Koning Oedipus, van Sophocles: tragedie
Part 2
Ben ik dat waarlijk? Nu, dan geef ik u den raad, daarbij te blijven, wat gij zoo juist, o, koning, als uw eigen spreektrompet bevolen hebt, en noch met dezen, noch met mij, een woord te spreken, van dees' stonde af aan.
OEDIPUS:
Ik?
TEIRESIAS:
Daar gij het monster zijt, 't met bloedbevlekte, het moordend roofdier, en de vuile pestbuil dezer stad.
OEDIPUS: Schaamt'loos, hoe hij met zulke woorden om zich spuwt! met _zulke_ woorden! En gij denkt,— mensch,— gij denkt, dat ge⁀aan mijn wraak ontkomt,—
TEIRESIAS:
'k Ben daar reeds aan ontkomen! Om mij slaat waarheid, —mijn bezit— haar schuttend kleed.
OEDIPUS (_hoonend_):
En aan wàt dankt gij haar bezit? Aan uwe kúnst toch zeker niet?—
TEIRESIAS:
Aan U! Aan U!— O, gij, gij rukt het mij van mijne ziel!
OEDIPUS:
Nog éenmaal zeg 't,—herhaal 't,— maar duid'lijker!
TEIRESIAS:
Gij hebt mij niet verstaan? Of stelt ge me⁀op de proef?
OEDIPUS:
Ik vat 't nog niet recht. Zeg 't nóg eens!
TEIRESIAS:
Des konings moord'naar, dien gij zoekt, zijt gij!
OEDIPUS:
Niet ongestraft zegt gij 't ten derdemaal!
TEIRESIAS:
Wilt gij nog ànd're dingen van mij hooren?
OEDIPUS:
Zeg, wat gij wilt.— Laster, zooveel 't u lust.— 't Is voor mij lucht.—
TEIRESIAS:
Ik zeg: gij leeft in schand'lijke gemeenschap met uwe naastbestaanden, en gij peilt d'afgrond niet van 't kwaad, waarin gij huist.
OEDIPUS:
En onbekommerd, vrijelijk, —meent ge,— al maar zoo voort te kunnen last'ren?
TEIRESIAS:
Dat zal 'k, zoolang de waarheid macht en kracht bezit, zich te doen hooren.
OEDIPUS:
Dat heeft ze;—slechts niet over u, want gij zijt doof en blind, en blind en doof van binnen ook!
TEIRESIAS:
Oedipus! Zooals gij mij daar smaalt, zal binnenkort een ieder hier u smalen!
OEDIPUS:
Gij, schepsel, dat in eeuw'ge nacht moet huizen, wát zoekt gij voor gemeenschap hier met ons? hoe zoudt gij schaden kunnen, wie in 't daglicht wonen?
TEIRESIAS:
Niet ik, niet ik! Apollo is 't, die u in d' afgrond stort. 'k Zie hem aan 't werk.
OEDIPUS:
Nu spreek: Komt al dat fraais uit uw brein. Ja? Of zijn 't verzins'len van mijn broeder Kreon?
TEIRESIAS:
Geen Kreon graaft u 't graf, gij doet dat zelf.
OEDIPUS:
Macht, rijkdom, heerschersgaven, schoone krachten, trotseeren and're in des levens kampen, hóe sluipt de nijd om u, o, hoe verschrikk'lijk, als om den wil van dezen troon, dien mij de stad, als vrij en onbegeerd geschenk tot loon gaf, mijn broeder Kreon, mijn gezworen vriend, mij heimelijk vervolgt en op mijn hoofd ellende neerhaalt, dezen goochelaar op mij hitst, dien ouden beurzensnijder dáár, die oogen heeft slechts voor zijn voordeel, voor iets anders niet, want laat eens hooren, wáár hebt gij dan ooit uw zienerskracht getoond?—Ik meen toch, er was hier eens een stadsnood: op een rots, nabij de stad, zat eenmaal toch de sfinx, en zong, en zong, de dagen en de nachten, bij 't leed des volks haar lied, wáár waart gij toen? Míj dunkt, het was tóen Oedipus, die kwam, nietwaar?—de niet-begrijpende, geen ziener, die aan dat leed der stad 'n einde maakte. En dezen man zoekt gij thans weg te jagen, dat Kreon op dees troon mag stijgen, meent ge, en gij zijn rechterhand zijn: O, maar slecht zal u dit staaltje van uw kunst bekomen, u en uw helper. Waart gij niet zoo oud, ik zou 't u aan den lijve laten boeten, wat gij hebt uitgebroed!
