Koning Jan

Part 4

Chapter 44,098 wordsPublic domain

LODEWIJK. En rijk, lijf, alles derven, als nu Arthur.

PANDULF. Wat zijt gij groen en jong in de oude wereld! Voor u wroet Jan; de tijd spant saam met u; Wie zijn geluk in bloed, echt bloed, gaat domp'len, Vindt slechts een bloedig en onecht geluk. Die boos bedreven daad zal 't hart verkoelen Van heel zijn volk, hun ijver doen bevriezen; En juub'lend groeten zij de kleinste kans, Die opkomt, om zijn troon omver te stooten; Er komt geen luchtverheev'ling aan den hemel, Geen werking der natuur, geen donk're dag, Geen bolle wind, geen alledaagsch verschijnsel, Waarvan zij niet den waren aard miskennen, Ze meteoren, wond'ren, teekens noemend, Voorboden, wangeboorten, hemelstemmen, Verkondigers der wraak, die Jan bedreigt.

LODEWIJK. 't Kan wezen, dat hij Arthurs leven spaart, Door zijn gevangenschap zich veilig reek'nend.

PANDULF. O, prins, wanneer hij van uw naad'ring hoort, En Arthur nog niet uit den weg geruimd is, Dan sterft hij op die tijding, en dan keert Heel 't volk het hart vol weerzin van hem af, Kust onbekenden ommekeer de lippen, En zuigt uit Jans bebloede vingertoppen Gerechte gronden tot verzet en wraak. En, o! wat broedt de tijd nog beet're dingen Dan deze u uit! De bastaard Faulconbridge Is thans in England, brandschat daar de kerken En krenkt de vromen; ware een twaalftal Franschen Gewapend ginds, zij waren als een lokstem, Die tienmaal duizend Engelschen hun handvol Versterken deed, gelijk een vlokje sneeuw Voortrollend tot een berg wordt. O, dauphijn, Ga met mij naar den koning. 't Is verbazend, Wat zich uit hun misnoegdheid smeden laat, Nu aller hart tot aan den rand vol wrok is. Naar England dus; ik spoor den koning aan.

LODEWIJK. Ja, kom! een klemmend woord geeft hand'len klem, En zegt gij ja, wacht dan geen neen van hem.

(Beiden af.)

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Northampton. Een vertrek in het slot.

Hubert en twee Dienaars komen op.

HUBERT. Maakt mij die ijzers heet, en schuilt dan weg Daar achter 't wandtapijt; komt, als mijn voet Der aarde boezem stampt, fluks voor den dag, En bindt den knaap, dien gij dan bij mij vindt, Vast aan den stoel; geeft acht! Nu heen, en luister!

EERSTE DIENAAR. 'k Hoop, dat uw volmacht toereikt voor die daad.

HUBERT. Onnooz'le twijfling! ducht gij niets, let op!

(De Dienaars af.)

Kom, jonge knaap; ik heb u iets te zeggen.

(Arthur komt op.)

ARTHUR. Goeden morgen, Hubert.

HUBERT. Goeden morgen, kleine prins.

ARTHUR. Zóó kleine prins,--hoe groot mijn aanspraak zij Om meer te zijn,--als moog'lijk,--Gij ziet somber.

HUBERT. Ik ben wel vroolijker geweest.

ARTHUR. Mijn hemel! Mij dunkt, geen mensch moest somber zijn dan ik; Toch weet ik nog recht goed, ik zag in Frankrijk Wel jeugdige eed'len somber als de nacht, Uit grilligheid. Zoo waar ik christen ben, Ware ik slechts vrij, al ware ik schapenhoeder, Den lieven langen dag zou 'k vroolijk zijn; Ja, 'k zou het hier zelfs zijn, als ik niet vreesde, Dat mij mijn oom nog erger leed wil doen, Want hij is bang voor mij en ik voor hem. Kan ik het helpen, dat ik Godfrieds zoon ben? Toch zeker niet; bij God, ik wenschte, Hubert, Dat ik úw zoon was, als gij van mij hieldt.

HUBERT (ter zijde.) Spreek ik met hem, dan zal zijn kinderpraat Mijn medelijden, dat nu dood is, wekken; 'k Wil daarom snel te werk gaan en het doen.

ARTHUR. Gij ziet er bleek uit, Hubert; zijt gij ziek? Nu, 'k wenschte wel, dat gij 't een weinig waart, Opdat ik heel de nacht bij u mocht waken; Ik wed, gij zijt mij liever dan ik u.

HUBERT. Zijn praten neemt mijn boezem in bezit.-- Hier, lees dit, Arthur.

(Hij laat hem een papier zien.)

(Ter zijde.) Welk onnoozel vocht! Wijst gij de deur aan onmeedoogend foltren? 'k Moet kort zijn, anders drupt mijn vast besluit Mij de oogen uit in weeke vrouwetranen.-- Kunt gij 't niet lezen? is 't niet goed geschreven?

ARTHUR. Te goed, te goed voor zulk een boozen inhoud. Moet gij met gloeiend ijzer beî mijn oogen Uitbranden?

HUBERT. Knaap, ik moet.

ARTHUR. En wilt gij?

HUBERT. Ja.

ARTHUR. Hebt gij er 't hart toe? Toen gij pijn in 't hoofd hadt, Bond ik u stijf mijn zakdoek om het hoofd,-- Mijn besten, mij door een prinses gewerkt,-- En heb dien nooit van u teruggevraagd. 'k Hield met de hand die nacht het hoofd u vast, En, zooals waakzaam de minuten 't uur, Verkortte ik u den loomen gang des tijds, En vroeg: "Wat scheelt u?" en: "Waar hebt gij pijn?" Of: "Wat kan ik nu doen om u te helpen?" Ik denk, wel menig burgerkind waar' blijven liggen, En had geen vriendlijk woord tot u gezegd; Maar gij hadt voor uw ziekedienst een prins. Gij denkt wellicht, mijn liefde was slechts sluwheid, En noemt ze listig,--doe het als gij wilt; Als God wil, dat gij mij mishand'len zult, Dan moet gij 't doen.--Wilt gij mij de oogen blinden? Die oogen, die op u nooit donker blikten, En 't nimmer zullen doen?

HUBERT. Ik heb 't gezworen. Uitbranden moet ik ze u met gloeiend ijzer.

ARTHUR. O, niemand deed het, waar 't geen ijz'ren tijd; Dat ijzer zelf, hoewel roodgloeiend, zou, Deze oogen naadrend, mijne tranen drinken En zóó zijn vuur'ge drift en woede blusschen In 't vocht, door weêrlooze onschuld voortgebracht; Ja, zou daarna zichzelf in roest verteren, Omdat zijn vuur mijn oogen had bedreigd, En zijt gij harder dan gehamerd ijzer? O, zoo een engel mij verschenen waar', En had gezegd, dat Hubert mij zou blinden, Hem had ik niet geloofd, niemand dan Hubert.

HUBERT. Komt hier.

(Hij stampt.)

(De Dienaars komen terug met hoorden, ijzers, enz.)

Doet wat ik u gebood.

ARTHUR. Help, Hubert, help! mijn oogen zijn reeds uit, Reeds door den woesten blik dier booze mannen.

HUBERT. Geeft hier het ijzer, zeg ik, bindt hem vast.

ARTHUR. O God, waartoe behoeft gij zoo te woeden? 'k Wil doodstil staan, ik zal niet tegenspartlen. Om Gods wil, Hubert, bind, neen, bind mij niet. Neen, hoor mij, Hubert, jaag die mannen weg; Stilzitten wil ik dan, stil als een lam, Niet deinzen, geen woord zeggen, zelfs niet rillen, Ja, ook niet toornig naar het ijzer zien. Drijf slechts die mannen weg, en ik vergeef, Wat martling gij mij dan ook aandoen wilt.

HUBERT. Gaat heen, van hier; laat mij alleen met hem.

EERSTE DIENAAR. 't Is goed, liefst ben ik ver van zulk een daad.

(De Dienaars af.)

ARTHUR. O wee, een vriend heb ik daar weggekeven! Zijn blik is donker, maar zijn hart is zacht.-- Roep hem terug, opdat zijn deernis leven Aan de uwe geev'.

HUBERT. Kom, knaap, maak u gereed.

ARTHUR. Geen uitkomst dus?

HUBERT. Geen; gij verliest uw oogen.

