Part 3
CONSTANCE (oprijzende). Een booze dag en niet een heil'ge dag! Wat heeft die dag verdiend? en wat gedaan, Dat hij in de' almanak met gouden letters Bij onze hooge feesten prijken zou? Neen, werp dien dag eer uit, weg uit de week, Dien dag van smaad, van eedbreuk, van verdrukking! Of blijft hij staan, dan mogen zwang'ren bidden, Dat deze dag haar last niet van haar neem', Opdat geen wangeboort' haar hoop teleurstell'. Op dezen dag slechts duchte een zeeman schipbreuk; Geen koop, dan van deez' dag, zij ooit verbroken; Wat deze dag begint, loope uit op ramp, Ja, zelfs de trouw verkeere in holle valschheid!
KONING PHILIPS. Bij God, vorstin, geen reden zult gij hebben, Om 't schoone werk van dezen dag te vloeken; Heb ik u niet mijn majesteit verpand?
CONSTANCE. Gij hebt mij met een valsche munt bedrogen, Die majesteit geleek, maar bij den toets Zich waardloos toont. Gij pleegdet meineed, meineed; Ten strijd gerust, bedreigdet gij mijn vijand, Maar nu is hij gerust, en won uw kracht. De strijdmoed en 't gefronst gelaat des oorlogs Werd koel door vriendschap, geblanket door vrede, En ons verderf bezegelt dit verbond.-- Straf, hemel, straf die eedvergeten vorsten! Een weduw roept; wees gij mijn gade, hemel! Duld niet, dat de uren van deez' dag van zonde In vrede voortgaan; sticht, eer de avond valt, Krijg, tweedracht tusschen de eedvergeten vorsten! Hoor, hoor mij!
OOSTENRIJK. Stil, Constance, stilte! vrede!
CONSTANCE. Krijg! krijg; geen vrede! vrede is mij een krijg. O Oostenrijk, Limoges! Gij onteert Uw oorlogsbuit, gij slaaf, ellend'ling, lafaard! Gij kleine held, maar groot in schurkerij! Gij, aan de zij des sterk'ren altijd sterk! Gij, ridder van Fortuin, die nimmer vecht, Dan als die grillenrijke vrouw nabij is En veiligheid u leert! Ook gij breekt eeden, Door vleien grootheid zoekend. O, gij nar, Gij kwispelnar, die pocht en stampt en zweert Voor mijne zaak! Gij slaaf, koudbloedig wezen, Spraakt gij met donderstem niet voor mijn zaak, Als mijn gezworen krijger? moest ik niet Op uw gesternte en heil, uw moed vertrouwen? En valt gij af? loopt ge over naar den vijand? Draagt gij een leeuwenhuid? Gij, werp die af, En hang een kalfsvel om die vuige leden!
OOSTENRIJK. O, dat een man die woorden tot mij sprake!
BASTAARD. En hang een kalfsvel om die vuige leden!
OOSTENRIJK. Ik zeg u, bij uw leven, booswicht, zwijg!
BASTAARD. En hang een kalfsvel om die vuige leden!
KONING JAN. Genoeg, te veel reeds! gij vergeet uzelf.
(Pandulf komt op.)
KONING PHILIPS. Daar komt de heilige afgezant des pausen.
PANDULF. Heil u, gezalfde plaatsvervangers Gods!-- U, koning Jan, u geldt mijn heil'ge boodschap. Ik, Pandulf, kardinaal van 't schoon Milaan, Legaat hier van zijn heiligheid den paus, Ik vraag u namens hem hoogernstig af, Waarom gij onze kerk en heil'ge moeder Vermetel van u stoot, en Stephen Langton, Verkoren aartsbisschop van Canterbury, Zijn heil'gen zetel met geweld onthoudt? Dit vraag ik plechtig in des heil'gen vaders, Paus Innocentius' naam, alhier van u.
KONING JAN. Wat naam op aarde neemt den vrijen adem Van een gewijden koning in 't verhoor? Geen naam is uit te denken, kardinaal, Zoo nietig en onwaardig en belachlijk, Om antwoord me af te vergen, als de paus. Bericht hem dit, en voeg uit Englands naam Nog dit er bij: geen Italiaansche priester Zal in ons rijk ooit tiende of lasten heffen; Zoo waar wij 't opperhoofd zijn onder God, Zoo willen we onder hem dat hoog bewind Handhaven, waar wij 't voeren, zelf, alleen, En zonder bijstand van eens menschen hand. Zeg dit den paus; geen eerbied hem betoond, Hem, noch zijn aangematigd ambtsgezag!
