Koning Oedipus, van Sophocles: tragedie
Part 1
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | +----------------------------------------------------------------+
KONING OEDIPUS,
VAN SOPHOCLES
[decoratieve titelpagina]
TOONEELBIBLIOTHEEK
ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.
UITGEGEVEN DOOR:
DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM
[decoratieve titelpagina]
KONING OEDIPUS, VAN SOPHOCLES
TRAGEDIE
VERTAALD UIT DE DUITSCHE BEWERKING VAN HUGO VON HOFMANNSTHAL
DOOR
WILLEM ROYAARDS
GEAUTORISEERDE VERTALING
[decoratieve illustratie]
PERSONEN.
OEDIPUS, de koning WILLEM ROYAARDS. IOKASTE, de koningin SOFIE DE VRIES. KREON, haar broeder CO BALFOORT. TEIRESIAS JAN MUSCH. DE PRIESTER HERMAN SCHWAB. DE BODE UIT KORINTHE DAAN VAN OLLEFEN. DE HERDER ELIAS VAN PRAAG. DE MAAGDEN JACQUELINE ROYAARDS-SANDBERG e. a.
DE GRIJSAARDS.
Het volk.
VOORWOORD.
Ik vrees, dat deze naar het duitsch van Hugo von Hofmannsthal door mij in het nederlandsch overgebrachte bewerking van de tragedie van Sophocles „Koning Oedipus”, aan de meesten mijner klassiek-onderlegde landgenooten maar matig zal voldoen.
Vorm noch inhoud er van zullen genade vinden in de oogen van hen, die het geluk hebben, den griekschen treurspeldichter in het oorspronkelijke te kunnen lezen. Ik, die dat geluk niet heb, kende tot op vóór enkele weken, deze tragedie van Sophocles slechts uit de beide hollandsche vertalingen, die daarvan door Prof. Van Herwerden en door Prof. Burgersdijk zijn gemaakt en in den handel gebracht.
In hoeverre in deze beide vertalingen zuiverder dan in de bewerking van den duitschen dichter Von Hofmannsthal, vorm en inhoud van het grieksch van Sophocles zijn bewaard gebleven, waag ik niet te beoordeelen, maar aangezocht door het _Arnhemsch Comité voor Plan 1913: „De Onafhankelijkheidsfeesten”_, om in dezen zomer met de artisten der N. V. „Het Tooneel” eenige openluchtvoorstellingen te komen geven van deze tragedie van Sophocles in het park Sonsbeek te Arnhem,—gaf een hernieuwde lezing van die beide vertalingen mij de overtuiging, dat het hollandsch van deze beide Professoren, in de dramatische gedeelten der tragedie, de _bewogenheid_ miste, die naar mijn meening als spelleider,—voor het welslagen eener vertooning in de openlucht, als een allereerste vereischte moet worden beschouwd, terwijl het mij verder voorkwam, dat noch Prof. _Van Herwerden_, noch ook Prof. _Burgersdijk_, hoe getrouw zij zich dan ook aan het grieksch mochten gehouden hebben, erin geslaagd waren, om in de zuiver lyrische gedeelten, die in de tragedie telkens weer den dramatischen dialoog komen onderbreken, _die_ grootheid van visie vast te houden, en _die_ klaarheid van expressie te bewaren, welke ongetwijfeld het grieksch van Sophocles eigen zullen zijn.
Op grond hiervan leken mij geen van beide vertalingen geschikt, om door mij bij de openluchtvoorstellingen in gebruik te worden genomen. Immers veel meer dan in de besloten ruimte van een Schouwburgzaal, dient bij eene vertooning in de openlucht de dramatische spanning van het begin tot het einde te worden vastgehouden; en dit niet alleen door middel van het gesproken woord, maar ook door middel van het breedere gebarenspel, daar toch de aandacht van de aldaar op zooveel grooteren afstand van de spelers geplaatste toehoorders, zooveel eerder dreigt te verslappen door het in het spel der onbetrouwbare elementen allicht teloor gaan van enkele der gesproken woorden. De bewerking nu van den duitschen dichter _Von Hofmannsthal_ leek mij én door de bewogenheid van den dialoog in de ook bij Sophocles zuiver dramatisch gehouden gedeelten, én door het dramatiseeren van de bij Sophocles meer als lyrische ontboezemingen van het koor, tusschen den dramatischen dialoog ingevlochten gedeelten, _bij uitstek geschikt_, om dienst te doen bij de door mij te geven openluchtvoorstellingen.
En deze overwegingen hebben mij er toe geleid, om deze duitsche Oedipus-bewerking in het hollandsch te vertalen, allerminst dus met de bedoeling, deze als proeve eener litteraire vertaling van een grieksch treurspel dienst te laten doen—moge een onzer groote dichters, b.v. Boutens, zich nogeens opgewekt gevoelen, om nevens zijn vertaling van den „Agamemnon” van _Aeschylus_, ook eene zich zuiver aan het grieksch houdende vertaling van „Koning Oedipus” van _Sophocles_, aan de hollandsche litteratuur te schenken; maar eenvoudig door mij bedoeld als de door de met mij samenwerkende artisten der N. V. „Het Tooneel” te-spreken-tekst bij „onze” Oedipus-vertooningen in het park Sonsbeek te Arnhem. Voor den vorm, waarin deze vertaling is vervat, blijf ik alleen verantwoordelijk. De verzen van den dichter _Von Hofmannsthal_ zijn—dit spreekt wel van zelf voor wie dezen dichter uit anderen arbeid kennen—veel regelmatiger en veel mooier. Ik heb evenwel voortdurend in het oog gehouden, dat deze verzen door de met mij samenwerkende artisten moesten worden gezegd, en met de bedoeling, om hen het natuurlijk zeggen dezer verzen zoo gemakkelijk mogelijk te maken, heb ik op willekeurige wijze de versregels afgekort en verlengd, zonder toch,—naar ik vertrouw—de metriek uit het gehoor te hebben verloren.
In hoeverre ik nu in mijn bedoeling met deze vertaling ben geslaagd, zullen de a.s. openluchtvoorstellingen van „Oedipus” aan mijne luisterende landgenooten hebben te bewijzen.
En zoo sluit ik dan dit _Voorwoord_ met een welgemeend: _peccavi_! aan mijne klassiek-onderlegde vrienden, en aan de dichters van Nederland.
AMSTERDAM, 15 Juli 1913.
WILLEM ROYAARDS.
OEDIPUS.
_Vóór het paleis van Koning Oedipus._
_Het is vroege ochtend. Gegrom van stemmen, luider en luider wordend. Mannen, jonge en oude, schuiven nader; van beide zijden schuiven zij aan, naderend door de orchestra de terrassen, die naar de trappen voeren van het paleis. Regelmatig als in litanei prevelen de lippen_:
Oedipus—Oedipus—help ons—Oedipus!
EEN ENKELE STEM (_daarboven uit_):
Help ons—Oedipus. Koning—help ons!
(_Plotseling gaan de bronzen deuren van het paleis wijd open en Oedipus treedt de trappen af—haastig, alleen._
_Aller oogen richten zich op Oedipus: aller armen strekken zich naar hem uit_).
OEDIPUS:
Mijn kind'ren, nieuw gesproot'nen aan d'ouden Kadmosstam, wat wil dat knielen hier vóór mijn paleis? Waarom strekt gij uw armen naar uw koning uit, om hulpe smeekend, terwijl de stad vol wierookgeuren is en steunt, en klaagt? Niet uit vreemden mond wild' ik dat hooren. Daarom kwam 'k zelf—_ik_—Oedipus.— Spreekt dus!—wat voert u hier?
EEN STEM: De pest, o Koning!
EEN ANDERE STEM:
De pest is over ons! De pest! van huis tot huis schuift hij zich voort; van lijf op lijf plant hij zich over; de zwarte gruw'bre dood! Wij sterven allen.
STEMMEN:
Sterven!—Allen!—Sterven!—
EEN STEM:
Als uitgemoorde holen zijn de huizen;
EEN ANDERE STEM:
De markten en de straten zijn vol dooden;
WÉÉR EEN ANDERE STEM:
Met lijken volgestopt zijn de rivieren,
DE EERSTE STEM:
Het vuur verbrandt ze niet meer.
STEMMEN: Wij sterven!
DE TWEEDE STEM:
Wagg'lend schrijden wij van doode tot doode;
DE DERDE STEM:
En waar wij langs gaan, hoopen zich de lijken;
EENIGE STEMMEN:
En wij zijn jong nóg.—Koning, help ons!
ANDERE STEMMEN:
Help ons, Oedipus! O, koning, help ons!
OEDIPUS:
Laat hèm, dien oude spreken. Hèm komt 't toe, te zeggen, wat gij hoopt, verlangt, en wacht van uwen koning. Ik wil u helpen, 'k wil; hartloos waar 'k, zoo 'k ongeroerd kon blijven bij uw smeeken.
DE PRIESTER: Hoor dan, groote koning, die éénmaal reeds deez' stad van Kadmos redde, O, Oedipus, die hoog zich boven allen verheft, geweldig hoofd van kennis,—help ons! Vind iets tot redding,—dring gij met uw denken de nacht door van ons leed en vind 'n uitkomst, vorst! Zeg ons, wij moeten hier of ginder heen, en ga, gij, die van ons de grootste zijt, ga gij, als 'n huisvader gaat en richt de stad, die in de knie gebroken, zwaar van adem, met verstijfde leden, stervend terneerligt, weer op!—O richt haar op! 't Is úw stad, koning! Een goed gesternt' schonk eenmaal ons 't geluk van uwe komst, nu—toon haar redder u ten tweedemaal!
OEDIPUS:
Mijn arme, árme kind'ren! wèl weet 'k de reden van uw komst, en welbekend is mij uw leed. O, wèlbekend!—ja, met uw leed leg ik mij neer, en met uw leed sta 'k op; 'k draag 't in mijn hart en hoofd en beî mijn ooren zijn vol van zijnen adem, en mijn tong smaakt slechts uw leed. Daarom hebt ge me⁀ook niet uit sluimerrust gewekt. Ik waakte, en zat, en weende,—weende⁀om de stad, om u—om mij. En dit is niet d' eerste dag, die zóó mij groet. Maar niet als vrouwen weenen, ween 'k. Ik ween, en weer mij krachtig tegen dat, wat is; bepeins en vraag en overleg en zin, en stuur mijn denken hier en ginder heen, en werkend vond mijn geest _dit_ middel, en niet heden wend ik 't aan, maar 'k deed 't reeds vóór lang. Naar 't Pythisch huis, tot den van wond'ren zwang'ren, goudenen troon van Phoibos, zond ik Kreon, den broeder mijner vrouw, om uit te vorschen, hoè ik de stad bevrijd. Te lang toeft Kreon, veel langer dan de weg vraagt, dien hij ging; En langer ook dan d' opdracht eischt, die 'k hem gaf. Zoo voedt mijn ziel bij 't oud leed nog dit nieuw, dat haar geboren werd uit Kreons toeven. Doch keert hij, slechter nog dan slecht zou 'k zijn, deed ik niet alles wat de God beveelt.
STEMMEN:
Kreon! Kreon! Kreon! Kreon! Kreon komt!
OEDIPUS:
Wat wil dat roepen?
DE PRIESTER: Zij roepen: Kreon komt; Zij zien hem komen.
STEMMEN: Kreon! Kreon! Kreon!
OEDIPUS:
O, god Apollo! Moge, wat hij brengt, zoo vreugdig zijn, als 't fonk'lend oog voorspelt!
DE PRIESTER:
Gezegend is hij.—Om 't voorhoofd speelt een glans, en door zijn haren streng'len zich laurieren.
(_Kreon komt met gevolg in de orchestra. Het volk scheidt zich bij zijn komst in tweeën_).
OEDIPUS:
Mijn broeder, zwager Kreon, laat ons hooren, met wélke uitspraak keert gij van den god?
KREON:
Met eene goede, dunkt mij, want als 't slechte zich ook ten goede keert, wordt álles goed.
OEDIPUS:
Het woord! Het woord des gods! Geef mij 't woord des gods! Uw eigen taal laat hopen toe en vreezen.
KREON:
Zal ik der godheid woorden laten hooren in uw paleis? of hier, waar 't volk getuige is?
OEDIPUS:
Hier, in hun áller bijzijn, want om deze is 't, dat mijn hart den zwaarsten kommer draagt.
KREON:
Zoo mogen dan de woorden van den god hier mijnen mond verlaten. Phoibos' klaar bevel luidt; dat wij uit dit land verdrijven moeten een man, hier wonend, vloekbeladen, dragend pestbuilen op 't gezonde vleesch, verdoem'nis zaaiend op dezen grond, en om zich strooiend dood en verschrikking.
OEDIPUS: En wèlke zuivering Schrijft Phoibos voor? Wàt heet hij ons te doen?
KREON:
Dien man te bannen, maar op zulk een wijze, dat bloed voor bloed komt vloeien, want 't is bloedschuld, die aan dit land deez' nacht vol gruw'len bracht.
OEDIPUS:
Noem ons den man, wiens dood de god verlangt!
KREON:
Laïos, mijn vorst, was koning van dit land, éér gij de teugels van 't bewind aanvaardet.
OEDIPUS:
Dit weet ik, daar ik 't hoorde. Maar gezien heb ik hem nooit.
KREON: 't Is om den wil van dezen doode, dat de god beveelt, de hand te waap'nen, en 't zwaard te heffen naar zijn moordenaars.
OEDIPUS:
Maar wáár zijn zij te vinden, die hem doodden? Wáár wijst het spoor dier oude bloedschuld heen?
KREON:
't Wijst in dit land, zóo spreekt de god. Hij zegt: wie 't zoekt, zal 't vinden. Maar als geen sterf'ling 't acht, verloopt 't in 't zand.
OEDIPUS: Wáár was 't dat Laïos viel? was 't in den vreemde? in 't veld? of in zijn huis?
KREON:
Hij trok als pelgrim uit; dat was 't zeggen; hij wilde reizen, vreemde landen zien, maar keeren deed hij niet.
OEDIPUS: En ging geen mensch mèt hem? geen tochtgenoot? geen dienaar?—Is er niemand, die in dit donker ons een straal van licht—
KREON: Allen zijn daár gebleven, waar vorst Laïos viel, behalve één. Die nam uit angst de vlucht en wist ons niets te zeggen dan dit eene:
OEDIPUS:
Ha! Iets dus! Wàt? Ook 't kleinste spoor is welkom; ja, zelfs de schaduw van een lichtstreep ga ik na.
KREON:
Hij zei: Op roovers stiet des konings wagen, en Laïos viel, door d' overmacht geveld.
OEDIPUS:
Dàt waagden roovers, zonder dat zij waren gedongenen tot die daad, van hier gekocht?
KREON:
Wèl heeft men dit vermoed, doch in den nood der stad, trad niemand op als wreker van den doode.
OEDIPUS:
Wat voor 'n stadsnood was 't, die kon verhinderen, dat 't volk om zoen vroeg voor eens konings dood?
KREON:
De Sfinx, mijn vorst, de Sfinx, die met verschrikking de stad geslagen hield, en 't volk verplichtte, naar 't eigen leed te zien, niet achtend op dat duist're.
OEDIPUS:
Zoo breng ik dan dat duist're weer aan 't licht, want Phoibos heeft 'n recht daarop en ook mijn volk, dat om den wil van dien vergeten doode, mijn mond zich oop'ne en mijn hand zich waap'ne. Daarom verbind ik mij hier met dit land, met u en met den god. En niet om 't heil van verre vrienden gaat 't, maar van mijn eigen hoofd wend ik 't onheil af, dat mij bedreigt. Want wie 't ook weze, die eens Laïos doodde, wàt waarborgt mij, dat niet dezelfde hand zich morgen heft naar mij! Dus dien 'k mijzelven, waar ik Laïos dien. Gaat, kind'ren, gaat, en zendt uw oudsten tot mij, dat 'k mij met hen beraden moge. Wijs wil 'k zijn, en sterk, om dezer dingen donk'ren grond te peilen; dan zal god Phoibos met geluk ons zeeg'nen, òf wij zullen ondergaan.
STEMMEN:
—Oedipus! koning! Oedipus!—
(_Oedipus gaat, gevolgd door Kreon, in het paleis. De bronzen deuren openen zich en sluiten zich weer. Langzaam wijkt 't volk van de terrassen en van de trappen terug en verdwijnt aan weerszijden door de Orchestra. Een koor van grijsaards is inmiddels van de zijkanten door de Orchestra opgekomen en treedt nu naar voren._)
DE GRIJSAARDS (_met gedempte stemmen_): —Wie wendt het afgrijselijke af? Oud is mijn hart, en vol vreeze Athene! Artemis! Phoibos! Wie van u wendt dit thans af?
(_Alle grijsaards tegelijk, met opgeheven handen_):
Athene! Artemis! Phoibos!
(_Stilte._)
EERSTE GRIJSAARD:
Moord'naar, die met panterarmen Ruggelings mij overvalt— Wiens gehuil in 't oor mij krijscht, dat de koorts mij 't merg verschrompelt!
* * * * *
—Moord'naar zonder gestalt'— Moordenaar dood,— Slaat hem, verjaagt hem, stoot hem terneder, —Af van de rots in de schuimende zee.— —Neêr in de branding. Stoot hem te pletter!— Goden sling'ren hun flitsende bliksems! Goden ook ijlen ons ter hulpe! Goden! Bakchos! Apollo!
ALLE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Bakchos! Apollo!
OEDIPUS (_langzaam door de bronzen deuren naar voren tredend_):
Den goden smeekt ge! Goed. Smeekt hen.—Wèl kunnen zij Uw beê verhooren en ons redding zenden. Doch hoort naar wat ik zeg: Wijl onbekend ik ben met deze zaak,—ik, die eerst later heenkwam naar dit land,—'n vreemde die dan koning werd, —vreemdblijvend toch daarna dees gruwbre daad,— roep 'k, burgers dezer stad, uw hulp thans in. Indien er onder u een man mocht wezen, die weet, wie Laïos, den koning doodde, dat hij 't mij zegge, onbevreesd. Ja, heeft hij ook zich zelf te noemen, en den vloek te laden op 't eigen hoofd, hij zij getroost, hij wete, dat niets hem wedervaart, dan slechts dit ééne: dit land verlaat hij; strafloos gaat hij heen. En zoo hij iemand kent in vreemde streken, die zich de dader roemt, hij zwijge 't niet; mijn koningswoord is borg hem, dat ik 't loone met rijke gift en dank. Doch zoo een uwer dit, mijn bevel, trotseert, zoo hij uit vreeze, 't zij voor zichzelf, 't zij voor een, die hem lief is, mijn woord niet acht, en zwijgt, hoort nu, gij mannen, hoe 'k wil, dat men met dezen handelen zal: 'k Verbied, dat eenig sterf'ling in dit land, waar ik als heerscher troon, en in mijn handen den scepter voer, hém, wie 't ook zij, ontvange, hem in zijn huis opneme, tot hem spreke, hem in 't off'ren deel gun', in 't gebed hem bijsta. Een ieder jaag' hem weg van vóór zijn deur, als 't monster, dat de lucht verpestend, onheil bracht over dit land, gelijk de god ons leerde. Want met den god en met den dooden man heb ik, uw koning, mij op eed verbonden tegen den moord'naar, dat hij, 't zij hij de daad alléén verrichtte, dan wèl met and'ren 't deed, 't schrikkelijk einde vinde, dat hij heeft verdiend. Datzelfde lot treft mij, als bij mijn weten hij plaats vindt aan mijn haard, of rusten komt onder mijn dak. Ik eisch van elk van u, dat dit bevel u heilig zij, om mij, èn om de stad, èn om der godheid wil. Al had geen god 't hier uitgesproken, dan nog ging 't niet aan, dat zulk een daad, voortwoekerde, als onkruid, ongezoend. Want de verslagene was een goed man,—hoor 'k,— en bovendien uw vorst. Nu echter heeft 'n god zijn woord doen hooren, en _ik_ heb 't vernomen, ik—Oedipus,—die op ~zijn~ troon gezeten, den scepter uit ~zijn~ hand, houd in de mìjne, ~zijn~ vrouw mijn vrouw noem, en aan ~zijn~ kind'ren, —Had niet de wangunst van 't lot, 'n boos gesternte, de loten aan zijn stam ruw afgehouwen,— broeders en zusters schonk. Daarom, wil ik, nu zijn hoofd smaad'lijk viel, als voor een vader voor hem strijden, en niet rusten wil 'k, eer ik den moord op Laïos, zoon van Labdakos, den koning hier vóór mij, heb aan 't licht gebracht. Dít is mijn woord, wie het niet acht, dien vloek ik; wie 't heilig houdt, dien sluit ik in mijn hart; het eeuwig recht, en alle goden zijn mèt hem.
DE GRIJSAARDS:
Ik deed 't niet.—Ook weet 'k niet, wie de dader is; Noemen moet hem de god.
OEDIPUS: Wie dwingt de goden?
(_Stilte_).
EERSTE GRIJSAARD:
Als de god zwijgt, dan spreekt misschien één mensch.
TWEEDE GRIJSAARD:
Weet de god alles, die ééne mensch weet veel.
DE GRIJSAARDS (_gezamenlijk_):
Teiresias! De ziener—vráág hém, koning!
OEDIPUS:
Ook dit werd niet verzuimd. Op raad van Kreon zond 'k boden naar hem uit. Vreemd, dat hij toeft.
(_Stilte_).
DE GRIJSAARDS (_mompelend onder elkaar_):
Daar was 'n zeggen, een lang vergeten zeggen was er eens.
OEDIPUS:
Wat is 't? Spreek 't uit. Want er is niets zoo luttel, of ik acht 't.
EERSTE GRIJSAARD:
't Zeggen was; géén roovers, reiz'gers waren 't.
OEDIPUS:
Ik hoorde 't, maar de man, die 't zag, wáár is hij?
EERSTE GRIJSAARD:
Is niet zijn hart verstokt door 't kwaad, trotseert hij niet uw vloek, o, vorst! hij hoort uw woord en komt.
OEDIPUS:
Wie voor de daad niet vreesde, vreest mijn woorden niet.
TWEEDE GRIJSAARD:
De ziener komt, die hem in 't harte ziet, zij brengen Teiresias!
DE GRIJSAARDS: (_gezamenlijk_).
Teiresias!
(_Teiresias komt, geleid door 'n knaap_).
OEDIPUS:
Teiresias, gij, die 't bekende weet, maar ook 't niet-bekende, 't raadselvolle, waarvan de hemel zwaar gaat, en dat d'aard voor ieders oog verhult, met 't licht doordringt, dat in uw binnenst vlamt, 't ongeziene ziend': Ook onze ellende bleef u niet verborgen. Dáarom kom ik tot u, en smeek ik u om redding voor de stad. Indien mijn boden 't u nog niet meldden, verneem dan nu 't antwoord, dat ons God Phoibos gaf op onze vraag: Niet éer verlaat de pest ons volk, dan als de moordenaar van Laïos is gevat, gedood, of uit dit land gebannen. Onthoud ons dus uw dieper inzicht niet en geef ons raad, want wát is schooner, wát eert méer den man, dan helpen, waar hij kan?
TEIRESIAS:
Wee, wee! het weten en het zien, wat onheil brengt! Wee! Driemaal wee! Ik wist 't, en ik kon 't vergeten— vergeten,—anders toch stond ik niet hier.
OEDIPUS:
Wat is 't?—Wat wordt gij droef, Teiresias?
TEIRESIAS:
Laat mij van hier gaan, vorst! Draag gij 't uwe! Ik wil het mijne dragen,— Hóór mijn woord!
OEDIPUS:
Niet wat uw plicht, noch wat uw hart u ingeeft, zegt gij daar! 't Is uw stád, uw móeder! En gij weigert háar hulpe?
TEIRESIAS:
Niet tot zijn voordeel dient, wat 'n mensch spreekt! Dat zie 'k aan u. Zoo juist zag ik 't aan u. Daarom wil ik mij er voor hoeden; ik zeg niets.—
(_wil weggaan_).
DE GRIJSAARDS (_nederknielende_):
Onthoud ons niet uw woord! Spreek 't uit!—Wij smeeken 't u.—
TEIRESIAS:
Gij weet niet, wat gij vraagt. 't Komt van mijn lippen nooit, neen, nooit!— Om uwentwil.
OEDIPUS:
Wat? weten doet gij 't, en gij wilt 't niet zeggen, niet zeggen, waar de stad en wij te gronde gaan?
TEIRESIAS:
Wat houdt gij bij mij aan? 't Leidt toch tot niets.
OEDIPUS:
Gij slechte, oude man! Een steen zoudt gij tot razernij ontvlammen. Nooit zegt gij 't? Nooit? Niets roert en niets vermurwt u? Niets?
TEIRESIAS:
Wat wilt gij van mij—. Wàt?—
OEDIPUS:
Wáár is de mensch, die dat met kalmte aanhoort? Dàt, waar de stad, en wij te gronde gaan!
TEIRESIAS:
Het maakt zich vrij, het wikkelt zich los, of ik 't ook al bedek met mijn zwijgen, 't komt tòch naderbij.
OEDIPUS:
Dát juist hebt gij te zeggen, wàt kòmt, dàt juist, hebt gij—te zeggen—dàt.
TEIRESIAS: Mijn mond blijft stom.
OEDIPUS:
Zoo dient 't dan gezegd, 't woord! Dient het gezegd. Niet langer houd ik 't in. Gij hebt de daad bedreven, gij!— —O, niet met eigen hand, want gij zijt blind,— maar doen bedrijven hebt gij haar, in 't donker voorbereid. Ja, waart gij ziende, ik riep 't luid: Gij zijt de dader,—gij!
TEIRESIAS (_boos wordend_):