Part 2
ELEONORE. Verstokte lastertong, een laatste wil Bestaat, en stuit het erfrecht van uw zoon.
CONSTANCE. Gewis! een laatste wil! een booze wil, Een vrouwenwil, een wangrootmoeders wil!
KONING PHILIPS. Stil, stil, vorstin! houd op of matig u. Geen bijvalroepen past aan dezen kring Bij zulk een schril en zoo herhaald geschimp.-- Dat een trompet de burgers van Angers Naar hunne wallen roepe; laat ons hooren, Wiens recht, van Jan of Arthur, zij erkennen.
(Trompetgeschal.-- Burgers verschijnen op den stadsmuur.)
EEN BURGER. Wie is het, die ons op de wallen roept?
KONING PHILIPS. Frankrijk, voor England.
KONING JAN. England, voor zichzelf. Gij mannen van Angers, trouwe onderdanen,--
KONING PHILIPS. Getrouwe burgers, Arthurs onderdanen, Wij nooden u tot vriendlijk onderhoud.
KONING JAN. In òns belang; hoort daarom òns eerst aan.-- Al deze Fransche vanen, opgerukt Tot in 't gezicht, voor 't oog van uwe stad, Verschenen hier, om u verderf te brengen; Van grimmigheid zijn hun kanonnen vol; Zij staan gericht, om al dien ijz'ren toorn Te spuwen tegen uwen vestingmuur; Der Franschen voorbereiding tot een aanval, En bloedig, wreed beleg en storm bedreigt De poorten, uwer stad gesloten oogen; En zonder onze naad'ring ware reeds Dit slapende gesteente, dat als gordel U houdt omsloten, door hun schutgevaarte Verdrongen uit zijn stevig mortelbed, En baande aan bloedig krijgsgeweld verwoesting Den weg reeds om uw vrede te bestormen. Doch op het zien van ons, uw rechten koning, Die moeizaam en met meen'gen snellen marsch Een tegenleger voor uw poorten voerde, Om uwer veste wangen, fel bedreigd, Voor schrammen te beveil'gen,--ziet, nu gunt Onthutst de Franschman u een mondgesprek; In stede van met vuur omvlamde kogels, Om als door koorts uw muren te doen rillen, Schiet hij slechts zachte, in rook gehulde woorden, Om door verraad uw ooren te verdwazen. Vertrouwt hem naar verdienste, waarde burgers, En laat òns binnen, ons, uw rechten koning, Wiens moede kracht, door zooveel haast amechtig, Herberging in uw veste dringend vraagt.
KONING PHILIPS. Hoort mij nu aan, en geeft dan beiden antwoord. Ziet, hier aan mijne rechte,--wier bescherming Ten heiligste is beloofd aan 't recht van hem, Op wien zij rust,--staat prins Plantagenet, De zoon van de' oudren broeder dezes mans, En koning over hem en al het zijne. Om zijn vertreden recht vertreden wij Met ijz'ren voet het veld voor uwe stad, Niet méér als vijand tegen u gestemd, Dan ons de drang van onzen vriendschapsijver, Tot hulp van dezen onderdrukten knaap, Naar onzen eed beveelt. 't Behage u dus, Zooals 't behoort, uw hulde hèm te brengen, Wien zij behoort, 'k meen, dezen jongen prins; Der waap'nen wrok zal, als een beer met muilband, In schijn slechts vreeslijk, dan gekneveld zijn; 't Geschut zal ijdel dan zijn boosheid spillen Op de onverwondbre wolken van het zwerk; En na een blijden, vrijen aftocht brengen Wij, zonder buts of kerf aan helm en zwaard, Het krachtig bloed weer thuis, dat ter besprenging Van uw onwill'ge veste was bestemd, En laten u met vrouw en kroost in vrede. Maar zoo ge ons goedig aanbod dwaas versmaadt, Zal u de ronding uwer grijze muren Niet veil'gen voor de boden onzes krijgs, Al waar' heel 't Engelsch leger met zijn krijgskunst Geherbergd binnen uw versterkten kring. Beslist; erkent ons uwe stad als heer Ter wil van hem, voor wien wij hulde vordren? Of moeten wij aan toorn het teeken geven, Onze' intocht doen, in ònze stad, in bloed?
