Part 6
BASTAARD. Kom, kom; geen omhaal! zeg veeleer: wat nieuws?
HUBERT. En ìk loop in de duistre nacht hier rond, Om u te zoeken!
BASTAARD. Kort toch, wat is 't nieuws?
HUBERT. O, beste heer, nieuws, voor de nacht recht passend, Zwart, vreeslijk, zonder troost en afschuwwekkend.
BASTAARD. Toon mij de ontbloote wond van uw slecht nieuws; Ik ben geen meisje, en val er niet van flauw.
HUBERT. De koning is vergiftigd door een monnik,-- Zoo vrees ik,--is schier spraakloos;--ik vloog heen Om u bericht te doen, opdat gij beter U voor den drang van 't oogenblik kunt waap'nen, Dan als u 't onheil later werd gemeld.
BASTAARD. Hoe kreeg hij 't in? wie heeft hem voorgeproefd?
HUBERT. Een monnik; wel een vastberaden schurk; Hem barstte plotseling 't ingewand. De koning,-- Hij spreekt nog, komt misschien het nog te boven.
BASTAARD. En wie bleef nu zijn majesteit verplegen?
HUBERT. Wat! weet gij 't niet? de lords zijn weer terug; Zij kwamen met prins Hendrik, op wiens bede De koning hun vergiff'nis heeft geschonken; Die zijn nu allen om zijn majesteit.
BASTAARD. Weerhoud, almachtig hemel, uwen toorn; Beproef ons niet met al te zwaren last! Hubert, mijn halve macht is deze nacht, Op 't strand hier, overvallen door den vloed, En Lincoln's wadden hebben hen verzwolgen; Te nauwernood ben ik te paard ontsnapt. Van hier, ga voor, geleid mij tot den koning; Zeer vrees ik, dat hij dood is, eer ik kom.
(Beiden af.)
ZEVENDE TOONEEL.
De kloostertuin der abdij van Swinstead.
Prins Hendrik, Salisbury en Bigot komen op.
PRINS HENDRIK. Het is te laat; het leven van zijn bloed Is zwaar vergiftigd, en zijn helder brein,-- Het teeder huis, zoo meent men, van de ziel,-- Voorspelt reeds, door de wartaal, die het uit, Het naad'rend einde zijner sterflijkheid.
(Pembroke komt op.)
PEMBROKE. Zijn hoogheid spreekt nog, en gelooft als zeker, Dat, als hij in de vrije lucht gebracht wordt, Het brandend knagen van het scherp vergif, Dat hem bestookt, gelenigd worden zal.
PRINS HENDRIK. Zoo breng hem hierheen, in den kloostertuin.
(Bigot af.)
Is hij nog woest?
PEMBROKE. Hij is veel kalmer nu, Dan toen gij hem verliet; hij zong daar zelfs.
PRINS HENDRIK. O, waan der ziekte! laatste felle kwalen Gevoelen, bij haar duur, zichzelf niet meer. De dood, die op de buitendeelen teerde, Verlaat die, wordt onzichtbaar en berent De ziel en geest, die hij doorpriemt en wondt Door dolle phantasieën bij legioenen, Die, dringend om de laatste veste, elkaar Vertrappen. Vreemd is 't, dat de dood nog zingt! Ik ben het zwaanjong van deez' bleeken zwaan, Die bij zijn eigen dood een klaaglied aanheft, En zoo, uit zijner zwakheid orgelpijp, Zijn lijf en ziel ter eeuw'ge ruste zingt.
SALISBURY. Houd goeden moed, prins; gij toch zijt geboren, Om orde en vorm te brengen in den bajert, Dien hij zoo ruw en vormloos achterliet.
(Bigot komt terug, gevolgd door Dienaars, die den Koning op een stoel binnendragen.)
KONING JAN. Ja, nu heeft mijne ziel weer elboogruimte; Zij wilde niet door deur of vensters uit! Er is zoo heet een zomer in mijn borst, Dat al wat in mij is tot stof verbrokkelt; Ik ben een teek'ning, met de pen gekrabbeld Op perkament, en schrompel bij dit vuur Nu gansch ineen.
