Klimop: Drie verhalen voor jongens en meisjes
Part 6
"Veroordeel dien banketbakker niet, dokter!" antwoordde mevrouw Beerman. "Die man heeft er geen schuld aan!"
"Dat is vreemd, mevrouw, want Nora is bepaald ziek geworden van het poeder, dat er over de bolussen en in de appelbollen gestrooid was," zeide dokter van Beek.
"Ik weet het al, dokter," zeide mevrouw Beerman, en verhaalde het bezoek van den bediende van den drogist en hetgeen Mies en Jeanne gezegd hadden.
"Ondeugende meisjes, mevrouw," riep dokter van Beek hoofdschuddend uit, "ze konden elkander op die manier wel vergeven."
"Ze zullen ook voorbeeldig gestraft worden, dokter," zeide mevrouw Beerman vastberaden. "En wat zegt u nu van de zieke?"
"Ik hoop dat zij weer over een paar dagen hersteld zal wezen, mevrouw, maar haar geheele gestel is in de war en vooral haar maag, dus zal zij zich zeer in acht moeten nemen en geen snoeperij eten," hernam dokter van Beek. "Zij gevoelt zich nu erg ziek en geen wonder!"
De dokter vertrok en even daarna kwam mevrouw Beerman in de kamer waar Jeanne en Mies waren, die met treurige gezichten voor de ramen stonden te kijken waar de vriendinnetjes druk speelden. Jet, Kee en Jo begrepen maar volstrekt niet waarom Mies en Jeanne niet beneden mochten komen, en verdiepten zich in allerlei gissingen wat of er gebeurd kon wezen.
"Luistert, meisjes," zeide mevrouw Beerman, toen zij de kamer binnenkwam, "ik moet eens ernstig met je spreken. Hetgeen je gedaan hebt is zoo ondeugend, zoo ongeloofelijk stout, dat ik van plan ben een brief aan je ouders te sturen, en hun te melden dat ik je niet langer op school wil hebben!"
"O, mevrouw!" riep Jeanne vreeselijk geschrikt uit, "asjeblieft geen brief naar huis!"
"Welzeker Jeanne, hoe durf je zoo iets vragen," zeide mevrouw Beerman streng. "Denk eens hoe je ouders het zouden vinden als andere meisjes jou hadden gedaan wat jij aan Nora hebt bezorgd!"
Jeanne barstte in tranen uit, en snikte als zou haar hart breken.
"Jou treft hetzelfde lot, Mies," zeide mevrouw Beerman tot haar.
"Dat begrijp ik, mevrouw," antwoordde deze, "'t spijt mij erg dat Nora zoo ziek is geworden, dat hadden wij niet bedoeld. Ik mag haar zeker nog wel eens spreken voor wij weggaan?"
"Jawel, daar heb ik niets tegen als de dokter het goed vindt," zeide mevrouw Beerman, die erg verwonderd was dat de vroolijke, onnadenkende Mies, de zaak zoo geheel anders opnam dan Jeanne, Jeanne toch bezielde alleen de vrees voor de straf, en den angst dat haar ouders er achter zouden komen, terwijl zij duidelijk bemerkte dat Mies het meeste spijt had dat Nora zoo ziek was geworden, en de straf rechtvaardig scheen te vinden.
Zij verliet hierop het vertrek, en vertelde aan al de schoolmeisjes hetgeen er gebeurd was en wie er schuldig aan waren.
Jet, Kee en Jo waren er natuurlijk ook bij, en keken niet weinig vreemd op, toen zij hoorden welk lot Jeanne en Mies boven het hoofd hing.
"Ja maar, mevrouw, dat is niet eerlijk!" riep Jet uit die het eerst woorden bij de hand had.
"Neen, neen, Jeanne en Mies hebben niet alleen de schuld," voegde Kee er aanstonds bij.
"Maar, meisjes, wat bezielt jullie toch?" vroeg mevrouw Beerman ongeloovig, "hoe durf je zeggen dat ik niet eerlijk handel?"
"Omdat het onze schuld even goed is," zeide Jet, terwijl zij Kee en Jo naar voren trok, "wij hebben het met elkaar afgesproken, alleen hebben Jeanne en Mies de boodschap gedaan!"