BURGER. Wij achten Englands koning onzen vorst, En houden onze stad voor hem bezet.
KONING JAN. Erkent den koning dan en laat mij binnen.
BURGER. Dit mogen wij niet doen; wie koning blijkt Naar recht, zijn wij getrouw, maar tot dien tijd Blijft onze poort versperd voor heel de wereld.
KONING JAN. Wijst niet de kroon u uit, wie koning is? Erkent gij 't niet, dan breng ik u getuigen, Driemaal tienduizend echte zonen Englands,--
BASTAARD. Met bastaards en zoo voort.
KONING JAN. Om met hun leven ons goed recht te staven.
KONING PHILIPS. Geen minder tal, van even edel bloed,--
BASTAARD. Waarbij ook enkle bastaards.
KONING PHILIPS. Staat hier om zijne vordring te weerspreken.
BURGER. Tot gij beslecht, wiens recht het beste is, willen Wij tegen beiden 't hoeden voor den beste.
KONING JAN. Vergeev' dan God de zonden al dien zielen, Die heden, vóór de dauw van de' avond valt, Ontzweven zullen naar haar eeuw'ge woning Bij 't schrikk'lijk bloedgeding om 't koningschap!
KONING PHILIPS. Amen!--Te paard, mijn ridderschap! te wapen!
BASTAARD. Sint George, die den draak kastijdde en sedert Te paard zit boven elke tappersdeur, Leere ons wat vechtkunst!--(Tot Oostenrijk.) Kerel, ware ik ginds, In uw hol, kerel, ginds bij uw leeuwin, Ik zette een stierkop op uw leeuwenvel, En maakte u tot een monster!
OOSTENRIJK. Zwetser, stil!
BASTAARD. Gij hoort een leeuw, die brult! dus beef en ril!
KONING JAN. De vlakte hooger op! daar kunnen wij Al onze troepen scharen en ontplooien.
BASTAARD. Snel dan, opdat gij 't voordeel hebt van 't veld.
KONING PHILIPS. (Tot Lodewijk.) Zoo moet het zijn;--en aan den tweeden heuvel Sta 't overschot gereed.--God en ons recht!
(Allen af.)
(Engelsche en Fransche troepen komen weder op. Strijdgedruisch en schermutselingen; daarna wordt het veld door beide partijen, na terugroepingsseinen, ontruimd. Een Fransch Heraut, vergezeld van trompetters, nadert de poort.)
FRANSCHE HERAUT. Ontsluit uw poorten, mannen van Angers, En haalt Bretagne's hertog, Arthur, in, Die dezen dag door Frankrijks hand veel tranen Aan Eng'lands moeders heeft ontperst, wier zoons Verspreid nu liggen op 't bebloede veld; Van meen'ge weduw ligt de man in 't stof, Den roodverkleurden grond verstijfd omarmend En zegepraal met een gering verlies Speelt op der Franschen dansende banieren; Zij naad'ren reeds en komen triumfeerend Hun intocht doen, om Arthur uit te roepen Als Englands koning, tevens uwen vorst.
(Een Engelsch Heraut komt op, van trompetters vergezeld.)
ENGELSCHE HERAUT. Gij burgers van Angers, luidt blij de klokken! Nabij is Englands koning, Jan, uw vorst, Verwinnaar op deez' heeten, boozen dag. De pantsers, zilverblank bij 't gaan, zijn nu Bij 't keeren met der Franschen bloed verguld. Geen vederbos, op Englands helmen prijkend, Werd weggenomen door een Fransche lans; De vanen wapp'ren in dezelfde handen, Die haar ontplooiden bij den uittocht ginds; En als een blijde jagertroep komt juub'lend Oud-Englands volk, de handen gansch gepurperd, In des ontkleurden vijands moord gekleurd. Ontsluit de poort! Laat de overwinnaars binnen!
BURGER. Herauten, van de torens zagen wij Den aanval en terugtocht beider legers Van de' aanvang tot het eind; op hun gelijkheid Vermocht het scherpst gezicht niets af te dingen; 't Was bloed voor bloed; een houw vergold een houw; Macht tartte macht en kracht mat zich met kracht; Gelijk zijn zij, gelijk ook in onze achting. Één gelde meer; tot zoo lang houden wij De stad voor geen van beide, en toch voor beide.
