Koning Richard de Tweede

Part 1

Chapter 13,932 wordsPublic domain

KONING RICHARD DE TWEEDE.

PERSONEN:

Koning Richard de Tweede. Jan van Gent, hertog van Lancaster, } ooms van den Koning. Edmund van Langley, hertog van York, } Hendrik, genaamd Bolingbroke, Hertog van Hereford, zoon van hertog Jan van Gent, naderhand Koning Hendrik de Vierde. Edward, graaf van Rutland, hertog van Aumerle, zoon van den hertog van York. Thomas Mowbray, hertog van Norfolk. De Hertog van Surrey. John Montague, graaf van Salisbury. Graaf Berkley. Bushy, } Bagot, } gunstelingen van Koning Richard. Green, gunsteling van Koning Richard, De Graaf van Northumberland. Hendrik Percy, zijn zoon. Lord Ross. Lord Willoughby. Lord Fitzwater. De Bisschop van Carlisle. De Abt van Westminster. Sir Pierce van Exton. Sir Stephen Scroop. Een Hoofdman der troepen van Wales.

De Koningin. De Hertogin-Weduwe van Gloster. De Hertogin van York. Een Hofdame der Koningin.

Edellieden, Herauten, Officieren, Soldaten, twee Tuiniers, een Gevangenbewaarder, een Bode, een Stalknecht en verder Gevolg.

Het tooneel is op verschillende plaatsen in Engeland en Wales.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in het koninklijk paleis.

Koning Richard komt op, niet Gevolg; Jan Van Gent en andere hooge Edellieden met hem.

KONING RICHARD. Oom Jan van Gent, eerwaarde Lancaster, Hebt gij uw koenen zoon, Hendrik van Hereford, Gelijk uw eed u bond, hierheen gebracht, Tot staving van 't verwijt, uit tijdsgebrek Door ons niet onderzocht, dat hij den hertog Van Norfolk, Thomas Mowbray, heftig deed?

GENT. Ja, heer en vorst.

KONING RICHARD. Zeg mij nog dit: hebt gij hem ook getoetst, Of hij uit ouden wrok den hertog aanklaagt, Of, naar den duren plicht eens onderdaans, Op grond, dat hij hem als verrader kent?

GENT. Zooveel ik hierin hem heb kunnen peilen, Op grond, dat hij in hem gevaar ziet, doelend Op uwe hoogheid,--niet uit ouden wrok.

KONING RICHARD. Zoo roept hen voor; vrij, aanschijn tegen aanschijn, En fronsblik tegen fronsblik, willen wij En klager en beklaagde hooren spreken.

(Eenigen uit het Gevolg af.)

Opvliegend zijn zij beiden; eens verwoed, Doof als de zee, fel als der vlammen gloed.

(Die van het Gevolg komen terug, met Bolingbroke en Norfolk.)

BOLINGBROKE. Verheuge u menig jaar van blijde dagen, Genadig vorst, mijn goedertieren heer!

NORFOLK. Vermeerdere iedre dag het heil des voor'gen, Totdat de hemel, de aard haar heil benijdend, De onsterflijkheid verbinde aan uwe kroon!

KONING RICHARD. Hebt beiden dank; doch een is valsch en vleit ons; De reden van uw hierzijn spreekt dit uit: Gij legt elkander hoogverraad te last.-- Mijn neef van Hereford, spreek, waarmee bezwaart gij Den hertog daar van Norfolk, Thomas Mowbray?

BOLINGBROKE. Vooreerst,--de Hemel teekene aan wat ik verklaar!-- In de' ijver van mijn liefde als onderdaan Voor 't kostlijk heil van mijnen vorst bezorgd, En vrij van allen boosverwekten haat, Treed ik als klager voor mijns konings troon.-- Nu, Thomas Mowbray, richt ik mij tot u; En let wel op mijn groet, want, wat ik spreek, Mijn lichaam zal 't op aarde waar doen blijken, Of in den hemel staaft het mijne ziel. Gij zijt een aartsverrader en een booswicht, Te goed daarvoor, te slecht om nog te leven; Want is de lucht doorschijnend, helder blauw, Te meer ontsiert haar 't sombre wolkengrauw. Nog eens, om meer mijn woorden te doen wegen, Werp ik u hier den naam verrader tegen, En, staat mijn vorst het toe, mijn eerlijk zwaard Zal staven, wat mijn tong van u verklaart.

NORFOLK. Laat niet mijn koude taal mijn moed doen laken. Niet de schermuts'ling van een vrouwentwist, De bitt're smaad van twee verwoede tongen, Kan deze zaak beslechten tusschen ons; Het bloed is heet, dat koud hierom moet worden. Toch roem ik niet op zulk een mak geduld, Dat ik verstom en niets hier zeggen wil. Mijn eerbied voor uw hoogheid houdt mij af, Het vrije woord te sporen en te ontteuglen, Dat anders aansprong, tot hij dit "verrader" Weêr had verzwolgen, dubbel, in den strot. De hoogheid van zijn bloed ter zij gesteld, Laat hem eens niet de neef zijn van mijn koning, En dan daag ik hem uit en spuw naar hem, Noem hem een lastrend lafaard en een schurk; En houd dit vol, geef bij den kamp hem voor; Ik sta hem, ja, zoo ik, te voet, der Alpen Bevroren toppen tot hem op moest ijlen, Op iedere andere onbewoonb're plek, Waar ooit een Engelschman den voet dorst zetten. Dat midd'lerwijl dit woord mijn trouw bepleit':-- "Hij liegt en lastert, bij mijn zaligheid!"

BOLINGBROKE. Hier, bibb'rend lafaard, ligt mijn eerepand; 'k Verzaak hier mijn verwantschap met den koning, Doe afstand van de vorstlijkheid mijns bloeds, Waar gij uit vrees, niet uit ontzag voor huivert; Zoo schuldige angst nog zooveel kracht u liet, Dat gij dit pand aanvaarden kunt, zoo buk. Bij dit en elk gebruik der ridderschap, Man tegen man bewijs ik al, wat ik Verklaarde of gij als erger hoon kunt denken.

NORFOLK. Ik neem het op, en zweer bij 't zwaard, dat eens Mijn ridderschap mij op de schouders legde, Ik ben uw man en sta tot elken kamp Naar eischen van de ridderschap gereed; En 'k stijge na dien strijd niet levend af, Zoo ooit verraad tot aanklacht oorzaak gaf!

KONING RICHARD. En wat legt onze neef Mowbray ten laste? Groot moet het zijn, zoo 't in ons de gedachte, Dat in hem schuld zou wonen, wekken kan.

BOLINGBROKE. Wat ik gezegd heb, zal mijn leven staven: Achtduizend nobels heeft Mowbray ontvangen, Als voorschot voor het krijgsvolk van uw hoogheid, Die hij behield voor eigen snood gebruik, Als een verrader en vervloekte schurk. Nu zeg ik nog en wil door tweekamp staven, Of hier of elders, tot den versten rand, Waar ooit een Engelsch oog toe heeft gereikt, Dat al 't verraad, dat sedert achttien jaren Hier werd bedacht en aangestookt, zijn bron En ader in den valschen Mowbray had. Dan zeg ik nog, en op zijn eerloos leven Verhaal ik, wat mijn eerlijk woord verklaart, Dat hij den dood ontwierp van hertog Gloster, Diens tegenstanders, al te lichtgeloovig, Opstookte, en als een laf verrader, schuldloos Zijn ziel in stroomen bloeds vervloeien deed, Dat, als het bloed des vromen off'raars Abel, Zelfs uit der aarde tongelooze holten Tot mij om recht en strenge wrake schreit; En, bij den roem van mijn geslachte, recht Doet hem deze arm, of ik val in 't gevecht.

KONING RICHARD. Wat vlucht ten wolken neemt zijn koene geest! Thomas van Norfolk, wat zegt gij hierop?

NORFOLK. O, wende nu mijn vorst zijn aanschijn af, En zij zijn oor een korte wijle doof, Tot ik die schandvlek van zijn bloed verkond heb, Hoe God, en braven, zulk een lastraar haten.

KONING RICHARD. Mowbray, mijn oog en oor zijn onpartijdig: Waar' hij mijn broeder, ja, mijn troonopvolger, Met slechts, als nu, mijns vaders broederszoon, Toch zweer ik, bij mijns scepters waardigheid, Die naverwantschap aan ons heilig bloed Schonk hem geen voorrecht, zou de onkreuk'bre vastheid Van mijne ziel, die 't recht bemint, niet buigen. Hij is mijn onderdaan, Mowbray, als gij; Ook u staat ronde taal en koenheid vrij.

NORFOLK. Dan, Bolingbroke, dring' door uw valsche strot, Tot in het diepste van uw borst: "gij liegt." Drie vierden van die geldsom voor Calais Betaalde ik vol aan 's konings troepen uit; Met machtiging behield ik 't oov'rig deel, Omdat mijn heer en vorst nog in mijn schuld was, Vanwege een rest van mijn belangrijk voorschot, Toen ik zijn koningin uit Frankrijk haalde. Verzwelg die leugen dus.--Wat Gloster aangaat, Hem doodde ik niet; eer heb ik tot mijn schande Dien heil'gen plicht verzuimd in deze zaak.-- U, ja, mijn eed'le lord van Lancaster, Den eerbiedwaarden vader van mijn vijand, U heb ik naar 't leven eens gestaan, Een misdrijf, dat mijn droeve ziel zwaar drukt; Doch, eer ik pas het sacrament ontving, Heb ik 't beleden, en naar eisch vergiff'nis Gevraagd van uw genade, en 'k hoop, gij gaaft die. Tot zoover gaat mijn schuld; de verdere aanklacht Spruit uit het wrokkend harte van een booswicht, Een eerloos man, een diep ontaard verrader. Stout wil ik in persoon door strijd dit staven, En werp van mijne zijde hier mijn pand Den overtrotschen lastraar voor de voeten, En wil een trouwen edelman mij toonen, Door 't beste bloed, dat in zijn boezem woont. Dies smeek ik, uwe hoogheid moog' niet dralen, Maar thans den dag van onzen strijd bepalen.

KONING RICHARD. Gramstorige edellieden, volgt mijn raad. Verdrijft de galzucht zonder aderlating. Ofschoon geen arts, schrijf ik u dit toch voor:-- Een diepe wrok snijdt al te diep, snijdt door,-- Vergeeft, vergeet, houdt op elkaar te haten; Het is, zegt de arts, geen maand van aderlaten.-- Oom, zij 't begin het eind van twist en hoon; Norfolk tracht ik te stillen, gij uw zoon.

GENT. Het vredestichten past eens grijsaards hand.-- Werp, zoon, het neêr, des hertogs eerepand.

KONING RICHARD. Norfolk, gij 't zijn.

GENT. Nu, Hendrik, nu? Uw plicht Eischt, dat de zoon op de eerste maning zwicht.

KONING RICHARD. Werp neder, Norfolk, 't is mijn wil; het moet.

NORFOLK. Niet dit, mijn vorst, mijzelven, aan uw voet. Eisch niet mijn schande, slechts mijn leven, heer; Dit wijdt mijn plicht u gaarne; doch mijn eer, Die trots mijn dood zal leven op mijn graf, Sta ik, ten spel aan oneer, nimmer af. Ik sta verklaagd, onteerd hier, zonder grond, Door 's lasters giftspeer in de ziel gewond; Geen balsem heelt mij, dan het bloed zijns harten, Dat gif dorst aad'men.

KONING RICHARD. Woede moet men tarten; Geef hier zijn pand;--de leeuw maakt panters tam.

NORFOLK. De vlekken blijven. 'k Gaav' dit pand u, nam Uw macht mij eerst den smaad af. Hoor mij, heer; De reinste schat des levens is onze eer, Die vlekk'loos blijven moet; want ja, ontneem Den man zijn eer, hij is geschilderd leem. In trouwen boezem huize een koen gemoed, 't Is een juweel, door dubb'len wand behoed. Eer is mij 't leven, beide zijn zij één; Neem de eerste weg, mijn leven ook vliedt heen. Wil tot mijn kamp voor de eer verlof dus geven; Ik leef in haar, voor haar laat ik het leven.

KONING RICHARD. Gij neef, werp neer dat pand; wees de eerste, gij.

BOLINGBROKE. O God, houd zulk een zonde ver van mij! Zal ik gebogen voor mijn vader staan? Die lafaard mij vernederd zien, ontdaan Door laffe beed'laarsvrees? Eer ik mijn tong Tot laag verwonden van mijn eere dwong, Eer reet ik 't slaafsche werktuig, dat zoo laf Zijn taal herriep, hier met mijn tanden af, En spuwde 't bloedend, tot zijn diepsten smaad, Waar schande zetelt,--in Mowbray's gelaat.

(Gent gaat heen.)

KONING RICHARD. Niet smeeken, maar bevelen is mijn roeping. Zoo staat, daar geen bevel u kan verzoenen, Strijdvaardig, als u 't leven dierbaar is, Te Coventry, op Sint-Lambertusdag. Daar zij door zwaard en lans de felle twist Van uwen haat, die immer wast, beslist. Daar vrede onmoog'lijk blijkt, spreke in 't gevecht Des overwinnaars ridderschap nu recht.-- Lord maarschalk, geef aan mijn herauten last Te zorgen voor den tweekamp, zooals past.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een vertrek in het paleis van den Hertog van Lancaster.

Gent en de Hertogin van Gloster komen op.

GENT. Ach! 't aandeel, dat ik heb aan Gloster's bloed, Is mij nog sterker aandrang dan uw klachten, Dat ik mij tegen zijne slachters roer. Doch wijl de straf in de eigen handen rust, Die pleegden, wat wijzelf niet kunnen straffen, Bevelen we onze zaak den hemel aan. Die zal, ziet hij den tijd op aarde rijp, Op 't hoofd der daders heete wraak doen reeg'nen.

HERTOGIN. Is u de broederschap geen scherper spoor? Heeft liefde in uw oud bloed geen levend vuur? Toch waart gij een der zeven zoons van Edward, Der zeven kruiken van zijn heilig bloed, Der zeven schoone takken uit één wortel; Een deel der zeven heeft Natuur verdroogd, Een deel der takken heeft het lot gehouwen; Maar Thomas, mijn gemaal, mijn heil, mijn Gloster,-- Hij, de ééne kruik vol heilig koningsbloed, Één tak in bloei van Edwards eed'len wortel,-- Is stukgedrukt, al 't edel bloed gespild, Is afgehakt, zijn zomerloof verdord; Dat deed de hand des nijds, de bijl des moords. Ach! Gent, zijn bloed was 't uwe; 't bed, de schoot, Die kracht, die vorm, die u gestalt'nis gaf, Schiep hem tot man; en schoon gij leeft en ademt, Gij werdt in hem verslagen. Gij werkt mede, In ruime mate, tot uws vaders dood, Indien gij uwen broeder sterven ziet, Die 't evenbeeld was van uws vaders leven. Noem 't geen berusting, 't is vertwijfling, Gent; Als gij het slachten van uw broeder duldt, Wijst gij den sluipweg tot uw eigen leven, En leert den moord, hoe gij te slachten zijt. Wat wij bij 't laag're volk berusting noemen, Wordt bleeke lafheid in der eed'len borst. Wat spreek ik meer? Gij schut uw eigen leven Het best, als gij mijn Gloster's sterven wreekt.

GENT. Aan God de wrake, want zijn plaatsvervanger, Zijn stedehouder, voor zijn oog gezalfd, Is de oorzaak van zijn dood; was deze een gruwel, Dan wreke 't God, want ik mag nimmer toornig Den arm verheffen tegen zijn gezant.

HERTOGIN. Voor wien, ach! stort ik dan mijn klachten uit?

GENT. Voor God, der weeuwen wreker en beschermer.

HERTOGIN. Nu goed, dat wil ik.--Oude Gent, vaarwel! Gij gaat te Coventry den strijd aanschouwen Van onzen Hereford en den woesten Mowbray. O, Gloster's onrecht zitte op Hereford's speer, En dring' zoo in des slachters Mowbray's borst! Of, mist hem 't onheil bij den eersten rit, Dan wege schuld zoo zwaar in Mowbray's boezem, Dat zij aan 't schuimend ros de lenden breek', Den ruiter rugg'lings in het krijt doe storten, Hem weerloos in de macht van Hereford geev'! Vaarwel, Gent; uws gewezen broeders vrouw Sterft kwijnend weg, verzelschapt met haar rouw.

GENT. Ja, zuster, 'k moet naar Coventry, vaarwel! Blijv' heil bij u, zooals 't ook mij verzell'!

HERTOGIN. Één woord nog.--Droefheid vall', zij springt weer op, Maar niet door holheid, neen door haar gewicht; 'k Neem afscheid reeds en ving nog nauwlijks aan; Schijn' leed aan 't eind, ach! nooit heeft het gedaan. Ga, breng mijn groet aan Edmund York, mijn broeder. Zie, dit is al;--gij gaat?--waartoe die spoed? Al zij dit al, vertoeven waar' toch goed; Licht valt mij meer in. Zeg hem ook,--o wat? Dat ik hem dra te Plashy hoop te zien. Ach, wat kan ik aan de' ouden York er biên, Dan 't zien van leêge kamers, naakte muren, Ontvolkte zalen, onbewaakte grachten? Dan 't hooren van mijn welkomstgroet, mijn klachten? Neen, groet hem enkel; neen, hij kome niet; Hij vindt er rouw, als hij alomme ziet. Troostloos, ontroostbaar ga ik heen, voor goed; Mijn weenend oog wenkt u mijn laatsten groet.

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Een open veld bij Coventry.

Een strijdperk is afgezet; een troon in het midden; Herauten en Gevolg zijn aanwezig. Lord-maarschalk Surrey en Aumerle komen op.

SURREY. Mylord Aumerle, is Hereford reeds gewapend?

AUMERLE. Van top tot teen, verlangend op te komen.

SURREY. De hertog Norfolk, welgemoed en koen, Wacht enkel het trompetgeschal des klagers.

AUMERLE. Gereed zijn dus de strijders en zij wachten Op niets dan de aankomst van zijn majesteit.

(Trompetgeschal. Koning Richard treedt op en zet zich op den troon. Gent, York, Bushy, Bagot, Green en Anderen nemen hun plaatsen in.--Een trompet doet zich hooren en wordt door een andere trompet buiten beantwoord. Hierop verschijnt Norfolk, in volle wapenrusting, voorafgegaan door een Heraut.)

KONING RICHARD. Lord maarschalk, vraag den strijder, die daar opkomt, Waartoe hij dus gewapend hier verschijnt. Vraag hem zijn naam en neem naar eisch den eed Voor de gerechtheid van zijn zaak hem af.

SURREY. In naam van God en van den koning, spreek: Wie zijt gij? om wat reden komt gij hier Aldus in volle ridderwapenrusting? Wie is uw weêrpartij? Wat is uw zaak? Spreek waar, bij uwen eed, uw ridderschap, Opdat de hemel en uw moed u helpen!

NORFOLK. Mijn naam is Thomas Mowbray, hertog Norfolk; Die hier verschijnt, gebonden door zijn eed,-- Verhoede God, dat dien een ridder brak!-- Ter staving van mijn hulde en trouwe beide, Aan God, den koning en zijn kroost na hem, Door kamp met hertog Hereford, die mij aanklaagt; Wien ik, door Gods genade en dezen arm, Mij werend, een verrader zal doen blijken Aan God, aan mijnen koning en aan mij; Zoo waar mijn strijd gerecht is, help' mij God!

(Hij neemt zijn plaats in. Trompetgeschal. Bolingbroke treedt op, in volle wapenrusting, voorafgegaan door een Heraut.)

KONING RICHARD. Maarschalk, vraag gindschen ridder in het harnas, En wie hij is, èn waartoe hij aldus, In krijgersdos, gepantserd, hier verschijnt; En neem, naar de' eisch der wet, den eed hem af Omtrent zijn zaak en haar gerechtigheid.

SURREY. Wat is uw naam, en waartoe komt gij hier Voor koning Richard in zijn vorstlijk krijt? En tegen wien verschijnt ge? in welke zaak? Spreek, opdat God u hoede, als waardig ridder!

BOLINGBROKE. Hendrik van Hereford, Lancaster en Derby, Ben ik, en sta gewapend hier bereid, Om door Gods hulp en door mijn moed te staven In 't krijt, dat Thomas Mowbray, hertog Norfolk, Een booswicht is, die omgaat met verraad Aan God, aan koning Richard en aan mij; Zoo waar mijn strijd gerecht is, help' mij God!

SURREY. Op straf des doods zij niemand zoo vermetel, Zoo waagziek, dat hij in de omperking treed', Den maarschalk uitgezonderd, en de mannen, Wien 't reeg'len van den kampstrijd is vertrouwd.

BOLINGBROKE. Lord maarschalk, laat mijns vorsten hand mij kussen, En nederknielen voor zijn majesteit; Want Mowbray en ikzelf zijn als twee mannen, Tot lange en zware bedevaart gehouden; Dies zij een plechtig afscheid nu genomen, Den vrienden hartlijk thans vaarwelgezegd!

SURREY. De klager groet vol eerbied uwe hoogheid En smeekt tot antwoord uwe hand ten kus.

KONING RICHARD. Wij komen af en willen hem omarmen.-- Mijn neef van Hereford, is uw zaak gerecht, Dan zij 't geluk met u in dit gevecht. Vaarwel, mijns harten bloed! Zoo 't heden vliet, Betreuren zal ik 't, wrake nemen niet.

BOLINGBROKE. O, dat geen traan uw edel oog onteer' Om mij, indien ik val door Mowbray's speer. Zoo koen een valk ooit op een vogel stoot, Snel ik tot dezen kamp en ducht geen dood.-- (Tot Surrey.) U bied ik, beste lord, mijn afscheidsgroet; Ook u, mijn waarde neef, mylord Aumerle;-- Niet krank, al sta mijn leven op het spel, Maar lustig, vroolijk, jong, gezond en wel.-- Zie, als tot nagerecht naar eisch, begroet Ik 't liefst het laatst, en zoo is 't einde zoet. (Tot Gent.) O gij, gij aardsche schepper van mijn bloed, Wiens jeugdig frissche geest, in mij herboren, Met dubb'le kracht mij opheft, om de zege Te grijpen, die reeds boven 't hoofd mij zweeft, Make uw gebed mijn pantser ondoordringbaar, Uw zegen staal' de punt van mijne speer, Opdat zij, Mowbray's wassen kleed doorborend, Den naam van Jan van Gent, met nieuwen gloed, Doe schitt'ren in het kloek bedrijf zijns zoons.

GENT. God geve u voorspoed bij uw goede zaak! Wees plotsling, als de bliksem, met uw wapen, En dat uw slagen forsch, verdubbeld dubbel, Verdoovend als de donder, op den helm Uws boozen tegenstanders nederploffen; Wek op uw jeugdig bloed, wees kloek en leef!

BOLINGBROKE. Dat mij Sint George, en 't recht, de zege geev'!

NORFOLK. Hoe God of 't lot mijn teerling werp', hier leeft Of sterft, aan koning Richards troon verknocht, Een trouw, oprecht en eerlijk edelman. Nooit wierp gevang'ne met een blijder hart De keet'nen zijner knechtschap af en groette, Van banden vrij, de gulden vrijheid meer, Dan nu mijn dansend hart dit feest des strijds Met mijn gezworen vijand welkom heet.-- Grootmachtig vorst, en eed'le vriendenschaar, U wenscht mijn mond hier menig heilrijk jaar. Zoo blij en vrij als tot een vroolijk feest IJl ik ten strijd. De oprechte is kalm van geest.

KONING RICHARD. Vaarwel, mylord; uw oog, geheel uw wezen, Geeft mij uw moed en koenheid klaar te lezen.-- Bestuur den tweekamp, maarschalk, en begin.

SURREY. Hendrik van Hereford, Lancaster en Derby, Ontvang uw lans; en God bescherme 't recht!

BOLINGBROKE. In hoop een sterke toren, zeg ik "Amen".

SURREY (tot een ridder). Breng deze lans aan Thomas, hertog Norfolk.

EERSTE HERAUT. Hendrik van Hereford, Lancaster en Derby, Staat hier voor God, zijn koning en zichzelf, Op straf van valsch en eereloos te blijken, Om Thomas, Hertog Norfolk, als verrader Aan God, zijn koning en hemzelf te staven, En daagt hem uit, ten kamp bereid te zijn.

TWEEDE HERAUT. Hier staat de hertog Norfolk, Thomas Mowbray, Op straf van valsch en eereloos te blijken, Om zich te zuiv'ren, en om Hendrik Hereford, Van Lancaster en Derby, te doen kennen Als God, zijn koning en hemzelf ontrouw; Hij wacht met riddermoed en fieren strijdlust Het teeken af, dat hem den kamp vergunt.

SURREY. Trompetters, blaast; en, strijders, tot den aanval!

(Trompetgeschal tot den aanval.)

Houdt op! De koning werpt zijn staf in 't krijt!

KONING RICHARD. Laat beiden helm en speer ter zijde leggen, En elk van hen neem' weer zijn zetel in.-- Gij, gaat met ons ter zij. Trompetters, schalt, Tot we ons besluit den strijders kenbaar maken.

(Langdurig trompetgeschal.)

(Tot de strijders.) Treedt nader, En hoort, wat wij in onzen raad besloten. Opdat de bodem onzes rijks van 't bloed, 't Bloed, door hemzelf gevoedsterd, niet bevlekt zij, En wijl ons oog den schrikb'ren aanblik haat Van wonden, door eens broeders hand geslagen, En wijl 't ons voorkomt, dat èn de aadlaarsvlucht Van eer- en hoogheidszoekende gedachten, En nijd, die mededingers haat, u dreven Den vreê te ontrusten, die in Englands wieg Een zoeten kinderslaap, zachtaad'mend, sluimert, (Wat, door wanluidend, heftig tromgeraas En schril trompetgeschetter en het klett'ren Van grimmig wapentuig, den slaap verschrikkend, Den schoonen vreê uit ons gebied zou jagen, Ons waden doen door onzer broedren bloed,) Zoo zijt gij uit ons rijksgebied verbannen;-- Op straf des doods, neef Hereford, zult gij, eer Tweemaal vijf zomers onze beemden tooiden, Dit rijk, ons schoon gebied, niet weer begroeten, Als balling vreemden grond zoolang betreên.

BOLINGBROKE. 'k Gehoorzaam. Deze troost toch blijft mij bij: De zon, die u verwarmt, beschijnt ook mij; En 'tzelfde gouden licht, dat u verblijdt, Bestraalt ook mij, verguldt mijn ballingstijd.

KONING RICHARD. Norfolk, voor u heb ik een zwaarder vonnis, Dat ik niet zonder tegenzin hier spreek: De trage, sluipende uren einden niet Den grenzenloozen tijd van uw verbanning. Het hooploos woord van "nimmer hier te keeren" Roep ik u toe;--terugkeer ware uw dood.

NORFOLK. Een drukkend vonnis, hooge vorst en heer, En nooit verwacht van uwer hoogheid mond; Want beter loon dan zulk een diepen smaad, Dat gij mij in de wijde wereld uitstoot, Heb ik van uwer hoogheid hand verdiend. De sprake, die ik veertig jaren leerde, Mijn moeder-Engelsch, wordt mij thans ontroofd; En thans is mij de tong niet meer tot nut, Dan een viool of harpe zonder snaren, Of als een kunstrijk speeltuig, dichtgesloten, Of, is het open, hem vertrouwd, wiens hand Geen toetsen kent, om harmonie te wekken. Gij kerkert in mijn mond mijn tong, door twee Valpoorten, door mijn tanden en mijn lippen, En maakt tot stokbewaarder, ter bewaking, Onwetendheid, die dof is, stomp, gevoelloos. Ik ben reeds te oud tot staam'len met een voedster, Te veel op jaren, om ter school te gaan; Wat is uw vonnis, dan een stomme dood, Nu 't mij mijn levensademklank verbood?

KONING RICHARD. Vergeefsch dat roerend jamm'ren; 't geeft geen baat; Uw klacht is, nu ons vonnis viel, te laat.

NORFOLK. Daglicht mijns lands, vaarwel! daar overal Mij 't floers van eeuw'ge nacht omhullen zal!

(Hij wendt zich tot heengaan.)