KONING PHILIPS. Broeder van England, dit is heiligschennis.
KONING JAN. Schoon gij, als elke vorst der christenheid, Plomp door dien sluwen paap u leiden laat, Zijn vloek, voor geld steeds af te koopen, duchtend, En schoon gij allen voor laag goud, slijk, vuil, Vervalschten aflaat inkoopt van een man, Die zelf aldus zijn eeuwig heil verkoopt,-- Schoon gij en al die andren, grof misleid, Dit guichelspel met land en rijkdom voedt, Alleen zal ik den paus weerstaan; ik acht Elk vijand, die zich buigt voor zijne macht.
PANDULF. Dan, krachtens 't wettig ambt, dat ik bekleed, Zijt gij vervloekt en in den ban gedaan! Gezegend zal hij zijn, die oproer maakt En eed en leenplicht weigert aan een ketter; En als verdienst'lijk zij die hand geroemd, Gezaligd, als een heilige vereerd, Die langs geheimen weg 't vervloekte leven Aan u ontrooft!
CONSTANCE. O wettig zij 't, dat ik Met Rome ruimschoots hem een wijle vloek! Roep, goede vader kardinaal, roep Amen Op mijnen scherpsten vloek! slechts leed als 't mijne Verleent der tong de macht, naar recht te vloeken.
PANDULF. De wet en macht staan mijnen vloek ter zij.
CONSTANCE. En mijnen; waar de wet geen recht kan doen, Zij 't wettig, dat de wet geen onrecht stuite! De wet kan hier mijn kind zijn rijk niet geven, Want die zijn rijk beheerscht, beheerscht de wet. Is dus de wet het onrecht zelf, hoe kan De wet mijn tong verbieden, dat zij vloekt?
PANDULF. Philips van Frankrijk, laat terstond, op straffe Eens vloeks, de hand van dien aartsketter varen, En stort met Frankrijks macht u ras op hem, Tenzij hij zich voor Rome in deemoed buig'.
ELEONORE. Verbleekt gij, Frankrijk? trek uw hand niet weg.
CONSTANCE. Let, Duivel, op, dat Frankrijk geen berouw krijg' En loslaat, en uw hel een ziel ontroov'!
OOSTENRIJK. Hoor, wat de kardinaal zegt, vorst Philips!
BASTAARD. En hang een kalfsvel om die vuige leden!
OOSTENRIJK. Zoo 'k, fielt, dien schimp nu in mijn zak moet steken, 't Is wijl....
BASTAARD. hij in uw zak tehuis hoort, man.
KONING JAN. Philips, wat zegt gij tot den kardinaal?
CONSTANCE. Niets anders, wacht ik, dan de kardinaal.
LODEWIJK. Bedenk nu, vader, wat de keus is: hier 't Erlangen van den zwaren vloek van Rome, En daar 't verlies van Englands lichte vriendschap; Verwerp het lichtste.
BLANCA. Dat is Rome's vloek.
CONSTANCE. O prins, sta pal! de duivel lokt u hier In de gedaant' der pasgetooide bruid!
BLANCA. Vorstin Constance spreekt niet uit haar hart, Maar uit haar nood.
CONSTANCE. Zoo gij dien nood erkent, Die enkel leeft, wijl trouw gestorven is, Dan volgt noodwendig uit dien nood, dat trouw Herleven zal bij 't sterven van den nood; Vertreed mijn nood dus en de trouw herrijst, Versterk mijn nood en trouw ligt neer, vertreden.
KONING JAN. De vorst is in zichzelf gekeerd en zwijgt.
CONSTANCE. O keer van hem u af en spreek naar eisch.
OOSTENRIJK. Juist, hang aan hem niet, vorst; zij raadt u goed.
BASTAARD. Hang gij een kalfsvel om, onnooz'le bloed!
KONING PHILIPS. Ik ben ontsteld en weet niet, wat te zeggen.
PANDULF. Wat kunt gij zeggen, dat u niet nog meer Ontstellen zal, als u de banvloek treft?