(Van de eene zijde komen op: Koning Jan met zijn troepen, verder Eleonore, Blanca en de Bastaard; van de andere zijde: Koning Philips, Lodewijk, Oostenrijk, en troepen.)
KONING JAN. Spreek, Frankrijk, hebt gij nog meer bloed te spillen? Of laat gij thans ons recht den vrijen loop? Zijn stroom zal, zoo uw wederstand hem tart, Zijn bed verlaten, en, van gramschap zwellend, Uw aangelegen oevers overstelpen, Indien gij aan zijn zilvren waat'ren niet Een vrije baan naar de' oceaan vergunt.
KONING PHILIPS. England, gij hebt geen druppel bloeds bespaard In dezen heeten wedstrijd, meer dan Frankrijk; Eer meer verloren. En, bij deze hand, Die heerscht zooverre deze hemel blikt, Wij leggen 't zwaard niet af, voor 't recht getogen, Eer gij geveld zijt, wien dit zwaard bekampt; Of onzer dooden tal vermeêre een koning, Die aan de lijst der offers van deze' oorlog Den luister schenke van een koningsnaam.
BASTAARD. Ha, majesteit, hoe hoog heft zich uw roem, Zoo 't edel koningsbloed ontgloeit en vlamt! Thans sterkt de dood met staal zijn doode kaken, En krijgerszwaarden vormen zijn gebit; Thans brast hij, nu hij menschenvleesch verscheurt, Bij onbeslechte felle koningstwisten!-- Waarom staan deze legers zoo verstomd? Roept: moord! gij vorsten! keert naar 't bloedig veld, Gij evensterke, in vuur ontvlamde harten! Des eenen val verleen' den andren vrede; Tot zoolang heersche strijd, en bloed, en dood!
KONING JAN. Wiens zijde kiezen nu de stedelingen?
KONING PHILIPS. Spreekt, burgers; England wil 't; wie is uw koning?
BURGER. 't Is Englands koning, als het blijkt, wie 't is.
KONING PHILIPS. Ziet hem in ons, die voor zijn recht hier staan.
KONING JAN. In ons, die van onszelve volmacht hebben En in persoon onze aanspraak gelden doen, Als meester van onszelf, Angers en u.
BURGER. Een hoog're macht dan wij verwerpt dit alles; En tot het uitgemaakt is, sluiten wij Den voor'gen twijfel achter sterke poorten, Beheerscht van onze vrees, tot deze vrees Door een onwraakbaar heerscher wordt onttroond.
BASTAARD. Bij God! Angers' gespuis,--het hoont u, vorsten, En staat daar veilig op zijn hoogen muur Als in een schouwburg, gaapt u aan en wijst Op uw volijvrig spel vol moordtooneelen. Verheven vorsten, laat van mij u raden: Doet als de muiters in Jeruzalem, Weest vrienden voor een wijl, en hoopt vereend Uw scherpsten haat in daden op die stad. Gij, Frankrijk, England, plant in 't oost en westen Uw bresgeschut, geladen tot den mond; Dat raze met zijn zielverschrikkend buldren De kiezelribben neer dier drieste stad; Ik zou op dit gepeupel rustloos vuren, Tot hen verwoesting zoo ontbloot, zoo naakt, Gelijk de lucht hier om ons, achterliet. Is dit geschied, hereent dan elk uw troepen, Voert uw vermengde vanen weer uiteen En ziet elkaâr in 't oog, biedt spits aan spits, En in een oogwenk leest Fortuin zich dan Van de eene zijde wis haar liev'ling uit, Wien zij den roem des daags in gunste schenkt, En dien zij met een trotsche zege kust. Bevalt de dolle raad u, hooge machten? Niet waar, hij smaakt toch wel naar staatsmanskunst?
KONING JAN. Nu, bij den hemel boven onze hoofden, Mij staat hij aan.--Spreek, Frankrijk, willen wij Te zaam Angers eerst slechten tot den bodem, Dan vechten, wie er koning van zal zijn?