Mevrouw Beerman zweeg een oogenblik en zeide toen tot de meisjes, dat zij bij Mies en Jeanne in de kamer moesten gaan.
Nora's mama kwam den volgenden dag over. Zij was erg geschrikt toen zij hoorde, dat haar dochtertje ziek was, en door de komst dier dame werd mevrouw Beerman verhinderd de brieven naar de ouders der meisjes te sturen, want zij moest nu bij Nora's mama blijven en deze wat gezelschap houden.
Hierdoor had zij gelegenheid, om nog eens over de zaak na te denken en er met Nora's mama over te spreken.
Nu moet gij weten, dat dit een erge lieve dame was, die toen zij zag dat haar dochtertje weer beter werd, erg medelijden met de vijf meisjes had, hoewel zij het niet zoo liet blijken. Zij zat zoo aan Nora's bed, twee dagen nadat deze ziek was geworden.
"Mama, waar zijn die vijf meisjes toch, die altijd hiernaast slapen?" vroeg zij eensklaps.
"Die mogen niet boven komen, Noralief," antwoordde haar mama.
"Maar waar zijn ze dan?"
"Zij slapen zoo lang op een achterkamer."
"En wanneer komen ze weer hier?" vroeg Nora. "'t Is zoo gezellig als ze er zijn."
"Ik vrees dat mevrouw Beerman ze niet langer op school wil houden, Nora," zeide haar mama.
"Waarom niet, ma, wat hebben ze dan gedaan?"
"Ja, ik zal 't je nu maar vertellen, Nora," zeide haar mama, "ze zijn heel ondeugend geweest; 't is eigenlijk haar schuld dat je ziek bent."
"Haar schuld, ma!" riep Nora verwonderd uit. "Wat hebben ze dan toch gedaan?"
"Ze hebben in de appelbollen en over de bolussen, die ik je gestuurd heb, iets gestrooid, dat heel nadeelig is," zeide de dame. "Wel waren ze niet van plan om 't zoo erg te maken als 't nu geworden is, maar toch...."
"Dus zouden ze om mij worden weggestuurd?" vroeg Nora verschrikt.
"Ja, Nora, dat heeft mevrouw Beerman gezegd."
"Maar dat vind ik erg, heel erg akelig, ma!" riep Nora uit. "Nu zullen ze mij nog akeliger vinden."
"Vinden de meisjes je dan zoo akelig?" vroeg haar mama verwonderd.
"Ja, ma, ze hebben allemaal een hekel aan mij," zij zweeg een oogenblik.... "en ze hebben eigenlijk wel gelijk."
"Maar wat heb je dan gedaan, dat ze een hekel aan je hebben?" vroeg haar mama, die er niets van begreep.
Nu kwam het verhaal. Nora vertelde getrouw en naar waarheid alles zooals het gebeurd was, en vooral de scène, toen de trommel voor 't eerst was gekomen. Haar mama zette groote oogen op, en kon in 't eerst maar niet gelooven, dat haar dochtertje zoo onaardig was geweest. 't Speet haar erg, daar kunt gij op aan!
"Dan hebt je 't eigenlijk je zelf op den hals gehaald," zeide zij eindelijk.
"Ja ma, maar ik heb op den avond voor ik ziek werd juist aan de meisjes gevraagd of zij weer goed op mij wilden zijn, want dat het mij erg speet," vertelde Nora. "Ik heb haar gezegd, dat ik voortaan alles wilde deelen. En moeten de meisjes nu heusch van school af?"
"Ja, mevrouw Beerman is nu juist bezig om brieven naar haar ouders te schrijven," zeide Nora's mama.
"Maar wat zullen ze dan een knorren thuis krijgen!" riep Nora ontsteld uit. "O ma, ik zal aan mevrouw vragen of zij nog mogen blijven. Zou mevrouw het goed vinden?"
"Dat moet je afwachten kindlief," zeide haar mama, "maar ik beloof je, dat ik ook een goed woordje voor die ondeugenden zal doen. Kijk eens aan, daar is mevrouw net; vraag nu maar wat je wilt."