KONING PHILIPS. Eerwaarde vader, stel u in mijn plaats, En zeg, hoe gij u hieruit redden zoudt. Diens konings en mijn hand zijn nieuw vereend, En de verbinding van ons beider zielen Door huwlijk saamgeschakeld, door de kracht Der heiligste geloften saamgesmeed; De laatste in woordenklank zich uitende adem Was hecht bezworen trouwe, vrede, vriendschap Van beide rijken en hun opperheeren; En juist vóór dezen vrede, kort er voor, Zoodat wij nauw de handen konden wasschen Ten handslag bij dit vorstlijk vreêverbond,-- God weet, zij waren rood en oververfd Van 't bloedpenseel der slachting, waar de wraak Den schrikb'ren twist van booze vorsten maalde;-- En deze handen, pas van bloed gereinigd, Tot liefde pas vereend, in beide sterk, Zij zouden nu dien groet, dien druk te niet doen? Met trouwe spelen? spotten met den hemel? Ons zoo tot wispeltuur'ge kindren maken, Dat we onze hand weer wrongen uit de hand, Onze' eed wegzwoeren, en met bloedig heer Des blijden vredes bruidsbed overvielen, En oproer wekten op het lieflijk voorhoofd Van vrome oprechtheid? O, gij heilig man, Eerwaarde vader, laat het zoo niet zijn. Uw vroom gemoed bedenk', besluit', bevele Een zachter uitkomst, dan zal 't heerlijk zijn Uw wil te doen en vrienden steeds te blijven.
PANDULF. Die vorm is vormloos, reed'loos is de rede, Die niet zich tegen Englands vriendschap kant. Daarom ten kamp! wees strijder onzer kerk, Of onze kerk en moeder werp' haar vloek, Een moedervloek, op haar oproer'gen zoon. Frankrijk, gij houdt een slang eer bij de tong, Een grammen leeuw eer bij de forsche klauw, Een dollen tijger veil'ger bij 't gebit, Dan deze hand, die gij omklemt, in vrede.
KONING PHILIPS. Laat ik die hand ook vrij, mijn trouw is 't niet.
PANDULF. Zoo maakt gij trouw tot vijand van de trouw, Stelt, als in burgerkrijg, eed tegen eed, Tong over tegen tong. O, houd uw eed, Den hemel 't eerst gedaan, den hemel 't eerst; Gij zoudt--was de eed--der kerk ten strijder zijn; Den eed, dien gij daarna deedt, zwoert gij tegen Uzelf en kunt gijzelf dus niet volbrengen; Want dat, wat gij bezwoert, verkeerd te doen, Is niet verkeerd meer, als gij 't goed verricht; En onbetracht, zoo 't doen ten booze voert, Wordt plicht, door 't niet betrachten, 't best betracht, 't Best is, dat hij, die in zijn plannen dwaalt, Dan nog eens dwaalt; zij dit niet vrij van dwaling, Die dwaling voert hem toch naar 't goede doel; Meineed maakt meineed goed, als vuur het vuur Bij 't aderschroeien van gebrande wonden. De godsdienst is 't, die eeden houden doet, Maar wat gij zwoert, is met den godsdienst strijdig; Gij zwoert dus tegen dat, waarbij gij zwoert, En maakt een eed tot pand van trouwe tegen Een andren eed; de waarheid, die ge onzeker Bezweert, zweert dit: geen eed te zullen breken; (Wat spotternij ware anders iedere eed!) Maar gij zwoert toch uw eed te zullen breken, En breekt hem, als gij houdt, wat gij bezwoert. Uw latere eed is tegen uwen eersten, Is in uzelven opstand tegen u; Geen beet're zege kunt gij ooit behalen, Dan dat gij uw standvastig beter deel Al wat u wuftheid inblaast, doet bestrijden. 'k Wil door gebed dit beter deel versterken, Als gij dit niet versmaadt; doch doet gij 't wel, Weet, dan treft u de dreiging onzer vloeken, Zóó zwaar, dat gij ze nimmer af zult schudden, Maar om hun zwarten last in wanhoop sterft.
OOSTENRIJK. In opstand zijt ge, in opstand!
BASTAARD. Nog niet stil? Kan zelfs een kalfsvel u den mond niet stoppen?
LODEWIJK. Te wapen, vader!