PRINS HENDRIK. Hoe gaat het uwe hoogheid?
KONING JAN. Vergiftigd, dood, verlaten, uitgestooten! En niemand uwer roept den winter hier, Dat hij zijn ijshand in de keel mij steek'; En niemand laat mijns rijks rivieren stroomen Door mijn verbrande borst, of doet het noorden Met scherpen wind mijn dorre lippen kussen En mij met koude laven! Weinig vraag ik, Slechts kouden troost, en toch zijt gij zoo hard En zoo ondankbaar, dat gij dien mij weigert.
PRINS HENDRIK. O, was er in mijn tranen een'ge kracht, Die u verkwikte!
KONING JAN. 't Zilt er van verschroeit. Er is in mij een hel, en het vergif Is daar gelijk een duivel ingesperd, Om 't bloed, dat redd'loos is verdoemd, te foltren.
(De Bastaard komt op.)
BASTAARD. O, ik ben gloeiend van het ijlend jagen En de' ijver om uw majesteit te zien.
KONING JAN. O neef, gij komt, om 't oog mij toe te drukken; De taak'ling van mijn hart is stuk, verbrand; En al het want, waarmee mijn leven zeilde, Is in één draad, in één dun haar verkeerd; Met één arm koord slechts in mijn hart gestaagd, Dat enkel houdt, zoolang ge uw tijding uit; En dan is al, wat gij hier ziet, een stofklomp, De vorm slechts van vernietigd koningschap.
BASTAARD. Ten marsch hierheen staat de dauphijn gereed; En God weet, hoe wij hem ontvangen moeten; De beste helft toch van mijn legermacht Werd, toen ik opbrak met een goede kans, Des nachts aan 't lage strand op 't onvoorzienst Verzwolgen door den onverwachten vloed.
(De Koning sterft.)
SALISBURY. Uw doodsbericht klinkt in een oor, dat dood is.-- Mijn vorst!--Zoo even koning, en nu zóó.
PRINS HENDRIK. Zoo moet ook mijn loop, zoo mijn stilstand zijn. Wat is der aarde vastheid, troost, macht, lof? Dit was zoo even koning, en nu stof!
BASTAARD. Gingt gij zoo heen? Ik blijf hier enkel achter, Om u den plicht der wrake te volbrengen, En dan dient mijne ziel u in den hemel, Zooals zij steeds op aard u heeft gediend.-- Gij sterren, wentlend in uw rechten kring, Waar hebt gij uwe macht? Toont thans uw echte, Herstelde trouw en volgt mij fluks terug, Om van de zwakke deur van 't zwijmend rijk Onheil en eeuw'ge schande weg te drijven. Den vijand opgezocht, of hij zoekt ons! Reeds woedt, ons op de hielen, de dauphijn.
SALISBURY. Gij weet, zoo schijnt het, niet zooveel als wij; Daarbinnen is de kardinaal en rust; Hij kwam voor nog geen uur van den dauphijn, En brengt van hem een vredesaanbod over, Dat eervol en geheel aanneem'lijk is, Waarbij de krijg onmidd'lijk wordt gestaakt.
BASTAARD. Dit doet hij te eerder, als hij ziet, dat wij Wèl toegerust zijn, om hem af te weren.
SALISBURY. Ja, en het is reeds min of meer begonnen; Want vele wagens heeft hij naar de kust Reeds heengezonden, en zijn zaak en twist Den kardinaal ter reeg'ling toevertrouwd, Met wien nu gij en ik en andre lords, Als 't u behaagt, nog dezen nadenmiddag De zaak tot heuglijk einde willen brengen.
BASTAARD. Zoo zij het, goed!--En gij, mijn eed'le prins, Met andre prinsen, die beschikbaar zijn, Draagt zorg voor de begraaf'nis van uw vader.
PRINS HENDRIK. Te Worcester wordt zijn lijk ter aard besteld; Hij heeft het zoo beschikt.