Mevrouw Beerman begreep niet wat Nora bedoelde, toen deze vroeg, of zij de brieven toch niet weg wilde sturen, want dat zij het zoo kwaad niet bedoeld hadden.
"Wat meen je, Nora?" vroeg zij.
"Och, mevrouw, u zult de meisjes toch niet wegsturen," smeekte zij, "we zullen juist nu goede vrienden worden, en ma zegt dat het eigenlijk mijn eigen schuld is, dat..."
"Ho, ho, Nora, zulke ondeugendheid kan zoo maar niet door de vingers worden gezien," zeide mevrouw Beerman ernstig, "bovendien heb ik aan de meid de brieven al gegeven om op de post te brengen, en...."
"O mevrouw, mag ik ze dan terughalen!" en Nora sprong waarlijk uit haar bed en liep naar de deur.
"Nora, kind, kom hier!" riep mama verschrikt uit, "je zult zoo toch niet naar beneden gaan."
"Maar de brieven!" zeide Nora onrustig.
"Wacht maar, wacht maar," zeide mevrouw Beerman, de deur openende. "Mies (het meisje was juist op de gang), ga eens naar de meid en vraag om de vijf brieven die ik haar gegeven heb, en kom dan hier met Jet, Kee, Jeanne en Jo!"
Mies zette een heel gek gezicht, maar zij begreep dat die boodschap niets kwaads beduidde en liep als een haas de gang en de trap af eerst naar de meid, die zij zonder complimenten de brieven uit de hand rukte, en daarna naar de kamer waar de vriendinnen waren.
"Victorie! Hoera! Leve ons Beertje!" riep zij, terwijl zij met de brieven in de hoogte door de kamer danste.
"Wat scheelt jou?" vroeg Jeanne, die alles behalve vroolijk was.
"Ik heb de brieven! Zie je wel de brieven van Beertje naar huis!" riep Mies juichend uit.
"Heb je die weggenomen?" riep Jo ontsteld uit.
"Neen, lieve onschuld, op bevel van ons dierbaar Beertje, heb ik ze Kaatje afgenomen en kom jullie halen, om mee naar het kabinetje te gaan. Ik weet het niet, maar heb er zoo'n voorgevoel van, dat ons iets goeds wacht!"
"Wezenlijk, Mies!" riep Jet uit.
"Zouden wij niet weggestuurd worden?" vroeg Kee.
"Komt maar mee, schatjes, dan zullen wij gauw het naadje van de kous weten," zeide Mies.
Gij kunt begrijpen dat allen Mies achterna de trap op naar boven stormden, maar voor de deur van het kabinetje stilhielden.
Mevrouw Beerman had haar echter hooren aankomen en deed de deur open.
Schoorvoetend kwamen zij naar binnen; Mies met de brieven voorop. Mevrouw Beerman nam ze aan en legde ze naast zich op de tafel.
"Meisjes," zeide zij, "Nora heeft gevraagd of jullie voor je ondeugendheid niet gestraft zoudt worden door naar huis te worden gezonden, en ik heb haar verzoek toegestaan. Maar een straf hebt jullie toch verdiend, vindt je zelf niet?"
"We hebben al straf gehad door den angst, dien wij hebben uitgestaan," waagde die brutale Mies te zeggen, "en die akelige domme jongen van den drogist moest eigenlijk ook straf hebben!"
Ondanks zich zelf moest mevrouw Beerman glimlachen, en zij deed maar alsof zij Mies niet verstond; want zij wilde nu ernstig blijven.
"Nu, meisjes, blijven moog je dan en de brieven zullen niet weggestuurd worden," vervolgde mevrouw Beerman, "maar jullie moet plechtig beloven nooit weer zulke ondeugende streken uit te halen."
Natuurlijk beloofden allen het en waren niet weinig in haar schik, dat het zoo goed afliep.
Zij sloten nu vrede met Nora, die erg blij was, dat zij nu "echte, goede vrienden" waren, zooals zij zeide; haar mama had er ook schik in en zeide dat als zij weer lekkers stuurde de trommel eens zoo groot zou wezen, en de meisjes dan eerlijk moesten deelen.
"Wat graag, mevrouw!" riep Mies vroolijk uit, "wat zal dat dan een blijdschap wezen als er zoo'n trommel komt, zullen wij met recht in
LUILEKKERLAND ZIJN!"
DE SAVOYAARD EN ZIJN AAPJE.
I.
PAUL EN LENA.
"Kom, Cesar, doe je best nu eens, en leer dit kunstje; dat vinden de menschen zeker aardig en dan krijg jij een appel of een vijg, en ik wat centen! Je lust immers zoo graag allerlei snoeperij, kleine schelm! Komaan dan... één.. twee.. drie,--nu er over en dan 't stukje hout als een geweer onder je armen; bravo... marcheeren... marcheeren... Zoo gaat het goed, Cesar; ga nu maar in de zon uitrusten; morgen gaan we er op uit!"
Paul zelf ging ook zitten, en haalde uit een oude kist een stuk brood, waarvan hij Cesar de helft gaf en de rest zelf ging opeten... Maar foei, daar bedenk ik, dat ik vergeten heb u te vertellen, wie Paul en Cesar waren. Kunt ge het raden? Neen? dan zal ik 't u maar vertellen. Cesar was een klein, allerliefst aapje; o zoo'n snoeperig, ondeugend diertje, en Paul was de meester van het aapje.
Een poosje geleden was Paul heel uit Zwitserland naar hier gekomen. Toen hij op reis ging, had hij een marmotje bij zich, maar tot zijn groote spijt was het diertje onderweg gestorven, en toen had hij, omdat hij daarover zoo bedroefd was, van den eigenaar van een beestenspel Cesar cadeau gekregen. 't Duurde niet lang of Paul hield van Cesar nog veel meer, dan hij ooit van zijn marmotje had gehouden, want het aapje was een lief, aanhankelijk diertje en volstrekt niet valsch, zooals anders apen wel eens zijn.
De ouders van Paul, die in Zwitserland ergens op de bergen gewoond hadden, waren gestorven, en daar hij geen familie meer had, was hij er toen al heel ongelukkig aan toe.
Gelukkig echter herinnerde hij zich, dat zijn moeder hem dikwijls verteld had dat er in Amsterdam een oom van hem woonde, die reeds jaren geleden naar Holland was gegaan, omdat hij dacht dat hij het daar beter zou hebben. Nu wist Paul wel dat Amsterdam heel ver van Zwitserland af lag, en hij er moeielijk kon komen, omdat het reizen met den spoortrein zooveel geld kostte,--maar dat telde hij niet. Hij begreep, dat hij er op zijn voeten ook wel kon komen, al duurde het wat langer, en nadat hij goed gevraagd had, welken kant hij op moest gaan, vertrok hij, de kleine twaalfjarige jongen, en ging naar het onbekende land toe. Hij had echter wel wat geld bij zich, want anders had hij niet ver kunnen komen. De menschen van het dorp, waar hij woonde, hadden onder elkander de meubelen van zijn ouders gekocht en hem het geld in een leeren zakje gegeven, en er bij gezegd dat hij heel, heel zuinig moest wezen.
Zijn oom had hij nog niet gevonden, want niemand dien hij er naar vroeg, wist hem te zeggen, waar hij woonde, maar hij had al gemerkt dat Amsterdam heel groot was en dus verloor hij de hoop niet, dat hij hem nog wel vinden zou.
Om nu den kost te verdienen ging hij met Cesar langs de huizen en liet het diertje allerlei kunsten maken en sprongen doen. Menigmaal riep men dan het aardige Savoyaardje met zijn aap binnen, waar beiden wat eten kregen en geld bovendien. Als Paul de menschen dan heel lief vond, zong hij met zijn heldere, frissche stem een paar liederen, die hij vroeger op de bergen zong, en als hij dan soms tranen kreeg in zijn lieve, zwarte kijkers,--want hij moest dan altijd aan zijn moeder denken, die ze hem geleerd had,--gebeurde het menigmaal, dat de een of andere vriendelijke dame hem een kus op het voorhoofd drukte en hem verlof gaf eens weerom te komen. Hij was echter te bescheiden en ook te verlegen om zoo iets te durven doen, hoe hij er ook naar verlangde.
Hij zat nog heel bedaard boven op de kist het stuk brood op te eten en Cesar keek heel nieuwsgierig door het kleine dakraampje naar buiten, toen de deur van het zolderkamertje zachtjes werd opengeduwd, en een meisje van een jaar of elf naar binnen kwam.
"Paul," zeide zij halfluid.
"Ha, Lena, ben jij daar!" antwoordde Paul, aanstonds van de kist afspringende en haar tegemoet gaande. "Kom, Cesar, zeg Lena goedendag, anders wordt ze nog boos op je."
"Dat meent je baas niet, Cesar," zeide Lena, die naar het aapje was toegegaan en het over den kop streek. "Geef me maar eens een hand!"
Cesar stak, zooals hem geleerd was, een zijner voorpooten aan Lena toe, en Paul stond er glimlachend bij.
"Hij kan al zoo mooi doodliggen en exerceeren," zeide Paul vol blijdschap. "We gaan er morgenochtend op uit."
"O, wat zullen de menschen je dan veel geld geven," riep Lena opgetogen uit.
"Ik hoop het," antwoordde Paul, "want ik heb nog maar weinig van het geld, dat ik heb meegebracht, en ik moet er mee toekomen, totdat ik mijn oom heb gevonden."
"Maar zeg eens Paul, hoe heet die oom en waar woont hij eigenlijk?" hernam Lena, een nadenkend gezichtje zettend.
"Hij heet Laurent, zoo heette mijn moeder ook, en hij woont--ja, als ik dat wist..." hij haalde de schouders op.
"Och hoe dom van mij!" riep Lena knorrig uit. "Als je het wist, dan behoefde je immers niet naar hem te zoeken."
"Ga je eens mee met mij zoeken?" vroeg Paul.
"Ik zal het vragen," antwoordde Lena, "en moeder zal 't wel willen hebben. Kom nu mee naar beneden; moeder heeft gevraagd of je mee wilt eten."
Paul nam deze uitnoodiging van zijn vriendinnetje wat graag aan, want het gebeurde maar zelden dat hij goed warm eten kreeg.
Een paar dagen gingen voorbij; Paul ging met Cesar op straat en de menschen hadden waarlijk veel plezier in de aardige kunstjes, die het aapje vertoonde; Paul was daardoor recht in zijn schik en ging op een middag vroolijk met Lena er op uit.
Zij liepen hand aan hand nog een heelen tijd rond, maar zij werden er niet wijzer door, want hoe oplettend ze ook rondkeken, zij zagen nergens den naam van Pauls oom staan. Lena werd eindelijk moede en kon bijna niet meer voortkomen, zoodat Paul haar mee moest trekken.
"Zeg eens, Paul, laten wij hier even op deze stoep gaan uitrusten," zeide zij. "'t Is hier zoo'n mooi huis, en we kunnen juist naar binnen kijken, want het gaslicht is op;--als ze de gordijnen maar niet nederlaten!"
"Wat een mooie kamer!" riep Paul opgetogen uit. "Kijk eens, Lena, wat een lief meisje daar staat aan de tafel."
"Wat krult heur haar mooi," zeide Lena bewonderend; "'t mijne gaat er altijd zoo gauw uit."
"En wat heeft ze zwart haar; heel anders dan jij, Lena," zeide Paul.
"Ja, ik ben blond; de jongens roepen mij altijd na, dat ik zuurkoolhaar heb."
"Dat 's niet waar," riep Paul vol vuur uit. "Dat doet zeker die nare Jan Dekker. Ik vind je haar ook wàt mooi."
"Dat vind ik prettig," hernam Lena, met een zucht van genoegen; "dan kan 't mij ook niets schelen, wat de anderen zeggen."
"Kijk eens, Lena, daar komt nog een klein meisje de kamer in," hernam Paul een oogenblikje daarna.
"O, wat een dotje," riep Lena uit; "ik wou dat ik haar eens mocht knuffelen!"
"Wat wou je haar doen?" vroeg Paul verwonderd, want hoewel hij al zeer goed Hollandsch kon spreken, was dat toch een woord, hetwelk hij nog nooit gehoord had.
"Wel, knuffelen!" riep Lena uit. "O, weet je niet, wat of dat beduidt? Nu, dan zal ik het je eens vertellen. Het is iemand eens flink pakken en zoenen. Begrijp je het nu?"
"Jawel," zeide Paul, "zooals moeder mij wel deed, toen zij nog leefde." Hij zuchtte, en tranen schoten hem in de oogen. "Nu doet niemand het mij meer."
"Nu, dan zal ik het wel eens doen," zeide Lena meelijdend, "en anders zal ik het aan moeder vragen."
Ondanks zichzelf moest Paul lachen, en zeide dat hij het heel lief vond van Lena, maar dat het toch zijn eigen moeder niet was.
"Laten wij nu maar naar huis gaan," zeide hij opstaande; "jij bent nu zeker wel wat uitgerust, en anders wordt het zoo laat en dan krijg je knorren."
"Ja dadelijk," antwoordde Lena; "nog eventjes naar binnen kijken naar die mooie kinderen. Ik zou wel eens willen weten of ze even lief zijn als mooi!"
"Misschien wel," zeide Paul, haar weer bij de hand vattende. "Kom, ga nu mee!"
"Ja!--Dag, lief kindje," riep Lena, een kushand naar het raam makend. "O, ze ziet me en ze knikt. Kijk eens, Paul, zeg ook eens goedendag."
"Laten we toch weggaan," hield Paul aan; "anders jagen ze ons nog van de stoep."
"Ja, aanstonds, Paul!" riep Lena, terwijl zij een trede lager van de stoep ging en maar steeds in de kamer keek. Paul lette nu niet meer op haar en stond reeds op de kleine steentjes, toen hij eensklaps een gil hoorde en verschrikt omkijkende Lena onder aan de stoep zag liggen. Zij was achteruit naar beneden gegaan, had bij ongeluk op haar jurk getrapt en zoo haar evenwicht verloren.
"Kom, Lena, sta gauw op," zeide Paul angstig; "of heb je je bezeerd?"
Lena antwoordde hem niet en was doodsbleek geworden, maar zij keek haar vriendje smeekend aan.
"Ik ben niet boos op je, Lena," verzekerde Paul haar, "maar je hebt me doen schrikken."
"O, Paul, ik kan niet," kermde Lena. "Help me toch eens; ik weet niet hoe ik overeind moet komen."
Aanstonds deed Paul zijn best om het meisje te helpen, maar nauwelijks had hij haar even aangeraakt, of zij gilde het uit.
"Daar niet, daar niet!" kreunde zij, toen hij haar om het middel wilde vatten om haar zoo overeind te zetten.
"Wacht geef me dan je handen," zeide Paul uit het veld geslagen, want 't speet hem dat hij haar bezeerd had.
Hij nam haar handen en wilde haar zoo overeind trekken. Nu schreeuwde Lena het uit, en liepen de tranen langs haar wangen. Paul wist nu waarlijk niet, wat hij beginnen moest en ook hem sprongen de tranen in de oogen. Langzamerhand waren er wat menschen om hen heen komen staan, die niet wisten, waarom dat kleine meisje daar zoo op de stoep bleef liggen.
"Wel, kinderen, wat scheelt er aan?" vroeg een goedhartige dikke juffrouw, die een hengselmand aan den arm had. "Jullie moest naar huis gaan, 't wordt bedtijd."
"Jawel, juffrouw, dat willen we ook wel," zeide Paul verlegen, "maar Lena is gevallen en kan niet opstaan."
"Lieve goedheid, heeft het kind een ongeluk gekregen!" riep een andere vrouw ontsteld uit. "Wat moet je nu beginnen?"
"Arme schapen," zeide de dikke juffrouw, medelijdend haar hoofdschuddend. "Waar woon je?"
Paul noemde de straat.
"Dat is een heel eind hier vandaan," hernam zij. "Hoe kom je thuis?"
Dat was iets hetwelk Paul evenmin wist, en hij was op 't punt om in tranen uit te barsten, toen de deur der mooie woning geopend werd, en een deftige knecht naar buiten kwam om te vragen, wat er toch te doen was.
De dikke juffrouw vertelde hoe ongelukkig de kinderen er aan toe waren, en terstond daarop verdween de knecht weer.
"Die leelijkerd," riep een schoenmakersjongen uit, die er ook naar stond te kijken, in plaats dat hij de boodschappen voor zijn baas deed. "Waarom gaat hij nu weer weg?"
"Stil, jongen, hij zal het nu aan zijn mijnheer en mevrouw gaan vertellen," vermaande de juffrouw. "Hij is toch de baas niet en kan ze op zijn eigen houtje niet helpen."
't Was juist, zooals de juffrouw dacht. De kinderen, die Lena zoo bewonderd had, hadden het troepje menschen gezien en het aan hun mama verteld; deze had nu aan Teunis den knecht gezegd eens te gaan kijken wat er gebeurd was; en toen hij vertelde, dat een meisje zich zoo erg bezeerd had, dat het niet op kon staan, riep het jongste dochtertje:
"Och, ma, mag ze hier in huis komen; hoe akelig om daar op de stoep te liggen, als ze zoo'n pijn heeft!"
"Wel zeker, Elsa," antwoordde mevrouw Doornhof vriendelijk. "Teunis moet maar vragen of Betje hem helpt; dan kunnen ze het arme kind naar binnen brengen."
Heel gauw ging de huisdeur weer open en verschenen Teunis en Betje op de stoep.
"Kom, jongen, ga jij eens op zijde," zeide Betje tot Paul, "we zullen je zusje eens naar binnen brengen."
"Neen, neen!" riep Lena angstig. "Laat me hier maar liggen, want je doet me zeker ook pijn! O, was ik maar bij moeder!"
"Hoor eens, kind, geen gekheid," zeide Teunis nu, terwijl hij een heel boos gezicht zette. "Als mijn mevrouw zegt dat ik je naar binnen moet brengen, dan breng ik je naar binnen, al kwamen je moeder, vader en al je ooms en tantes er aan te pas!"
Lena keek Teunis heel verschrikt aan en durfde niets meer zeggen.
"Och, kind, maak je maar niet benauwd," zeide Betje nu om haar te troosten; "je zult het wel aardig vinden, als je binnen bent."
Voorzichtig pakten beiden het meisje nu op en droegen haar zoo handig de stoep op en de deur in, dat zij waarlijk bijna geen pijn gevoelde. Een oogenblik later lag zij op een gemakkelijke canapé in de kamer, waar mevrouw Doornhof en haar dochtertjes waren, en bemerkte nu dat zij 't veel beter had, dan wanneer zij op de stoep was blijven liggen.
"Hoe is 't nu? Lig je wel gemakkelijk, kindlief?" vroeg mevrouw Doornhof. "Straks komt de dokter; ik heb er Teunis al naar toegestuurd, die zal dan wel vertellen wat er aan scheelt."
"O, ik lig hier heerlijk, mevrouw," zeide Lena fluisterend, "maar waar is Paul?"
"Wie is Paul?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd.
"Paul is mijn vriendje," vertelde Lena; "hij woont bij ons in huis."
"O, die jongen, die naast je op de stoep zat?" riep Elsa uit. "O, Maatje, dat is de jongen met den aap!"
"Wat voor jongen?" vroeg mevrouw Doornhof, die er niets van begreep. "Een aap?"
"Ja, Maatje; hij komt hier wel voorbij en dan laat hij een lief klein aapje allerlei kunsten doen," vertelde Elsa opgewonden. "O, 't is zoo'n aardige jongen en zoo'n aardige aap!"
"En waar is hij nu?" vroeg mevrouw Doornhof.
"Zeker weggegaan," zeide Elsa, terwijl zij naar het raam liep. "'t Is al erg donker op straat; ik kan niets meer zien."
"Hij is zeker aan je moeder gaan vertellen, wat er gebeurd is," zeide mevrouw Doornhof tot Lena; "anders zou zij te erg schrikken, als je zoo thuis kwaamt."
"Wanneer mag ik naar moeder toe?" vroeg Lena verlangend.
"Dat zullen we aan den dokter vragen," zeide mevrouw Doornhof; en daar deze juist binnenkwam, durfde Lena niets meer zeggen.
De dokter onderzocht het meisje, vroeg hoe zij gevallen was en keek heel ernstig.