TEIRESIAS:
En zijt gij ook de heerscher, die zoo spreekt, tòch spreek ik op geen ánd'ren toon tot u. Want weet, God Phoibos is mijn meester, hij alleén, en niet uw onderdaan ben ik, en ik behoef geen Kreon tot mijn schut. Gij hoont mij, blinden man, maar zelf veel blinder, ziet gij niet de hel, waarin gij huist, ziet niet, wie _zij_ zijn, die daar met u huizen! Zeg toch, vanwaár gij komt?— vreemd en vijandig aan d'uwen hier en ginder.— Gij woont in 't licht? O, nog maar kort!— met rassche schreden— onafwendbaar, zeker,— nadert een vloek van vader en van moeder, en jaagt u weg van hier. Dán slikt de nacht u op; dán huilen de bergen, dan huilen de krochten hun jammerklacht achter u aan.
OEDIPUS:
Dát moet ik dragen,—dulden dít? Weg met hem! weg! weg uit mijn oogen!— —weg hier van vóór mijn deur! En dat de hel u opzwelg'!—
TEIRESIAS: Riept gij mij niet? nooit was ik ongeroepen voor uw huis gekomen.
OEDIPUS:
Wist ik,—dat gij 'n dwaas waart?
TEIRESIAS:
'n Dwaas voor u; voor uwe ouders was 'k een wijze man.
(_Hij wil heengaan_).
OEDIPUS:
Sta! Wélke ouders? Wie? wié ter wereld heeft mij dan gebaard?
TEIRESIAS:
Dées dag is 't, die u baart; Hij baart u en hij richt u ook te gronde...
OEDIPUS: Duisternis, duisternis is al zijn spreken! Raadsel na raadsel!
TEIRESIAS:
Zijt gij niet Oedipus, die alle raads'len duidt?
OEDIPUS:
Ja, hoon maar, wat mij groot en heerlijk maakte.
TEIRESIAS:
En óók ellendig!
OEDIPUS:
Laat dat zoo zijn! Toch dankt de stad aan mij haar redding!
TEIRESIAS:
Voort nu! vlug voort! Knaap, voer mij heen!—Snel heen!
OEDIPUS:
Ja, ga! Maak dat ge wegkomt, want uw hierzijn verpest de lucht. Eerst, als gij weg zijt, aad'men wij weer vrij!
(_Hij keert zich af om heen te gaan_).
TEIRESIAS:
Ik ga, maar eerst nog werp ik u in 't gezicht het woord, waarvoor ik kwam. Ik zeg u dit: dien gij met heerscherswoorden en vloeken zoekt, den man, die Laïos doodde, is hier, is in ons midden. Blijken zal 't, dat hij hier thuisbehoort, geboortig is uit Thebe, en niet 'n ingeburgerd vreemd'ling slechts. Van ziende, blind geworden, en van rijk, arm, zal hij, tastend met 'n staf, moeizaam zich verder slepen. Blijken zal voorts, dat hij van zijne kind'ren èn broeder is èn vader, en dat dezelfde vrouw, wier schoot hem heeft gebaard, hem gade is, met wie hij deelt het echt'lijk bed zijns vaders, wiens moordenaar hij werd. Nu koning, ga, en denk hierover na, en blijkt 't u ten lest nog, dat ik lieg, zoo hoon mij dan!
(_Teiresias, geleid door den knaap, gaat heen._
_Oedipus in het paleis weggaande, laat de bronzen deuren achter zich dicht vallen. De grijsaards komen naar voren_).
EERSTE GRIJSAARD (_om zich rondziende_):
Wie?
TWEEDE GRIJSAARD:
Wie heeft het gedaan met bloedige handen?
