Koning Jan

Part 1

Chapter 14,039 wordsPublic domain

KONING JAN.

PERSONEN:

Koning Jan. Prins Hendrik, zijn zoon. Arthur, hertog van Bretagne. William Mareschall, graaf van Pembroke. Geffrey Fitzpeter, graaf van Essex. William Longsword, graaf van Salisbury. Robert Bigot, graaf van Norfolk. Hubert de Burgh, kamerheer des Konings. Robert Faulconbridge. Philip Faulconbridge. James Gurney, dienaar van Lady Faulconbridge. Peter van Pomfret. Philips, koning van Frankrijk. Lodewijk, de Dauphijn. De Hertog van Oostenrijk. Kardinaal Pandulfo, pauselijk legaat. Melun, een Fransch edelman. Chatillon, Gezant van Frankrijk. Eleonore, weduwe van koning Hendrik den Tweeden. Constance, moeder van Arthur. Blanca, dochter van koning Alfonso van Castilië. Lady Faulconbridge.

Lords en Edelvrouwen, Burgers van Angers, een Sheriff, Herauten, Officieren, Soldaten, Boden en Gevolg.

Het tooneel is gedeeltelijk in Engeland, gedeeltelijk in Frankrijk.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Northampton. Een statiezaal in het paleis.

Koning Jan, Koningin Eleonore, de Graven van Pembroke, Essex, Salisbury, en Anderen met Chatillon komen op.

KONING JAN. Meld, Chatillon, wat Frankrijk van ons wil.

CHATILLON. Aldus spreekt, na begroeting, Frankrijks koning, Door heel mijn doen, tot deze majesteit, Tot de geborgde majesteit van England:--

ELEONORE. Een vreemd begin: geborgde majesteit!

KONING JAN. Stil, lieve moeder, hoor de boodschap aan!

CHATILLON. Philips van Frankrijk, handlend voor 't goed recht Des zoons van wijlen uwen broeder Godfried, Arthur Plantagenet, eischt wett'lijk op Dit heerlijk eiland en de verdre landen: Ierland, Poitiers, Touraine, Anjou en Maine; Hij vordert, dat gij u van 't zwaard ontdoet, 't Welk wederrecht'lijk dit gebied beheerscht, En dat gij 't aan den jongen Arthur reikt, Uw neef, uw koning en uw opperheer.

KONING JAN. En wat staat ons te wachten, zoo wij weig'ren?

CHATILLON. De trotsche dwang van fellen, bloedige' oorlog, Om u te ontrooven, wat ge als roover hebt.

KONING JAN. Wij hebben krijg voor krijg en bloed voor bloed En dwang voor dwang; breng dit aan Frankrijk over.

CHATILLON. Zoo zegt mijn vorst door mijn mond krijg u aan, Als van mijn zending 't allerlaatste woord.

KONING JAN. Breng hem dan 't mijne en ga in vrede heen; Wees als een bliksemstraal voor Frankrijks oogen, Want eer gij, dat ik kom, hem melden kunt, Zal hij van mijn geschut den donder hooren. Dus voort! wees gij trompet van onze gramschap, Het somber voorspook van uw eigen val.-- Een eervol uitgeleide komt hem toe; Pembroke, verleen dit.--Chatillon, vaarwel!

(Chatillon en Pembroke af.)

ELEONORE. Ziet gij, mijn zoon? heb ik niet steeds gezegd, Constance's eerzucht zou geen rust zich gunnen, Aleer zij Frankrijk en geheel de wereld Voor 't recht haars zoons in vlammen had gezet? Men had dit kunnen schikken en voorkomen Door overreding, zachte minzaamheid, Wat nu twee koninkrijken handlen doet, Door schriklijk, bloedig doen beslecht moet worden.

KONING JAN. Ons is de macht van het bezit, en 't recht.

ELEONORE (fluisterend). De macht van het bezit veel meer dan 't recht; Of anders zou 't ons beiden slecht vergaan. Dit fluistert mijn geweten u in 't oor, Wat God en gij en ik, geen ander hoor'!

(De Sheriff van Northamptonshire komt op en spreekt zacht met Essex.)

ESSEX. Mijn vorst, daar wordt van 't platteland een zaak, Het vreemdst geding voor uwen rechterstoel Gebracht, dat ooit mij voorkwam.--Zal ik, heer, De menschen voor u brengen?

KONING JAN. Dat zij komen!

(De Sheriff af.)

De kloosters en abdijen leev'ren mij Het geld voor dezen tocht.

(De Sheriff komt weder op, met Robert Faulconbridge en diens Bastaardbroeder Philip.)

Wie zijt gij beiden?

BASTAARD. Ik, heer, een onderdaan, u trouw, een jonker Hier uit Northamptonshire, en oudste zoon, Naar ik vermeen, van Robert Faulconbridge, Een' krijger, rijk in eer, wijl hem de hand Van Leeuwenhart in 't veld tot ridder sloeg.

KONING JAN. En wie zijt gij?

ROBERT. De zoon en erfgenaam Van wien hij noemt, den ridder Faulconbridge.

KONING JAN. Hij de oudste zoon, en gij zijn erfgenaam? Dus zijt gij, schijnt het, niet van ééne moeder?

BASTAARD. Van ééne moeder zeker, machtig koning; Dit weet men; ook van éénen vader, meen ik; Doch voor de zeek're kennis dezer waarheid Verwijs ik u tot God en tot mijn moeder; Ik twijfel, zooals elk mans-kind mag doen.

ELEONORE. Foei, ruwe knaap! gij schandvlekt uwe moeder, En wondt haar eer door zulk een achterdocht.

BASTAARD. Ik, eedle vrouwe? neen, ik heb geen reden; Mijn broeder werpt den twijfel op, niet ik; En als hij 't kan bewijzen, dan ontkaapt hij Voor 't minst mij 's jaars vijfhonderd pond. De hemel Behoed' mijn moeders eer en ook mijn land!

KONING JAN. Een wakk're stoute borst!--Waarom maakt hij, De jongre zoon, dan aanspraak op uw erfgoed?

BASTAARD. Waarom? vermoedlijk om 't bezit van 't land. Doch eens maar noemde mij zijn laster bastaard; Maar of ik evenzoo in deugd verwekt ben Of niet, kome enkel op mijn moeders hoofd; Maar dat ik even goed verwekt ben, heer,-- 't Gebeente heil, dat eens om mij gesloofd heeft!-- Zie ons hier naast elkaar en oordeel zelf. Verwekte ons de oude Robert beide', en is Die zoon zijn evenbeeld,--dan, oude Robert, Mijn vader, dank ik op de knieën nu Den hemel, dat ik niet gelijk op u!

KONING JAN. Wat voor een dolkop stuurt ons daar de hemel!

ELEONORE. Hij heeft iets in 't gelaat van Leeuwenhart; En ook zijn spreken doet mij aan hem denken. Vindt gij ook niet gelijk'nis met mijn zoon In heel den forschen bouw van dezen man?

KONING JAN. Mijn oog heeft heel zijn uiterlijk getoetst; 't Is of men Richard zelf ziet.--(Tot Robert.) Kerel, spreek Wat drijft u, om uws broeders land te vordren?

BASTAARD. Dat hij een half-gezicht heeft, als mijn vader! Dat half-gezicht verlangt geheel mijn land, Een halfkop-groot vijfhonderd pond in 't jaar!

ROBERT. Doorluchtig koning, toen mijn vader leefde, Heeft menigmaal uw broeder hem gebezigd,--

BASTAARD. Wel man, zoo wint gij mij mijn land niet af; Zeg eer, hoe hij mijn moeder bezighield.

ROBERT. En eens zond hij hem als gezant naar Duitschland, Om over zaken van het hoogst belang, Toen hangend, met den keizer te onderhandlen. De koning nam zijn afzijn toen te baat En woonde intusschen in mijns vaders huis. Daar slaagde hij, ik mag niet zeggen hoe, Maar waar is waar;--een breede zee, veel land Lag tusschen mijnen vader en mijn moeder,-- Zooals ik van mijn vader zelf vernam,-- Toen deze drieste jonker werd verwekt. Op 't doodsbed liet hij bij zijn laatsten wil Zijn land aan mij en wilde er wel op sterven, Dat hij, mijn moeders zoon, zijn zoon niet was; Of, was hij 't, dat hij volle veertien weken, Aleer zijn tijd er was, ter wereld kwam. Daarom, mijn beste vorst, geef mij het mijne, Mijns vaders land, dat hij mij heeft vermaakt.

KONING JAN. Uw broeder, heerschap, is een wettig zoon, Geboren uit uws vaders vrouw, in 't huwlijk; En speelde zij valsch spel, dan draagt zij schuld, Maar aan die schuld moet ieder man, die trouwt, Zich wagen. Hoe toch, spreek, indien mijn broeder Eens dezen zoon, dien hij verwekt heeft, zegt ge, Als zijn zoon van uw vader had geëischt? Uw vader kon, zelfs tegen heel de wereld, Dat kalf van zijne koe voor zich behouden, Naar recht; hem mocht, al was hij van mijn broeder, Mijn broeder toch niet vordren, noch uw vader, Al was hij niet van hem, verlooch'nen. Dus, Mijn moeders zoon verwekte uws vaders erfzoon; Uws vaders erfzoon erft uws vaders land.

ROBERT. Mijns vaders laatste wil heeft dus geen kracht, Om 't kind te onterven, dat zijn kind niet is?

BASTAARD. Zoo min de kracht, om mij te onterven, man, Als hij den wil had, om mij voort te brengen.

ELEONORE. Wat wilt gij liever zijn, een Faulconbridge, En, als uw broeder, leven van uw land, Of, als de zoon van Leeuwenhart geschat, Heer van uzelf zijn, niet van land er bij?

BASTAARD. Vorstin, ja, had mijn broeder mijn gestalte, En ik de zijne, die van de' ouden Robert, En was mijn been gelijk het zijne een zweepriet, Mijn arm een opgevulde palinghuid, En mijn gezicht zóó smal, dat ik geen roos Mij achter 't oor dorst steken, wijl het volk Zou zeggen; "kijk eens, een twee-blanken-stuk!" En erfde ik met dat uitzicht al zijn land,-- Zoo waar een ander man hier voor u staat-- 'k Gaf elken voetbreed weg voor dit gelaat; Sir Bob te zijn wordt diep door mij versmaad.

ELEONORE. Ik mag u wel. Wilt gij van 't erfgoed afzien, Uw land aan hèm vermaken en mij volgen? Ik ben soldaat, en trek naar Frankrijk thans.

BASTAARD. Neem, broeder, gij mijn land, ik waag de kans. Win 's jaars met uw gezicht vijfhonderd pond. Schoon 't voor een schelling wis geen kooper vond. Verheven vrouwe, ik volg u in den dood.

ELEONORE. Neen, daarin laat ik u veel liever voorgaan.

BASTAARD. Voor hoog'ren wijken wij op 't land steeds uit.

KONING JAN. Hoe is uw naam?

BASTAARD. Philip, heer, en, opdat ik 't al ontvouw, 'k Ben oudste zoon van ouden Roberts vrouw.

KONING JAN. Noem u voortaan naar hem, wien gij gelijkt. Kniel, Philip;--blijf als ridder zonder smet;-- Rijs op, Sir Richard, en Plantagenet.

BASTAARD. Broeder van moederswege, reik me uw hand; Mij schonk mijn vader eer, u de uwe land.-- Gezegende ure, die, bij nacht of dag, Mij, toen Sir Robert ver was, worden zag!

ELEONORE. De geest, heel de aard van een Plantagenet! Noem mij grootmoeder, Richard, want dat ben ik.

BASTAARD. Door toeval, maar niet wettig, dit erken ik;-- Wat nood? Men volgt een weg, al is hij krom; De straat versperd, welnu, men neemt een steeg; Wie dagschuw is, hij loopt bij nacht wat om; Iets hebben blijft toch hebben, hoe men 't kreeg; Goed schiet, wie raakt, 't moog' ver zijn of nabij; Ik ben, die 'k ben, hoe mijn geboorte ook zij.

KONING JAN. Ga, Faulconbridge, voldaan en welgemoed, Gegoed nu door een ridder zonder goed.-- Kom, moeder, Richard, kom, ons roept de strijd Naar Frankrijk, Frankrijk; vlug, 't is meer dan tijd.

BASTAARD. Vaar, broeder, wel; u sta 't geluk ter zij; En wees steeds met uw wettigzoonschap blij!

(Allen af, op den Bastaard na.)

In eer een voet verhoogd bij wat ik was, Maar menig, menig voetbreed land verarmd. Hoe 't zij, elk Grietje kan ik lady maken.-- "Sir Richard, goeden avond!"--"Dank u, man;" En als hij Heintje heet, noem ik hem Peter; Want nieuwe rang vergeet den naam van mind'ren; 't Waar' te gemeenzaam na zoo'n standverand'ring, Te vriendlijk.--Nu zoo'n reiziger, gesierd Met tandenstoker aan mijn ridderdisch;-- En is mijn welgeboren maag voldaan, Dan zuig ik aan mijn tanden, en ik vraag Den opgeprikten reisman:--"Zeg, mijn waarde," Begin ik, steunend op mijn elleboog, "Doe mij 't genoegen--", dit nu is de vraag, En antwoord volgt, als in den catechismus; "O zeker, Sir," zegt antwoord, "als gij wilt, Gansch tot uw dienst, tot uw beschikking, Sir." "Neen," zegt dan vraag weer, "neen, ik gansch tot de uwe." En zoo, eer antwoord weet, wat vraag verlangt, Behalve alleen het complimenten wiss'len, Volgt praten over Alpen, Apennijnen, De Po, de Pyreneën en Milaan, En sluipt de tijd van 't avondeten aan. Maar dit is ook hoogedele omgang, passend Aan iemand, die omhoogstijgt, zooals ik; Want hij is slechts een bastaard voor de wereld, Die niet een bijsmaak heeft van wereldwijsheid,-- Ik ben het trouwens met of zonder bijsmaak,-- En niet alleen in praten en manieren, In zichtbare' opschik, uiterlijken vorm, Maar bovendien door de aandrift om den smaak Des tijds te streelen met zoet, zoet, zoet gif. Ikzelf wil dit niet doen, om te bedriegen, Doch leeren wil ik 't, om bedrog te mijden; Mijn opgaand pad is dik er mee bestrooid. Maar wie komt met die haast, in rijgewaad? Een vrouw, die renbode is? heeft zij geen man, Die vóór haar op den horen blazen wil?

(Lady Faulconbridge en James Gurney komen op.)

O wee, het is mijn moeder!--Beste lady, Wat voert u hier met zulk een haast naar 't hof?

LADY FAULCONBRIDGE. Waar is die schelm, uw broeder? waar, waar is hij, Die jacht maakt, door de straten, op mijn eer?

BASTAARD. Mijn broeder Robert, zoon van de' ouden Robert? De Philistijnsche reus, de sterke man? Is het Sir Roberts zoon, dien gij zoo zoekt?

LADY FAULCONBRIDGE. Sir Roberts zoon! Ja, oneerbiedig wezen, Sir Roberts zoon; wat spot gij met Sir Robert? Hij is Sir Roberts zoon, zoowel als gij.

BASTAARD. James Gurney, laat ons hier een poos alleen.

GURNEY. Goed, beste Philip.

BASTAARD. Philip! noem een musch zoo! Ga, James! er broeit iets; weldra hoort gij meer.

(Gurney af.)

Mevrouwe, 'k ben geen zoon van de' ouden Robert; Sir Robert mocht zijn deel aan mij vrij eten Op Goeden Vrijdag; 't brak zijn vasten niet. Wat ook Sir Robert doen kon,--spreek, kon hij Ooit mij verwekken? Neen, dit kon hij niet; Wij weten, wat hij wrochtte.--Daarom, moeder, Wien ben ik dank verplicht voor deze leden? Nooit hielp Sir Robert, om dit been te maken.

LADY FAULCONBRIDGE. Hebt gij ook met uw broeder saamgezworen? Reeds om u zelf moest gij mijn eer behoeden. Wat meent gij met dien spot, aartslompe knaap?

BASTAARD. Knaap?--Ridder, ridder; goede moeder, ja; Ik heb den slag; hier zit hij op mijn schouder. Maar, moeder, ik ben niet Sir Roberts zoon; Ik heb Sir Robert en zijn land verloochend, Mijn wettige geboorte, naam en alles. Dies, goede moeder, zeg, wie was mijn vader? Ik hoop, een wakker man; wie was het, moeder?

LADY FAULCONBRIDGE. Hebt gij den naam van Faulconbridge verloochend?

BASTAARD. Zoo zeker, ja, als ik 't den duivel doe.

LADY FAULCONBRIDGE. Uw vader?--Koning Richard Leeuwenhart! Verleid werd ik door lang en heftig dringen Hem plaats te geven in mijn huwlijksbed.-- God! leg mij mijn misstap niet ten laste! Gij zijt de vrucht der zonde, die mijn ziel Zóó fel bestookte, dat ik, weerloos, viel.

BASTAARD. Bij God, ware ik nog eenmaal te verwekken, Een beet'ren vader, moeder, wenschte ik niet. O, enk'le zonden zijn op aard bevoorrecht, Zoo de uwe; 'k zeg, uw feil was geen verdwaasdheid; Gij moest voor liefde, die gebiedend was, Uw hart aan hem, als hulde, ootmoedig wijden, Met wiens voorbeeldelooze kracht en woede Zelfs de onverschrokken leeuw niet kampen kon, Die 't vorstlijk hart aan zijne hand moest afstaan. Wie met geweld aan leeuwen 't hart ontrooft, Verovert licht dat van een vrouw. Ja, moeder, Ik dank van ganscher harte u voor mijn vader! Wie zegt, dat mijn verwekking overspel En zonde was, ik zend zijn ziel ter hel. Kom, moeder, mijne maagschap moet u zien; Dan hoort gij, of 't niet eer hun zondig scheen, Toen Richard u bestormde, hem te ontvliên; Gij zondig? leugen is 't; neen, zeg ik, neen!

(Beiden af.)

TWEEDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Frankrijk. Voor de muren van Angers.

Van de eene zijde komt de Hertog van Oostenrijk met troepen op, van de andere Philips, koning van Frankrijk met troepen, Lodewijk, Constance, Arthur en Gevolg.

LODEWIJK. Wees welkom voor Angers, koen Oostenrijk!-- Arthur, uw groote bloedverwant en voorzaat, Richard, die eens den leeuw het hart ontrukte, Den heil'gen krijg in Palestina streed, Zonk vroeg in 't graf door dezen dapp'ren hertog; En om dit aan zijn nazaat goed te maken, Verscheen hij thans op onzen aandrang hier, Om, knaap, voor u zijn krijgsbanier te ontplooien, En Jan van England, uw ontaarden oom, Te straffen voor zijn wet- en rechtloos doen. Omarm, bemin hem, heet hem welkom hier.

ARTHUR. God zal den dood van Leeuwenhart vergeven, Te meer, nu gij zijn kroost nieuw leven schenkt, Hun recht beschaduwt met uw oorlogswieken. Met krachtelooze hand bied ik u 't welkom, Maar met een hart vol vlekloos reine liefde; Wees welkom voor Angers, doorluchte hertog!

LODEWIJK. Een eed'le knaap! wie zou uw recht niet staven?

OOSTENRIJK. Ik druk op uwe wang deez' vuur'gen kus, Als zegel op 't verdrag van mijne liefde, Dat ik niet eer terugkeer naar mijn huis, Voordat Angers en heel uw recht in Frankrijk, En ook dat bleek, dat wit uitziende strand,-- Welks voet het loeiend golfgeklots terugwerpt, En 't eilandvolk van andre landen afsluit,-- Voordat dit Engeland, door de zee omheind, Dit vocht-omschanste bolwerk, dat zich zo Voor elken vreemden aanslag veilig acht, Voordat die verre westeruithoek u Als koning groet; tot zoolang, lieve knaap, Denk ik niet aan mijn huis, en blijf in 't veld.

CONSTANCE. Aanvaard zijn moeders dank, der weduw dank, Totdat uw sterke hand hem sterkte geeft, Om ruimer uwe liefde u te vergelden.

OOSTENRIJK. Des hemels vrede loont een elk, die 't zwaard In zulk een heil'gen strijd als christen heft.

KONING PHILIPS. Komt dan, aan 't werk! Op 't voorhoofd dezer stad, Die ons weerstaat, zij ons geschut gericht. Roept onze meesters in de krijgskunst hier, Om 't beste plan voor de' aanval uit te kiezen. Al moest ik ook mijn vorstlijk rif hier laten, Door 't bloed van Franschen waden tot de markt, Ik dwing de stad, den knaap als heer te erkennen.

CONSTANCE. Wacht eerst het antwoord op uw zending af, Opdat ge uw zwaarden niet te vroeg bevlekt. Misschien brengt Chatillon in vrede 't recht Uit England, dat gij door den krijg hier eischt; Dan zou ons ieder druppel bloeds berouwen, Ten onrecht door te fellen haat geplengd.

(Chatillon komt op.)

KONING PHILIPS. Vorstin, een wonder!--zie, op uwen wensch Komt onze bode Chatillon terug. Zeg, edel heer, beknopt, wat England zegt; Wij wachten kalm op u; spreek, Chatillon.

CHATILLON. Staak dan 't beleg van deze armzaal'ge stad, En spoor uw leger tot een grootscher taak. England, uw billijke eischen driest verwerpend, Heeft zich terstond gewapend. Tegenwind, Welks duur ik af moest wachten, gaf hem tijd Gelijk met mij zijn leger te doen landen. Hij nadert deze stad met snelle marschen; Zijn heer is sterk, zijn krijgers zijn vol moed; En met hem komt de koninginnemoeder, Een Ate, die tot bloed en strijd hem spoort; Haar nicht verzelt haar, Blanca van Castilië; Alsmede een bastaard des gestorv'nen konings; En al de dolle drift van 't gansche land, Vrijwill'ge krijgers, niets ontziend, woest, vurig, Met meisjeswangen en met drakenfelheid, Zij hebben al hun goed'ren ginds verkocht, En dragen fier hun erfdeel op den rug, En zetten 't hier op 't spel voor nieuw geluk. Kortom, een kloeker keur van koene harten, Dan Englands vloot ons nu heeft toegevoerd, Vlotte op het zwalpend nat voor dezen nooit, Om christenlanden smaad en nood te brengen.

(Getrommel achter het tooneel.)

De stoornis van hun lompe trommen breekt, Wat ik zou melden, af; zij zijn daar reeds Tot strijd of onderhand'ling;--weest bereid.

KONING PHILIPS. Hoe snel en onverwacht is deze krijgstocht!

OOSTENRIJK. Hoe minder hij voorzien was, des te meer Ontwake onze ijver om hem af te slaan, Want moed stijgt immer met den eisch des tijds; Dat zij ons welkom zijn, wij staan gereed!

(Koning Jan, Eleonore, Blanca, de Bastaard en Pembroke komen op, met troepen.)

KONING JAN. Aan Frankrijk vrede, als Frankrijk ons in vrede Den intocht gunt in 't land, door erfrecht ons; Of Frankrijk bloede, en vrede stijg' ten hemel, Terwijl, als werktuig van Gods toorn, wij Den hoon, die trotsch zijn vrede er heendrijft, straffen.

KONING PHILIPS. Aan England vrede, zoo de krijg uit Frankrijk Naar England keert en daar in vrede leeft. Wij minnen England en om Englands wil Doet onzer rusting last ons zwoegen, zweeten. Wat wij hier doen, ware eerder uwe taak; Maar zoo ver is 't van u, dat ge England mint, Dat gij zijn rechten vorst hebt ondergraven, De wettige erfopvolging doorgesneden, Een kinderlijken koningsrang gehoond, De maagdlijke onschuld van de kroon verkracht. Zie hier 't gelaat van uwen broeder Godfried; Dat oog, die wenkbrauw is naar hem gevormd! Dit kort begrip behelst dat alles, wat In Godfried stierf; de hand des tijds zal 't eens Uitwerken tot een even grootsch geschrift. Die Godfried was uw eigen ouder broeder, En dit zijn zoon; England was Godfrieds recht, En hij is Godfrieds zoon. In naam van God, Hoe komt het dan, dat gij u koning noemt, Schoon levend bloed in deze slapen klopt, Waaraan de kroon, door u geroofd, behoort?

KONING JAN. Van wien hebt gij die groote volmacht, Frankrijk, Om op die punten me in 't verhoor te nemen?

KONING PHILIPS. Van de' opperrechter, die de zucht naar 't goede In 't hart van elk, wien macht vertrouwd is, wekt, Hem waken doet voor schennis van het recht. Hij maakte mij tot hoeder van deez' knaap; Door hem gemachtigd, wraak ik uwen roof, En met zijn bijstand hoop ik dien te straffen.

KONING JAN. Gij matigt u het ambt eens rechters aan.

KONING PHILIPS. Alleenlijk om aanmatiging te rechten.

ELEONORE. Wien, Frankrijk, legt ge aanmatiging te last?

CONSTANCE. Uw' zoon, die zich een rijk heeft aangematigd.

ELEONORE. Zwijg, onbeschaamde! uw bastaard wilt gij kronen, Opdat gijzelf als koninginne heerscht.

CONSTANCE. Steeds was mijn bed uw zoon wis even trouw Als 't uwe aan uwen gade; en deze knaap Gelijkt zijn vader Godfried meer in trekken, Dan Jan op u, al zijt ge als droppels water, Of Satan en zijn moeder, één van aard. Mijn zoon een bastaard! Nu, bij God! ik denk, Zijn vader werd geenszins zoo echt verwekt; Dit kan niet zijn, daar gij zijn moeder waart.

ELEONORE. Een goede moeder, knaap! zij hoont uw vader.

CONSTANCE. Een goede grootmoê, knaap! die u onteert.

OOSTENRIJK. Stil!

BASTAARD. Hoort den roeper daar!

OOSTENRIJK. Wie duivel zijt gij?

BASTAARD. Een man, die u den duivel spelen zal, Krijgt hij u met uw vel alleen te pakken, Gij zijt de haas, wiens moed, naar 't spreekwoord zegt, Een dooden leeuw wel aan den baard durft trekken. Ik rook uw pelsrok uit, als ik u pak; Vriend, pas dus op! ik doe 't, voorwaar, ik doe 't.

BLANCA. O, prachtig stond dat kleed des leeuws aan hem, Die zelf den leeuw dat kleed had uitgetogen.

BASTAARD. Het plooit zich op zijn rug niet minder sierlijk, Dan op den ezel held Alcides' tooi. -- 'k Doe, ezel, dra dat sieraad u verzaken, En zal door andren druk uw schouders kraken.

OOSTENRIJK. Wie is die kraker, die het oor verdooft, Met zulk een overvloed van ijd'len wind?-- Gij, koning,--Lood'wijk, spreek, wat doen wij fluks?

LODEWIJK. Gij vrouwen, narren, staakt uw mondgesprek.-- Wat we eischen, Koning Jan, is kortweg dit: England en Ierland, Maine, Anjou, Touraine, Die vorder ik, als Arthurs recht, van u. Staat gij die af, en legt ge uw waap'nen neder?

KONING JAN. Mijn leven eer! ik tart u, Frankrijk, uit.-- Vertrouw op mij slechts, Arthur van Bretagne; Ik schenk uit zuivre liefde u meer, dan Frankrijk Met laffe hand kan winnen. Geef aan mij U over, knaap!

ELEONORE. Kom bij grootmoeder, kind.

CONSTANCE. Ja, doe dat, kind, ga gij naar grootmâ, kind, Geef koninkrijk aan grootmama; zij zal Een kers of wat, een pruim, een vijg u geven. Die goede grootmama!

ARTHUR. Stil, lieve moeder! Ware ik in de aard, in 't graf gelegd! ik ben 't Geraas niet waard, dat om mij wordt gemaakt.

ELEONORE. Om moeders doen beschaamd! arm kind, hij weent.

CONSTANCE. Nu, wat zijn moeder doe of niet, schaam gij u! Geen schaamte om mij, neen, toorn om u, ontlokt Zijn oog die droppels, die den hemel roeren; De hemel zal ze ontvangen als een handgeld, Zal zwichten voor die paarlen van kristal, En zal hem recht en wraak op u verschaffen.

ELEONORE. Gij monster-schendtong, aarde en hemel last'rend!

CONSTANCE. Gij monster-schendster, aarde en hemel tergend! Noem mij geen schendtong; gij en de uwen rooven Deze' onderdrukten knaap zijn recht, zijn land, Zijn kroon. Hij is de zoon uws oudsten zoons, Rampzalig door niets anders dan door u; Uw zonden worden aan deze' armen knaap Aldus bezocht; de straf der wet treft hem, Als van uw schoot, die zonde ontving en droeg, Niet verder dan in 't tweede lid verwijderd.

KONING JAN. Gij dolhuiskranke, zwijg!

CONSTANCE. Hoor dit nog slechts;-- Niet enkel òm haar zonde moet hij lijden, Maar God deed hare zonde en haar de straf zijn Voor dezen nazaat, die voor haar bezocht wordt Met hààr straf, hare zonde; wat hij lijdt, Is hààr vergrijp, de geesel harer boosheid, Waarvan dit kind de volle straf moet dragen, En dit geheel voor haar. Gods vloek op haar!