Part 2
KONING RICHARD. Toef nog, en neem een eed meê op uw weg.-- Legt op ons koningszwaard uw ballingshanden; Zweert bij de trouw, door u aan God verschuldigd, (Ons recht op trouw verbannen wij met u,) Zweert, dat gij de' eed zult houden, dien wij eischen. Zoo waarlijk helpe u God en waarheid! nimmer Zult ge in den vreemde elkaâr in liefde ontmoeten; Noch ooit elkanders aanschijn zien; noch ooit Elkander schrijven, groeten, noch den storm Bezweren van den hier geboren wrok; Noch volgens afspraak ooit te zamen komen, Om tegen ons, ons land, onze onderdanen Iets kwaads te broeden of u te onderstaan.
BOLINGBROKE. Ik zweer 't.
NORFOLK. En ik, dat ik dit alles houde.
BOLINGBROKE. Norfolk, zooveel de vijandschap gedoogt,-- Hadde ons de koning het vergund, dan dwaalde Nu een van onze zielen door het luchtruim, Verbannen uit dit broze graf, ons vleesch, Gelijk ons vleesch verbannen is van hier; Belijd nu, eer gij heengaat, uw verraad; Uw weg is lang, dus sleep den looden last Van schuld niet mee, die uwe ziel bezwaart.
NORFOLK. Neen, Bolingbroke, heb ik verraad gevoed, Mijn naam zij uitgewischt in 't boek des levens, Ik uit den hemel, als van hier verbannen. Doch wat gìj zijt, weet God, gijzelf en ik; En 'k vrees, dra speurt de koning dit, met schrik.-- Vaarwel, mijn koning; dwalen kan ik niet; Elk pad is goed, mits niet naar uw gebied.
(Norfolk af.)
KONING RICHARD. Oom, in den spiegel uwer oogen zie ik Uw hart bezwaard; uw droeve blik vermindert Met vier het aantal zijner ballingjaren.-- (Tot Bolingbroke.) Zet zesmaal tegen 's winters koude u schrap, En wees weer welkom uit uw ballingschap.
BOLINGBROKE. Wat tijd en macht ligt in een enkel woord! Vier trage winters en vier dartle Mei's Zijn adem, niets,--doet hun een vorst dien eisch.
GENT. Ik dank mijn vorst, dat hij om mijnentwil Vier jaren van mijns zoons verbanning kort; Doch luttel voordeel zal ik hiervan oogsten. Eer die zes jaren, die hij zwerven moet, Hun manen wiss'len en hun loop voleinden, Zal de olie mijner lamp verdroogd, haar schijn Reeds flauw, door eeuw'ge nacht vervangen zijn; Mijn kaarsje is op; de blinde dood verbiedt Weldra, dat ooit mijn oog mijn' zoon weer ziet.
KONING RICHARD. Kom, oom, gij hebt nog menig jaar te leven.
GENT. Niet één minuut, o vorst, die gij kunt geven; Mijn dagen kunt gij korten, ja, door zorgen, Mij nachten rooven,--schenken, niet één morgen, Den tijd wel helpen rimpels mij te groeven, Zijn doen te stremmen, zult gij niet beproeven; Ja, spreek één woord, dan maait de tijd mij neer; Den doode koopt uw rijk geen adem weer.
KONING RICHARD. Gebannen werd uw zoon na rijp beraad, Waarbij ook uwe tong het oordeel sprak. Hoe kan u de uitspraak nu zoo grievend deren?
GENT. Wat zoet smaakt, is vaak moeilijk te verteren, Gij vroegt voor 't rijk mijn oordeel als uw rader; O, hadt gij eer gezegd: spreek hier als vader. Waar' hij mij vreemd en niet mijn kind geweest, Ik had zijn schuld gericht in zachter geest. Ik zocht, helaas! partijdigheid te mijden, En moest daardoor mijzelf ten doode wijden. Hoe wenschte ik, dat ge om strengheid een van allen Bij 't bannen van mijn kind mij hard zoudt vallen Doch gij liet toe, dat mijn onwill'ge tong Mijns ondanks mij tot zelfberooving dwong.
KONING RICHARD. Vaarwel dan, neef;--en, oom, zeg gij 't mij na; Zes jaar is hij verbannen,--en hij ga!
(Trompetgeschal. Koning Richard en Gevolg af.)