DERDE GRIJSAARD:
Het niet-te-noemen,
VIERDE GRIJSAARD: Onzegbare kwaad!
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Hij vluchte! Hij vluchte! Hij vluchte!—
(_Zij zijn de trappen van de terrassen langzaam opgestegen en staan nu verspreid op de trappen en op de terrassen, die naar den paleisingang voeren_).
EERSTE GRIJSAARD (_de handen geheven_):
In 't wilde woud doolt hij om, langs bochten en krochten klimt traag zijn voet, hij wil de stemmen niet hooren! Zij vliegen hem na, zij omfladd'ren zijn hoofd,— Hij ontkomt ze niet.
TWEEDE GRIJSAARD (_eveneens met de handen omhoog_):
Is hij niet wijs, en is hij niet goed,— is hij niet ònze koning?— en nu stortte hem 'n woord,— en adem vernietigde hem! Oedipus! Oedipus!
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Duisternis!—Duisternis!— Wie vermag ze te breken? Goden alleen!— Zeus en Apollo!
(_sterker_):
Zeus en Apollo!
(_Kreon van rechts door de orchestra in 'n donkeren mantel. Hij gaat met haastige stappen de trappen op naar het paleis_).
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Kreon!
KREON (_zich omwendend_):
Wie roept!—Wie klaagt mij aan?
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Oedipus!—
KREON:
Sterven wil ik, als ik ontrouw ben; Wie trekt mijn trouw in twijfel aan de stad? Aan U?—aan vrienden?—aan den koning? Wie?
EERSTE GRIJSAARD:
Wij weten 't niet. Wij zien niet, wat de heerschers doen.
KREON:
Zegt! Sprak hij zelf 't woord? Sprak hij 't zelf? Met onbeneveld oog? zich zelf bewust? Bij zinnen?— Spreekt! Geeft antwoord!
TWEEDE GRIJSAARD:
Wij weten 't niet. Wij zien niet, wat de heerschers doen.
(_De bronzen deuren gaan open. Oedipus staat in den paleisingang. De grijsaards wenden zich af; Oedipus en Kreon staren elkaar vlak in 't gelaat_).
OEDIPUS:
Gij hier? Gij hebt den moed? Hoe waagt gij dat? Gij, die de hand dorst heffen naar dit hoofd? Die voor elks oog de vingers strekte naar mijn Kroon? Spreek 't uit: Zóo dom en laf leek 'k U, dat 't U mogelijk scheen, om dit te doen? Dacht gij dan waarlijk, 'k zou 't net, dat gij mij spont, niet zien? Of zag 'k 't ook, 't tòch niet verscheuren kunnen? Wie zijt gij dan? 'n Troon veroov'ren vraagt geluk of kracht,— en gij zijt—Kreon!
KREON:
Hoor mij eerst aan, en oordeel dán.
OEDIPUS:
U hooren hoef 'k niet meer. Wat gij gedaan hebt, sprak genoeg. U straffen wil ik.
KREON:
Wat heb ik U gedaan, mijn broeder Oedipus? Welk leed deed ik U aan?
OEDIPUS:
Hij die mij ried, om boden uit te zenden naar Teiresias, waart gij.— Of waart gij 't niet?
KREON:
Ik was 't, en nóg houd ik dien raad voor goed.
OEDIPUS:
Voor goed?
(_Pauze_)
hoe lang is 't geleên, dat Laïos—
KREON:
Wat Laïos—? Verder! ik begrijp u niet.
OEDIPUS:
—Verdween—zoo spoorloos— —vermoord dan—naar men zegt?
KREON:
Lang is 't geleên.
OEDIPUS: Lang!—zoo! En bloeide toén reeds des profeten-kunst?
KREON:
Ook toén reeds gold hij voor 'n zéér wijs man. Juist zooals nu.
OEDIPUS:
En dacht hij toén als nu?
KREON:
Dat weet ik niet.
OEDIPUS:
Maar naar den moord'naar werd toén toch gevorscht?
KREON:
Wij deden 't, ja, maar wij vernamen niets.
OEDIPUS:
Wáarom hield toén die wijze man zijn mond?
KREON:
Dat weet ik niet.
OEDIPUS:
Maar zóoveel weet ge wel, zoovéél kunt gij ook zeggen, dáar gij 't weet: dat nooit die oude, —was hij met u niet saâmgekomen,— mij van den moord op Laïos had beticht.—
KREON:
Daarvan weet 'k niets. Is 't nu mijn beurt van vragen?
OEDIPUS:
Vraag maar. Ik ben geen moordenaar.
KREON:
Zeg dit: is niet mijn zuster uwe vrouw?—
OEDIPUS:
Zou ik 't ontkennen?
KREON:
Deelt gij vrijwillig niet 't bewind met haar?
OEDIPUS:
Zooveel zij dit verlangt.
KREON:
En komt als derde, —u beiden 't naast— niet ik?
OEDIPUS:
Daar juist zegt gij 't, Kreon! Dát juist is 't. Wee, 't trouwelooze hart!
KREON:
Gij zult 't leeren kennen— denk eens na! Zou ik naijverig zijn op heerschappij, die volop zorgen geeft, terwijl ik thans met haast dezelfde macht, —als licht gedragen mantel om mij heengeslagen, zorg'loos kan slapen? Wát zou ik méér begeeren, ik, die als vorst behandeld word, en zoó mij voel van alle lasten vrij, de borst omspeeld van lichte lucht, —wanneer ik zie: van allen de handen naar mij heengestrekt, en allen reiken naar den zoom van mijnen mantel, en aller oogen zijn op mij gericht, als zij de uwen willen vinden, vorst. Zou ik dít laten varen, —al dat zoete en rijke,— dat ik 't mijne noem, en—weggelokt door vage droomverlangens,— naar 't and're grijpen?— O, mijn broeder, kent gij mijn hart zoo slecht, dat gij uit blooten argwaan mij zóó dwaas gelooft? Gun toch den tijd mijn hart te toetsen, Oedipus! Blijkt het dan werk'lijk, dat ik met dezen òf met genen, òf met den ziener ginds, geheime plannen smeedde tegen u, zóo straf mij dán! Straf mij zoo zwaar, als gij 't nog nimmer deed! Maar stoot niet vóór den tijd den vriend van u om niets! Is 't niet, als wierpt gij zoo, —in dwazen toorn— uw eigen leven weg? Zijn jaren niets? Doorleéfde jaren, Oedipus!
DE GRIJSAARDS, (_mompelend onder elkander_):
Dat is 'n goed woord! 'n goed, verstandig woord! Wie zich in acht neemt voor te haastig hand'len, hoort naar zoo'n woord. Bedenk, o, koning! de haastige handelt zelden overdacht.
OEDIPUS:
Van achter, in den rug, leit mij 't verraad zijn lagen, en ik zou aarz'len, toezien, rustig wachten, tot híj aan 't doel is, en míjn lot beslist?
KREON:
Wat dan verlangt ge? Stoot ge mij uit 't land?
OEDIPUS:
O, neen.
KREON:
Neen?
OEDIPUS:
Neen. Uitgestooten wordt gij niet. Gij sterft.
KREON:
Waanzinnige!
OEDIPUS:
Eind'lijk bij mijn verstand, voor 't eerst misschien.
KREON:
Bij uw verstand?
OEDIPUS:
Bij mijn verstand! voor mij! voor mij!
KREON:
Maar ook voor mij zult gij bij uw verstand zijn, ook voor mij!
OEDIPUS:
Kreon, gij zijt een schurk.
KREON:
En als dit alles waanzin blijkt?
OEDIPUS:
Ook dán nog zult gij buigen voor mijn wil.
KREON:
Niet als die wil op onrecht uitloopt, zooals hier!
OEDIPUS:
O, koningschap van Thebe!
KREON:
Ook ik ben bloed van Thebe, 'k ben óók 'n deel van deze stad.
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
O, vorsten! vorsten! stil! de koningin, Iokaste komt!
(_Iokaste treedt uit het paleis; zij komt haastig naar voren_).
IOKASTE:
Gij, dwaze kinderen! wat beduidt dit twisten hier vóór 't paleis? Schaamt gij u niet, waar heel de stad rond u van lijden kreunt? Keer naar uw huis terug, snel Kreon, ga!
KREON:
Zuster, 'n gruw'lijk onrecht pleegt uw man, de koning, Oedipus, en noemt het: recht, hij bant mij uit mijn vaderland, of levert mij den beul.
OEDIPUS:
Dat doe ik, ja, want, vrouw, ik heb ontdekt, dat hij mij heim'lijk naar 't leven staat.
KREON:
Zoo moog' een vloek mij vellen in dees stonde, als ik gedaan heb, wat hij zegt.
IOKASTE:
Geloof hem! bij de goden, geloof zijn woord! Hij zweert 't toch. Bedwing uw toorn, mijn vorst, voor mij en voor die and'ren.
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Hoor naar haar woord, mijn vorst! Bedwing uw toorn!
OEDIPUS:
Wat wenscht gij, dat ik doe?
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Stoot niet den vriend van u, herinner u, doorleefde jaren! Zij zijn alles, wat ons blijft.
OEDIPUS:
Weet ge, wát gij verlangt?
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Wij weten 't!
OEDIPUS:
Zegt 't dan!
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Hij heeft zich door zijn eed gereinigd, vorst, stoot hem uit ongegronden argwaan toch niet weg!
OEDIPUS:
Verlangt gij dit? Dan hebt gij mijnen ondergang gewild.
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Neen! neen! neen! breek niet mijn hart, gij zult mijn oud hart zoo niet breken, vorst! Ik moge sterven, als ik zoo iets wilde!
OEDIPUS:
Ga hij dan heen, en zou ik ook tien dooden daarvoor sterven!— Uw smeeken roert mij 't hart. Hij ga, maar waar hij gaat, volgt hem mijn haat.
KREON:
Oedipus!
OEDIPUS:
Ga! niets wil ik meer hooren! Weg van híer!
KREON:
Ik ga, ik ga! Gij kent mij niet, maar deze kennen mij.
(_Hij gaat heen_).
DE GRIJSAARDS (_mompelend onder elkander_):
Wáarom— voert zij hem niet— in 't huis— in 't paleis,— aan den vredigen haard?—
IOKASTE:
Zeg mij, wát 't was! Uw toorn beangstigt mij! Zeg mij, wat 't was!
OEDIPUS:
Bedrog en list—listig geweven bedrog!
IOKASTE:
Spreek 't uit dan,—zeg 't mij, Oedipus!
OEDIPUS:
Hij zegt,—hij zegt, 't zal blijken, dat ik zelf de moordenaar van koning Laïos ben.
IOKASTE:
Hij zegt?— Wat wil dat zeggen, dat hij zégt? meent hij 't?—beweert hij 't?— —heeft hij 't hooren zeggen?
OEDIPUS:
O, niet zélf spreekt hij 't woord, hij laat het zeggen; den schurk Teiresias heeft hij uitgestuurd.
IOKASTE:
Den wich'laar? O, dán acht het als den wind! hoor naar mij, Oedipus: geen sterf'lijk wezen is er, dat zienersgaven heeft; ik weet dat, en geef u 't bewijs ervan. Aan Laïos werd voorspeld, —met zekerheid voorspeld— dat hem de dood zou treffen door de hand van 't eigen kind. Welnu? Hebben niet vreemde roovers, ergens in een woud, vlak bij een driesprong, hem bij nacht verslagen? En daarvoor had dat arme kind 't licht van den derden levensdag nauw'lijks gezien, of Laïos greep 't, bond 't met riemen de kleine voeten saâm, en liet het wicht dan door de hand eens knechts in 't wilde woud neerwerpen op een plek, nog door geen menschenvoet daarvóór betreên. Dus heeft Apollo noch 't een, noch 't ander woord vervuld. Dat kleine wezen werd niet groot, en 't werd geen vadermoordenaar, en evenmin vond door de hand zijns zoons Laïos den dood. Ziedaar nu staaltjes van eens wich'laars kunst!— Geloof me, wil een God het lot eens sterf'lings duiden, hij zélf rukt dan de donk're sluiers weg.
OEDIPUS:
Vrouw! Vrouw! wat gij daar spreekt, woelt in mijn binnenst al 't onderste naar boven, en schrik'lijk stormt 't denken door mijn brein.
IOKASTE:
Wat is 't, dat u beangstigt? Wat?
OEDIPUS:
Gij hebt gezegd, is 't niet?— dat op 'n plaats in 't woud, waar zich drie wegen kruisen, uw man, Laïos, verslagen werd?
IOKASTE:
Dat was het zeggen, ja!
OEDIPUS:
Wáár ligt het land, waar dat gebeurde, vrouw? Wáár ligt 't? Spreek
IOKASTE:
Dat land heet Phokis. Van den weg naar Daulia, dat aan de zeekust ligt, kromt zich 'n zijpad, dat naar Delphoï voert.
OEDIPUS:
En hoeveel tijd mag sinds die daad verloopen zijn?
IOKASTE: Het was maar weinig vroeger, dat wij 't hoorden, dan gij hier kwaamt, en koning werd.
OEDIPUS (_met de handen naar den hemel_):
O, Zeus! Wàt gruwelijks hebt gij over mij besloten!
IOKASTE:
Mijn Oedipus, mijn man, wat is 't, dat u ontzet? Spreek toch!
OEDIPUS:
Vraag niet.—Nóg niet.— Van Laïos, vertel mij meer. Snel, zeg mij,— hóe was zijn bouw, zijn uiterlijk, zijn leeftijd?—
IOKASTE:
Groot was hij. Aan de slapen begon zijn haar te grijzen. Veel in U, herinnert mij aan hem.
OEDIPUS:
O, wee! wee! wee! Mij, armen, armen Oedipus! In zélf-gegraven afgrond stort mijn eigen vloek mij zélf terneer!
IOKASTE:
'k Heb angst, mijn vorst, 'k heb angst!
OEDIPUS:
De mijne, vrouw, de mijne! O!—Schrik'lijk is mijn angst; dat al te goed Teiresias heeft gezien!
(_Hij vermant zich met geweld_),
dat blijkt, als gij nog één ding aan mij zegt.
IOKASTE:
Ik beef, mijn vorst, ik beef! Maar 'k zeg U alles, álles, wat ik weet.
OEDIPUS:
Trok Laïos uit, zooals 'n koning gaat, met groot gevolg? of reisde hij alleen?
IOKASTE:
Zij waren met z'n vijven; daaronder 'n heraut. Een wagen slechts; op dien voer Laïos.
OEDIPUS:
Genoeg!—genoeg! Wiè was het, vrouw, die later u de tijding bracht?
IOKASTE:
Een dienaar was 't, de éen'ge, die ontkwam.
OEDIPUS:
Waar is hij? Hier in huis?
IOKASTE:
Niet meer. Toen hij, teruggekomen, 't gezag der stad zag in uw hand gelegd, en Laïos niet keerde, wierp hij zich vóór mijne voeten neer, vat'te mijn kleed, en smeekte mij hem weg te zenden, opdat hij de kudden mocht gaan weiden op het land. En 'k stond dit toe, want, was hij ook 'n knecht, zijn vaakgebleken trouw verdiende nog wel groot're gunst dan deze.
OEDIPUS:
Hij moet gehaald. Kan dat? Kán dat in allerhaast?
IOKASTE:
Dat kán. Maar met welk doel, begeert gij hem te zìen?
OEDIPUS:
'k Vrees, vrouw, 'k heb reeds teveel gesproken. Daarom wil ik hem zien.
IOKASTE:
Ik zal hem laten komen, maar verdien ik niet, mijn koning, mijn gemaal, te weten, wát u zoo 't hart bezwaart?
OEDIPUS:
Gij zult het weten. 't Blijft u niet bespaard, nu ik zoo ver gekomen ben in hopen en in vreezen. Wáár toch vind ik een mensch dat meer verdient, mij aan te hooren, nu mij het lot tot hiertoe heeft gebracht. Hoor dan: Ik ben de zoon van Polybos, den koning van Korinthe; Meropé is mijn moeder. Ik groeide op als naaststaand aan den troon, toen er op eenmaal iets gebeurde, dat, hoe vreemd 't ook was, de woede, die het in mij wekte niet waard toch scheen. Aan een gastmaal noemt in dronkenschap een man mij: vondeling, en scheldt mij 's konings aangenomen zoon. Ik sloeg den man, dat men voor dood hem wegdroeg van den disch, en 's andren morgen— neen, nog dienzelfden nacht— ging 'k tot mijn ouders, die ik ondervroeg. Zij vaarden heftig uit op d' onbeschaamden hond, wiens tong in dronkenschap gezegd had, wat niet waar was; zij sloegen d'armen om mijn hals, en kusten mij en spraken, O, onvergeet'lijk zoete woorden, maar tòch, des and'ren scheldwoord week niet uit mijn hart; 't vrat in mijn ziel, en joeg mij van Korinthe weg, naar Delphi, naar 't paleis der Godheid, waar de waarheid, uit den mond der priesteres, als vloeiend vuur te voorschijn breken komt, maar Apollo— let wel, waarvoor ik kwam, dat achtte hij zelfs niet een antwoord waard,— verkondigde mij and're, —schrikkelijk booze dingen: Ik zou tot vrouw mijn moeder nemen, en kind'ren wekken, gruw'lijk om te zien, en 'k zou mijns eigen vaders moord'naar zijn. Toen ik dit had gehoord, zond 'k mijn gevolg terug, en meed van dien dag af mijn land Korinthe, in vreemde streken toevend, op dat nooit de gruw'lijke uitspraak van den God aan mij vervuld mocht worden. En mijn zwerftocht heeft mij—dat weet ik—ook daarheen gevoerd, waar koning Laïos—naar gij zegt—verslagen werd. Ja, vrouw, ik wil de waarheid spreken, eens, op 'n avond, dat 'k mij vond 'n driesprong op een weg nabij gekomen, kwam een heraut mij tegemoet getreden, en voer tegen mij uit met ruwe woorden, en wilde naar mij slaan. Ik dood den man— en daarop—dood ik óok zijn meester op den wagen en al diens knechten, daar die mij binden wilden voor den beul.
(_Aarzelend na eene pauze_).
Als nú die vreemde ook maar een droppel bloed gemeen had met vorst Laïos, wie zou dan zóo ellendig zijn als deze man? Wáár, vrouw, vindt gij dan iemand, bij de goden nóg meer gehaat dan ik?— Boven mijn hoofd geen dak; geen gastvrij huis, dat mij ontvangt; geen kind, dat tot mij spreekt; een ieder stoot mij weg van vóór zijn deur.— En dat bevel heeft niemand uitgevaardigd dan ikzelf. Mijn lijf rust op de legersteê diens dooden mans, het lijf zijns moord'naars! Ben ik geen door en door verdoemde?— geen verworpeling? en moet ik, van dees stonde af aan, niet zwerven gaan voor eeuwig onbehuisd? Wáár vluchte ik heen? niet hier—niet ginder! want zet ik den vervloekten voet in 't oude vaderland, dan moet ik toch mijn moeder vrijen, en mijns vaders moordenaar zijn, van hèm, die mij verwekt heeft en opgevoed, van koning Polybos! Hier dit, ginds dat. Wie speelt dit gruwlijk wreede spel met mij? Wie speelt 't? dat moet een ijslijk felle daemon zijn! wee mij! O, heilig—stil—verborgen wevend iéts, laat mij dien dag des onheils nimmer zien, laat mij uit 't licht verdwijnen, —spoorloos verdwijnen voor altijd,—eer 't noodlot op mijn voorhoofd zijn bloedig brandmerk drukt!
DE GRIJSAARDS:
Nóg is er hoop, mijn vorst! Nóg heeft die man, die éene die gezien heeft, niet gesproken.
OEDIPUS:
't Is waar. Zóolang houdt nog de hoop mij staande. Zóólang verdraag ik 't nog, te wachten.
IOKASTE:
En áls hij komt, die man, wàt dan! Wat denkt gij dán te doen?
OEDIPUS:
Dán? vind ik dan, dat zijn bericht strookt met het uwe, vrouw dàn kan het zijn, dat 'k nog het gruwlijk lot ontga!
IOKASTE: