Koning Oedipus, van Sophocles: tragedie

Part 3

Chapter 33,759 wordsPublic domain

Wat meent ge? Wát? Wat zeide ik dan?

OEDIPUS:

Gij hebt gezegd: hij sprak van roovers, die den koning doodden; ik was alléén. Maar als hij thans één enk'len wand'laar noemt, dan—valt het op mijn hoofd!

IOKASTE:

O, wees er zeker van, het was zooals ik heb gezegd. Sprak hij nu ánders, O, dan waar 't gelogen. Er waren menschen bij mij, die het hoorden. Ik was niet alléén. En als hij nu zijn woorden verdraaien zou, bij 't eerst bericht wat ánders wilde voegen, dán—ja, dan beteekende ook dát nog niets! Dán stemmen toch opnieuw niet het orakel en Laïos' dood te zamen. Want immers Laïos zou—zoo sprak de god— door 't kind, dat uit mijn schoot geboren werd, zijn leven laten, en zéker heeft dát ongelukkig kind, dat lang vóór Laïos stierf, hem niet verslagen. Neen, al die profetenuitsprake⁀acht ik wind, en ik bekommer me⁀om geen enk'le meer!

OEDIPUS:

Hoé gij dat alles uitlegt, vrouw; —gij hebt gelijk,— maar laat in elk geval den herder komen.

IOKASTE:

Oedipus!

OEDIPUS:

Neen,—neen, verzuim dát niet!

IOKASTE:

Ik zal 't doen. Ik zend terstond een bode naar hem heen; doch gaan wij thans naar binnen. Kom!

(_Oedipus en Iokaste gaan in het paleis. De bronzen deuren worden gesloten_).

DE GRIJSAARDS (_naar voren komend_):

EERSTE GRIJSAARD:

Hebt gij 't gehoord? hóe zij van de goden spraken, hoe ruw de woorden, schaamt'loos en naakt, uit hunne monden braken?

TWEEDE GRIJSAARD:

Iets moet er wezen, 'n band, die ons bindt, die onze woorden, en onze daden, en onze kwaaddoende handen bindt. Wee, als niets ons zou binden! Als vrij het kwade z'n loop kon vinden! Wàt was 't einde?

DERDE GRIJSAARD:

Ontucht huist in hun harten; 'n eeuwige storm raast door hun leven; die voert hen op duiz'ling-wekkende hoogten, waarop aan geen mensen te staan werd gegeven. Wánneer storten zij van die hoogten weêr af, in smaad, in ellende, en in het graf?

VIERDE GRIJSAARD:

In ellende en in 't graf móet 't hen storten! Gingen zij strafloos, geheven de hoofden, wíe van de and'ren, die dan nog geloofden? Als deze wand'len in glans en eer, gelooven wij geen van allen meer!

VIJFDE GRIJSAARD:

Hóe zij 't godenwoord smaalden, waar Laïos door viel, 't woord van Apollo!— —Als zij dát durven, wie zal dan nog bidden!

(_Pauze_).

EERSTE GRIJSAARD:

Naar den navel van d' aard', naar het delphisch paleis, naar den stralenden tempel van Abaë, draagt mij, pelgrim, nooit meer mijn voet!

(_Alle grijsaards gezamenlijk_).

draagt mij nooit meer mijn voet!

EERSTE GRIJSAARD:

als niet het god'lijke hier zendt nu 'n teeken, dat ik met de handen betasten kan.

(_Alle grijsaards gezamenlijk_).

Aan u staat 't, goden! dit gruw'bre te wenden van onze hoofden. Wij willen 't grijpen met onze handen, of niemand onzer offert u meer!

(_Iokaste komt uit 't paleis met de slingers omwonden der koninklijke priesteres. Vóór haar uit gaan drie maagden, voor den offerdienst gehuld in sluierende gewaden. Tot onder de oogen zijn ook de gezichten der maagden gesluierd. Ieder draagt op een gouden schaal een geluidloos flakkerende blauwe vlam. De grijsaards treden ter zijde en verwijderen zich van elkaar. In den valen schijn van de blauwige vlammen schrijdt de koningin naar links op het eerste terras, dat van het paleis naar de orchestra leidt_).