BASTAARD. Zoo voert het derwaarts. En tot geluk aanvaarde uw waarde hoogheid Het erfrecht en de glorie van dit land! Met need'rige onderwerping, op mijn knieën, Wijd ik mijn trouwe diensten hier u toe, En onderdanigheid voor heel mijn leven.
SALISBURY. En wij betuigen u gelijke liefde, Die eeuwig zonder vlekken blijven moog'.
PRINS HENDRIK. Ik heb een vriendlijk hart, dat gaarne dankte, Maar weet niet, hoe ik 't zonder tranen doe.
BASTAARD. O wijd den tijd niet meer rouw, dan volstaat; Hij eischte als voorschot reeds veel smart ons af.-- Nooit lag dìt England en het zal ook nimmer Aan eens verwinnaars trotsche voeten liggen, Tenzij het eerst zichzelf verwonden hielp. Nu hier zijn vorsten zijn teruggekeerd, Koom' vrij de gansche wereld ons bespringen; Wij trotsen haar. Niets brengt ons nood en rouw, Blijft England slechts zichzelve steeds getrouw.
(Allen af.)
AANTEEKENINGEN.
Van dit stuk is geen afzonderlijke uitgave bekend; het schijnt eerst in de verzameling van Sh.'s dramatische werken, de Folio-uitgave van 1623, verschenen te zijn. Het behoort onder de stukken, die Francis Meres in 1598 in zijn Palladis Tamia vermeldt. Men mag naar de kenmerken, die stijl en versbouw bieden, als zeker aannemen, dat het niet lang vóór 1596 geschreven is, en, met de andere koningstukken vergeleken, nà Hendrik VI en Richard III, maar vóór Richard II, Hendrik IV en Hendrik V.
Terwijl Sh. voor de andere genoemde historiespelen vooral de kroniek van Holinshed (waarover later) bezigde, ligt aan den Koning Jan een ander, uit twee deelen bestaand drama, van een ongenoemden schrijver, ten grondslag, dat in 1591 verscheen en blijkens de proloog, die van Marlowe's Tamerlan gewag maakt, omstreeks 1590 gespeeld moet zijn. Doch al heeft Sh. aan dit stuk ook den gang der gebeurtenissen ontleend (echter nog met een menigte wijzigingen), hij heeft toch op zijn Koning Jan zoo zeer den stempel van zijn geest gedrukt, dat het als een geheel oorspronkelijk werk gelden mag. Aan het schrijven van den ouderen Koning Jan heeft Sh. ongetwijfeld niet het geringste deel gehad; het is zeker niet een arbeid zijner jeugd, al heeft ook een uitgever, die het stuk in 1611 nog eens uitgaf en dat van Sh. niet machtig kon worden, ter wille van het debiet op den titel gezet: "geschreven door W. Sh."; ja, al noemt een derde druk, van 1622 (dus nà Sh.'s dood, maar vóór de uitgave zijner gezamenlijke drama's in het licht gegeven), zijn naam voluit op den titel.
Men ziet uit het bovenstaande reeds, dat historiestukken in dien tijd gewild waren; daaraan hebben wij inderdaad die van Shakespeare te danken [1]. Evenzoo zag men, met name in den tijd van het tweede keizerrijk op de Parijsche volkstheaters in de voorsteden niet zelden het leven van Napoleon voorgesteld in zeer eigenaardige stukken, half drama's, half tableaux vivants. Een hoofdzaak was, dat er veel in getrommeld en geschoten werd en dat de groote armee overwon; het volk was tevreden, als het zijn grooten keizer met zijn staf van beroemde veldheeren en met zijn dappere soldaten in hun bekende uniformen weder voor zich zag, den keizer nogmaals bij Marengo en Austerlitz zag zegevieren; het was geroerd, als het hem bij Fontainebleau nogmaals den adelaar zijner garde zag omhelzen. Of bij dit alles de historische waarheid streng in acht werd genomen, deed minder ter zake.
Op gelijke wijze gaven in het laatste gedeelte der zestiende eeuw de Londensche schouwburgen reeksen van tooneelen te aanschouwen uit de Engelsche geschiedenis, vooral uit de oorlogen met Frankrijk, waarbij dan steeds de dapperheid der Engelschen boven die der Franschen moest uitkomen. De voornaamste personen: Talbot, Heetspoor, Warwick, Hendrik V, Richard III, enz., hoezeer aan het publiek langzamerhand zeer bekend, werden telkens met genoegen op nieuw gezien en de samensteller dezer stukken kon zich gerust allerlei gewaagde sprongen en weglatingen veroorloven, de toeschouwers waren met het onderwerp genoeg vertrouwd, om hem te volgen; het kwam er vooral op aan, de zwaarden en schilden goed te laten kletteren en de hoogdravende taal der koningen en grooten met boertige tooneeltjes af te wisselen, opdat de toeschouwers van allerlei aard, ieder op zijn wijze, konden genieten. Bij den aanvang van Sh.'s loopbaan was er naar zulke stukken veel vraag en ook Sh. leverde, wat verlangd werd; hij dramatiseerde de Engelsche geschiedenis en schikte zich naar de behandelingswijze zijner voorgangers, evenals de groote Italiaansche meesters de kerkelijke legenden schilderden in den trant, die gewenscht werd. Maar gelijk deze door de hoogte hunner kunst verre stonden boven handwerkslieden, die dezelfde onderwerpen penseelden, staat Sh., als dramatisch genie van den eersten rang, hoog boven al zijn voorgangers en tijdgenooten, door het leven, waarmede hij zijn personen weet te bezielen, door zijn kunst, om de gebeurtenissen uit het karakter der menschen te doen voortvloeien, door de levendigheid en natuurlijkheid zijner vroolijke tooneelen. Men zie eens, hoe de Bastaard in den loop van dit stuk uit een wakkere, stoute borst zich tot een patriot en held ontwikkelt. Toch dragen deze stukken, met name de eerst geschrevene, duidelijke sporen van hun oorsprong uit de genoemde volksdrama's; de hoogdravendheid, die wij hier en daar opmerken, de soms zorgelooze samenstelling, de stoutheid, waarmede gebeurtenissen in korte trekken worden saamgevat, de breede, veel plaats innemende uitwerking van enkele episoden, met name van comische tafereelen, dit alles wijst hierop terug. Men kan dan ook deze stukken geen eigenlijke drama's noemen, waaraan een eenheid van handeling ten grondslag moet liggen; zij zijn veeleer een aaneenschakeling van dramatische tooneelen, die meermalen schier alleen daardoor samenhangen, dat dezelfde personen er in optreden; soms is een enkel bedrijf of tooneel een geheel op zichzelf, dan weder behoeft de dichter meer dan één stuk om den oorsprong, voortgang en afloop eener handeling of gebeurtenis te verzinnelijken.
Van zelve komt de vraag in ons op, in hoeverre de voorstelling, die Sh. van de personen en gebeurtenissen geeft, met de historische waarheid overeenkomstig is. Ik meen deze vraag, die zich onwillekeurig aan iederen lezer opdringt, hier bij dit eerste koningsstuk niet beter te kunnen beantwoorden, dan met de getuigenis, door een beroemd geschiedschrijver, Ranke, hieromtrent afgelegd [2]. Sh. bracht, zooals toen volstrekt niet ongewoon was, een reeks van personen uit de Engelsche geschiedenis ten tooneele. Met den lof, hem zoo mild toegezwaaid, dat hij ze met historische trouw heeft teruggegeven, kan men moeilijk instemmen. Of wie zou willen beweren, dat zijn Koning Jan en Hendrik VIII, zijn Gloucester en Winchester, of wel zijn Pucelle gelijken op de origineelen, wier naam zij dragen? De schrijver behandelt de groote vragen, waarom het te doen is; terwijl hij de kroniek zoo na mogelijk op den voet volgt en haar karakteristieke trekken opneemt, deelt hij toch aan de personen een rol toe, die aan zijn bijzondere opvatting beantwoordt; hij verleent aan de handeling levendigheid door beweeggronden, die de geschiedenis niet zou vinden en niet zou mogen aannemen; de karakters, die volgens de berichten en waarschijnlijk ook in de werkelijkheid nevens elkander stonden, treden bij hem uit elkander en hebben ieder hun eigen en eigenaardige wijze van zijn; eenvoudige omstandigheden, die anders slechts in het bijzonder leven van invloed zijn, doorkruisen de politieke handeling en werken daardoor poëtisch met verdubbelde kracht. Maar indien alzoo in bijzonderheden afwijkingen van de werkelijkheid zich voordoen, zoo getuigt toch de keus der gebeurtenissen, die ten tooneele worden gebracht, van een innig gevoel voor het historisch groote. Hij kiest bijna altijd toestanden en verwikkelingen van de grootste beteekenis: het ingrijpen der geestelijke macht in de burgertwisten, in Koning Jan; den plotselingen val van een welgevestigd koningschap, wanneer dit eenmaal de strenge lijn van het recht verlaat, in Richard II; den tegenstand, door een met geweld ten troon gestegen vorst van de vazallen, die hem ten troon hebben verheven, ondervonden, welke hem door onophoudelijke zorg en inspanning den dood bereidt, in Hendrik IV; het geluk van een voorspoedigen uitlandschen tocht, dien wij van de eerste vastberaden voorbereiding volgen tot den gevaarlijken strijd en de bevochten zege, en dan weer den ongelukkigen toestand, waarin een door de natuur niet tot regent gevormde vorst tusschen de naijverige en gewelddadige partijen geraakt, tot het zoo ver komt, dat hij den herder benijdt, die bij zijn kudde rustige dagen doorleeft, in Hendrik V en VI; eindelijk de weg der schrikverwekkende misdaad, dien de voor den troon niet bestemde koningszoon betreedt, om dezen toch te bestijgen; alles groote tafereelen in de geschiedenis der staten, niet alleen voor Engeland van beteekenis, maar symbolisch voor alle volken en hun vorsten. De vragen, in het parlement aanhangig, of die van godsdienstigen aard, roert de dichter slechts zeer zelden aan; en het mag wel opgemerkt worden, dat hij in Koning Jan de groote belangen, die tot de Magna Charta voerden, zoo goed als in het geheel niet vermeldt; daarentegen leeft hij en beweegt hij zich in de persoonlijke twisten van den ouden vazallenstaat, de wederkeerige rechten en plichten daarin. Een woord als dit: "zoo gij koning zijt, ben ik Bolingbroke" (in Richard II) onthult ons geheel het rechtsgevoel der middeleeuwen. De rede, die hij den bisschop van Carlisle (mede in Richard II) in den mond legt, is voor alle tijden geldig. De koningskroon, die de hoogste onafhankelijkheid verzekert, schijnt den dichter de wenschelijkste van alle bezittingen; maar het eerrijke goud verteert hem, die het draagt, door de onrustige zorg, die het met zich brengt."
Met welk een vrijheid de dichter te werk gaat, kan zeer wel uit den "Koning Jan" blijken. Niet alleen, dat hij vuurwapenen laat gebruiken in een tijd, dat zij nog niet uitgevonden waren, en Richard Leeuwenhart door den Hertog van Oostenrijk bij Limoges laat vallen, ook in belangrijker opzichten is zijn voorstelling niet met de geschiedenis in overeenstemming. Koning Jan en zijn grooten waren nog Fransche Normandiërs, die in Engeland heerschten; de oudere Plantagenets beschouwden hun groote leengoederen op het vasteland, waardoor zij vazallen aan Frankrijk waren, maar een macht bezaten, grooter dan die van hun leenheer, als hun eigenlijk vaderland; Engeland werd toen inderdaad door Fransche koningen geregeerd; zijn belangen waren geheel in strijd met die van zijn beheerders en het is voor Engeland een geluk geweest, dat zijn zevende Fransche vorst, Koning Jan, een nietige lafaard was, die zich uit Normandië liet verdrijven. Eerst toen zijn Normandische edelen hadden moeten kiezen tusschen het vasteland en het eiland, en door de zee op het laatste waren opgesloten, begonnen de veroveraars en overwonnenen, die onder de heerschappij van een slechten tyrannieken vorst, Koning Jan, dezelfde belangen te verdedigen hadden, elkander in vriendschap te naderen en het aan Jan afgedwongen Groot Charter was het eerste blijk hunner vereeniging, uit welke het Engelsche volk geboren werd.--Toen deze eerste stap gedaan was, werd in minder dan een eeuw de samenstelling voltooid; en het onderscheid tusschen Saksers en Noormannen, bij het aanvaarden der regeering door Jan nog zoo duidelijk zichtbaar, was tegen het einde van de regeering zijns kleinzoons nagenoeg uitgewischt. Toen Eduard III en na hem Hendrik V ter verovering van Frankrijk uittogen, werd het een strijd van Engelschen tegen Franschen en de overwinningen maakten een deel van Frankrijk tijdelijk tot een Engelsch wingewest, de overwinnaars werden bij hun thuiskomst door het Engelsche volk met geestdrift begroet.
Heeft Sh. hier alzoo de samensmelting der volksstammen te vroeg als voldongen voorgesteld, heeft hij verder den valschen, laffen, wreeden, steeds wankelenden koning Jan eigenlijk nog te gunstig geteekend, toch is in dit stuk veel meer waarheid, dan men na het gezegde vermoeden zou. Toen koning Richard gevallen was, stonden de zaken inderdaad zoo, als hij ze schildert. Jan matigde zich, op een uitersten wil van Richard Leeuwenhart steunende, de kroon aan; zijn moeder Eleonore, een eergierige en schrandere vrouw, trok mede te velde en verdedigde de Fransche provinciën bij afwezigheid van haar zoon; de bekwame Philips August wierp zich ter bescherming van Arthur op, onderhandelde persoonlijk met Jan en de vrede werd bezegeld door het huwelijk van den Dauphijn met Blanca van Castilië, nicht van Koning Jan; de kerk mengde zich inderdaad herhaaldelijk in de twisten; Koning Jan brandschatte de geestelijkheid, verzette zich tegen de benoeming van Stephen Langton tot aartsbisschop van Canterbury; door Innocentius III werd het interdict over Engeland en kort daarna de banvloek over den koning uitgesproken; adel en geestelijkheid vielen van den koning af; het volk was gedrukt en angstig; Jan vernederde zich voor den Paus en leide de kroon neder, om leenman van den Paus te worden en haar uit handen van Archidiaconus (niet Kardinaal) Pandulphus terug te ontvangen. Diens verbod vermocht evenwel niet, den oorlog tusschen Frankrijk en Engeland te doen staken, die voor Engeland een ongunstigen keer nam; hierbij kwam een opstand van den adel, die met de onderteekening van het groot Charter eindigde, maar door de trouweloosheid van Jan op nieuw ontbrandde en er toe leidde, dat de Dauphijn, door den adel geroepen, als kroonpretendent in Engeland landde en er zich twee jaren staande hield, den pauselijken ban trotseerend. Dat hij van plan was de Engelsche edelen met ondank te beloonen, en dat de graaf van Melun dit in zijn sterfuur zou geopenbaard hebben, is aan de kronieken ontleend, maar niet zeker. Dat koning Jan door een monnik der abdij van Swinstead vergiftigd zou zijn, is een gerucht, dat reeds vroeg ontstaan is; maar inderdaad stierf hij aan het onmatig gebruik van perziken en cider, toen hij ziek en koortsig was. Prins Hendrik was toen nog zeer jong.
De bastaard Philip Faulconbridge (Richard Plantagenet) is een verdicht persoon, maar wèl wordt in den strijd, waardoor onder de regeering van Hendrik III de Dauphijn uit Engeland verdreven werd, een bastaard van koning Jan, Richard geheeten, als dapper strijder en gelukkig aanvoerder genoemd; misschien heeft de volksoverlevering dezen in een bastaard van Leeuwenhart veranderd. De bastaarden speelden meermalen een groote rol; de in dit stuk voorkomende graaf van Salisbury, William Longsword, is mede een bastaard, namelijk van Hendrik II en de schoone Rosamunde.
Hubert de Burgh is in de geschiedenis bekend als trouw aanhanger des Konings, die zich zoowel op het vasteland als in Engeland door zijn dapperheid onderscheidde, vooral door zijn gelukkige verdediging van Dover tegen den Dauphijn. Toen in het jaar 1202 Arthur van Bretagne,--die niet zoo jong was als hij in dit stuk voorkomt,--aan Jan in handen viel, werd hij ter bewaking toevertrouwd aan Hubert de Burgh, toen bevelhebber van het slot Falaise in Normandië. Toen de koning zijn beulen naar Falaise zond, om Arthur de oogen uit te steken, verspreidde Hubert, om hem te redden, het gerucht, dat Arthur gestorven was, doch herriep dit weldra, toen Bretagne bij het hooren hiervan in opstand kwam. De koning gaf Arthur toen aan een ander toezicht over en liet hem naar Rouaan voeren, waar hij in het jaar 1203 op raadselachtige wijze verdween, naar sommigen willen, door koning Jan met eigen hand vermoord.
I. 1. 1. Frankrijk. Frankrijk beteekent den Koning van Frankrijk, op gemeenzame wijze door Koning Jan zoo genoemd; de gezant daarentegen drukt in zijn antwoord op de koninklijke waardigheid.
I. 1. 9. Arthur Plantagenet. Koning Hendrik II was gehuwd met Eleonore, gescheiden gemalin van koning Lodewijk VII van Frankrijk. De kinderen waren: 1. Hendrik ( 1183); 2. Koning Richard Leeuwenhart ( 1199); 3. Godfried van Bretagne, gehuwd met Constance, die één zoon naliet, Arthur; 4. Koning Jan, wiens zoon Hendrik III werd; 5. Eleonore, gehuwd met Alfonso van Castilië, uit welken echt Blanca gesproten is.
I. 1. 40. Ons is de macht van het bezit, en 't recht. Dat hij het recht op zijn zijde heeft, wil Koning Jan anderen, en misschien zichzelf diets maken; zijn moeder weet het beter en komt er voor uit.
I. 1. 92. Dat hij een half-gezicht heeft. De Bastaard neemt voor zijn broeder het woord en beantwoordt den koning. Hij vergelijkt het schrale, smalle gezicht van zijn broeder--diens halfgezicht--met het koningsbeeld op een zilveren munt, dat en profil, dus half, werd voorgesteld. Op oudere munten stond het koningsgelaat en face, dus geheel; het voorstellen en profil is later opgekomen. Grooten (1 Groot = 4 stuivers of pence) met het koningsbeeld en profil, half-faced groats, kwamen eigenlijk eerst onder Hendrik VII in Engeland voor.
I. 1. 145. Kijk eens, een tweeblanken-stuk. Look, where three-farthings goes. Zeer dunne zilveren munten, met het beeld van koningin Elisabeth en profil met een roos achter aan het hoofd; vandaar heette het muntstuk, waarmede de bastaard het smalle gezicht van zijn broeder vergelijkt, een three-farthings-rose. (Een farthing = 1/4 penny.)
I. 1. 184. Elk Grietje, iedere boerendeern.--Eenige regels later wordt van tandenstokers gewaagd; deze waren in Sh.'s tijd een nieuwe mode, van het vasteland overgekomen; aan het gebruik er van herkende men den man van de wereld, die gereisd had en met uitheemsche manieren thuis gekomen was; zij werden zelfs als sieraad zichtbaar gedragen.