Part 5
SALISBURY. Sir Richard, wat zegt gij? Hebt gij 't gezien, Gehoord, gelezen, kondt gij ooit het denken, Ja, kunt gij thans zelfs denken, nu gij 't ziet, Dat, wat gij ziet? Kon zelfs gedachte, zonder Dit voorbeeld, zoo iets denken? 't Is het toppunt, De helm, de kam, de kam des kams van't wapen Des moords. Dit is de wreedste, schandlijkste ondaad, De wildste woestheid, de allerlaagste snoodheid, Die parelblinde toorn of dolle woede Ooit aan der zachte deernis tranen bood.
PEMBROKE. Die moord ontschuldigt alle vroegre moorden, Die moord, zoo eenig, zoo voorbeeldeloos, Zal aan der toekomst ongeboren zonden Reinheid verleenen, glans van heiligheid; Nu doet, bij 't licht van dit afschuw'lijk schouwspel, Een dood'lijk bloedbad als een scherts zich voor.
BASTAARD. Het is een bloedig, een doemwaardig werk, Het heilloos schendstuk van een zware hand, Indien eens menschen hand het werk volbracht.
SALISBURY. Indien eens menschen hand het werk volbracht!-- Wij zagen 't scheem'ren dezer daad vooraf; Het is het schendig werk van Huberts hand, Het opzet en het drijven van den koning; Aan zijnen dienst onttrek ik nu mijn ziel, Neêrknielend bij dit puin van lieflijk leven; En adem bij dit ademloos kleinood Den wierook van een heilige gelofte, Der wereld vreugde nimmermeer te proeven, Noch ooit besmet te worden door genot, Noch om te gaan met rust en ledigheid, Aleer ik deze hand verheerlijkt heb Door haar den glans van heil'ge wraak te schenken.
PEMBROKE. BIGOT. Vroom stemmen onze zielen met u in.
(Hubert komt op.)
HUBERT. Ik gloei van 't ijlen, lords, om u te zoeken; Prins Arthur leeft; de koning zendt om u.
SALISBURY. O, hij is stout, en bloost niet voor den dood,-- Weg, gij gehate schurk, scheer u van hier.
HUBERT. Ik ben geen schurk.
SALISBURY. Moet ik 't gerecht bestelen?
(Hij trekt zijn zwaard.)
BASTAARD. Uw zwaard is blank, heer; steek het weder op.
SALISBURY. Nog niet; het wil eens moord'naars huid tot scheede.
HUBERT. Terug, lord Salisbury, terug, zeg ik! Mijn zwaard, bij God, is even scherp als 't uwe. Ik wil niet, lord, dat gij uzelf vergeet, 't Gevaar van mijn gerechte noodweer tartend; Want licht zou ik, bij de' aanblik uwer woede, Uw waarde, uw adel en uw rang vergeten.
BIGOT. Weg, mesthoop! waagt ge een edelman te trotsen?
HUBERT. Neen, bij mijn leven; doch ik sta, zoo 't moet, Voor mijn onschuldig leven zelfs een keizer.
SALISBURY. Gij zijt een moordnaar.
HUBERT. Maak niet, dat ik 't word; Nog ben ik 't niet. Wiens tonge valsch beticht, Hij spreekt onwaar; en wie onwaar spreekt, liegt.
PEMBROKE. Houwt hem in stukken!
BASTAARD. Houdt den vrede, zeg ik.
SALISBURY. Terug gij, of ik tref u, Faulconbridge.
BASTAARD. Tref dan den duivel liever, Salisbury. Zie mij slechts donker aan, of stampvoet eens, Of laat uw drift het wagen mij te smaden, En 't is uw dood; steek op uw zwaard, en snel, Of zóó ros ik u af, u en uw braadspit, Dat gij verklaart, de duivel is hier los.
BIGOT. Wat wilt gij doen, doorluchte Faulconbridge, Wilt gij een schurk, een moordnaar, bij gaan staan?
HUBERT. Dat ben ik niet.
BIGOT. Wie doodde dezen prins?
HUBERT. 'k Verliet hem, nog geen uur geleden, wèl; 'k Vereerde, 'k had hem lief; mijn leven lang Beween ik 't einde van zijn lieflijk leven.
SALISBURY. Vertrouwt dat sluwe vocht niet van zijn oogen; Want zulke druppels mist de boosheid nooit, En hij, die uitgeleerd is, doet ze beken Van deernis en van zuivere onschuld schijnen. Komt allen met mij, gij, wier ziel de lucht, Die walging wekt, verafschuwt van een slachthuis; Hier stik ik bijna van dien zondewalm.
BIGOT. Ja, komt, naar Bury; komt, naar den dauphijn!
PEMBROKE. Dáár kan de koning,--zeg hem dit!--ons spreken.
(De Lords af.)
BASTAARD. Een fraaie wereld!--Wist gij van de daad? Hoe ver, hoe eindloos ver genade reike, Indien gij, Hubert, dezen doodslag deedt, Zijt gij verdoemd.
HUBERT. Heer, hoor mij, hoor mij aan!
BASTAARD. Ha, 'k wil iets u zeggen: Gij zijt verdoemd, zoo zwart,--wat is zoo zwart? Dieper verdoemd zijt gij dan Lucifer; Geen geest der hel zal zoo afzichtlijk zijn Als gij, zoo gij dit kind hebt omgebracht.
HUBERT. Bij mijne ziel--
BASTAARD. Hebt gij slechts toegestemd In deze gruweldaad, zoo wanhoop steeds; En, zoo ge een koord behoeft, de dunste draad, Ooit door een spinnelijf gesponnen, wringt Den strot u toe; een riet wordt u een balk, Waaraan gij hangen kunt; wilt ge u verdrinken, Doe slechts een luttel water in een lepel, En dit zal voor u zijn als de oceaan, Genoeg om zulk een booswicht te versmoren. 'k Heb zwaren, zwarten argwaan tegen u.
HUBERT. Ben ik door daad, door bijval, door gedachten, Aan 't rooven van dien zoeten adem schuldig, Die in dit schoone leem besloten was, Dan miss' de hel nog foltringen voor mij! 'k Verliet hem wèl.
BASTAARD. Ga, draag hem in uw armen! Ik ben verbijsterd, dunkt me, en mis den weg In 't doornenbosch en al 't gevaar des levens.-- Hoe licht heft gij daar nu gansch England op! Uit dit klein stukje doode koningschap Week 't leven, 't recht, de trouw van heel dit rijk Ten hemel; en aan England blijft nu over Krakeel en twist en 't scheuren met de tanden Van 't onbeheerde recht des trotschen troons. Bij 't afgeknaagde been van koningshoogheid Zet nu de wolfsche krijg zijn maan omhoog, En snauwt naar vredes zachte, lieflijke oogen. Nu spant uitheemsch geweld en inheemsch oproer Tot één doel saam; verwoesting loert en wacht, Gelijk een raaf bij een bezwijkend beest, 't Verval af der geroofde heerlijkheid. Gelukkig hij, wiens gordelriem en mantel Dit noodweer uithoudt.--Draag dat kind van hier, En volg mij spoedig; naar den koning wil ik. Veel duizend zorgen dringen, hand aan hand, En toornig blikt de hemel op dit land.
(Beiden af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Aldaar. Een zaal in het paleis.
Koning Jan, Pandulf met de kroon, en Gevolg komen op.
KONING JAN. Zoo heb ik dan den haarband van mijn glorie In uwe hand gelegd.
PANDULF (de kroon teruggevend.) Aanvaard op nieuw Uit deze mijne hand, als leen des pausen, Uw koninklijke hoogheid en gezag.
KONING JAN. Houdt thans uw heilig woord; ga tot de Franschen; Gebruik uw volmacht van zijn heiligheid, En stuit hun tocht, eer alles hier ontvlamt. In opstand zijn onze onvernoegde graven, In tweedracht ligt het volk met zijnen plicht, Daar 't onderdanentrouw en liefde zweert Aan uitlandsch bloed, aan vreemde koningsmacht. Die overstrooming van ontaarde sappen Te breid'len, staat in uwe macht alleen. Dus draal niet, want zoo krank is deze tijd, Dat, zoo men de arsenij niet spoedig toedient, 't Verderf ras ongeneeslijk wezen zal.
PANDULF. Mijn adem was het, die den storm verwekte, Wijl gij den paus hardnekkig hadt weerstaan; Maar nu, daar ge een berouwvol zondaar zijt, Zal ook mijn tong dien oorlogsstorm bezweren, Schoon weder schenken aan 't geteisterd land. Herdenk: op dezen dag, op Hemelvaart, Nadat gij aan den paus uw leeneed zwoert, Legt Frankrijk bij mijn komst de waap'nen neder.
(Pandulf af.)
KONING JAN. Is 't Hemelvaart? Wat zeide de profeet? Dat ik op Hemelvaart voor 't middaguur De kroon zou nederleggen? 'k Heb 't gedaan. Dit zou door dwang geschieden, dacht ik toen; Doch, Gode dank, 't geschiedde slechts vrijwillig.
(De Bastaard komt op.)
BASTAARD. Gansch Kent gaf zich reeds over; enkel 't slot 30 Van Dover kon 't nog houden; Londen heeft Blij den dauphijn ontvangen met zijn krijgers; Uw eed'len luistren niet naar u, maar hebben Den vijand reeds hun diensten aangeboden; En blinde radeloosheid rent in 't rond Bij 't klein getal van uw onzeek're vrienden.
KONING JAN. En wilden mijne lords niet wederkeeren, Toen zij vernamen, dat prins Arthur leeft?
BASTAARD. Zij vonden dood hem liggen op den weg, Een ledig kastje, waar 't juweel des levens Uit was gestolen door een vloekb're hand.
KONING JAN. Die booswicht Hubert zeide, dat hij leefde.
BASTAARD. Nu, bij mijn ziel, hij sprak naar wat hij wist.-- Doch waarom buigt gij 't hoofd en ziet gij somber? Wees groot in 't handlen, als uw denken 't was. Laat niet de wereld vrees en droef mistrouwen In de' oogopslag ontwaren van een vorst. Wees rustloos als de tijd, vuur tegen vuur, Bedreig den dreiger, overtrots den trots Van snoevende verschrikking, opdat de oogen Van laag'ren, die zich steeds naar hoog'ren richten, Door uwen voorgang schittrend, met den glans Van wakk'ren, onversaagden moed zich tooien. Van hier! en glans, gelijk de god des oorlogs, Wanneer hij 't sieraad zijn wil van het veld; Toon stoutheid en een hoopvol zelfvertrouwen. Wat! zullen ze in zijn hol den leeuw bestoken, Daar schrik aanjagen, daar hem sidd'ren doen? O, dat dit niemand zegg'!--Vooruit! zwerf rond, En zoek den opstand op, ver van uw deur, En grijp hem aan, eer hij u nader komt!
KONING JAN. De pauslijke legaat is hier geweest, En 'k heb met hem een blijden zoen getroffen; En hij nam op zich, 't leger des dauphijns Naar huis te zenden.
BASTAARD. O onteerende afspraak! Wat! zullen wij op eigen grond en erf Nu zoete woordjes géven, ons verdragen, Flikflooiend smeeken, laf een vrede sluiten Met ingedrongen waap'nen? zal een melkbaard, Een zijden pronker, Englands velden trotsen, Zijn moed op onzen strijdb'ren bodem koelen, De lucht met ijdel vaangewapper hoonen, En zonder weerstand? Neen, mijn vorst, te wapen! Wellicht mislukt den kardinaal de vrede, En zoo ook niet, dan moog' men zien en zeggen: "Zij stonden reeds gereed tot tegenweer!"
KONING JAN. U zij de leiding dezes tijds vertrouwd.
BASTAARD. Op dan, met goeden moed! Want weet, ik acht, Zelfs stouter vijand vlood voor onze macht!
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een vlakte bij Sint Edmund's Bury.
Gewapend komen op: Lodewijk, Salisbury, Melun, Pembroke, Bigot, met Soldaten.
LODEWIJK. Laat, graaf Melun, hiervan een afschrift nemen; Dit worde ter herinn'ring goed bewaard; En geef 't oorspronklijk stuk den lords terug, Opdat èn zij èn wij, 't verdrag bezittend, Bij 't overlezen weten, wat wij saâm, Bij 't nemen van het sacrament, bezwoeren, En vast, onwrikbaar zijn in onze trouw.
SALISBURY. Wij zullen onzerzijds die nimmer breken. En, eed'le prins, al zweren wij u hier Vrijwill'gen ijver, ongedwongen trouw Bij uwe zaak, geloof mij toch, dauphijn, 't Verheugt mij niet, dat zulk een kwaal des tijds Een pleister door verfoeiden opstand zoekt, En de' ouden kanker ééner wonde heelt, Door velen er te maken. 't Grieft mijn ziel, Dat ik dit ijzer van mijn zijde trekken En weeuwen maken moet; o! en juist daar, Waar eed'le redding, kloeke tegenweer Den naam van Salisbury tot leuze heeft. Maar zoo groot is 't verderf van dezen tijd, Dat voor 't herstel en 't welzijn van ons recht Wij niets vermogen, dan juist door de hand Van warr'lend onrecht, ongerechte strengheid.-- O, is 't geen jammer, mijn gekrenkte vrienden, Dat wij, de zoons en kindren van dit eiland, Geboren zijn tot zulk een bitter uur, Dat we in 't gevolg van vreemde legerscharen Die moeder op den teed'ren boezem treden, Haars vijands rijen vullen,--'k ga ter zijde, De smet van dien gedwongen kamp beschreiend,-- Om de' adel op te luistren van een ver, Vreemd land, hier vreemde vanen te verzellen? Wat! hier? O volk, dat gij verhuizen kondt! Neptunus' armen, die u dicht omstrenglen, U voerden, waar ge uzelven niet meer kent, En vast u haakten aan een heidensch strand, Waar deez' twee christenlegers 't wrokkend bloed, In steê van 't onbuurschapp'lijk te vergieten, Vereenden in één bondgenootenaâr!
LODEWIJK. Die taal is spiegel van uw eed'len aard; Die boezemstrijd van dwang en liefde brengt Een aardeschudding voort van adeldom. O welk een eed'len kamp hebt gij gestreden Van dwang des tijds en ridderlijk gevoel! Sta toe, dat ik dien eed'len dauw u afwisch, Wiens zilver over uwe wangen vloeit. Bij vrouwetranen smolt mijn harte vaak, En die zijn toch een daaglijksche overstrooming; Maar deze vloed van zulke een mannedroppen, Die stortbui opgewaaid door zielestorm, Vervaart mijn oogen en ontzet mij meer, Dan zoo ik 's hemels hooge welving gansch Met vuur'ge meteoren zag bemaald. Hef op het hoofd, vermaarde Salisbury, En dring met uw groot hart dien storm ter zij; Laat zulke waat'ren aan die zuiglingsoogen, Die nooit der reuzenwereld woeden zagen, 't Geluk nooit anders kenden dan van feesten, Recht warm van bloed, van vreugd, van drok gesnap. Kom, kom; want in des voorspoeds rijken buidel Steekt gij voorwaar uw hand niet minder diep, Dan Lood'wijk zelf;--dit doet gij allen, eed'len, Die uwe spierkracht aan de mijne knoopt.
(Pandulf komt op, met Gevolg.)
Zie, is 't niet, of een engel dit mij ingaf? De heilige legaat treedt ijlings nader, En geeft ons volmacht van des hemels hand, En stempelt op ons doen den naam van 't recht Met heil'gen adem.
PANDULF. Heil, doorluchte prins! Hoor dit nu:--Koning Jan heeft zich met Rome Verzoend; zijn geest keerde in zichzelven in, Die pas zoo uitvoer op de heil'ge kerk, De groote bisschopsstad, den Roomschen stoel. Daarom, rol thans uw fiere vanen op, En tem den woesten geest des wilden krijgs, Dat hij, een leeuw gelijk, die uit de hand Is grootgebracht, aan vredes voet zich vlije, Zacht, enkel naar zijn uitzicht nog geducht.
LODEWIJK. Hoogwaardige, vergeef; 'k wil niet terug. Ik ben te hooggeboren voor lijfeig'ne, Voor een, die staâg eens meesters wil volbrengt, Of voor een bruikbaar dienstman, voor een werktuig, Al waar' het van der wereld hoogsten troon. Uw adem blies de doode kolen aan Des krijgs van dit vernederd rijk en mij; Gij bracht de brandstof aan om 't vuur te voeden, En nu is 't veel te sterk om 't uit te blazen Met zulk een zwakken wind als die 't ontstak. Gij deedt het aanschijn van het recht mij kennen, Gij toondet mij mijn aanspraak op dit land, Ja, wierpt deze onderneming in mijn hart; En komt gij nu vertellen: Jan heeft vrede Gemaakt met Rome? Wat raakt mij die vrede? Ik eisch, naar de eere van mijn huwlijksbed, Na Arthurs dood dit land voor mij als 't mijne, En nu het half veroverd is, moet ik Terug, wijl Jan met Rome vrede sloot? Ben ik dan Rome's slaaf? Wat penning gaf, Wat manschap, welke waap'nen zond mij Rome, Om mij te steunen? Ben ikzelf het niet, Die alle lasten draag? Wie, dan ikzelf En zij, die mijn bevelen volgen, zwoegt Bij dezen tocht en zet den oorlog door? Hoorde ik mij door deze eilandsteden niet Met "Vive le Roy!" luid groeten, waar ik aankwam? Heb ik de beste troeven niet in handen, Om 't spel, dat om een kroon gaat, licht te winnen? En zou ik dit gewonnen spel nu geven? Neen! op mijn eer, dit geeft men nooit mij na.
PANDULF. Gij ziet de zaak alleen van buiten aan.
LODEWIJK. Van buiten of van binnen,--ik blijf hier, Totdat mijn veldtocht zooveel roems verwierf, Als aan mijn fiere hoop was toegezegd, Eer ik dit wakker krijgsheer samenbracht, En van alom die vuur'ge harten uitlas Om zege te overtrotsen, roem te winnen, Zelfs in de kaken van gevaar en dood.
(Trompetgeschal).
Wat kloeke krijgstrompet klinkt daar ons toe?
(De Bastaard komt op, met Gevolg.)
BASTAARD. Verleent mij naar 't gebruik der hoff'lijkheid Alhier gehoor; ik spreek als afgezant.-- Mij zendt de koning, heil'ge kardinaal, Ter kondschap, wat gij voor hem hebt bewerkt; En naar uw antwoord ken ik grens en volmacht, Waaraan mijn tong zich hier te houden heeft.
PANDULF. 'k Vind den dauphijn te stug en wederstrevend; Hij weigert aan mijn aandrang zich te storen, En zegt ronduit, dat hij den krijg niet staakt.
BASTAARD. Bij al het bloed, dat ooit in woede blaakte, Hij heeft gelijk.--Zoo hoort nu Englands koning; Want die spreekt hier zijn koningstaal door mij. Hij staat bereid, en heeft er reden toe;-- Deze aperij, dit onbeleefd bezoek, Die malle pret, die maskerade in 't harnas, Dien melkbaardmoedwil en dit kinderkrijgsvolk, Belacht de koning, en hij staat gereed Dien knapenoorlog, die pygmeën-waap'nen Te zweepen uit den omtrek van zijn rijk. Die hand, wier kracht u voor uw eigen deur Afroste, en over de onderdeur deed springen, Als emmers in gedekte putten duiken, In 't stroo van uwe stallen kruipen deed, Als panden u in kist of koffer bergen, In 't varkenskot, in kerkers en gewelven U veiligheid deed zoeken, u deed beven En rillen, als uw landskraai kraaien ging, Wijl 't u de stem scheen van een Engelsch krijger;-- Zou nu die overwinnaarshand verslapt zijn, Die in uw kamers u getuchtigd heeft? Neen, weet, de dapp're heerscher is gewapend, En als een arend zweeft hij over 't nest, Om neer te schieten, zoo dat nest bedreigd wordt.-- En gij, ontaarde, ondankb're oproerlingen, Bloedgier'ge Nero's, die het lichaam oprijt Van uwe moeder England, gloeit van schaamte! Want ziet, uw vrouwen en uw bleeke meisjes Zijn Amazonen, tripp'len bij de trom, Verruilen vingerhoed voor stalen handschoen; Voor lansen hare naalden, 't zachte hart Voor woesten moed en lust tot bloedvergieten.
LODEWIJK. Staak uw gepoch, en ga in vreê van hier; In 't schelden zijt gij ons de baas. Vaarwel! Te kostlijk is mijn tijd, om hem te spillen Met zulk krakeel.
PANDULF. Veroorloof mij te spreken.
BASTAARD. Neen, ik wil spreken.
LODEWIJK. 'k Hoor naar geen van beiden.-- De trom geroerd! de tong des krijgs bepleite Thans ons belang en 't recht van hier te zijn.
BASTAARD. Uw trommen schreeuwen 't uit, als men ze slaat; Dan zult ook gij, geslagen, doen. Roep vrij Een echo op door 't schreeuwen van uw trom! Nabij u is een trom, en goed gespannen, Die even luid als de uwe klinken zal; Roer vrij een tweede, een andre tweede zal Zoo luid als de uwe, in 't oor van 't luchtwulf raat'len, Des donders stem bespotten; want nabij,-- Dien sluipenden legaat wantrouwend, dien Hij meer uit scherts gebruikt heeft dan uit nood,-- Is krijgsheld Jan, en op zijn voorhoofd zetelt Het hongrig rif des doods, wiens taak het is Veel duizend Franschen heden te verslinden.
LODEWIJK. Komt, roert de trom! wij zoeken dat gevaar.
BASTAARD. Ja, zoek, Dauphijn; gij wordt het dra gewaar.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Aldaar. Een slagveld.
Strijdgedruisch. Koning Jan en Hubert komen op.
KONING JAN. Hoe is de dag voor ons? O meld het, Hubert!
HUBERT. Slecht, vrees ik. Doch hoe is 't uw majesteit?
KONING JAN. De koorts, die reeds zoo lang mij heeft geplaagd, Drukt zwaarder mij dan ooit; mijn hart is krank.
(Een Bode komt op.)
BODE. Mijn vorst, de dapp're Faulconbridge, uw neef, Vraagt, dat uw majesteit het veld verlate En hem bericht' door mij, waarheen gij gaat.
KONING JAN. Zeg hem, naar Swinstead, naar de abdij daar ginds.
BODE. Houd goeden moed; de krachtige versterking, Die de dauphijn alhier verbeidde, leed Op Goodwins zanden voor drie nachten schipbreuk. Sir Richard heeft zoo juist dit nieuws gehoord. De Franschen vechten mat en zijn aan 't wijken.
KONING JAN. Ach, door die booze koorts word ik verteerd; Ik kan dit heuglijk nieuws niet welkom heeten. Naar Swinstead! voer mij naar mijn draagstoel heen; Mijn zwakte neemt nog toe, 'k ben uitgeput.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Aldaar. Een ander gedeelte van het veld.
Salisbury, Pembroke, Bigot en Anderen komen op.
SALISBURY. Ik dacht den koning niet zoo rijk aan vrienden.
PEMBROKE. Op, op! nog eens! Den Franschen moed gegeven! Verliezen wij het, dan zijn wij verloren.
SALISBURY. Die Faulconbridge, die bastaardduivel, maakt, Trots wie hem trots', alleen de slag ons hachlijk.
PEMBROKE. Men zegt, zwaar ziek verliet de koning 't veld.
(Melun komt op, gewond, door Soldaten geleid.)
MELUN. Geleid mij hier naar de Engelsche rebellen.
SALISBURY. Wij heetten anders, in een beet'ren tijd.
PEMBROKE. Het is de graaf Melun.
SALISBURY. Ter dood gewond.
MELUN. Vlucht, lords, gij zijt verraden en verkocht. Trekt uit het oog van 't oproer uwe draden, En neemt de trouw weer op, die gij verwierpt. Zoekt uwen koning op, valt hem te voet; Schenkt deze dag aan den dauphijn de zege, Dan loont hij, is zijn plan, u al uw moeite, En laat uw hoofden vallen. 't Werd bezworen Door hem, door mij, door velen nog met ons, Op 't altaar van Sint Edmunds' Bury; ja, Aan 't eigen altaar, waar wij pas aan u Getrouwe vriendschap, eeuw'ge liefde zwoeren.
SALISBURY. Maar kan dit waar zijn? Kan dit moog'lijk zijn?
MELUN. Heb ik den gruwb'ren dood niet reeds voor oogen? Slechts luttel levens rest mij, dat al bloedend Reeds wegvloeit, evenals een wassen beeld Bij 't vuur ras smelt en allen vorm verliest. Wat kan ter wereld thans mij doen bedriegen, Nu alle winst me ontgaat van elk bedrog? Wat zoude ik liegen, nu ik toch in waarheid Hier sterven moet en ginds door waarheid leven? 'k Herhaal: zoo Lood'wijk heden zegeviert, Dan breekt hij zijnen eed, indien uw oogen Nog eens den dag in 't oosten rijzen zien. Nog deze nacht, wier zwarte, giftige adem Alreeds den vuur'gen helm der oude, zwakke, Van 't schijnen moede zon met smook omwalmt, Nog deze booze nacht betaalt uw adem De boete van 't geschat, verkocht verraad Met de verradersboete van uw levens, Zoo Lood'wijk door uw bijstand zegeviert. Groet zeek'ren Hubert, volger van uw koning; Vriendschap voor hem, en dit ook, dat ikzelf Van mijn grootvader Engelsch bloed bezit, Wekt mijn geweten, dit u mee te deelen. Tot loon hiervoor, ik bid u, draagt mij weg, Ver van dit woeste strijdgewoel, opdat ik In ruste 't oov'rig deel van mijn gedachten Uitdenken moge, en lijf en ziel doe scheiden In overdenking en in vroom gebed.
SALISBURY. 'k Geloof u,--en,--straff' God mijn ziel!--mij zijn De vorm en 't aanschijn welkom dezer schoone Gelegenheid, om weer de schreden onzer Doemwaarde vlucht terug, te niet te doen. Laat ons, als een teruggetreden stroom, Een wulpschen, regelloozen loop verzakend, Weer duiken in de boorden, die we ontvloden, En rustig vloeien in gehoorzaamheid Naar de' oceaan, naar onzen koning Jan.-- Mijn arm zal helpen, om u weg te dragen; Ik lees de bitt're doodspijn in uw oog.-- Dan nieuwe vlucht! Op, vrienden, heengesneld! Dit nieuwe is goed, daar 't oud, goed recht herstelt.
(Allen af; Melun wordt weggedragen.)
VIJFDE TOONEEL.
Aldaar. Het Fransche legerkamp.
Lodewijk komt op met een gevolg van Krijgslieden.
LODEWIJK. De zon des hemels, dunkt mij, zonk slechts dralend, Maar toefde en deed den westerhemel blozen, Toen Englands heer zijn eigen veld terugmat In moeden aftocht. O, wat schoon besluit, Toen wij, met laatst, maar nood'loos schutgevaarte, Na 't bloedig dagwerk goede nacht hun wenschten, En eervol onze vanen samenrolden, Het laatst in 't veld en schier er meesters van!
(Een Bode komt op.)
BODE. Waar is de prins dauphijn?
LODEWIJK. Wat is er? Spreek.
BODE. De graaf Melun is dood, en de Engelsche eed'len Zijn op zijn raad van u weer afgevallen; En de versterking, lang door u gewenscht, Strandde op de Goodwin-zanden en verging.
LODEWIJK. O vloek'bre, booze tijding!--Vloek op u! Zoo droeve nacht verwachtte ik niet, als mij Uw nieuws daar brengt.--Wie zeide, dat de koning Het veld ontvlood, een uur of twee aleer De plompe nacht de moede legers scheidde?
BODE. Wie 't ook gezegd hebb', het is waar, mijn vorst.
LODEWIJK. 't Zij zoo.--Van nacht de posten goed bezet! De dag is wis zoo vroeg niet op als ik, Om morgen ons geluk weer te beproeven.
(Allen af.)
ZESDE TOONEEL.
Een open vlakte bij de abdij van Swinstead.
De Bastaard en Hubert komen op, elkander ontmoetend.
HUBERT. Wie daar? spreek! ho! spreek daad'lijk, of ik schiet.
BASTAARD. Goed volk.--En wat zijt gij?
HUBERT. Ik ben voor England.
BASTAARD. Waar gaat gij heen?
HUBERT. Gaat u dat aan? kan ik niet even goed U naar uw plannen vragen, als gij mij?
BASTAARD. Hubert, naar ik geloof?
HUBERT. Een goed geloof. Ik waag het dan en denk van u, dat gij Een vriend zijt, daar gij aan mijn stem mij kent. Maar wie zijt gij?
BASTAARD. 'k Ben wien gij wilt, maar wilt gij Mij een genoegen doen, zoo denk, dat ik Wel eenig bloed heb der Plantagenets.
HUBERT. O lomp geheugen! gij en zwarte nacht Doen mij beschaamd staan;--dapp're held, vergeef, Dat eenig woord, van uwe tong gevloeid, Aan 't scherp erkennen van mijn oor ontsnapte.