Part 7
I. 1. 218. Heeft zij geen man enz. De rijdende boden hadden steeds een posthoorn bij zich, om hun komst aan te kondigen. Tevens bevat deze regel een variatie op het thema, dat voor de dichters der periode van koningin Elisabeth een onuitputtelijke bron van geestigheden was.
I. 1. 225. De Philistijnsche reus, de sterke man. Sh. noemt hier den Deenschen reus Colbrand, die door balladen aan het volk even zoo goed bekend was als wijlen Goliath aan ons is. Vondel zou gesproken hebben van den Sparrewouwer reus.
I. 1. 231. Philip! noem een musch zoo. Gurney, met de naamsverandering van den Bastaard nog onbekend, noemt hem met zijn ouden naam. Philip, Phip werd meermalen gebezigd, om de tjilpende musschen aan te duiden.
I. 1. 244. Knaap?--Ridder, ridder; goede moeder, ja. Het woord knaap, in het Engelsch knave, beteekent zoowel een dienaar van een ridder, als schelm. In het Engelsch zegt de Bastaard: "Ridder, ridder, goede moeder, evengoed als Basilisco." Basilisco is een vechtersbaas, een pochhans, uit het in Sh.'s tijd aan ieder bekende tooneelstuk "Soliman en Perseda", die zich "ridder" noemt, maar door den hansworst (clown) van het stuk met den naam van knave (knaap, schelm) bestempeld wordt. Deze toespeling, die hedendaagsche lezers onverschillig laat, is natuurlijk weggelaten.
I. 1. 266. Zelfs de onverschrokken leeuw niet kampen kon. Naar het volksverhaal had Richard Leeuwenhart een leeuw bestreden, hem het hart uit het lijf gerukt en zijn vel als mantel gedragen. Een ballade hield dit verhaal bij het volk levendig.
II. 1. 2. Voorzaat. Niet letterlijk op te vatten; Richard was de broeder van Arthurs vader.--Richard viel niet, zooals reg. 5 zegt, door den hertog (toen nog niet aartshertog) van Oostenrijk, maar bij de belegering van Chaluz, in den strijd tegen den Vicomte van Limoges. Dat hier, als in het ouder stuk van Koning Jan, de Hertog van Oostenrijk in de plaats treedt van den Vicomte van Limoges, levert een goeden grond op voor den wrok van den Bastaard tegen den Hertog, die het leeuwenvel, zijn buit bij het dooden van Richard, als mantel, draagt.
II. 1. 134. Hoort den roeper daar; den roeper, die bij openbare terechtzittingen stilte gebiedt.
II. 1. 288. Sint George, de schutspatroon van Engeland, prijkte zeer dikwijls op de uithangschilden van herbergen.
II. 1. 378. Doet als de muiters in Jeruzalem. De Joden waren in het door Titus belegerde Jeruzalem in drie partijen verdeeld, maar vereenigden zich tot een gemeenschappelijken uitval tegen de belegeraars.
II. 1. 503. In harer oogen schoone lijst gevat. In het Engelsch spreekt de dauphijn van zijn beeld, dat hij in het oog van Blanca teruggespiegeld, als het ware geteekend, drawn, ziet; hierop volgt een woordspeling van den bastaard met een andere beteekenis van drawn, "voortgesleurd".
II. 1. 573. Scheef overwicht der wereld, the bias of the world, de verzwaring van een kogel buiten het middelpunt, zoodat hij, voortgeworpen of gerold, een scheeve richting krijgt; de wereld wordt met zulk een rollenden kogel vergeleken.
II. 1. 590. Als hij zijn eng'len me in de hand wil drukken. Gouden engelen, van tien shillings waarde, zijn bedoeld. In het oorspronkelijke staat: "wanneer zijn schoone engelen mijn handpalm willen begroeten". Zulke engelen zijn ook bedoeld III. 3. 8.
III. 1. 1. Gaan huwen? De graaf van Salisbury, tot wien Constance spreekt, is blijkbaar de bode, door Koning Jan afgezonden, om haar uit te noodigen, zie II. 1. 554.
III. 1. 69. Want leed is trotsch, het buigt, die 't heeft, ter aard. Het, als persoon gedachte, leed is overmoedig en onderwerpt aan zich hen, die het bezitten, het drukt die ter aarde, zoodat zij aan geen andere bevelen gehoor geven. Deze plaats is misschien bedorven; velen lezen met Hanmer stout voor stoop.
III. 1. 102. Ten strijd gerust enz. Het oorspronkelijke zegt: Gij kwaamt gewapend (in arms), om het bloed mijner vijanden te vergieten, maar nu versterkt gij het, arm in arm (in arms), of elkaar omarmend, met het uwe.
III. 1. 129. En hang een kalfsvel om die vuige leden. Een kalfsvel liet men in Sh.'s tijd vaak door narren dragen.
III. 1. 270. Want dat, wat gij bezweert, verkeerd te doen, Is niet verkeerd meer, als gij 't goed verricht.--Goed verricht, overeenkomstig uw plicht, dus op tegengestelde wijs, dus in het geheel niet verricht. De geheele redeneering van den pauselijken legaat kan een proefje gerekend worden van geslepen casuistiek.
III. 1. 323. Paai Tijd de klokkeman. De Tijd is, volgens den Bastaard, een oude koster, en daarom is het zijn taak het uurwerk te regelen en de klok te luiden.
III. 2. 4. Terwijl de bastaard adem schept. In het oorspronkelijke wijst de bastaard zichzelf aan met zijn ouden naam Philip, gelijk ook in den volgenden regel Koning Jan hem er mee aanspreekt.
III. 3. 12. Klok, boek en kaarsen drijven mij niet weg; de banvloek der kerk zal mij niet afschrikken. Bij een banvloek werden de klokken geluid, werd de bijbel opgeheven en werden drie brandende kaarsen uitgebluscht.
III. 4. 2. Een gansche armada. Blijkbaar een toespeling van Sh. op de onoverwinlijke vloot van 1588.
IV. 2. 42. Zoodra mijn zorgen minder zijn. Koning Jan meent: zoodra ik minder bezorgd ben voor Arthurs aanspraken op den troon. Koning Jan heeft zich werkelijk tweemaal laten kronen, om allen twijfel aan de rechtmatigheid van zijn koningschap te doen ophouden. De kroning was, naar de beschouwingswijze der middeleeuwen, meer dan een vorm; eerst door haar werd zelfs hij, die de rechtmatigste aanspraak op den troon had, werkelijk koning.
IV. 3. 11. Ik zal hem bij Sint Edmund's Bury treffen. Salisbury meent den Dauphijn, die door graaf Melun en den legaat Pandulf onderhandelingen had aangeknoopt met de onvergenoegde lords.
IV. 3. 123. Geen geest der hel zal zoo afzichtlijk zijn. De verdoemden waren afzichtelijker, naarmate hun schuld grooter was.
V. 2. 93. Naar de eere van mijn huwlijksbed; als gemaal van Blanca van Castilië, wier moeder een zuster was van koning Jan.
V. 2. 144. Als uw landskraai kraaien ging: Even at the crying of your nations crow. De Bastaard spreekt, spelend met het woord crow, dat kraai en gekraai beteekent, verachtelijk van den Gallischen haan.--Een oogenblik later, als hij reg. 152 de oproerige lords Nero's noemt, denkt hij bepaald aan Nero als moeder-moorder.
V. 2. 176. Op zijn voorhoofd zetelt Het hongrig rif des doods. De dood wordt als het helmteeken van Koning Jan gedacht.
V. 3. 11. Goodwin's zanden. Deze zandbanken aan de monding van de Theems zijn ook in den Koopman van Venetië, III. 1. 4. vermeld.
V. 7. 53. Al het want, waarmee mijn leven zeilde. Het want is het touwwerk ter zijde en achter den mast, de stag het touw, dat van den boeg naar den mast loopt en dezen tegen het achterovervallen steunt.
V. 7. 97. Andre prinsen, die beschikbaar zijn, die het best ontbeerd of gemist kunnen worden bij de onderhandelingen met den Dauphijn, zouden het lijk naar Worcester (tweelettergrepig: Wôrster, met zeer zachte r) brengen.
AANTEEKENINGEN
[1] De ophelderingen, die voor het volledig verstaan van Sh.'s werken vaak noodig zijn, komen in zoovele uitgaven en dikwijls zoo gelijkluidend voor, dat het niet noodig, niet zelden ondoenlijk is, den eigenlijken auteur der aanteekeningen aan te halen; iets nieuws ter opheldering is moeilijk en meestal niet noodig te leveren. Daarom zij hier eens voor goed gezegd, dat vooral de uitgaven van Knight en Delius door mij geraadpleegd en gebezigd zijn, alsmede (zooals hier Gildemeisters inleiding op Koning Jan) de inleidingen en aanteekeningen der Hoogduitsche vertaling, onder toezicht van Bodenstedt bij Brockhaus te Leipzig uitgegeven. Dat er ook meermalen oorspronkelijke aanteekeningen bij zijn, zou bij onderzoek blijken.--De aanteekeningen zijn uitsluitend van ophelderenden of critischen aard en laten zich niet met aesthetische beschouwingen in.
[2] Englische Geschichte, vierte Auflage, IIde Deel, Blz. 96.