DE GRIJSAARD:

De koningin! Wát gaat zij wijden?

(_Iokaste blijft links op het terras, waar de trappen stijgen naar de heilige offerplaats,—op een der treden staan, terwijl de drie maagden,—iets lager dan de Koningin, met de schalen hoog in de handen geheven, op eene rij zich opstellen_).

IOKASTE:

De ziel van uwen koning, van mijn man, is ziek. Daarom wil 'k voor de goden treden, dat zij hem doen genezen. Want wàt zijn wij, als híj terneder ligt, de man aan 't roer, en storm en ontij teisteren het schip, spelend ermee hun spel!

DE BODE UIT KORINTHE (_van ter zijde opkomende_):

Gij, goede menschen, weet één van u mij 't huis van Oedipus te wijzen? en weet éen bijgeval, waar 'k zélf hem vind?...

DE EERSTE GRIJSAARD:

Dát is zijn huis. Gij vindt hem binnen. Die vóór u staat, is onze koningin, de moeder zijner kind'ren.

DE BODE: Wees gezegend, o, koningin, en moog' ge⁀ook met gezegenden door 't leven gaan!

IOKASTE: Geheel datzelfde wensch 'k ook u toe, vreemde vriend! Gij zijt 't waard ter wille van zoo heusch'n groet. Spreek, wát brengt gij ons? Of wat verwacht gij van ons?

DE BODE:

Geluk breng 'k aan uw huis en aan uw man.

IOKASTE:

Wát voor geluk? En vánwaar komt het ons?

DE BODE:

Uit 't land Korinthe: wat 'k uw man kom zeggen, zal hem ten deel verheugen, ten deele ook bedroeven, vrees ik.

IOKASTE: Wat voor nieuws mag 't zijn, dat deze dubb'le kracht bezit?

DE BODE: De mannen van 't gindsche Isthmosland, roepen uw man tot koning.

IOKASTE: Wat? heerscht dan Polybos niet meer?

DE BODE:

Hij heerscht niet meer. Hij slaapt in de aarde.

IOKASTE:

Wat zegt gij, oude? Is Polybos dood?

DE BODE:

Zoo wáar ik adem haal!

IOKASTE: Op, mijne meisjes! op! Rhodopis, Pannychis, Kalirrhoë, snel naar uw meester!—snel!

(_De meisjes ijlen 't paleis in_).

O, orakelspreuken, waár zíjt gíj nú? Hoé kwelde hem de angst voor moord en doodslag op zijn ouden vader; nu heeft het sterflot dezen man bereikt, en hier is Oedipus!

(_Oedipus is op dit oogenblik uit zijn paleis getreden achter hem, een tot de tanden gewapend krijgsman_).

OEDIPUS:

Wat is 't vrouw? waarvoor liet gij mij halen van waar 'k zat en peinsde? Spreek, waarvoor?

IOKASTE:

Hoor dezen man, mijn vorst, hoor hem, en zeg mij dan wat van die heil'ge, zeek're godenwoorden nu nog geloof verdient!

OEDIPUS:

Wie is die vreemde? en wát is zijn boodschap?

IOKASTE:

Hij is uit Korinthe, en zijn boodschap luidt: dat Polybos, uw vader, niet meer leeft.

OEDIPUS: Wat? Zeg dat met uw eigen mond!

DE BODE: Het is zoo, vorst, hij ging den weg, dien ieder sterf'ling gaat.

OEDIPUS:

Hij stierf door moord? Neen? Niet door moord? Door ziekte?

DE BODE:

'n Kleine stoot brengt oude liên in 't graf.

OEDIPUS:

Zoo was 't dus door ziekte, dat hij stierf?

DE BODE:

Door ouderdom; Zijn hooge leeftijd was 't. Hij welkte weg.