ARTHUR. O, hemel, zat er in uw oog een splinter, Een stofje, een zwevend haartje, een mug, een korrel, Of een'ge stoornis in dat kost'lijk zintuig! Dan voeldet gij, hoe fel daar 't minste steekt, En wat gij voor hebt, kwame u gruw'lijk voor.

HUBERT. Hebt gij mij dit beloofd? Bedwing uw tong.

ARTHUR. Hubert, het smeeken van twee tongen schoot Te kort bij 't pleiten voor een oogenpaar. Eisch niet, dat ik mijn tong betoom, neen, Hubert; Of als ge wilt, snijd mij de tong uit, Hubert, Zoo dit mijn oogen redt! O spaar mijn oogen, Al moeten zij ook niets meer zien dan u. Zie, op mijn woord, het werktuig is reeds koud, En zou geen leed mij doen.

HUBERT. Ik kan 't weer gloeien.

ARTHUR. Neen, neen, voorwaar; het vuur is dood, van droefnis, Dewijl 't, voor troost geschapen, onverdiend Tot gruwlen wordt gebezigd; zie slechts zelf; In deze kool hier huist geen boosheid meer; Des hemels adem blies den geest er uit, En strooit berouwvolle asch haar op het hoofd.

HUBERT. Mijn adem kan haar doen herleven, knaap.

ARTHUR. Zoo gij dit doet, dan doet gij haar slechts blozen, Van schaamte gloeien, Hubert, om uw doen; Zij zal misschien uzelf in de oogen spatten, Gelijk een hond, dien men tot vechten drijft, Ook naar zijn meester, die hem aanhitst, bijt. Elk ding, waar gij mij mee wilt schaden, weigert Zijn dienst u; u alleen ontbreekt de deernis, Die 't grimmig vuur en ijzer toonen,--wezens, Voor deernislooze plannen steeds gebruikt.

HUBERT. Nu,--zie, opdat gij leeft; ik raak uw oogen Voor al de schatten van uw oom niet aan; En toch, ik zwoer, en was besloten, knaap, Ze, met dit ijzer hier, u uit te gloeien.

ARTHUR. Nu ziet ge er uit als Hubert; al dien tijd Waart gij vermomd.

HUBERT. O stil! niets meer. Vaarwel! Uw oom mag niet vermoeden, dat gij leeft; Aan die verspieders disch ik sprookjes op. En nu, lief kind, slaap zonder zorg, gerust, Dat Hubert u, voor al der wereld schatten, Geen leed ooit doet.

ARTHUR. O God, ik dank u, Hubert.

HUBERT. Geen woord meer; sluip mij na, in stilte, schuw; In veel gevaar begeef ik mij voor u.

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een statiezaal in het paleis.

Koning Jan, gekroond; Pembroke, Salisbury en andere Lords komen op. De koning zet zich op den troon.

KONING JAN. Hier zeetlen wij nog eens, nog eens gekroond, En, zoo ik hoop, aanschouwd met blijde blikken.

PEMBROKE. Waar' dit "nog eens" niet uwer hoogheid wensch, 't Ware eens te veel; gij waart alreeds gekroond, En 't koningschap was nooit aan u ontrukt, Der mannen trouw door oproer nooit bevlekt, En 't land ook niet beroerd door woelig streven Naar nieuwe reegling of een beetren toestand.

SALISBURY. Daarom, met dubb'len praal een troon te sieren, Een recht te omboorden, prachtig reeds omzoomd, Fijn goud te gulden, lelies te overschildren, 't Viooltje met fijn reukwerk te oversprenklen, Het ijs te gladden, bij den regenboog Een nieuwe tint te voegen, en met kaarslicht Het schitt'rend oog des hemels op te luistren, Verkwisting is 't, belachlijke overdaad.

PEMBROKE. Uw hooge wil verlangde 't, anders waar' Dit doen als een oud sprookje, op nieuw verteld, Dat bij het laatst herhalen elk mishaagt, Dewijl 't ontijdig opgedrongen wordt.

SALISBURY. Zoo wordt het waardig, welbekend gelaat Van 't oud, eenvoudig, goed gebruik ontsierd, En, als een omgeslagen wind een zeil, Zwaait dit de richting der gedachten om, Maakt overweging huiv'rig en bezorgd, Gezonde meening krank, waarheid verdacht, Door 't aandoen van een zoo nieuwmodisch kleed.

PEMBROKE. Wanneer een werkman 't beter maken wil Dan goed, hij richt zijn kunst te grond door eerzucht; Wanneer een fout met zorg ontschuldigd wordt, Vaak wordt zij erger door de ontschuldiging, Zooals een lap, die op een kleine scheur Gezet wordt, juist door 't heelen de aandacht trekt, En meer ontsiert dan de ongelapte scheur.

SALISBURY. In dien geest uitte, eer gij op nieuw gekroond werdt, Zich onze raad, maar het behaagde uw hoogheid Dien te verwerpen, en 't is allen goed, Daar alles, ieder deel van wat wij wilden, Geheel zich schikt naar uwer hoogheid wil.

KONING JAN. 'k Heb voor deez' dubb'le kroning enkle reed'nen U meegedeeld, en houd die nog voor sterk; Ik voeg er meer en beetre bij, zoodra Mijn zorgen minder zijn;--doch vraagt inmiddels, Verbeetring die gij wenscht, van wat niet goed is; En ziet dan klaar, hoe gaarne ik uwe wenschen Zoowel vernemen als verhooren wil.

PEMBROKE. Zoo vraag dan ik, als dezer eedlen tong, Die aller hartewenschen stem verleent, Zoo voor mijzelf als hen, maar, bovenal, Voor uwe veiligheid, die hen en mij Tot stâgen ijver aandrijft,--vraag van harte Arthurs invrijheidstelling, daar zijn hechtnis Thans der misnoegdheid lippen morren doet, Hen opwekt tot dit ongewenscht betoog: "Bezit gij rechtens wat ge in rust bezit, Hoe kan dan vrees, die, naar men zegt, van 't onrecht De schreden volgt, u drijven, dat ge uw neef Opsluit, een teedren knaap? zijn jonge dagen In grove onwetendheid verstikt, zijn jeugd 't Rijk voorrecht weigert van een eedle vorming?" Opdat geen vijand uws bewinds ooit meer Hieruit een wapen smeed', zij onze bede, Dat gij ons zijne vrijheid hebt doen vragen, Waardoor wij niets verzoeken voor onszelf, Dan in zooverre ons heil, op u berustend, Uw heil het acht, dat hij in vrijheid zij.

(Hubert komt op.)

KONING JAN. Zoo zij het dan, aan uwe leiding geef ik Zijn jeugd nu over.--Hubert, brengt gij nieuws?

(Hubert fluistert den koning iets toe.)

PEMBROKE. Dat is de man, die 't bloedig stuk moest doen; Hij liet een vriend van mij de volmacht zien. De afspiegling van een zwarte booze daad Leeft in zijn oog; dat saamgeplooid gezicht Wijst op den storm van een ontroerd gemoed; Ik vrees maar al te zeer, 't is reeds gedaan, Wat wij zoo vreesden, dat hem was gelast.

SALISBURY. De kleur des konings komt en gaat; 't geweten En 't moordplan zendt die heen en weer, zooals Geschaarde legers 't hun herauten doen. Zijn spanning stijgt; de buil is rijp, gaat bersten.

PEMBROKE. En breekt zij open, 'k vrees, dan komt als etter De dood er uit van een beminn'lijk kind.

KONING JAN. Ik kan de sterke hand des doods niet keeren.-- Mijn beste lords, mijn wil tot geven leeft nog, Maar wat gij hebt verzocht, is weg, is dood; Hij meldt ons: Arthur overleed van nacht.

SALISBURY. Wij vreesden 't reeds, zijn kwaal was ongeneeslijk.

PEMBROKE. Wij hoorden 't reeds, dat hij den dood nabij was, Nog eer 't kind zelf iets van een ziekte wist; Dit moet verantwoord worden, hier of ginds.

KONING JAN. Wat richt ge op mij zoo fiere, strenge blikken? Denkt gij, dat ik de schaar van 't noodlot voer En over 's levens pols heb te bevelen?

SALISBURY. Hier is valsch spel gespeeld, en schandlijk is 't, Dat hoogheid dit zoo grof te spelen waagt; Heb bij uw spel geluk en vaar nu wel!

PEMBROKE. Wacht nog, lord Salisbury, ik ga met u, En zoek het erfdeel op van 't arme kind, Het kleine koninkrijk, 't ontijdig graf. Die recht had op dit eiland, wijd en zijd, Erlangt drie voet er van! O booze tijd! Dit is zoo niet te dulden; wat ons krenkt, Barst zeker uit, en spoedig, eer men 't denkt.

(De Lords af.)

KONING JAN. In verontwaardiging ontgloeid! 't Berouwt mij; Geen hechte grondslag wordt op bloed gevest, Geen zeker leven ooit op andrer dood.

(Een Bode komt op.)

Uw oog duidt schrik aan. Spreek, waar is dat bloed, Dat ik in uwe wangen wonen zag? Zoo zwarte wolken klaart niets op dan storm; Ontboei uw vlaag!--Hoe gaat het ginds, in Frankrijk?

BODE. Uit Frankrijk ras naar England.--Zulk een macht Werd nooit voor een'gen krijgstocht naar den vreemde En binnen de' omvang van een land gelicht. Zij leerden 't, uwe snelheid na te bootsen; Want nu gij hooren moest: zij rusten toe, Komt reeds de boodschap: zij zijn aangeland.

KONING JAN. Waar dronk zich ginds de waakzaamheid een roes? Waar sliep zij dan? Waar is mijn moeders zorg, Dat Frankrijk zulk een leger saam kon trekken En zij het niet vernam?

BODE. Mijn vorst, haar oor Heeft stof verstopt. Op de' eersten van April Stierf uw vereerde moeder; en ik hoorde, Drie dagen vroeger stierf vorstin Constance In razernij; doch enkel bij geruchte Vernam ik dit; of 't waar is, weet ik niet.

KONING JAN. Weerhoud uw spoed, gij schrikk'lijke verwikk'ling! Treed met mij in verbond, tot ik verzoend ben Met mijn misnoegde pairs.--Mijn moeder dood! Hoe wild zal 't in mijn Fransch gebied dan toegaan!-- Wie is er aan het hoofd van 't Fransche leger, Dat, zoo gij waarheid meldt, hier is geland?

BODE. 't Is de dauphijn.

(De Bastaard komt op, met Peter van Pomfret.)

KONING JAN. Gij hebt mij 't hoofd doen duiz'len Door uw bericht.--Nu, neef, wat zegt de wereld Van uw bedrijf? vervul mijn hoofd niet verder Met nog meer booze tijding; 't is reeds vol.

BASTAARD. Zijt gij bevreesd het ergste te zien komen, Dan valle 't onvoorziens u op het hoofd.

KONING JAN. Verschoon mij, neef, 'k was overstelpt, verbijsterd Door zulk een vloed, maar nu schep ik weer adem, 't Hoofd boven water, en kan iedre tong Gehoor verleenen, spreek' zij, wat zij wil.

BASTAARD. Hoe ik geslaagd ben met de geestlijkheid, Moge u het geld, dat ik bijeenbracht, melden. Maar op mijn reis door 't land hierheen vond ik Het volk ter prooi aan vreemde geestverbijstring, Bezeten van geruchten, ijdle droomen, Niet wetend, wàt zij vreezen, maar vol vrees. En hier is een profeet, dien ik uit Pomfret U medebreng; ik vond hem daar op straat, Waar honderden hem op de hielen volgden; Hij zong hun voor, in ruwe, boersche rijmen, Dat op aanstaande Hemelvaart, 's voormiddags, Uw hoogheid afstand doen zou van de kroon.

KONING JAN. Gij ijdle droomer, waarom zegt gij dit?

PETER. Ik weet vooruit, dat dit gebeuren zal.

KONING JAN. Hubert, voer gij hem weg, breng hem in hechtnis; En op dien middag, dat ik, zoo hij zegt, De kroon zal nederleggen, moet hij hangen. Breng hem in zekerheid en kom terug, Ik heb u noodig.

(Hubert af, met Peter.)

O mijn beste neef, Hebt gij gehoord, wie aangekomen zijn?

BASTAARD. De Franschen, heer, dit is in aller mond; 'k Trof ook lord Bigot en lord Salisbury, Met oogen, rood als pas ontglommen vuur, En andren meer; zij zochten Arthurs graf, Die, zeggen zij, van nacht is omgebracht Op uwen wensen, uw last.

KONING JAN. Mijn lieve neef, Ga, meng u in hun kring, ik weet een middel, Om weder mij hun liefde te herwinnen. Ga, breng hen tot mij.

BASTAARD. 'k Wil hen zoeken, heer.

KONING JAN. Ja, spoed u, zet uw besten voet nu voor. O, thans geen vijand uit mijn onderdanen, Nu vreemde tegenstanders hier mijn steden Doen sidd'ren door een fellen, stouten inval! Wees mijn Merkuur, hecht vleugels aan uw voet, En vlieg als een gedachte tot mij weer.

BASTAARD. De geest des tijds moet vuur'gen spoed mij leeren.

(De Bastaard af.)

KONING JAN. Gesproken als een man van wakkren geest.-- IJl gij hem na; wellicht is hem een bode Recht welkom tusschen hem en gindsche pairs; Wees gij die.

BODE. Ja, mijn vorst, van ganscher harte.

(De Bode af.)

KONING JAN. Mijn moeder dood!

(Hubert komt terug.)

HUBERT. Mijn vorst, men zegt, er werden Vijf manen deze nacht bijeen gezien; Vier stonden er van stil, de vijfde omzwierde Die andre vier met wonderbaren loop.

KONING JAN. Vijf manen?

HUBERT. Grijze mannen, oude vrouwen Voorspellen op de straat er onheil uit. Prins Arthurs dood is reeds in aller mond, En bij 't bespreken schudden zij het hoofd, En fluistert de een den ander iets in 't oor; En hij, die spreekt, vat dan des hoorders pols, En uit des hoorders trekken spreekt ontzetting Door knikken, wenkbrauwfronsen, rollende oogen. Ik zag een smid, zoo, met zijn hamer staan, Terwijl zijn ijzer op zijn aanbeeld koud werd, Met open mond des snijders nieuws verslindend, Die, met zijn schaar en maatreep in de hand, En op zijn muilen, die zijn vlugge haast Aan de verkeerde voeten had geworpen, Van vele duizend Fransche krijgers sprak, Die reeds in Kent geheel slagvaardig stonden. Een ander schraal en haav'loos ambachtsman Valt plots'ling in en spreekt van Arthurs dood.

KONING JAN. Wat tracht gij dezen angst mij mee te deelen? Wat komt gij weer terug op Arthurs dood? Uw hand versloeg hem; ik had groote reden Hem dood te wenschen, gij voor 't moorden niet.

HUBERT. Niet, Heer? hebt gij er mij niet toe gedreven?

KONING JAN. Dat is der vorsten vloek, gediend te worden Door slaven, die in luimen volmacht zien Tot inbraak in des levens bloedig huis, Uit de' oogwenk van 't gezag een wet zich maken, En wanen van verbolgen majesteit Den wil te kennen, als die 't voorhoofd rimpelt Misschien veel meer uit luim dan overleg.

HUBERT. Hier is uw hand en zegel voor mijn daad.

KONING JAN. O, als de reek'ning tusschen aarde en hemel Gesloten wordt, dan zal die naam, dat zegel Getuigen ter verdoemnis tegen ons. Hoe vaak bewerkt het zien van 't booze werktuig De booze daad! Waart gij daar niet geweest, Een knaap, gekozen door natuur, gemerkt, Gestempeld om een schanddaad te begaan, Nooit waar' die moord mij in den zin gekomen; Doch toen ik acht sloeg op uw gruwlijk uitzicht, U bruikbaar dacht voor snood en bloedig werk, Gezind, geschikt voor doodsgevaarlijk doen, Toen repte ik even, zacht, van Arthurs dood; En gij, om in eens konings gunst te dringen, Zaagt tegen 't moorden van den prins niet op.

HUBERT. Mijn vorst,--

KONING JAN. Hadt gij het hoofd geschud, een poos gezwegen, Toen ik van mijn bedoeling duister sprak, Een twijflend oog op mijn gelaat gericht, Alsof ge een duidlijk woord van mij verlangdet, Dan had wis schaamte mij verstomd, gestuit, En uwe vrees had vrees in mij verwekt. Doch gij verstondt mij daadlijk uit mijn wenk, En traadt door wenken in verbond met zonde; Ja, zonder aarz'len was uw hart bereid;-- En zoo voltrok uw ruwe hand de daad, Die geen van beider mond had durven noemen. Uit mijn gezicht, en zie mij nimmer weer! Mijn adel valt mij af; uitheemsche krijgers Trotseeren mijn gezag tot voor mijn poort; Ja, binnen 't lichaam van dit vleeschlijk land, Dit vorstendom, dit rijk van bloed en adem, Heerscht krijg, inwendige opstand; mijn geweten Bestrijdt er fel den dood van mijnen neef.

HUBERT. Weer gij die andren af, die u bestrijden, Want ik verzoen uzelven met uw ziel. Prins Arthur leeft; en deze mijne hand Is schuldloos nog, een maagdlijk reine hand, Niet met de purperkleur van bloed bevlekt. En evenmin kwam in mijn borst de neiging, De gruwel van een moordgedachte ooit op. Natuur hebt gij belasterd in mijn vorm, Die, schoon uitwendig ruw, het hulsel is Van eene ziel, te goed om met den moord Van een onschuldig kind zich te bezoedlen.

KONING JAN. Leeft Arthur nog? O spoed u naar de pairs! Werp dit bericht voor hun ontvlamde woede, En breng hen tot gehoorzaamheid terug. Vergeef, wat mij de hartstocht zeggen deed Van uwe trekken; blind was daar mijn woede; En oogen, vol van bloedgezichten, schetsten U veel meer schrikverwekkend dan gij zijt. O, antwoord niet, maar breng de toornige eedlen Aan 't hof; dat hen uw drang tot ijlen noop'; 'k Bezweer u langzaam, sneller zij uw loop!

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Aldaar. Voor het slot.

Arthur verschijnt op den muur.

ARTHUR. De muur is hoog, maar springen wil ik toch.-- Erbarm u, goede grond, en deer mij niet!-- Schier niemand kent mij; en al ware 't zoo, 't Scheepsjongenskleed vermomt mij voor een elk. Ik ben beangst, en toch wil ik het wagen. Breek ik de beenen niet, dan vind ik wis Wel middel om te ontkomen. 't Zij hoe 't zij, Hier sterf ik zeker, liever sterf ik vrij.

(Hij springt neer.)

Wee mij, het hart mijns ooms is in 't gesteente! God hebb' mijn ziel en England mijn gebeente!

(Hij sterft.)

(Pembroke, Salisbury en Bigot komen op.)

SALISBURY. Ik zal hem bij Sint Edmund's Bury treffen; Zoo zijn wij veilig, en wij moeten treden In 't vriendlijk aanbod van den boozen tijd.

PEMBROKE. Wie bracht den brief des kardinaals ons over?

SALISBURY. De graaf Melun, een edel pair van Frankrijk, Die mond'ling van de gunst van den dauphijn Veel meer berichtte, dan dit schrijven inhoudt.

BIGOT. Zoo laat ons morgenochtend hem begroeten.

SALISBURY. Van hier gaan, meent gij; want wij hebben, lords, Twee lange dagen reis, aleer we er zijn.

(De Bastaard komt op.)

BASTAARD. Vandaag nog eens gegroet, ontstemde lords! De koning vraagt u, fluks tot hem te komen.

SALISBURY. De koning heeft ons zelf van zich vervreemd. Wij voêren niet zijn dunnen, vuilen mantel Met onze vleklooze eer; wij volgen niet Zijn voet, die, waar hij treedt, bloedsporen nalaat. Keer, zeg hem dit; het ergste is ons bekend.

BASTAARD. Hoe boos ge ook denkt, een goed woord acht ik 't best.

SALISBURY. De toorn, en niet beleefdheid, wil zijn recht nu.

BASTAARD. Gij hebt slechts weinig recht in uwen toorn; Dus ware 't recht, dat uw beleefdheid sprak.

PEMBROKE. Heer, heer, de gramschap heeft haar eigen voorrecht.

BASTAARD. Zichzelf te kwetsen, ja, maar niemand anders.

SALISBURY. Dit is de kerker. (Arthur ontwarend.) Wie is 't, die daar ligt?

PEMBROKE. O dood, met reine vorstenschoonheid pralend! Geen graf had de aard, om deze daad te helen!

SALISBURY. De moord, als hatend wat hijzelf bedreef, Legt dit hier bloot, om zoo tot wraak te manen.

BIGOT. Of toen hij aan het graf dit kleinood wijdde, Vond hij het voor een graf te vorstlijk rijk.