Klimop: Drie verhalen voor jongens en meisjes
Part 8
Daar trof een goed geraakte slag Cesar op den kop; het dier ging luid krijschen en bedekte het kopje met zijn beide handen.
Nu werd het Paul toch te erg. Dat hij zelf door Tom geslagen werd kon hem niet schelen, en als hij niet voor Cesar had moeten zorgen, zou hij wel weerom geslagen hebben, maar dat een groote jongen een arm, klein diertje sloeg, dat zich niet kon verdedigen, dat kon hij niet verdragen. Hij werd vuurrood. "Weet je wat je bent? Een laffe, gemeene jongen!" riep hij trillend van drift en verontwaardiging uit. "Als je bij mij woondet, zou ik niet eens met je willen vechten, en al de jongens zouden je najouwen! Daar, Cesar ga in dien hoek;" hij zette het diertje neer, "en kom nu op, dan zul je eens ondervinden hoe een pak ransel smaakt!"
"Met jou vechten!" sarde Tom. "Met zoo'n bedeljongen! Laat je aap dansen of hij krijgt nog meer smeer. Lina, hou dien jongen vast!"
"Raak me niet aan!" waarschuwde Paul met gesmoorde stem vol woede. "En als je Cesar durft slaan, vlieg ik op je aan!"
Lina deed een vreesachtige poging om Paul vast te grijpen, en dat oogenblik nam Tom te baat om Cesar weer een striem met het rietje te geven. Aan het gejammer, dat het diertje uitstiet, bemerkte Paul wat er gebeurd was, en nu wierp hij zich zonder bedenken op Tom, die in een ommezien op den grond lag, met Paul boven op hem.
Lina begon luid te schreien, en Cesar was op een kast gesprongen en zat in een hoekje gedoken rillend in elkaar.
De jongens klopten elkaar af, dat het een lust was. Toen, volgens Pauls idee, de jongeheer Tom genoeg afgeranseld was, sprong hij overeind, riep zijn aap, die aanstonds op zijn arm sprong, en zeide tot Lina:
"Doe de deur open!"
Deze, die nu ontzag voor hem had gekregen, nam den sleutel, dien Tom op de tafel had neergelegd, en draaide het slot open. Paul ging haastig de kamer uit, voordat Tom nog van den schrik bekomen was. Maar nu wist hij niet recht welken kant hij op moest; hij was nooit in zulk een groot huis geweest, en nu zag hij zooveel deuren dat hij verlegen stond. 't Leek wel of de trap verdwenen was, waarmee hij naar boven was gekomen. Hij kon niet weten, dat die door een deur afgesloten was; en hij zag tot overmaat van smart dat Tom eensklaps uit de kamerdeur kwam.
Haastig opende hij een der deuren, wierp die achter zich toe en was verdwenen, voordat Tom bij hem kwam.
Op dit oogenblik kwam Elsa vroolijk naar boven, zij had allerlei lekkers voor Cesar, weinig denkende, dat het arme dier slaag had gehad.
"Hé, Tom en Lina, dat tref je!" riep zij uit. "Paul is er met zijn aap en zal hem kunsten laten doen."
"Loop naar de maan!" bromde Tom, en wilde haar voorbij dringen en de trap naar beneden afloopen.
"Wat zie je rood, en hoe vuil is je buis!" ging Elsa verwonderd voort. "Wat scheelt je?"
"Niks, laat me door," grauwde Tom, terwijl hij het kleine meisje tegen den muur drong.
"Nare jongen, ga heen," riep Elsa. "Ga jij mee naar binnen, Lina?"
"Neen, n..een," stotterde Lina.
Elsa ging de kamer in en deed de deur achter zich toe, zoodat Lina en Tom samen alleen op het portaal waren.
Verwonderd keek Elsa de kamer rond, daar zij Paul maar volstrekt niet zag. Zij riep en zocht in alle hoeken, maar toen zij geen gehoor kreeg, besloot zij Lina er eens naar te vragen. Zij deed de deur open, maar zag niemand op het portaal.
Daar begreep Elsa niets van. Waar kon Paul zijn?