OEDIPUS:

O, vrouw! wat heeft men dan voortaan bij 't Pythische orakel nog te zoeken? Wát zal men verder nog op teekens achten, die niet méér zijn, dan 't schor gekras van voog'len in de lucht! Zou ik niet mijn vader dooden? Hem dekt nu d' aarde,— hij is niet meer,— en dat toch zeker niet door mij, —geen zwaard heb 'k aangeraakt,—òf wel, hij, moest dan aan mijn wensch gestorven zijn? Ja, dán had 'k waarlijk schuld toch aan zijn dood. Zoo is die vloek dan van mijn hoofd genomen, Polybos nam hem met zich, waar hij ging.

IOKASTE:

Heb ik u dit niet lang geleên voorspeld?

OEDIPUS:

Gij heb 't gezegd, maar ik was gek van angst.

IOKASTE:

Maak u dan nú ook vrij, en lach met alle angst.

OEDIPUS:

Met alle? moet 'k niet altijd nóg mijn moeders huw'lijk duchten?

IOKASTE:

Wát hoeft 'n mensch te vreezen? drijft niet 't onzek're lot, 't toeval hem hier en ginder heen? kent hij van éenig ding dan 't wezen? wordt niet met ied'ren speelschen nuk van 't lot hij aan zichzelf ontrukt? Bekommer u dan verder toch om geen orakeltaal! Slechts leven! Zorgloos leven! Hebben dan menschen in hun droomen niet dikwijls reeds in moeders schoot gelegen? O, geloof me, alléén, wie al die dingen luchtig neemt, verdraagt de last des levens; wie 't niet doet, gaat te gronde...

OEDIPUS:

Dat alles klinkt voortreff'lijk, vrouw, wat gij daar zegt, zoo slechts mijn moeder niet in leven ware! zij leeft; dus heb ik angst.

IOKASTE:

Waait van uw vaders graf geen troost u over?

OEDIPUS:

Jawel, maar dat mijn moeder leeft, verdrijft haar.

DE BODE:

Wié is de vrouw, die u met vrees vervult?

OEDIPUS:

't Is Meropé, de vrouw van Polybos.

DE BODE:

En wát is 't, vorst, dat u in haar beangstigt?

OEDIPUS:

'n Gruwlijk woord, mijn vriend, uit godenmond.

DE BODE:

Kunt ge 't mij zeggen? Of mag geen vreemde 't hooren?

OEDIPUS:

Ik kan 't U zeggen. Mij heeft de God te Delphoï aangezegd: dat ik mijn moeders schoot ontheil'gen zou, en met mijn eigen hand mijn vader dooden. Dát dreef mij van Korinthe weg.— Dacht gij dan, oude man, ik had voor niets mij het genot ontzegd, haar lief gezicht te zien?

DE BODE:

Dit dus, en ánders niet dreef u weg uit Korinthe?

OEDIPUS:

Was 't niet genoeg? dít, en mijns vaders moordenaar te moeten worden?

DE BODE:

Zoo haast ik mij, mijn vorst, U snel het woord te zeggen, dat U van al Uw angst bevrijd, want daarmee dien ik U 't best.

OEDIPUS:

O, kondt gij 't doen hóe zou ik U beloonen! beloonen—

DE BODE:

Daar kwam ik voor, dat gij mijn dienst beloondet—als een koning,— waart ge in uw huis daarginds teruggekeerd.

OEDIPUS:

Nooit woon ik meer tezâam in 't huis met haar, die mij het licht deed zien!

DE BODE: Toch niet? Dan weet gij heusch niet, kind, wat of gij doet.

OEDIPUS: Dan leer 't mij, oude, spreek! Wat weet ik níet?

DE BODE: Als gij om harentwil uw huis dáar mijdt.

OEDIPUS: Begrijp mij toch: uìt angst, man, uit doodelijke angst.

DE BODE: Voor dàt, wat gij aan haar zoudt kunnen doen?

OEDIPUS: Ja, vader, ja!

DE BODE:

En dat al deze angst om niets is, vorst, om niets, want Polybos had zelfs geen droppel bloed met u gemeen.

OEDIPUS: Wát? wát zegt gij daar? Was Polybos mijn vader niet?

DE BODE: Zoomin als ìk, die vóor U sta.

OEDIPUS: Wat moet dat, man? Wáarom dan noemde hij mij zoon?

DE BODE: Weet dan: als een geschenk kreeg hij u eens van mij, uit deze hand hier!

OEDIPUS: Uit de hand eens knechts? en nam mij op, verzorgde mij en had mij lief?

DE BODE:

Dat kwam, doordat hij zelf geen kind'ren had.

OEDIPUS:

'n Vondeling dus? Of hadt gij mij gekocht?

DE BODE:

Een vondeling uit het woudgebergt' Kitháeron.

OEDIPUS: Hoe kwaamt gij daar?

DE BODE: Als herder; Ik weidde kudden op den berg Kitháeron.

OEDIPUS:

'n Herder waart ge dus, die luiert met het vee?

DE BODE:

Uw redder was 'k, uw redder, lieve zoon.

OEDIPUS:

Gij vondt mij dáar als zuig'ling en in nood?

DE BODE:

Ja, waarlijk, dát getuigen uw voetgewrichten nog.

OEDIPUS:

Wee mij! wat rakelt gij daar op?

DE BODE: Uw arme voetjes doorboord, met bloed'ge riemen vast- gesnoerd, zoó vond ik u. Ik sneed ze⁀u los.

OEDIPUS:

O, smaad'lijk teeken, ontvangen⁀in de winds'len!

DE BODE:

Vandaár hebt gij den naam ook, dien ge draagt.

OEDIPUS:

Nu spreek: was 't mijn vaders of mijn moeders hand, die dàt mij aandeed, man?

DE BODE: Dat weet ik niet. Die mij u gaf, moet het 't beste weten.

OEDIPUS:

Die mij u gaf? Gij vondt mij dus niet zelf?

DE BODE:

Neen, heer. Een ánder deed 't. Diè gaf u mij.

OEDIPUS:

Wie was 't? Weet gij 't? Spreek!

DE BODE: Hij zei, hij was 'n knecht van Laïos.

OEDIPUS: Van Laïos, die hier koning was vóór mij?

DE BODE: Denzelfden, ja.

OEDIPUS: En leeft die knecht? Kan men hem laten spreken?

DE BODE (_zich tot de grijsaards wendende_):

Dat moet gij, kinderen van dit land, wel 't beste weten.

OEDIPUS (_tot de grijsaards_):

Kan iemand onder u mij van dien herder, dien hij meent, iets zeggen? Spreekt!

EERSTE GRIJSAARD: Ik denk, 't is geen ander dan de man van 't land, dien gij al eerder hier ontboden hebt. Ik meen er is om hem gezonden, vorst. Maar zij —uw vrouw—kan u dat zeker zeggen.

OEDIPUS (_tot Iokaste_):

Iokaste, 'k bid u, spreek, is hij, om wien gij zondt, dezelfde, als die man hier meent?

IOKASTE (_door angst gepijnigd_):

Wat weet ik, wien hij meent! 'k hoor niet naar hem. Sla toch geen acht op wat hij zegt!

OEDIPUS:

Wát? Ik zou dit hooren, en mijn geboort' in 't duister laten? Neen, nu of nooit doorgrond ik, wie ik ben.

IOKASTE:

Neen, neen! bij onze liefde, vraag niet verder! mijn lijden is genoeg!

OEDIPUS: Zijt gij zoo bang voor wat gij hooren zult? O, wees getroost; uw bloed onteer ik niet, al blijkt mijn vader, ja, mijns vaders vaders vader, ook 'n knecht.

IOKASTE:

En nochtans smeek ik: volg, o, volg mijn raad!

OEDIPUS:

Stil! Ik volg dien niet.—Nú wil ik weten!...

IOKASTE:

O, hoor toch!—Om uw bestwil. Hoor naar mij!

OEDIPUS:

Dat bestwil is mij lang reeds tot 'n hel. Ik wil den herder zien. Den herder wil ik! Brengt dan geen mensch mij dezen herder hier?

IOKASTE: Wee u, rampzalig man! Verneem uw afkomst nooit!

(_Zij staat als verstard van schrik_).

OEDIPUS:

Ik wíl haar weten! Troost u, úw bloed blijft rein, hoé oók het mijne zij! Den herder wil ik!