BASTAARD. Hebt gij eens konings kern in u, zoo keert, Daar u als ons die dwaze stad beschimpt, De monden van uw zwaar geschut nu fluks, Met ons vereenigd, op die stoute muren; En hebt gij die den grond gelijk gemaakt, Daagt dan elkander uit, verwoed en fel, En zendt elkaar ten hemel of ter hel!
KONING PHILIPS. Het zij zoo.--Zeg, waar gij den aanval doen wilt.
KONING JAN. Van 't westen uit wil ik vernieling zenden In 't hart der stad.
OOSTENRIJK. Van 't noorden ik.
KONING PHILIPS. Mijn donder zal van 't zuiden Zijn kogelbui doen haag'len op de stad.
BASTAARD (ter zijde). Zuid, noord; noord, zuid! Zoo schiet, o slim verbond! Dat broederpaar, de een de' ander in den mond; Ik zet hen er toe aan.--Op dan, maakt voort!
BURGER. Gij vorsten, toeft, vergunt aan mij een woord; Dan toon ik u het zoet gelaat des vredes; Wint onze veste zonder slag of wond: Spaart hen, die leven, laat in bed hen sterven, Die hier als offers kwamen voor het veld. Volhardt niet, groote vorsten, maar hoort toe.
KONING JAN. Spreek dan, 't is u vergund; wij willen hooren.
BURGER. De dochter daar van Spanje, jonkvrouw Blanca, Is nicht van England. Ziet nu op de jaren Des jongen Lood'wijks en der lieve maagd, Zoo dartle liefde 't oog op schoonheid vest, Waar vindt zij die ooit schooner dan in Blanca? Zoo vrome liefde deugd zoekt bovenal, Waar vindt zij die ooit reiner dan in Blanca? En vraagt eergier'ge liefde naar geboorte, Wie roemt op eedler bloed dan jonkvrouw Blanca? En juist als zij in schoonheid, deugd, geboorte, Is de dauphijn volkomen in elk opzicht; Zoo niet volkomen,--nu, hij is niet zij; En haar ook mangelt niets, wat manglen heet, Tenzij 't een mangel waar', dat zij niet hij is. Hij is de helft van een gezegend man, Die zijn voltooiing wacht van eene als zij,-- En zij welschoone uitmuntendheid, gedeeld, Die eerst door hem volmaaktheid worden kan. Twee zulke zilverstroomen, samenvloeiend, Verleenen de' oevers glans, die hen begrenzen. Zulke oevers van twee zoo vereende stroomen, Twee zulke grenzen, koningen, zijt gij Voor dit doorluchte paar, als gij hen huwt. Deze echt zal meer doen, dan geschut vermag, Aan onze sterke veste, want bij 't huwlijk Vliegt met meer vaart, dan buskruit af kan dwingen, De wijde doorgang onzer poorten open En laat u binnen; zonder dezen echt Is de opgezette zee niet half zoo doof, Geen leeuw zoo onverschrokken, berg en rotsen Niet onverzetlijker, ja, zelfs de dood Niet half zoo vastbesloten fel te moorden, Als wij, de stad te houden.
BASTAARD. Ziet, wat remmer! Die 't afgerotte rif des ouden doods Schudt uit zijn vodden! Ziet, wat groote mond, Die dood en bergen, rotsen, zeeën uitspuwt, Zoo recht vertrouwlijk spreekt van gramme leeuwen, Als dertienjaar'ge meisjes van hun mop. Wat voor een kanonnier heeft hem verwekt? Hij spreekt kanonnen, vuur en slag en rook; Stokslagen deelt hij uit met rappe tong, Slaat ons om de ooren; ieder woord van hem Geeft erger stompen dan een Fransche vuist. Verdoemd! ik kreeg met woorden nooit zoo slaag, Sinds ik mijn moeders man "papa" genoemd heb.
ELEONORE. Zoon, luister naar dien voorslag, sluit dien echt, Geef onze nicht een flinken bruidschat mee; Want door dien band knoopt gij de veiligheid Zoo zeker aan uw thans onveil'gen troon, Dat wis voor gindschen groenen knaap geen zon Den bloesem rijpt, die schoone vrucht belooft. Ik lees toegeef'lijkheid in Frankrijks blik; Zij fluistren, zie; bestorm hen, nu hun hart Toeganklijk is voor dit eerzuchtig plan, Aleer hun ijver, thans verweekt, gesmolten Door de' adem van gesmeek, berouw, erbarmen, Weer even stug en hard wordt, als hij was.
BURGER. Waarom geeft geen der majesteiten antwoord Op 't vredesvoorstel der bedreigde stad?
KONING PHILIPS. England, spreek gij het eerst, zooals gij 't eerst De stad hebt toegesproken; wat zegt gij?
KONING JAN. Zoo in dit boek der schoonheid de dauphijn, Uw eedle zoon, kan lezen: "ik bemin", Schenk ik aan haar een koninginne-bruidsgift: Poitiers, het schoon Touraine, Anjou en Maine, En al het land aan deze zij der zee,-- Behalve deze nu berende stad,-- Aan onze kroon en heerschappij leenplichtig, Verguld' haar bruidsbed, make haar zoo rijk In titels, aanzien, macht en grondgebied, Als zij in schoonheid, afkomst en beschaving Met elke koningsspruit der aard zich meet.
KONING PHILIPS. Wat zegt gij, zoon? zie thans de jonkvrouw aan.
LODEWIJK. Dat doe ik, heer, en in haar oog aanschouw ik Een wonder, of een wonderbaar mirakel. 'k Zie van mijzelf een schaduw in haar oog; De schaduw van uw zoon wordt door die spiegling Tot zon en maakt tot schaduw uwen zoon. Ik zweer u, dat ik nooit mijzelven minde, Tot ik mijzelf daar vastgenageld zag, In harer oogen schoone lijst gevat.
(Hij fluistert met Blanca.)
BASTAARD. In harer oogen lijst gevat, gehangen Aan haar gefronste wenkbrauw, in haar hart Gevierendeeld! Is dat de straf ontvangen Voor hoogverraad aan liefde? 'k Zie met smart Gevat, gehangen, gekwartierd als hij, Een vlegel, die geen schat verdient als zij!
BLANCA. De wil mijns ooms hierin is ook de mijne. Zoo hij in u iets ziet, dat hem behaagt, Dan plant ik dat, wat hem behaagt bij 't zien, Gewis ook lichtlijk over in mijn wensch; Of wilt gij, dat ik duid'lijker zal spreken, Ik dwing het aan mijn liefde lichtlijk op. Ik wil, mijn prins, u verder zoo niet vleien, Dat al, wat ik bespeur, tot liefde dringt, Doch waar is 't, dat ik niets in u bespeur,-- Al moest de wangunst zelf uw rechter zijn,-- Wat een'gen haat mij toeschijnt te verdienen.
KONING JAN. Wat zegt het jonge paar? wat zegt mijn nicht?
BLANCA. Dat zij door eer en plicht gehouden is Te doen, wat uwe wijsheid wil bevelen.
KONING JAN. En gij, dauphijn, kunt gij die maagd beminnen?
LODEWIJK. Vraag eer, of ik de min ontkomen kan, Want innig, ongeveinsd bemin ik haar.
KONING JAN. Zoo geef ik hier Poitiers, Anjou, Touraine, Volquessen, Maine, al deze vijf provinciën, Met haar aan u, en bovendien als toegift Nog dertigduizend mark in Engelsch geld. Philips van Frankrijk,--stemt gij hiermeê in, Laat dan die twee elkaâr de handen reiken.
KONING PHILIPS. 't Zij!--Jonge vorsten, voegt de handen saam.
OOSTENRIJK. En ook de lippen; want,--het heugt mij goed,-- Die vrijheid van den vrijer was mij zoet.
KONING PHILIPS. Nu, burgers van Angers, ontsluit uw poorten En laat de vriendschap in, door u gesticht; Want in uw Sint-Marije-kerke zij Terstond de huwlijksplechtigheid volbracht.-- Vorstin Constance is niet bij onzen stoet?-- Voorzeker niet; dit thans besloten huwlijk Had zij wis fel bestreden, waar' zij hier. Waar is zij met haar zoon? wie kan 't mij zeggen?
LODEWIJK. Zij klaagt bekommerd in uw hoogheids tent.
KONING PHILIPS. Nu waarlijk, dit verbond, door ons gesloten, Geeft wis aan haar bekomm'ring weinig heul, Hoe, broeder England, stellen wij die weduw Alsnu tevreden? Voor haar recht verscheen ik, Doch koos nu, God vergeve 't, om mijn voordeel Een andren weg.
KONING JAN. Wij maken alles goed; Haar jonge prins zij hertog van Bretagne En graaf van Richmond; en hij zij ook heer Van deze rijke stad.--Ontbied haar hier; Een vlugge bode ga terstond haar nooden Tot ons groot feest. Wij zullen, zoo ik hoop, Zoo wij de maat niet vullen van haar wenschen, Toch in die mate haar tevredenstellen, Dat ze in haar luide klachten is gestuit. Thans op, zoo goed de haast het ons veroorlooft, Naar 't onverwachte, onvoorbereide feest!
(Allen af, op den Bastaard na.--De Burgers verlaten de muren.)
BASTAARD. O dwaze, dolle wereld! dwaze vorsten! Dol vergelijk! Zie, koning Jan deelt nu, Om Arthurs aanspraak op 't geheel te stuiten, Volgaarne een deel van 't zijne aan andren toe; En Frankrijk, wien de plicht het harnas gespte, Wien vrome christenliefde dreef in 't veld Als krijger Gods, hij laat zich 't oor bepraten Door u, besluitverand'raar, sluwe duivel, U, kopp'laar, die aan trouw de hersens inslaat, Die daag'lijks eeden breekt, van allen wint, Van vorsten, beed'laars, grijsaards, jonkers, maagden,-- Wien gij, zoo de armen niets verliezen kunnen, Haar eenig goed, den naam van maagd ontsteelt,-- U, schoone jonker, kitt'lende Eigenbaat, Ja, Eigenbaat, scheef overwicht der wereld, Der wereld, zelf met goed verdeeld gewicht, Die recht zou rollen op een effen grond, Indien niet winst, die valsche, scheeve zwaarte, Die reeglaar der beweging, Eigenbaat, Met niets ontzienden wil haar zijwaarts drong, Uit baan en richting, loop en doen en streven;-- En dit scheef overwicht, die Eigenbaat, Die maak'laar, kopp'laar, 't al verand'rend woord, Op 't oog gedrukt van Frankrijks wanklen vorst, Trekt van de hulp, door hem beraamd, hem af Van de' oorlog, die besloten, eervol was, Naar zulk een lagen, lafgesloten vrede! En waarom scheld ik zoo op Eigenbaat? Alleen, wijl die mij nooit verliefd gevleid heeft; Niet wijl ik macht heb om de vuist te sluiten, Als hij zijn eng'len me in de hand wil drukken; O neen, wijl mijn nog nooit verzochte hand, Gelijk een beedlaar, op de rijken scheldt. Nu, 'k schelde dus, zoolang ik beedlaar ben, En zegg', dat de een'ge zonde rijkdom is; Doch word ik rijk, dan wordt die roep gesmoord, En 't beedlaar zijn wordt zondig, meer dan moord. Wees, breekt uit eigenbaat een vorst zijn woord, Gij winst, de god, aan wien mijn hart behoort!
(De Bastaard af.)
DERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Aldaar. Voor de tent van den Koning van Frankrijk.
Constance, Arthur en Salisbury komen op.
CONSTANCE. Gaan huwen? zij? een vrede gaan bezweren? Valsch bloed vereenigd met valsch bloed! verzoend! Lood'wijk krijgt Blanca, Blanca de provinciën? Zoo is 't niet; gij verstondt verkeerd, verspreekt u; Bezin u, zeg mij nogmaals uw bericht; Het kan niet zijn; gij zegt alleen: zoo is 't. 'k Vertrouw, dat ge onbetrouwbaar zijt; uw woord Is de ijdele ademtocht slechts van een dienstman; Geloof mij, man, ik schenk u geen geloof; Ik heb voor 't tegendeel eens konings eed. Dat gij dien schrik mij aanjaagt, brengt u straf; Want ik ben ziek, ontvanklijk--licht--voor vrees; Verdrukt door onrecht en daarom vol vrees; Verweduwd, gadeloos, ter prooi aan vrees; Een vrouw, geboren van natuur tot vrees; En al bekent gij nu, dat alles scherts was, Dit sticht geen vrede in mijn ontroerd gemoed, Dat beven, sidd'ren zal den ganschen dag. Wat meent gij met dat schudden van uw hoofd? Wat staart gij mijnen zoon zoo somber aan? Wat meent gij met die hand op uwe borst? Waarom staat u dat bange vocht in 't oog, Een stroom gelijk, die aan zijn bed ontzwelt? Bevestigt al dit rouwgebaar uw woorden? Spreek dan nog eens, maar niet uw gansch bericht, Één woord slechts, dat mij zegt, 't is waar of niet.
SALISBURY. Zoo waar, als gij hen waarlijk valsch moogt achten, Die schuld zijn, dat het waar is, wat ik zeg.
CONSTANCE. O, leert gij mij, dat ik dit leed geloof, Leer dan dit leed ook, hoe 't mij sterven doet; Dat zóó 't geloof en 't leven samentreffen, Als 't woeden van twee kampers tot den dood, Die storten bij den eersten schok, en sterven!-- Lood'wijk huwt Blanca! Waar blijft gìj dan, knaap? Frankrijk wordt Englands vriend; wat wordt van mij? Weg, mensch! ik kan uw aanblik niet verdragen; Tot monster maakte u dit bericht voor mij.
SALISBURY. Welk ander leed deed ik u, eed'le vrouwe, Dan dat ik 't leed, dat andren doen, u meld?
CONSTANCE. Dat leed is op zichzelve zoo afschuw'lijk, Dat ieder diep mij grieft, die er van spreekt.
ARTHUR. Ik bid u, eed'le moeder, kom tot kalmte.
CONSTANCE. Waart gij, die mij tot kalmte maant, afzichtlijk, Een blaam, een schande voor uw moeders schoot, Vol booze puisten, niet te aanschouwen vlekken, Vaal, lam, onnoozel, scheef, een wangeboorte, Met zwarte moedermerken overzaaid, Dan zou ik thans niet klagen, ik waar' kalm; Dan had ik u niet lief, en dan waart gij Uw stam tot oneer en een kroon niet waardig. Doch gij zijt schoon; u schiep, mijn dierbaar kind, Natuur, vereenigd met Fortuin, tot grootheid; In gaven der Natuur kunt gij u meten Met roos en lelie. Doch Fortuin, helaas! Ze is omgekocht, gedraaid, van u vervreemd; Met uw oom Jan boeleert zij uur op uur, En drijft met gouden handen Frankrijk voort, Ontzag voor vorstenrecht in 't stof te treden, En maakt tot kopp'laar zijne majesteit, Tot kopp'laar van Fortuin en koning Jan, Der veile vrouw, des roovers van een kroon!-- Zeg, mensch! of Frankrijk niet meineedig is. Vergiftig hem met woorden, of ga weg, En laat het leed alleen, dat ik alleen Te torsen heb.
SALISBURY. Vergeef mij, eed'le vrouwe, 'k Mag zonder u niet tot de vorsten keeren.
CONSTANCE. Gij moet en zult; ik wil niet met u gaan. Mijn hartzeer wil ik leeren trotsch te zijn; Want leed is trotsch, het buigt, die 't heeft, ter aard. Laat vorsten zich tot mij en tot de grootheid Mijns leeds vervoegen; zóó groot is mijn leed, Dat enkel de aarde met haar vaste welving Het torsen kan; 'k zet met mijn kommer fier Mij hier ten troon en wacht uw vorsten hier.
(Zij zet zich op den grond.)
(Koning Jan, Koning Philips, Lodewijk, Blanca, Eleonore, de Bastaard, Oostenrijk en Gevolg komen op.)
KONING PHILIPS. Ja, lieve dochter, dezen dag van zegen Herdenk' nu Frankrijk immer met een feest. Om dien te wijden, staat de gulden zon Stil in zijn loop en speelt den alchymist; De schitt'ring van zijn heerlijk oog verandert De maag're, kluitige aard in blinkend goud. De loop des jaars, die dezen dag weer brengt, Moet nooit hem zien, dan als een dag van heil.