YORK. Vaarwel, mijn neef; en wat niet ieder hier Te weten heeft, vertrouw dat aan 't papier.
SURREY. Ik neem geen afscheid, heer; zoo verre mij Het land het toelaat, rijd ik aan uw zij.
GENT. O, met wat doel spaart gij uw woorden op, Dat gij geen enklen groet uw vrienden schenkt?
BOLINGBROKE. 'k Heb er te weinig om van u te scheiden, Waarbij de tong uitbundig sloven moest Om al de smart des harten uit te aad'men.
GENT. Uw smart is slechts, een wijle ver te zijn.
BOLINGBROKE. Van vreugde ver is smart nabij te zijn.
GENT. Wat zijn zes winters? dra zijn die voorbij.
BOLINGBROKE. Voor vreugde; smart vertienvoudt ieder uur.
GENT. Zoo noem 't een reis, die u vermaken moet.
BOLINGBROKE. Mijn hart zal zuchten, als ik 't zoo misnoem; Dit acht het een verplichten pelgrimstocht.
GENT. Het droeve zwerven uwer moede schreden Zij u een achtergrond, waarop gij eenmaal Het kostlijk kleinood van uw thuiskomst zet.
BOLINGBROKE. Neen, eerder zal mij iedre trage schrede Herinn'ren, welk een deel der wereld ik Van de kleinoodiën wegdwaal, die ik min. Moet ik op vreemde wegen niet een langen, Recht langen leertijd dienen, om, in 't eind, Als ik weer vrij ben, hierop slechts te roemen, Dat ik een reisbediende was van 't leed?
GENT. Elk oord, welk ook, waar 's hemels oog op neêrblikt, Is voor den wijze een haven van geluk. Leer uwen nood die dingen zóó beschouwen; Er is geen deugd, die nooddwang evenaart. Zeg niet, de koning was 't, die u verbande, Neen, gij den koning. Zwaarder drukt het leed, Indien het bij den drager zwakheid speurt. Neem aan, dat ik op oogst van roem u uitzond, Niet, dat de koning u verbande; stel, Dat onverzaadb're pestdamp in de lucht Hier hangt, en gij naar reiner lucht ontwijkt. Zie, wat uw ziele lief is, denk dit daar, Waarheen gij gaat, niet daar, vanwaar gij komt. Dat u zangvogels muzikanten zijn, De grasvlakte een met bies bestrooide feestzaal, De bloemen schoone vrouwen, en uw schreden De passen van een zoeten dans of rei; Want blikketandend leed heeft minder macht Om hèm te bijten, die 't niet telt, maar lacht.
BOLINGBROKE. O! wie kan vuur verdragen in zijn hand, Door aan de vorst des Kaukasus' te denken? Of wie verstompt des hongers scherpen prikkel, Alleen door zich een gastmaal voor te stellen? Of wentelt in Decembersneeuw zich naakt, Door zich een zomerhitte te verbeelden? O neen, het zich verbeelden van het goede Doet enkel 't kwade meer en dieper voelen; Nooit brengt leeds felle tand meer ett'ring voort, Dan als hij bijt, maar niet de buil doorboort.
GENT. Thans breng ik u op weg, mijn zoon; kom aan, Had ik uw jeugd, ik waar' reeds lang gegaan!
BOLINGBROKE. Vaarwel dan, Englands grond, geliefde bodem, Mijn moeder, voedster, die mij nu nog draagt! Wààr ik ook zwerv', is dit mijn roem, mijn kroon: Schoon balling, blijf ik Englands echte zoon!
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Aldaar. Een vertrek in 's Konings paleis.
Koning Richard, Bagot en Green treden op door de eene deur, Aumerle door de andere.
KONING RICHARD. (tot Bagot en Green). Wij hebben 't opgemerkt.--Mijn neef Aumerle, Hoe ver bracht gij den grooten Hereford weg?
AUMERLE. Den grooten Hereford, als gij zoo hem noemt, Bracht ik tot de' eersten grooten weg, en ging.
KONING RICHARD. Vergoot gij niet een vloed van afscheidstranen?
AUMERLE. Ik eerst geen drop,--maar de noordoostenwind, Die juist ons snijdend in 't gelaat blies, maakte Het slapend zilt mij wakker, en zoo werd 't Hol afscheid nog aandoenlijk door een traan.
KONING RICHARD. En wat was 't afscheidswoord van onzen neef?
AUMERLE. "Vaarwel"; En wijl mijn hart het wraakte, dat mijn tong Dit woord ontheil'gen zou, wees list mij, hoe Ik mij als overstelpt van smart moest houden, Elk woord begravend in het graf mijns leeds. Ja, kon dat woord "vaarwel" zijn uren rekken, En jaren voegen bij zijn ballingschap, 'k Had hem een boekdeel met vaarwels gegeven; Doch daar dit niet zou helpen, nu niet één.
KONING RICHARD. Hij is mijn neef, mijn neef; ja, maar ik twijfel, Of, als de tijd hem thuis roept uit den vreemde, Mijn bloedverwant zijn vrienden op zal zoeken. Wijzelf, en Bushy, Bagot hier, en Green, Wij zagen, hoe hij 't volk te streelen wist, Hoe hij in aller harten zocht te sluipen Met need'rig doen en zoete minzaamheid, Hoe hij aan lage knechten eerbied wegwierp, En 't werkvolk met zijn liefsten lach bewerkte, En met het kalme dragen van zijn lot, Opdat hun hart zijn ballingschap zou deelen; Zijn muts vloog af, ja, voor een oesterwijf; Twee karrelieden riepen: "God verzelle u!" En buigzaam brengt zijn knie hun need'rig hulde, Met: "Dank, landslieden! dank, mijn lieve vrienden!"-- Als waar' bij overleving England zijn, Hij onzer onderdanen naaste hoop.
GREEN. Nu, hij is weg, en met hem zulke plannen. Nù de oproerlingen, die in Ierland staan;-- 't Is noodig, snel te werk te gaan, mijn vorst, Eer ruimer tijd hun ruimer midd'len schenkt Tot hun profijt en uwer hoogheid schade.
KONING RICHARD. Wij willen in persoon dien krijg gaan voeren. En wijl door 't groote hof en ruime giften Juist onze koffers merklijk zijn verlicht, Zijn wij genoopt ons rijk in pacht te geven. Met wat dit opbrengt, kunnen wij den tocht, Die dringt, bestrijden. Geeft dit niet genoeg, Dan geven we onzen ambt'naars open brieven, Waarop zij elk, dien ze als vermogend kennen, Inschrijven voor een groote somme gouds; Dan zenden zij ons na, wat wij behoeven, Want daad'lijk trekken wij naar Ierland op.
(Bushy komt op.)
Wat komt gij melden, Bushy?
BUSHY. Heer, de oude Jan van Gent is ernstig ziek. Hij werd het plotsling, en hij vraagt door boden, Dat uwe hoogheid daad'lijk hem bezoek'.
KONING RICHARD. Waar ligt hij ziek?
BUSHY. In Ely-hof, mijn vorst.
KONING RICHARD. Geef, lieve God, alsnu zijn arts eens in, Hem oogenblikk'lijk in zijn graf te helpen! De voering van zijn koffers schaffe ons kleeding Voor onze troepen in den Ierschen krijg.-- Komt, heeren, gaan wij allen hem bezoeken; De Hemel geev', wij spoeden ons te laat.
ALLEN. Amen!
(Allen af.)
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in Ely-hof.
Gent op een rustbed; de Hertog van York en Anderen staan om hem heen.
GENT. Komt Richard? spreek! opdat mijn laatste woord Heilzame raad zij voor zijn wufte jeugd?
YORK. O, kwel u daarmeê niet en spaar uw adem; 't Is al om niet, wat raad zijn oor bereik'!
GENT. O, maar de tong van stervenden, zoo zegt men, Dwingt aandacht af, als diepe harmonie; Vaak klemt het woord van hem, wiens stemme breekt, Want waarheid ademt, wie zwaar-aad'mend spreekt. Men luistert meer naar hem, wien 't woord begeeft, Dan naar de jeugd, die dartelt met haar woorden; Meer telt men, die gaat sterven, dan die leeft. De zon, die daalt, de klank van slotakkoorden, Heugt, als het laatste zoet van zoetigheden, Meer dan 't verbleekte schoon van 't ver verleden. Gaf Richard nooit den levende gehoor, Wellicht geneest mijn stervend woord zijn oor.
YORK. O, dat versperren andre, vleiersklanken: Als 't roemen van zijn hofstaat; dan, de dwaasheid Van wulpsche lied'ren, naar wier giftig ruischen Het open oor der jeugd steeds hooren wil, 't Bericht van modes in het trotsch Itaalje, Welks zeden steeds ons loom en aap'rig volk Bespiedt en nahinkt, slaafsch zichzelf verneed'rend. De wereld brengt geen ijdelheid aan 't licht,-- Is zij slechts nieuw, dan vraagt men niet hoe slecht,-- Of zij wordt ijlings hem in 't oor geblazen. Raad komt te laat en wordt niet meer gehoord, Zoo lust, oproerig, wijsheids stem versmoort. Wijs hun geen weg, die zelf hem kiezen willen; Gij hijgt naar lucht, wat zoudt gij lucht verspillen?
GENT. Het is me, als werd ik plotsling een profeet, En zoo spel ik, verscheidend, nu zijn toekomst. Zijn dol en wulpsch geflakker kan niet duren, Want ieder heftig vuur brandt schielijk uit; Kort duurt een stortbui, zachte regens lang; Wie vroeg te haastig spoort, is weldra moe; Wie al te gulzig eet, hij stikt in 't eten; Dwaze ijdelheid, die onverzaadbre gier, Verslindt haar buit en aast dan op zichzelf. Deez' koningstroon, dit scepterdragend eiland, Dit land van macht en waardigheid, Mars' zetel, Dit ander Eden, tweede paradijs, Dit bolwerk, door natuur zichzelf gebouwd, Waar iedre krijg en zijn verderf op afstuit, Dit volk van zegen, deze kleine wereld, Dit kleinood, in de zilv'ren zee gevat, Die als een wal het kostlijk pand beschut, Of als een gracht, die 't huis verdedigt tegen Den nijd van min met heil begaafde landen,-- Deez' zegenrijke plek, dit rijk, dit England, De moederschoot en min van hooge vorsten, Gevreesd om hun geslacht, hoog van geboort, Zoo ver van huis beroemd om hunne daden, (In echten christenridderdienst volbracht,) Zoo ver als in 't verstokt Judea 't graf Des wereldheilands ligt, des zoons der maagd, Dit dierbaar, dierbaar land, van dierbre zielen, Zoo dierbaar om zijn naam in heel de wereld, Is nu verpacht,--ja, 't zeggen is mijn dood,-- Gelijk een landgoed of een bouwmanshoeve. Dit England, door de trotsche zee omgord, Welks rotsig strand de nijdige berenning Des zeegods afslaat, is omstrikt door schande, Door rottig perkament en brodd'lig schrift; England, dat andren plach de wet te stellen, Heeft schandlijk nu zichzelf de wet gesteld. O, als de smaad gewischt was met mijn leven, Hoe juichte ik nu in 't naad'ren van den dood!
(Koning Richard en de Koningin komen op, met Aumerle, Bushy, Green, Bagot, Ross en Willoughby.)
YORK. Daar komt de koning; zacht toch, om zijn jeugd; Een wild, jong veulen slaat, geslagen, wilder.
KONINGIN. Hoe vaart onze edele oom van Lancaster?
KONING RICHARD. Hoe is 't, oom Hans? hoe maakt het de oude Gent?
GENT. Wat past dat "oude Hans" goed op mijn toestand! Ja, maag're Hans maait dra zijn evenbeeld! In mij hield leed een langen vastentijd; En wie niet eet, wordt dra een maag're Hans; Wijl England sliep, heb ik aldoor gewaakt, En 't waken deed een maag'ren Hans mij worden. 't Geluk, dat voedsel is voor menig vader, Verkeerde in vasten, 'k mocht mijn kind niet zien; En zoo werd ik door u tot maag'ren Hans; En zoo deugt de oude Hans voor niets dan 't graf, Welks holle schoot niets erven zal dan beend'ren.
KONING RICHARD. Hoe kan een zieke met zijn naam zoo spelen?
GENT. Spot met zichzelve doet de ellende goed. Gij gaaft me een naam des doods; begroet ik nu Dien naam met scherts, dan, koning, vlei ik u.
KONING RICHARD. Speelt hij, die sterft, voor vleier bij die leeft?
GENT. Neen, levenden zijn vleiers voor die sterven.
KONING RICHARD. Neen, gij, die sterft, gij vleit, zoo zegt gij mij.
GENT. Neen, gij zijt stervend, schoon ik kranker zij.
KONING RICHARD. Ik ben gezond, ik adem, zie u krank.
GENT. Neen, neen, mijn Schepper weet, u zie ik krank; Ik, krank van uitzicht, zie u doodlijk krank. Uw doodsbed is niet kleiner dan uw land, Waar gij met kranken naam in nederligt. En gij, lichtzinnig zieke, die gij zijt, 't Gezalfde lijf vertrouwt gij aan de heeling Van dìe, dìe artsen, die u eerst verwondden. Een duizend vleiers zitten in uw kroon, Haar omtrek is niet grooter dan uw hoofd, En toch, gesperd in zulk een enge ruimte, Verbrassen zij niet minder dan uw land. O, had uws vaders vader, als een ziener, Erkend, hoe zijns zoons zoon eens zijne zonen Verderven zou, hij had uw schande wis Uit uw bereik gebracht, u afgezet, Aleer gij ooit uw erfland hadt bezeten, Bezeet'ne, die uzelf hebt afgezet! Ja, neef, al waart gij vorst der gansche wereld, Een schande waar' 't, dit land in pacht te geven; Doch daar dit land alleen uw wereld is, Is 't nu niet meer dan schande, 't zoo te schenden? Landheer van England zijt gij thans, niet koning; Uw vorstlijk recht is nu de slaaf der wet, En--
KONING RICHARD. En gij, een maanzieke en versufte dwaas, Gij, met het voorrecht van de koorts u dekkend, Durft met uw kille strafrede onze wangen Verbleeken doen, ons vorstlijk bloed door toorn Verjagen uit zijn wettig oponthoud! Nu, bij de hooge majesteit mijns toorns,-- De zoon des grooten Edwards noemde u broeder, Maar anders deed uw tong, zoo vrij in 't hoofd, Het hoofd u van uw drieste schouders vliegen.
GENT. O, spaar mij niet, gij zoon mijns broeders Edward, Wijl ik een zoon was van zijn vader Edward. Gij hebt reeds, als de pelikaan, dat bloed Vergoten, dronken feest er mee gevierd. Mijn broeder Gloster,--brave trouwe ziel, Wien 't goed hierboven ga bij zaal'ge zielen!-- Is reeds een voorbeeld en een goed getuige, Dat ge Edwards bloed, en zonder schroom, vergiet. Vereen u vrij met deze mijne ziekte, Uw boosheid zij als krommende ouderdom, En maai' de lang verwelkte bloem ras af. Leef in uw schande, en dat ze u overleev'; Herdenk mijn taal met wroeging steeds en beef!-- Komt, brengt mij nu te bed, en dan naar 't graf; Volgaarne sterft, wien liefde en eer begaf!
(Gent wordt door zijn Dienaars weggedragen.)
KONING RICHARD. Hij sterve, wien èn jeugd en vreugd begaf; Die mist gij beide, en zijt dus rijp voor 't graf.
YORK. Ik bid uw majesteit, schrijf deze woorden Aan wreev'le ziekte en aan zijn leeftijd toe; Hij heeft u lief, niet minder dan zijn' zoon, Dan Hendrik Hereford; ware die ontboôn!
KONING RICHARD. Juist, zooals Hendrik Hereford mint hij mij, Ik hen gelijk zij mij;--welnu dit zij!
(Northumberland komt op.)
NORTHUMBERLAND. Mijn vorst, ontvang den groet van de' ouden Gent.
KONING RICHARD. Wat zegt hij?
NORTHUMBERLAND. Niets meer; alles is gezegd. Zijn tong is nu een snaarloos instrument, Spraak, leven, alles wat hij had, ten end.
YORK. Wees, York, dra even zoo bankroet! De dood, Hoe arm hij make, is 't eind van bitt'ren nood.
KONING RICHARD. De rijpste vrucht valt eerst; hij moest wel vallen, Zijn tijd was om; het is het lot van allen. Genoeg hiervan.--Nu van den Ierschen krijg. Verdelgen moet ik 't woest gespuis, die Kernen, Die giftig daar gedijen, waar geen gif, Dan zij alleen, het voorrecht heeft te leven. En daar dit groote werk veel geld vereischt, Zoo trekken wij tot onze hulp aan ons Het zilverwerk, geld, renten, 't roerend goed, Waarvan onze oom van Gent bezitter was.
YORK. Hoe lang blijf ik geduldig? Ach, hoe lang Duldt teeder plichtgevoel een boozen dwang? Niet Gloster's dood, noch Hereford's ballingschap, Noch Gent's bestraffing, noch zelfs Englands nood, Noch dat arglistig stuiten van het huwlijk Van de' armen Bolingbroke, noch eigen smaad Deed mijn gelaat van lijdzaam bitter worden, Noch tegen mijnen vorst mij 't voorhoofd frons'len. Ik ben de laatste zoon des eed'len Edwards; Zijn eerste was uw vader, prins van Wales; In de' oorlog was geen gramme leeuw ooit stouter, In vrede geen geduldig lam ooit zachter, Dan deze jonge, vorstlijke edelman. Zijn aangezicht hebt gij, ja, evenzoo Zag hij er uit, toen hij ùw jaren had; Doch zag hij gram, dan was het tegen Frankrijk, Nooit tegen vrienden; en zijn eed'le hand Won wat hij wegschonk, maar hij schonk niet weg, Wat in triomf zijns vaders hand eens won. Rein was zijn hand steeds van verwantenbloed, Maar bloedig van de vijanden zijns stams. O Richard, overstelpt is York van kommer, Slechts dit perst hem die vergelijking af.
KONING RICHARD. Maar, oom, wat wilt gij?
YORK. O, mijn heer en vorst, Vergeef mij, zoo gij 't goed vindt; maar zoo niet, Dan vind ik goed, dat gij mij niet vergeeft. Intrekken wilt gij, zelf met handen grijpen De leenen, rechten van den balling Hereford? Is Gent niet dood en leeft niet Hendrik Hereford? Was Gent niet braaf en is niet Hendrik trouw? Verdiende de eene niet een erfgenaam? Is de erfgenaam niet een verdienstlijk zoon? Neem Hereford's rechten weg, ontneem den Tijd Zijn perkamenten en zijn oude rechten, Laat dan geen morgen meer op 't heden volgen; Wees dan uzelf niet, want hoe zijt gij koning Dan door opvolging en door erfenis? Bij God!--verhoede God, dat ik gelijk heb!-- Zoo ge onrechtvaardig Hereford's rechten eigent, De koningsbrieven intrekt, die hij heeft, En 't recht, om door gemachtigden zijn leenen Te heffen, niet erkent, zijn hulde weigert, Dan hoopt gij duizend nooden op uw hoofd, Verliest wel duizend welgezinde harten, En wekt in mijn geduld gedachten op, Die eer en trouwe leenplicht niet kan denken.
KONING RICHARD. Denk, wat gij wilt; toch leggen wij de hand Op 't zilverwerk, zijn geld, zijn goed, zijn land.
YORK. Vaarwel, mijn vorst, ik zie het niet mee aan; Geen sterv'ling weet wat hieruit kan ontstaan; Toch is het licht te zien, dat booze wegen Tot onheil zullen voeren, nooit tot zegen.
(York af.)
KONING RICHARD. Ga, Bushy, daad'lijk tot den graaf van Wiltshire; Hij kome tot ons hier in Elyhof, En reeg'le deze zaak. Nu, morgenochtend Gaan wij naar Ierland en voorwaar, 't is tijd. Gedurende onze afwezigheid vervulle Mijn oom van York in England onze plaats, Want hij is trouw en was ons steeds genegen. Kom nu, mijn gade; morgen scheiden wij; Wees lustig, want een dag is dra voorbij.
(Trompetgeschal, Koning Richard, de Koningin, Aumerle, Bushy, Green en Bagot af.)
NORTHUMBERLAND. Nu, lords, de hertog Lancaster is dood.
ROSS. En leeft toch ook, zijn zoon is hertog thans.
WILLOUGHBY. Ja, naar den titel, naar de renten niet.
NORTHUMBERLAND. Naar beide rijklijk, ware recht hier recht.
ROSS. Mijn hart is vol, maar, zwijgend, moet het breken, Eer 't zich in vrije taal van zorg ontlast.
NORTHUMBERLAND. Neen, spreek vrijuit, en hij spreek' nimmer weder, Die, wat gij zegt, herzegt om u te schaden!
WILLOUGHBY. Betreft, wat gij wilt zeggen hertog Hereford? Als dit zoo is, spreek onbeschroomd vrijuit, Mijn oor vangt op, en gretig, wat hem goed doet.
ROSS. Niets goeds ter wereld kan ik voor hem doen, Tenzij 't hem goed doe, dat ik hèm beklaag, Die schandlijk van zijn erfdeel wordt beroofd.
NORTHUMBERLAND. Bij God, 't is schande, duldt men zulk een onrecht Aan hem, eens konings kleinzoon, en aan andren Van edel bloed in dit vervallend land. De koning is zichzelf niet, wordt verleid Door vleiers; en wat die in 't oor hem blazen Uit haat of wrevel tegen een van ons, Dat zoekt de koning streng dan te vervolgen Aan ons, ons leven, aan ons huis en erven.
ROSS. Hij drukt het volk aldoor met zware lasten En raakt hun liefde kwijt; hij straft den adel Om ouden twist en raakt hun liefde kwijt.
WILLOUGHBY. En daag'lijks denkt men nieuwe lasten uit, Als blancobrieven, schenkingen, wat weet ik! Maar wat, in Godsnaam, wat moet hiervan worden?
NORTHUMBERLAND. Geen krijg verslond het, want hij krijgde niet; Hij stond zelfs bij verdragen smaadlijk af, Wat eens zijn vaad'ren met het zwaard verwierven. Hij spilde in vrede meer, dan zij door oorlog.
ROSS. De graaf van Wiltshire heeft het rijk in pacht.
WILLOUGHBY. De koning is bankroet, een bedelaar.
NORTHUMBERLAND. Oneer en ondergang bedreigen hem.
ROSS. Hij heeft geen geld voor dezen krijg in Ierland,-- Wat drukkende belasting hij ook heff',-- Dan door 't berooven des verbannen hertogs.
NORTHUMBERLAND. Zijn eed'len neef;--o diepgezonken koning! Maar, lords, wij hooren 't suizen van een onweer, En zoeken nog geen schuilplaats voor den storm; Wij zien den winddruk zwaar op onze zeilen, En strijken niet; wij laten ons vergaan.
ROSS. Wij zien de schipbreuk, die wij lijden zullen, En onvermijdlijk is reeds het gevaar, Wijl de oorzaak van de schipbreuk wordt geduld.
NORTHUMBERLAND. Neen, uit de ledige oogen van den dood Zie 'k leven glimmen, doch ik durf niet zeggen, Hoe na de tijding is van onzen troost.
WILLOUGHBY. Deel wat gij denkt ons mee, als wij aan u.
ROSS. Wees zonder vrees, en spreek, Northumberland. Wij drieën zijn uzelf slechts, en uw woorden Zijn ons alleen gedachten; spreek dus vrij.
NORTHUMBERLAND. Nu dan,--ik heb uit Port le Blanc, een haven Ginds in Bretagne, 't wis bericht ontvangen, Dat Hendrik Hereford, Reginald lord Cobham, Graaf Arundel, de zoon, onlangs ontsnapt Aan 't wakend oog van hertog Exeter, Zijn broeder, de aartsbisschop van Canterbury, Sir Thomas Erpingham, Sir John Ramston, Sir John Norbery, Sir Robert Waterton en Francis Quoint, Dat die, door steun des hertogs van Bretagne, Wel toegerust, acht groote schepen sterk En met drieduizend man, met allen spoed Opbreken en op onze noorderkust Een landing willen doen. Zij waren moog'lijk Alreeds geland, maar wilden op 't vertrek Des konings naar den Ierschen oorlog wachten. Dus, willen wij ons slavenjuk verbreken, Englands geknotte wiek op nieuw beveed'ren, De kroon weer lossen uit der schraapzucht pacht, Het stof van onzen gouden scepter wisschen, En hooge majesteit zichzelf doen zijn, Dan spoorslags voort met mij naar Ravenspurg; Doch aarzelt gij en vreest gij op te staan, Zoo blijft en zwijgt, alleen ook wil ik gaan.
ROSS. Te paard, te paard! nooit ducht de moed gevaar.
WILLOUGHBY. Mijn ros blijk' goed, en ik ben de eerste daar.
(Allen af.)