IOKASTE (_met de handen voor zich uitgestrekt, in huis ijlend_):

Wee, ongelukk'ge, wee!

DE GRIJSAARDS (_zachtjes onder elkander_):

De vrouw! Zaagt gij de vrouw? Haar oogen! O, haar oogen, waarmee zij zag naar haar man!— Hebt gij haar oogen niet gezien? Oedipus!—

OEDIPUS:

Kome er van, wát komen wil! Mijn oorsprong móet ik kennen. Weten wil ik, wáár 'k ben vandaan gekomen, en waar' 't ook uit het stof.— Die vrouw is trotsch; 'k geloof, zij schaamt zich over mij. Maar ik, ik ben de zoon van vrouw Fortuin, en mijne magen zijn de maanden, de wisselende; die zijn mét mij gegaan, en hebben mij groot en klein gemaakt. Wie op zóo'n stamboom roemt, doorgrondt zijn afkomst.

DE GRIJSAARDS (_onder elkander, zachtjes_):

Misschien zijt gij wel 't kind van 'n god, die door de wouden dwaalde, en baarde u éen van zijn gespelen dáár. Was niet uw vader Pan? Of Zeus?— Of wel Apollo?— Of was 't Bakchos misschien? Was 't niet Bakchos?— En heeft niet eene van de nimfjes op den Hélikon, aan Bakchos u gebaard?

OEDIPUS (_voor zich uitstarend, zonder op hun woorden te achten_):

Dát moet de oude zijn! Den herder meen ik, dien wij verwachten. 'k Herken in die hem brengen, de dienaars van mijn huis. Ziet gij dien man? Is hij 't?

DE GRIJSAARDS:

Hij is 't! Hij is 't! 't Is deze man!

(_De oude herder komt aarzelend door de orchestra naar voren. Oedipus vliegt de trappen van de terrassen naar beneden hem tegemoet, vat hem bij de polsen en ijlt met hem de trappen van de terrassen weer naar boven, tot waar de bode uit Korinthe is blijven staan. Dan vat hij in een zich niet kunnen bedwingen van ongeduld, den bode met de rechterhand vast, en houdt den herder met de linkerhand om den pols gevat; dan beider lijven naar elkander toebuigend_):

OEDIPUS:

U vraag ik 't eerst, U, vreemd'ling uit Korinthe: Is dát de man, van wien gij spraakt?

DE BODE:

Dezelfde, vorst.

OEDIPUS (_tot den herder_):

Hoor oude, zie mij aan, en antwoord mij! Gij waart 'n knecht van Laïos?—

DE HERDER:

Z'n knecht, heer. Ja, z'n knecht—van mijn geboort' af aan—z'n knecht.

OEDIPUS:

(_In stijgend ongeduld, zijn gezicht met plotselinge rukken van den éen naar den ander toekeerend, als 't ware nauwelijks bij machte, om de antwoorden, die hij van tevoren weet, dat komen zullen, af te wachten. Het is, als wilde hij in 'n razend wilde begeerte het noodlot, dat hij weet, dat hem beschoren is, als een zwaard zich in de ziel stooten_).—

Wát was de dienst, dien ge in zijn huis verrichtte?

DE HERDER:

Den meesten tijd weidde ik de kudden, heer.

OEDIPUS:

In wèlke streek?

DE HERDER:

Meest op den berg Kithaeron, of daaromtrent, heer, in de buurtschap daar.

OEDIPUS: Dan kent gij dézen man?

(_Hij grijpt èn den bode èn den ouden herder bij den nek en buigt hunne hoofden naar elkander toe_).

DE HERDER:

Hóe zou ik, heer? Wát is dat dan voor een?

OEDIPUS: Wát? Hebt gij nooit met hem te doen gehad?

DE HERDER: Neen, niet, dat ik mij dat zoo snel herinn'ren kon, m'n goede heer.

DE BODE:

Dat is geen wonder, vorst, maar ik frisch hem 't geheugen daad'lijk op. Dit móet hij zich— dat wed' ik—nog herinn'ren, dat wij lang geleên, elkander troffen, waar op den berg Kithaeron de groote dalen zijn, de weide-plekken, en dat wij dáar voor drie half jaren, telkens weer van 't voorjaar tot den herfst, met onze kudden, —hij had er twee, en ik slechts één—dat wij dáar buurlui waren, en als goede vrienden te zamen huisden, tot de winter kwam, en ik míjn vee terugdreef naar de stallen, hij weer met zijn vee ging naar Laïos' huis. Is 't zoo, of is 't zoo niet?

DE HERDER: Ja, ja, maar het is lang— heel lang geleden.

DE BODE: En zeg, weet ge dan óok nog wel, dat gij 'n kind mij destijds gaaft?

DE HERDER: 'n Kind?!— Wat vraagt ge me daar nu? 'n Kind?

DE BODE: Ja, man, 'n kind, en dat kind stáat nu hier.

DE HERDER: Vervloekt zij u de tong! Haal u de pest!

OEDIPUS:

Stil, oude! vloek hem niet. Niet wat hij zegt, maar wat gij doet, verdient dat.

DE HERDER:

Wat deed ik dan, mijn goede Heer, wát deed ik?

OEDIPUS:

Verlooch'nen wilt gij 't kind, waarnaar hij vraagt.

DE HERDER:

Hij vraagt en zwetst! 't Is zonde van den tijd.

OEDIPUS:

Zegt gij 't gewillig niet, dan dwing ik U.

(_Hij vat hem ruw bij den baard en schudt hem heen en weer_).

DE HERDER:

Mijn goede heer, mishandelt gij uw ouden knecht?

OEDIPUS (_tot den krijgsman_):

Komt hier! Snoert hem de handen op den rug!

DE HERDER:

Waartoe heer?—Ach, waartoe?—Wat wilt gij weten?

OEDIPUS:

Gaaft gij dat kind dien man?

DE HERDER: Ik deed 't, heer. O, dat ik op dien dag gestorven ware!

OEDIPUS:

Sterven zult gij nog heden, zegt gij de waarheid niet.

DE HERDER:

En zeg ik haar, dan sterf ik tóch!

OEDIPUS: Uitvluchten zoekt de schurk, en houdt ons op.

DE HERDER: Ik? Heb 'k 't niet al lang gezegd? Ik gaf 't kind! Ik heb 't hem gegeven.

OEDIPUS:

Wáár kwam dat kind vandaan? Was 't uw eigen kind? Of was 't een vreemd?

DE HERDER: Mijn eigen was het niet. Ik kreeg 't van elders.

OEDIPUS: Wáár vandaan? Van wien, en uit welk huis?

DE HERDER: Niet vragen, heer, O, vraag niet verder!

OEDIPUS: Een dood man zijt ge, als ik 't nog éenmaal vragen moet!

DE HERDER: Zoo zij 't! 't kwam uit het huis van Laïos, heer.

OEDIPUS: 'n Kind van knechten?—Ja?—Of van den koning zèlf?

DE HERDER:

O, schrikk'lijk, om te zeggen, is juist dàt!

OEDIPUS:

Nóg schrikkelijker te hooren, maar het moét.

DE HERDER:

Ze zeiden: 't was 'n kind van hem; uw vrouw,heer, zegt u dat het best.

OEDIPUS: Zij?

DE HERDER: Zij was er bij, toen hij, de koning, 't mij gaf.

OEDIPUS: 't u gaf? En met welk doel?

DE HERDER:

Dat ik 't dooden zou.

OEDIPUS: 't Dooden? 't eigen kind?

DE HERDER:

Zij vreesden voor wat Phoibos had voorspeld.

OEDIPUS:

Wát was 't?

DE HERDER: Dat 't z'n eigen vader dooden zou.

OEDIPUS:

En gij gaaft 't toen weg?—aan hèm?

DE HERDER: Uit meêlij, heer, uit meêlij! Dat hij 't naar elders brengen zou. Maar áls gij nu—als gíj dat kind zijt, dán —dan bij de goôn—heb ik u toen gespaard, om u aan 'n veel gruwelijker noodlot prijs te geven, heer!

OEDIPUS: Zóo komt dan alles uit! Zóo gaat dan álles in vervulling, wat god Phoibos heeft voorspeld! O, Licht! 't is voor het laatst, dat ik u zie! Vervloekt als kind, nog eér het was geboren! vervloekte moordenaar! óveral vervloekt!

(_Hij vliegt door de deuren in 't paleis_).

DE GRIJSAARDS (_komen naar voren, blijven langen tijd zonder iets te zeggen, staan. Uit het paleis klinken stemmen_).

EERSTE GRIJSAARD:

Weet gij nog, hoé hij kwam?— Als aan een god, brachten wij hem onzen groet. Weet gij 't nog?— Herakles! Perseus! Orpheus! noemden wij hem bij zijn verschijnen.— Weet gij 't nog?— Hoe straalde de dag, toen wij hem brachten onze koningin en de kroon.— Hoe glansde de nacht, toen hij zich vlijde ter ruste met haar in 't pàleis.— Weet gij, met wie hij zich vlijde ter ruste? Weet gij 't?— Wee!—

(_Uit het paleis klinkt weegeklag, als gaf 't antwoord op het weegeroep der grijsaards_).

DE GRIJSAARDS.

EERSTE GRIJSAARD:

Hoe kon 't rustbed hen dragen? Lag niet de doode daarop? Laios!

ALLE GRIJSAARDS (_gezamenlijk, dof herhalend_):

Laios! Hoe lang dachten wij niet meer aan hem! Nu is hij er weer! Wee! Wee!

(_Uit het paleis klinkt het weegeroep sterker thans, het weegeklag van de grijsaards overstemmend. Plotseling worden de bronzen deuren wijd opengeslagen en de meisjes en vrouwen uit Iokaste's gevolg stormen in wilden ren—de een na de ander 't paleis uit naar buiten. Zij verspreiden zich op de trappen_).

DE VROUWEN (_verdeeld_):

Dood!—Dood!—De koningin is dood!

EERSTE:

Zich zèlf!

TWEEDE:

Met hare eigen handen!

DERDE (_zich aan de tweede vastklemmende_):

O, zeg niet, hóe zij 't gedaan heeft!

EERSTE: Ik was in 't vertrek, daár, waar het rustleger staat—ik spreidde er de dekken—daar vliegt de deur eensklaps open, en zij komt binnen—mij ziet zij niet—zij ziet slechts den doode—haar eersten man—den koning Laios; zij spreekt met den doode,—maar tevens schijnt nog een ànder daar bij haar te zijn—de zoon, met wien zij óok lag op dat leger, kind'ren hem barend—daár—waar zij eerst hèm zelven gebaard had—hèm—plots'ling grijpt zij—grijpt, en vattend haar gordel, rukt zij dien af— en los hem sling'rend—zóo—uit de hand—vrij—draait ze⁀er 'n strik van—O, haar gezicht—hoe 't straalde, toen zij 't 'n strik zag worden—

ENKELE VROUWEN (_verdeeld_): Spreek 't niet uit! Zeg niet, wát tóen gebeurde!

EERSTE (_zich het gezicht verhullende_): Ik zeg 't niet.

TWEEDE:

Híj vond haar daar later zóo—híj!

VIERDE:

Oedipus!— Hij kwam in huis—nooit van m'n leven wil 'k nóg eens 'n mensch zóo zien loopen met zóo'n gezicht, als zijn gezicht was!

TWEEDE:

Nooit—bij de goden—wil 'k zoo'n stem wéer hooren, als de stem was, waarmee hij riep door 't huis: Wáár is mijn vrouw, neen, niet mijn vrouw, mijn moeder! Wáár is mijn moeder?

VIERDE:

Wij gaven geen antwoord, maar hij—

TWEEDE:

Hij vindt den weg als van zelf—zoo schijnt 't,—en met 'n gìl, als waren honderd wilde dieren losgebroken, komt hij, en stoot de deur, wijd open,—dáár— moesten dan onze arme, arme oogen de vrouw zien hangen.

VIERDE:

Uit den strik maakt hij haar lichaam los en legt haar zachtjes op den grond.

TWEEDE: