht.

AUMERLE. Houd moed, mijn vorst, waarom ziet gij zoo bleek?

KONING RICHARD. Zoo even triumfeerde in mijn wangen Het bloed van duizenden,--die macht ontvlood; Heb ik, tot ze al dit bloed terug erlangen, Geen grond om bleek te zien, gelijk de dood? Wie wijs is, vliedt mij, wijl een rampuur thans Zijn merk gezet heeft op mijn trotschen glans.

AUMERLE. Schep moed, mijn heer en vorst, denk wie gij zijt!

KONING RICHARD. 'k Vergat mijzelf daar, ja. Ben ik niet koning? Ontwaak, gij trage majesteit! gij slaapt; Des konings naam is veertigduizend namen. Op, op, mijn naam! een nietig onderdaan Wil uwe grootheid vellen.--Blikt niet neder, Gij vorsten-gunstelingen! Staan wij niet hoog? Hoog zij ook onze moed! Oom York, dit weet ik, Heeft macht genoeg tot redding.--Wie komt daar?

(Scroop komt op.)

SCROOP. Meer heil en zegen vall' mijn vorst te beurt, Dan hem mijn tong, door zorg gestemd, kan melden.

KONING RICHARD. Mijn oor is open, voorbereid mijn hart; Wereldsch verlies is 't ergst, wat gij kunt melden. Spreek, is mijn rijk verloren? 't Was mijn zorg; Van zorg bevrijd te zijn, is dit verlies? Tracht Bolingbroke zoo groot te zijn als wij? Hij moet niet grooter zijn; en, dient hij God, Dit doe ik ook, en sta met hem gelijk. Staan de onderdanen op, wij moeten 't dulden; Zij breken God hun woord, zoowel als ons. Roep wee, verlies, vernieling, val en nood; De dood is 't ergst, en komen moet de dood.