BLANCA. Op uw huw'lijksdag? En tegen 't eigen bloed, dat gij gehuwd hebt? Wat! moeten we op ons feest verslaag'nen nooden? Moet schel trompetgeschal, dof tromgeroffel, 't Geraas der hel onze' optocht begeleiden? Mijn gade, hoor mij!--ach! hoe nieuw is "gade" Nog in mijn mond!--doch o! bij dezen naam, Dien nooit voor nu mijn tong heeft uitgesproken, Smeek ik u op mijn knieën, doe mijn oom Geen oorlog aan!
CONSTANCE. En ik, o, op mijn knieën, Die lang verhard van 't knielen zijn, smeek ik U, deugdrijke dauphijn, verander niets Aan 't vonnis, door den hemel ingegeven!
BLANCA. Nu zal ik uwe liefde zien; wat kan U sterker roeren dan de naam van "vrouw"?
CONSTANCE. Dat, wat hèm steunt, die u daar steunt; zijn eer. O Lood'wijk, denk, denk aan uw eer, uw eer!
LODEWIJK. 't Is vreemd, uw majesteit schijnt koud te blijven, Nu zulk een hoog belang u voorwaarts dringt.
PANDULF. Ik wil den vloek verkonden op zijn hoofd.
KONING PHILIPS. Neen, neen, 't is nood'loos.--England, ik verzaak u,
CONSTANCE. O, schoon herstel van kranke majesteit!
ELEONORE. O, vuig verraad van Fransche wankelheid!
KONING JAN. Frankrijk, dit uur berouwt u nog dit uur.
BASTAARD. Paai Tijd de klokkeman, de kale koster, Behaagt het hem?--Goed, dan berouwt het Frankrijk!
BLANCA. De zon is bloedig; schoone dag, vaarwel! Wee mij! aan welke zijde moet ik treden? Ik ben voor beide'; elk leger heeft een hand; En wijl ik beiden vasthoud, scheuren woedend Mij beide' uiteen en rijten mij in stukken! Mijn gade, ik kan niet bidden, dat gij 't wint; Oom, mijn gebed moet zijn, dat gij 't verliest; Mijn vader, 'k mag geen wensch doen u ten voorspoed; Grootmoeder, uwen wensch wil ik niet wenschen; Wie hier ook winne, ik ben het, die verlies, Beslist verlies, en eer het spel begint.
LODEWIJK. Bij mij, prinses, zult ge uw geluk niet derven.
BLANCA. Waar mijn geluk leeft, moet mijn leven sterven.
KONING JAN. Ga, neef, trek onze legermacht bijeen.--
(De Bastaard af.)
Frankrijk, van heeten toorn word ik verteerd, Een woede, die ontvlamd is tot een gloed, Dat niets haar kan bedaren, niets dan bloed, Het bloed, het hoogst geschatte bloed van Frankrijk.
KONING PHILIPS. Uw toorn moet u verbranden, gij vergaat Tot asch, aleer ons bloed dat vuur zal blusschen. Pas op! u dreigt gevaar en tegenspoed!--
KONING JAN. Niet meer dan mijn bedreiger.--Op, met moed!
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Frankrijk. Een vlakte bij Angers.
Strijdgedruisch en aanvallen. De Bastaard komt op met Oostenrijks hoofd.
BASTAARD. Zoo waar ik leef, dit wordt een heete dag; Een booze luchtgeest spookt hier in het zwerk En stort verderf neer.--Kop van Oostenrijk, Lig daar, terwijl de bastaard adem schept.
(Koning Jan, Arthur en Hubert komen op.)
KONING JAN. Hubert, bewaak den knaap.--Kom, Philip, op! Mijn moeder werd in onze tent verrast En is gevangen, vrees ik.
BASTAARD. Wees gerust; 'k Heb haar bevrijd; zij is in veiligheid; Toch op, mijn vorst! thans brengt geringe moeite Dit groote werk ras tot een heuglijk eind.
(Allen af).
DERDE TOONEEL.
Aldaar.
Strijdgedruisch, aanvallen, terugtocht. Koning Jan, Eleonore, Arthur, de Bastaard, Hubert en Edellieden komen op.
KONING JAN (tot Eleonore). Zoo zij het; uwe hoogheid blijv' hier achter, Met sterke wacht.--(Tot Arthur.) Zie niet zoo treurig, neef; Grootmoeder heeft u lief en oom zal ook Voor u zoo goed zijn, als uw vader was.
ARTHUR. O, dit verdriet zal wis mijn moeder dooden.
KONING JAN. (tot den Bastaard). Gij neef, spoed u naar Engeland, ons vooruit; En schud, vóór onze komst, de buidels leêg Van pottende abten; stel gevangen englen In vrijheid, want ik moet mijn hong'rig krijgsvolk Nu met des vredes vette ribben spijzen. Rek onze volmacht uit, zoover zij reikt.
BASTAARD. Klok, boek en kaarsen drijven mij niet weg, Als goud en zilver mij tot komen wenken. Vaarwel, mijn vorst.--Grootmoeder, ik wil bidden-- Als ik eens de' inval krijg van vroom te zijn-- Voor uw geluk, en kus u thans de hand.
ELEONORE. Vaarwel, mijn waarde kleinzoon.
KONING JAN. Neef, vaarwel.
(De Bastaard af.)
ELEONORE. Kom hier, mijn kleine nazaat; luister eens.
(Zij neemt Arthur ter zijde.)
KONING JAN. Treed nader, Hubert. O, mijn beste Hubert, Wij zijn in uwe schuld; dit huis van vleesch Omsluit een ziel, die u schuldeischer weet, En uwe trouw met rente u wil betalen; En uw vrijwillige eed, mijn lieve vriend, Leeft hier, met zorg verpleegd, in deze borst. Geef mij de hand. Ik had u iets te zeggen,-- Maar zoek nog steeds een beter melodie. Hubert, bij God, ik ben bijna beschaamd Te zeggen, hoe ik u genegen ben.
HUBERT. Ik ben uw majesteit recht veel verplicht.
KONING JAN. Nog hebt gij, vriend, geen grond om zoo te spreken, Doch heb geduld;--hoe traag de tijd ook kruip', Toch komt de dag, dat ik u goed zal doen. Ik had u iets te zeggen,--maar toch, neen, 't Is heldre zonneschijn; de trotsche dag, Omstuwd van de vermaken van de wereld, Is veel te speelsch, te vol van bonten pronk, Om 't oor te leenen. Zoo te middernacht De klok, met ijz'ren tong en bronzen mond, Voortgalmde in 't loome sluipen van de nacht,-- Zoo 't hier een kerkhof ware, waar wij staan, En gij door duizend krenkingen bezeten,-- Of zoo die sombre geest, melancholie, Uw bloed verdroogd had, zwaar en dik gemaakt, Dat kitt'lend anders de aad'ren op- en afloopt En naar het oog dien zotskap, 't lachen, drijft, Die dan de wangen spant tot ijd'len lust, Een stemming, bij mijn plannen diep gehaat,-- Of, zoo gij zonder oogen mij kondt zien, Mij hooren zonder oor, en zonder tong Mij antwoord geven, met gedachten slechts, Oor, oog noch boozen woordenklank gebruikend,-- 'k Zou, trots het waakzaam broeden van den dag, U mijn gedachten in den boezem storten. Maar ach, ik wil niet;--toch ben ik uw vriend, En meen, voorzeker, dat ook gij mijn vriend zijt.
HUBERT. Zoo zeer, dat, wat gij mij gebiedt te doen, Al moest de dood ook volgen op de daad, Ik toch, bij God, het doen zou.
KONING JAN. Wist ik 't niet? Vriend Hubert! Hubert,--Hubert, werp uw blik Op gindschen jongen knaap. Verneem, mijn vriend, Hij is een echte slang op mijnen weg, En waar mijn voet zich heenwendt, hij ligt vóór mij, Steeds, overal. Verstaat gij mij? 'k Vertrouwde Hem aan uw hoede.
HUBERT. Ik wil hem zoo behoeden, Dat uwe hoogheid niets te duchten heeft.
KONING JAN. Dood.
HUBERT. Mijn vorst?
KONING JAN. Een graf.
HUBERT. Hij leve niet.
KONING JAN. Genoeg. Nu kan ik vroolijk zijn. Hubert, ik ben Uw vriend; wat ik u toedenk, zeg ik niet; Houd in gedachten!--Eedle vrouw, vaarwel; De krijgsmacht, u beloofd, zend ik u toe.
ELEONORE. Mijn zegen ga met u!
KONING JAN. Kom, neef, naar England! Hubert zij thans uw dienaar, begeleide u Met echte trouw!--Komt, op nu, naar Calais!
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Aldaar. De tent van den Koning van Frankrijk.
Koning Philips, Lodewijk, Pandulf en Gevolg komen op.
KONING PHILIPS. Zoo wordt op zee door 't loeien van een storm Een gansche armada van vereende zeilen Verspreid en hun verbond uiteengespat.
PANDULF. Houd moed, getroost! dra gaat weer alles goed.
KONING PHILIPS. Hoe kan dat goed gaan, wat zoo kwalijk loopt? Wij zijn geslagen en Angers genomen; Arthur gevangen, waarde vrienden dood; En bloedig England weêrgekeerd naar England, Frankrijk ten spijt, trots elke hindernis.
LODEWIJK. Wat hij veroverd heeft, heeft hij versterkt; Zóó vuur'ge spoed, zóó door verstand bestuurd, Zóó kalm beleid bij zulk een stout bedrijf Is zonder wedergâ. Wie las of hoorde Ooit van een krijgstocht, zooals deze was?
KONING PHILIPS. Ik zou dien lof aan England kunnen gunnen, Als ik van onze schande een voorbeeld vond.
(Constance komt op.)
Zie, wie komt daar? een graf van eene ziele, Dat in des bangen adems lagen kerker Haars ondanks de' eeuw'gen geest besloten houdt.-- Vorstin, ik bid u, ga met mij van hier.
CONSTANCE. Nu ziet gij, ziet gij de uitkomst van uw vrede!
KONING PHILIPS. Bedaar, Constance; wees getroost, melieve!
CONSTANCE. Neen, ik versmaad alle andren raad en troost, Dan 't eind van elken raad, den waren troost, Dood! dood!--O lieve, schoone, zoete dood! Gij heerlijk geur'ge stank! gezond verderf! Verhef u van uw bed der eeuw'ge nacht, Gij haat en schrik van wie voorspoedig is, En kussen wil ik uw verfoeid gebeente, Mijn oogen in uw leêge kassen drukken, Mijn vingren met uw huisgewormte ringlen, Deze adempoort met walglijk stof verstoppen, En zulk een rif en monster zijn als gij. Kom, grijns mij toe, 'k wil denken, dat gij glimlacht, En als uw vrouw u kussen. Kom tot mij, Ellendes liefste!
KONING PHILIPS. O schoone droef'nis, stil!
CONSTANCE. Neen, neen, zoo lang ik lucht heb, wil ik klagen.-- O, had de mond des donders mijne tong, Dan zou mijn jammerklacht de wereld schokken, En uit zijn slaap dat vreeslijk rif doen rijzen, Dat eener vrouwe zwakken roep niet hoort En lacht met een gewone geestbezwering!
PANDULF. 't Is dolheid, vrouwe, wat gij uit, geen kommer.
CONSTANCE. Onheil'ge man, die leugens van mij spreekt! Ik dol! dit haar, waaraan ik ruk, is 't mijne; Ik heet Constance; ik was de vrouw van Godfried; Mijn zoon is Arthur, en hij is verloren! Ik dol!--o, gave God, dat ik het waar'! Want dan zou ik mijzelf wellicht vergeten; O, kon ik dit, wat leed vergat ik dan!-- Gij, predik wijsheid, om mij dol te maken, En heiligspreking loont u, kardinaal. Nu ik niet dol, maar van mijn leed bewust ben, Nu wijst mij mijn verstandlijk deel den weg, Hoe ik mij van dat wee bevrijden kan, En leert mij, mij te dooden, te verhangen; Doch ware ik dol, ik zou mijn zoon vergeten Of zag een pop van doeken aan voor hem. Ik dol! o al te wel, te wel gevoel ik Van ieder onheil het veelvuldig wee!
KONING PHILIPS. Bind uwe vlechten op.--O, welke liefde Ontwaar ik in die rijke lokkenpracht! Waar bij geval een zilvren druppel viel, Daar hechten duizend dradendunne vrienden Zich aan dien druppel in vereende smart, Als echte, als onafscheidbre trouwe lieven, Die vast elkaar omklemmen in den nood.
CONSTANCE. Naar England! wilt ge?
KONING PHILIPS. Bind uw haren op.
CONSTANCE. Dat wil ik, ja; en waarom wil ik 't doen? Ik reet hen uit hun banden en riep luid: "O, konde deze hand mijn zoon zoo slaken, Als zij de vrijheid aan mijn haren schenkt!" Doch nu misgun ik hun die schoone vrijheid En wil hen weder in hun boeien slaan, Wijl mijn lief kind een arm gevangene is.-- En, vader kardinaal, ik hoorde u zeggen, Dat we in den hemel de onzen zien en kennen; Is 't zoo, o, dan zie ik mijn zoon eens weer; Want nooit sinds Kaïn, de eerste knaap, het licht zag, Tot op den zuig'ling, die sinds gist'ren ademt, Zag de aard een kind, zoo rijk begaafd als hij. Nu zal de worm, het leed, mijn knop verderven, Het jeugdig schoon verjagen van zijn wang, En hol zal hij er uitzien als een spook, Zoo bleek en mager als een koude koorts, En zal zóó sterven, zoo ook weer verrijzen; En als ik hem ontmoet in 't hemelhof,-- 'k Zal hem niet kennen; daarom nimmer, nimmer, Neen, nimmer zie 'k mijn lieven Arthur weer.
PANDULF. Gij geeft te zondig aan uw kommer toe.
CONSTANCE. Zoo spreekt een man, die nooit een zoon bezat.
KONING PHILIPS. Gij mint uw smart niet minder dan uw kind.
CONSTANCE. Smart vult de plaats van mijn afwezig kind, Ligt in zijn bed, gaat op en neêr met mij. En bootst zijn blikken, praat zijn woorden na, Brengt al zijn lieflijkheid mij voor den geest, Vult met zijn vorm zijn leege kleedren op; En heb ik dan geen grond, de smart te minnen?-- Vaartwel, waart gij als ik beroofd, ik zou U beter kunnen troosten, dan gij mij.-- Ik wil geen tooisel dulden op mijn hoofd, Als zulk een stoornis heerscht in mijnen geest. O God! mijn knaap, mijn Arthur, mijn lief kind! Mijn hart, mijn heil, mijn levensbrood, mijn alles! Mijn weduwtroost, mijn heulsap in het leed!
(Constance af.)
KONING PHILIPS. Ik vrees een wanhoopsdaad en wil haar volgen.
(Koning Philips af.)
LODEWIJK. Niets, niets ter wereld kan mij meer verheugen; Het leven is langwijlig als een sprookje, Een slaap'rig man tweemaal in 't oor gereld; Een bittre smaad vergalt de zoete wereld, Zoodat zij smaad en bitterheid slechts schenkt.
PANDULF. Kort vóór 't genezen van een erge kwaal, Als heeling volgt en nieuwe kracht, is de aanval Het heftigst; en een kwaad, dat afscheid neemt, Toont bij het heengaan juist zich op zijn ergst. Wat ging te loor, toen gij den dag verloort?
LODEWIJK. De roem, de vreugd, ja, al 't geluk mijns levens.
PANDULF. Dat waar' gebeurd, zoo gij gewonnen hadt. Neen, neen, wanneer Fortuin den mensch wil goeddoen, Dan blikt zij hem met dreigende oogen aan. 't Is ongelooflijk, hoeveel Jan verloor Door wat hij louter winst acht. U is 't leed, Wiet waar, dat Arthur hem in handen viel?
LODEWIJK. Gewis, zooveel als hem de vangst verblijdt.
PANDULF. Uw geest is even jong nog als uw bloed. Doch hoor, wat mijn profetengeest u zegt; Want de adem zelfs, van wat ik zeggen wil, Zal ieder stofje of halm, den kleinsten aanstoot, Wegblazen van het pad, dat uwen voet Naar Englands troon zal voeren; daarom hoor. Jan heeft thans Arthur weggevoerd; onmooglijk Kan de overweldiger des troons, kan Jan, Zoolang warm leven in 's kinds aad'ren speelt, Een uur, een ademtocht zelfs rust genieten. De hand, die tegen 't recht een scepter greep, Behoeft geweld voor 't hoeden, als voor 't winnen; Wie op een gladde helling staat, versmaadt Geen steun, hoe slecht ook, zoo die helpen kan. Zoo Jan wil blijven staan, moet Arthur vallen; Zoo zij het, want het kan niets anders zijn.
LODEWIJK. En wat kan ik door Arthurs val ooit winnen?
PANDULF. Gij kunt in naam van Blanca, van uw gade, Zijn rijk voor u dan eischen, als nu Arthur.