"'t Heeft hem zeker verveeld, en toen is hij naar beneden gegaan," dacht zij, "maar dan had ik hem toch moeten zien! 't Is niets aardig van hem: ik had zoo graag de kunsten van Cesar gezien; mijn heel kwartje is op aan vijgen!... Ik zal ze maar eens proeven!" Zij ging zitten en vergat voor een oogenblik, onder het genot van een groote vijg, haar boosheid op Paul.
"Lekkere vijgen," zeide zij halfluid, nadat zij het steeltje zoover mogelijk had afgeknabbeld. "Eigenlijk jammer voor een aap! Maar neen, 't is zoo'n lief diertje! Ik zal Lena straks een paar vijgen brengen. Zij zal ze wel lusten; Paul is zeker bij haar! O ja, Ma heeft hem zeker laten roepen; Betje bleef ook zoo lang weg om die vijgen te halen!"
Met deze gedachte stelde zij zich gerust en begon haar poppen uit en aan te kleeden, terwijl zij het lekkers dat zij bij zich had zorgvuldig op zijde legde, om het bij gelegenheid aan Cesar te geven.
Weldra was het tijd voor Elsa om naar bed te gaan. Zij mocht niet meer bij Lena komen, daar de dokter er juist nog eens was, en kon haar Mama maar heel eventjes goeden nacht zeggen. Aan Paul dacht zij niet meer, en ook mevrouw Doornhof was geheel en al vergeten dat hij bestond. Lena was erg vermoeid en koortsig en vergat den armen Paul ook.
III.
WAAR PAUL WAS.
't Was den volgenden dag mooi weer, en al heel vroeg wreef Elsa haar oogen uit en sprong uit bed. Zij kleedde zich zoo wat aan en ging toen op haar teentjes naar Lena's kamer. Lena was wakker en lag rond te kijken.
"O, ik ben blij, dat je komt!" riep zij uit. "Ik ben al lang wakker en heb zoo'n dorst!"
Elsa ging haastig naar de tafel en schonk een glas water in dat zij Lena toereikte.
"Is Paul gisteren nog lang bij je gebleven?" vroeg Lena toen zij gedronken had.
"Paul is een nare jongen en Cesar een nare aap!" riep Elsa uit.
"Hé, hoe komt het, dat je ze naar vindt?" vroeg Lena verwonderd.
"Hij is stilletjes weggegaan," vertelde Elsa verontwaardigd, "en ik had mijn eigen kwartje nog al gegeven om vijgen voor Cesar te koopen!"
"Stilletjes weggegaan?" herhaalde Lena. "Och kom, je houdt me voor den gek, Elsa!"
"Neen 't is waar," hield Elsa vol. "Hier zijn de vijgen; je moet er maar een paar opeten, want Cesar krijgt ze toch niet meer!"
"Maar waarom is Paul niet gebleven? Hij zou immers nog bij mij zijn gekomen ook!" hernam Lena.
"Eet dan eens een vijg!" drong Elsa.
"Komt Paul vandaag?" vroeg Lena.
Elsa klom zonder complimenten op het ledikant en duwde Lena een groote vijg in den mond. Tegen wil en dank moest Lena nu eten, en Elsa keek met het grootste genoegen glimlachend toe.
Toen Elsa weer weg was, lag Lena in gedachten verdiept, waarom Paul zoo raar zou hebben gedaan!
De dag ging verder voorbij, zonder dat er iets bijzonders gebeurde. Lena's moeder kwam weer aan, maar ook zij wist niet waar Paul kon wezen: hij was gisteravond niet thuis gekomen, maar zij maakte zich niet erg ongerust.
"Och," zeide zij, "jongens zijn precies als het kwade geld: zij komen altijd weer te voorschijn!"
"Ja maar, moe, Paul kent niemand hier. Waar zou hij vannacht dan geweest zijn?" vroeg Lena.
"Zeker wel ergens onder dak," antwoordde vrouw Wenzel lachend. "Ik zal het je komen zeggen, als hij weer boven water komt."
Toen de familie 's avonds om elf uren naar bed zou gaan, gebeurde er evenwel iets bijzonders.
Mevrouw en mijnheer Doornhof zaten nog de courant te lezen, en de beide meiden waren juist naar boven gegaan, toen er aan de kamerdeur werd getikt.
"Binnen!" riep mijnheer, en daar stond de ons reeds bekende Betje op den drempel.
"Wat is er, Betje?" vroeg mevrouw. "Ben je ziek?"
"Heere neen, mevrouw," antwoordde Betje, die echter erg bleek zag, "maar als ik zoo vrij mag zijn, wil ik u wel zeggen, dat ik erg geschrikt ben."
"Nu, drink dan maar wat," zeide mijnheer, "en kruip maar gauw onder de dekens."
"Ja maar, mijnheer, dat durf ik juist niet," hernam Betje.
"Durf je niet drinken?" vroeg mijnheer verwonderd.
"Jawel, mijnheer, wèl drinken," zeide Betje verontwaardigd, "maar niet naar bed gaan!"
"Kom, Betje, vertel mij dan eens, wat er gebeurd is," zeide mevrouw, die wel bemerkte dat mijnheer niet veel verder kwam. "Heb je iets gezien of gehoord?"
"Ja, mevrouw, gehoord!" fluisterde Betje.
"Zeker ratten of muizen," meende mijnheer lachend. "Nu we zullen een kat opdoen."
"Neen, mijnheer, geen ratten of muizen," hernam Betje, "maar ik denk... dieven!"
"Zoo, en hoeveel?" vroeg mijnheer plagend.
"Laat mij maar met haar praten," fluisterde mevrouw haar echtgenoot in, "anders maak je haar boos."
Mijnheer haalde glimlachend zijn schouders op en verdiepte zich weer in de courant.
"Zou je heusch denken, dat het dieven zijn?" vroeg mevrouw nu weer. "Heb je je niet vergist?"
"Neen, mevrouw, 't is zoo; Antje zegt het ook. Als u eens even mee naar boven wilt gaan, zult u 't ook hooren," zeide Betje.
"'t Is eene heele reis," zeide mevrouw Doornhof, die niet veel lust had om al de trappen op te klimmen. "Zou je 't nog niet eens kunnen probeeren om te gaan slapen? Ik weet haast zeker, dat je je vergist hebt."
"Als mevrouw niet wil komen, moet mevrouw het weten;" hernam Betje teleurgesteld, "maar als mevrouw morgenochtend het huis leeggestolen en ons vermoord in ons bed wil zien liggen, dan moet mevrouw het ook weten."
"Kom, kom, zoo erg zal 't niet wezen," zeide mevrouw bedarend; "er mocht wel een heel regiment dieven wezen, als zij 't huis leeg wilden stelen."
"Dus mevrouw gaat niet mee?" vroeg Betje treurig, terwijl zij den knop van de deur in haar hand nam. "Nu mevrouw moet het zelf weten, maar Antje en ik willen ons niet zoo maar dood laten steken! Wij blijven in de keuken op stoelen zitten."
"Nu, als 't er zoo mee staat, dan zal ik even mee gaan," zeide mevrouw Doornhof. "Jullie moeten fatsoenlijk in je bed slapen."
Mevrouw ging met Betje naar boven. Antje stond haar al aan de trap op te wachten met een licht, en nu gingen zij naar het zolderkamertje. Mevrouw Doornhof luisterde... luisterde nog eens.., maar hoe zij zich ook inspande, zij kon niets van de dieven hooren.
"Geef mij dat licht eens, Antje," zeide zij, na een kwartier geduldig gewacht te hebben; "dan zal ik eens kijken, of er op zolder iemand is."
"Goede hemel, mevrouw; en als hij u dan vermoordt!" riep Antje ontsteld uit.
"Zoo'n vaart zal 't wel niet loopen," meende mevrouw Doornhof bedaard, "en anders moeten jullie maar goed gaan schreeuwen; dan worden de dieven bang."
"Maar ik ga niet mee met mevrouw," zeide Antje.
"Mijn leven is mij te lief!" voegde Betje er bij.
Zonder een woord te spreken nam mevrouw Doornhof het licht op en ging naar de deur.
"Neemt u het licht mee, mevrouw?" riep Antje angstig.
"Wel zeker, Antje; hoe zou ik anders kunnen zien?" zeide mevrouw Doornhof, terwijl zij den zolder opging en in alle hoeken rondkeek.
Maar hoe zij ook zocht en keek, zij vond geen enkelen dief, en toen eerst Betje en daarna Antje ook op den zolder kwamen, moesten dezen zich wel overtuigen, dat zij zich noodeloos ongerust hadden gemaakt.
"'t Zijn ratten of muizen geweest," zeide mevrouw Doornhof eindelijk. "Gaat nu naar bed, en grendelt de deur dan, als je nog niet gerust bent."
"Maar 't was toch zoo'n raar geluid, mevrouw," zeide Betje nu op verontschuldigenden toon, "precies alsof er iemand tegen een ander sprak."
"Je bent nu toch overtuigd," hernam mevrouw Doornhof, terwijl zij naar de trap ging, die naar beneden leidde.
De volgende morgen brak aan, en tot groote geruststelling van mevrouw Doornhof zag zij zoowel Antje als Betje, die het hoofd om de deur harer kamer staken, om haar goeden morgen te zeggen.
Vrouw Wenzel kwam dien dag ook weer haar dochtertje bezoeken en vond haar beter dan te voren.
"Moe, wat zei Paul wel?" vroeg Lena.
"Ik begin mij nu wel wat ongerust te maken over den armen jongen," zeide vrouw Wenzel, "want hij is nog niet bij mij geweest."
"Hoe! Is Paul gisteren avond niet thuis gekomen?" riep Lena verwonderd uit. "En Cesar ook niet?"
"Wel neen, kindlief, Cesar blijft bij zijn baas. Als Paul maar geen ongeluk heeft gekregen," zeide vrouw Wenzel.
"Och, moe, hoe akelig! Kunt u niets doen, om hem op te zoeken?" zeide Lena.
"Ik ben al naar een politiebureau geweest," antwoordde vrouw Wenzel, "maar daar wisten ze er niets van. Als hij maar niet verdronken is."
Lena begon te schreien.
"Kom, Lena, trek het je niet zoo aan; misschien komt hij nog wel terecht," troostte vrouw Wenzel. "Hij is misschien verdwaald en komt vandaag thuis."
"Ik houd zooveel van Paul en van Cesar," snikte Lena, "en ik zou 't zoo akelig vinden als hij d... d... dood was."
"Hij is misschien niet dood," troostte vrouw Wenzel haar; "ik zal nog eens goed onderzoek doen. Kom Lena, wees nu niet zoo bedroefd; dan mocht je eens koorts krijgen."
Maar Lena was niet tot bedaren te brengen; en toen mevrouw Doornhof en Elsa de kamer inkwamen, hadden zij veel moeite het meisje in wat kalmer stemming te brengen. Eindelijk gelukte het Elsa; en toen mevrouw Doornhof bemerkte dat Lena wat bedaarder werd, nam zij vrouw Wenzel mee uit de kamer en liet alleen haar dochtertje bij Lena.
Natuurlijk hoorde Lina van de verdwijning van Paul en van de dieven, die Antje en Betje den vorigen avond op den zolder meenden gehoord te hebben. Zij zeide echter niets en grauwde Elsa af, toen deze haar het verhaal deed, hoe bedroefd Lena was geweest over de verdwijning van Paul.
Na het eten kwam Tom weder bij zijn nichtjes om, vooral met Lina, wat te spelen. Elsa ging dan ook maar heen, want zij wist wel, dat zij er haar toch niet graag bij wilden hebben; maar zij bleef op het portaal, daar zij in de speelkamer de ledikantjes harer poppen had staan. Zij kleedde ze dus op een trede zittende uit en vermaakte zich in stilte.
Lina en Tom speelden samen wat, en daar zij nog al op elkaar gesteld waren, ging het ook doorgaans zonder haspelen; maar eensklaps hoorde Elsa, dat zij begonnen te twisten.
't Scheen, dat Lina hem iets zeide, en daarna hem verwijtingen ging doen.
"En jij hebt het gedaan," riep Lina driftig uit. "Je hoeft de schuld niet op een ander te gooien."
"Jij waart er evengoed bij," antwoordde Tom, "en 't is flauw, dat je mij alleen de schuld wilt geven."
"Een jongen moet altijd de schuld op zich nemen," verklaarde Lina deftig.
"Ik zou je bedanken," riep Tom uit. "Je bent een echte kat."
"Waarom kom je dan hier?" hernam Lina scherp. "Met katten zou ik niet willen spelen, als ik jou was!"
"Met apen ook niet, hé!" sarde Tom.
"Als je me nog langer plaagt dan zal ik aan ma vertellen, wat je gedaan hebt," gilde Lina.
"Dan zal ik zorgen, dat jij ook je portie krijgt," riep Tom uit. "Je hebt me opgestookt om dien jongen te plagen, omdat je zoo'n nest bent en je neus ophaalt voor dat zieke kind."
"Ik wou, dat ik je nooit weer zag," zeide Lina bevend van drift.
"Heel goed; je verveelt me mooi, 't kan me niets schelen," antwoordde Tom. "Maar als die jongen doodgaat, dan is 't jouw schuld, en dan kom jij in de gevangenis."
Tom liep Elsa bijna omver en holde zoo gauw hij kon de trappen af en de voordeur uit. Lina stond nog roerloos in de kamer, toen Elsa, met haar pop in den arm, binnenkwam.
"Wat meende Tom toch, Lina?" vroeg zij. "Waarom ga je naar de gevangenis?"
"Och, Tom is gek," antwoordde Lina ruw. "Kind bemoei je met je poppen en niet met mij!"
"Waarom heb je toch zoo gekibbeld met Tom?" vroeg Elsa weer. "En jullie hebt mekaar zoo uitgescholden; als maatje het hoort, krijg je knorren."
"Als jij 't ma niet vertelt, hoort zij het niet, langtong," grauwde Lina haar toe.
Nu had Elsa er genoeg van en besloot maar naar beneden te gaan en Lena wat op te vroolijken, die erg treurig was, daar zij naar Paul verlangde en die maar niet kwam opdagen.
Lina bleef nu alleen in de kamer en stond in gedachten verzonken voor het raam.
"Als ik maar wist, waar Tom dien sleutel had gelaten," zeide zei zachtjes, "dan zou ik de deur open kunnen doen, en... Als hij eens dood was gegaan!"
Zij huiverde op deze gedachte en werd zoo angstig, dat zij, ondanks de kibbelarij die zij met Tom had gehad, besloot om na den middag aan haar mama te vragen, of zij eens naar haar tante, Tom's mama mocht gaan.
Toen zij zich dit voorgenomen had, gevoelde zij zich geruster, hoewel zij erg verlangde naar het oogenblik dat zij uit mocht gaan. Nauwelijks had zij de helft van den weg afgelegd, of zij ontmoette Tom, die van plan was naar haar toe te gaan.
"Tom, waar is de sleutel?" was het eerste, wat zij tegen hem zeide.
"Ik kan hem nergens vinden," antwoordde deze, die er erg verschrikt uitzag; "ik heb overal thuis gezocht. Misschien ligt hij bij jullie, of anders heb ik hem verloren!"
"O, Tom, wat moeten wij dan beginnen?" riep Lina uit, terwijl zij in tranen uitbarstte.
"Stil, schrei zoo niet: de menschen kijken naar je," waarschuwde Tom.
"Maar, Tom, als die jongen heusch eens doodgaat van honger, of opgegeten wordt door de ratten," jammerde Lina. "Wat moet ik beginnen!"
"Zijn er dan ratten bij je op de vliering?" vroeg Tom verschrikt.
"Ja, Betje en Antje hebben ze zelf gehoord; ze durfden niet naar bed gaan. Gebeurt het niet wel eens, dat ze kleine jongens opeten?" vroeg Lina.
"Ik weet het niet," antwoordde Tom angstig. "Waarom hebben wij er hem ook niet eerder afgelaten?"
"Maar als de sleutel weg is."
"Kan de smid geen nieuwen maken?" vroeg Tom.
"Ik durf den smid niet halen," zeide Lina; "anders kon hij die deur opensteken."
"Ik zou mijn horloge wel willen geven, als ik dien sleutel vond!" zeide Tom.
"Wat zal die jongen een honger en dorst hebben,--en dat kleine aapje!" riep Lina. "O, Tom, wat zijn we vreeselijk ondeugend geweest!"
"En hoe kan hij er afkomen," peinsde Tom.
"Als ik het eens aan mama of papa zeide," stelde Lina aarzelend voor.
"Maar dan zul je ook geducht knorren krijgen!" riep Tom uit. "Neen, zeg het maar niet!"
"Maar we moeten misschien naar de gevangenis, als hij doodgaat," hernam Lina. "Denk je dat?"
"Misschien wel," zeide Tom aarzelend.
Zij waren nu weer aan de woning van den heer Doornhof gekomen en gingen naar binnen.
"Wel, Lina, wat ben je gauw terug," zeide haar mama, verwonderd. "Was tante niet thuis?"
"Ik ben Tom op straat tegengekomen," antwoordde Lina eenigszins verlegen.
"Nu, gaat dan maar naar binnen; er staat een lekker stuk taart voor allebei klaar," zeide mevrouw Doornhof.
Lina en Tom haastten zich naar binnen, terwijl mevrouw naar de kamer van Lena ging. De eerste hap smaakte erg lekker, maar 't was alsof Lina het niet over zich kon verkrijgen er aan voort te eten; zij keek Tom even aan en zag, dat deze voor zich keek en de taart nog niet geproefd had.
"Ik weet niet hoe 't komt," zeide zij eensklaps, "maar ik kan het niet door mijn keel krijgen, ik ben zoo angstig."
"Ik ook, Lina," antwoordde Tom; "ik kan niet slikken."
"Hoe, de taart nog niet op, kinderen!" riep mevrouw Doornhof, die een oogenblik later binnenkwam. "Je bent toch niet ziek?"
"Wel neen, ma," antwoordde Lina benauwd.
"En jij, Tom?"
"Ik ben heel wel, Tante."
"Nu, eet dan gauw je portie op; anders loopen de ratten er nog mee weg," zeide mevrouw Doornhof lachend.
"De ratten! O, o de ratten!" riep Lina eensklaps schreiend uit.
"Stil dan toch," fluisterde Tom haar in.
"Wat is dat?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd, die wel bemerkte, dat er iets aan haperde. "Wat is er gebeurd, Lina?"
"Och, ma ik durf niet..." stotterde Lina snikkend.
"Tom, wat scheelt Lina?" vroeg mevrouw Doornhof ernstig.
"Ze... ze.. is wat.. angstig," prevelde Tom.
"En waarvoor?" vroeg mevrouw. "Toch niet voor ratten! Die loopen hier niet in de kamer."
"Neen, maar op de vliering. Antje.. en Betje.. hebben het zelf gehoord," zeide Lina afgebroken.
"Maar, kind, wat komt er dat op aan; is dat nu een reden om zoo vreemd te zijn? We zullen een kat nemen. Jij hoeft immers niet op de vliering te komen."
"Ik niet, ma; maar die jongen zit er op," fluisterde Lina.
"Welke jongen?" vroeg mevrouw Doornhof, die begreep dat er iets ergs gebeurd was.
"Met den aap," zeide Lina.
"Hoe komt die op de vliering?" vroeg mevrouw. "Hij wilde toch niet stelen!"
"O, neen, ma," riep Lina. "Wij, Tom en ik, hebben er hem opgesloten."
"Waarom dan toch? En wanneer? Daarstraks?"
"Neen, ma, eergisterenavond," zeide Lina doodelijk benauwd, "toen hij Lena op kwam zoeken."
"Lina, moet ik dat gelooven!" riep mevrouw Doornhof buiten zichzelf van schrik uit. "Heeft dat kind daar al dien tijd gezeten, terwijl vrouw Wenzel dacht, dat hij misschien verdronken was! Ondeugend, meer dan ondeugend meisje! En jij, Tom, ga heen en kom in de eerste veertien dagen hier niet aan huis! Ik zal er met je mama over spreken!"
Tom droop af, en mevrouw snelde de kamer uit, naar boven, totdat zij voor de deur stond, die de vliering afsloot en haastig den sleutel om wilde draaien. Geen sleutel was er te vinden, hoe zij ook zocht; en Lina, die haar stil was nageslopen, vertelde nu dat de sleutel nergens te vinden was.
"Stuur aanstonds een van de meiden naar den smid," beval haar mama, "en laat haar zeggen, dat hij dadelijk met gereedschap moet komen om een deur open te steken!"
Onderwijl probeerde mevrouw Doornhof om door het sleutelgat naar binnen te zien, maar 't was pikdonker; en nu herinnerde zij zich, dat er alleen maar een houten luik was, dat zeer moeilijk openging. De arme jongen was al dien tijd dus in het donker geweest. Nu probeerde zij op de deur te bonzen en te roepen, maar de deur was zoo dik en zwaar, dat het haar niets hielp en men er op de vliering niets van hoorde.
"Zouden er ratten zijn, ma?" waagde Lina eindelijk te vragen.
"Ik weet het niet," antwoordde deze stroef. "Ga naar beneden op de kinderkamer, Lina; dan kom ik straks met je spreken."
"Mag ik niet blijven, ma? Ik wou zoo graag!"
"Je hebt mij verstaan, niet waar? Ik begrijp niet, hoe zulk een ondeugend kind nog iets durft vragen," zeide haar mama streng.
Lina ging zwijgend naar beneden, en nu kwam gelukkig de smid heel gauw aan. Hij probeerde een paar sleutels; en gelukkig paste er een van op het slot, de deur sprong open en mevrouw Doornhof snelde de vliering op.
"Zeg eens, smid, help mij dat luik eens open doen; maar 't gaat stroef, wees voorzichtig," zeide zij waarschuwend.
"Jawel, mevrouw, zulke akefietjes hebben wij wel meer," zeide de smid; en weldra was het luik open, en vertrok de zwarte man.
Haastig keek mevrouw Doornhof nu in het rond, en spoedig zag zij Paul slapend op een hoop oude kleeden liggen, met Cesar in zijn arm.
"Goddank!" riep de dame uit, toen zij bemerkte, dat hij sliep.
"Kom, wordt wakker, mijn jongen, en ga mee!"
Paul sloeg de oogen op en keek, verblind door het licht, onzeker rondom zich; daarna sloot hij ze weer.
"Kom, probeer eens om op te staan," hernam mevrouw Doornhof weer, "en kom mee naar beneden."
Cesar werd wakker en begon zachtjes te jammeren, terwijl hij zich tegen Paul aandrong.
Nu werd deze geheel wakker en richtte zich op.
"O, mevrouw, hebt u wat drinken voor Cesar?" vroeg hij zacht.
"Wel zeker, wel zeker: jij en je arm aapje kunt eten en drinken, zooveel als je wilt," verzekerde zij, "maar kom dan mee."
Paul stond op en ging achter mevrouw Doornhof naar beneden; hij moest zich telkens aan de leuning van de trap vasthouden, want hij was erg duizelig door het licht en flauw, daar hij in zulk een tijd niets gegeten had.
Eindelijk waren zij beneden, en nu zorgde mevrouw Doornhof allereerst, dat Paul en Cesar flink eten en drinken kregen. Of dat ons aapje ook beviel! 't Deed Paul bijna nog meer plezier, dat Cesar het zoo goed had, dan dat hij zelf zoo genoot, en weldra waren beiden verzadigd.
"Maar arme jongen, hoe kwam je op die vliering?" vroeg mevrouw Doornhof meelijdend.
Paul bemerkte, dat zij niet wist, hoe Tom hem mishandeld had, en dus zeide hij eenvoudig, dat hij een verkeerde trap was opgeloopen; want hij wilde geen aanbrenger zijn.
"En vond je het niet allerakeligst op die donkere vliering?"
"Ja, mevrouw, ik was eerst erg angstig en heb zooveel leven gemaakt, als ik maar kon, maar later gewende ik er aan. Hoeveel dagen ben ik er wel geweest?"
"Twee dagen en een nacht!"
"Zoo kort? O! ik dacht, dat ik er wel een week was geweest," hernam Paul peinzend.
"Wil je nu eens naar je vriendinnetje Lena?" vroeg mevrouw, die hem graag pleizier wilde doen. "Zij heeft evenals Elsa zoo naar je verlangd."
Of Paul dat graag wou! Gij kunt begrijpen, hoe blij Lena en Elsa waren, en zij moest alles haarfijn weten. Aan Lena vertelde hij alles, toen Elsa even uit de kamer was. Hij vertelde hoe Tom en Lina hem behandeld hadden, en Lena maakte zich zoo boos op hem, dat de tranen haar in de oogen sprongen.