Klimop: Drie verhalen voor jongens en meisjes
Part 5
Jeanne noch Mies hadden tijd om op deze vraag te antwoorden, want de bel luidde weer, wat het sein was dat de lessen begonnen. Allen haastten zich naar het lokaal en verwachtten met ongeduld het twaalfuursklokje, daar zij dan een uur vrijaf hadden.
Of die ochtend de meisjes ook lang duurde! Maar eindelijk sloeg het klokje van twaalven, en aanstonds ging ons viertal naar boven, terwijl Jo Nora aanklampte, die dit niet erg prettig scheen te vinden.
"Waar is het nu?" vroeg Jet, nog buiten adem van het ophollen der trap.
"En wat is het?" voegde Kee er bij.
"Sjalappenpoeder!" zeide Mies. "Kom, Jeanne geef het zakje."
Haastig haalde deze het voor den dag, en nu gingen de meisjes naar het kabinetje, waar Nora sliep.
"Een moet op wacht bij de deur gaan staan," riep Jet uit. "Wie doet dat?"
"Ik wel," zeide Jeanne. "Mies maakt te veel gekheid en lacht altijd te erg."
Daar stonden nu Jet, Mies en Kee om "luilekkerland" geschaard, brandende van verlangen om te zien wat er in was.
"Doe jij het deksel open," zeide Kee tot Jet.
Aanstonds voldeed deze aan het verzoek.
"O, wat een lekkere appelbol!" riep Mies uit, terwijl het water in haar mond kwam.
"Afblijven!" beval Kee. "Je moogt niet snoepen, hoor!"
"Ik wijs er maar naar," stelde Mies haar gerust, "maar ik zou er wel eens van mee willen smullen!"
"Wat ligt daar?" vroeg Jet.
"Dat zijn bolussen!" riep Mies uit. "Daarvan had ze gisteren de stroop nog om haar mond zitten, die schrok!"
"En wat is er een suikergoed in dien zak," zeide Kee, terwijl zij er nieuwsgierig inkeek.
"Snoep jij nu ook maar niet," riep Mies uit.
"Zijn jullie haast klaar!" riep Jeanne uit. "Ik ben bang als de dood, dat er iemand komt."
"Ja, ja, dadelijk!" riepen de meisjes.
"Kijk, die appelbol is open," zeide Jet eensklaps; "laten wij het daar ingooien, zoowat tusschen den appel die er inzit."
"In meer dan een!" riep Mies uit. "Anders geeft het niet!"
"Nu dan in twee," zeide Jet, en begon met Kee haastig poeder tusschen den appel te strooien en toen den bol weer dicht te maken.
"Hier is nog zoo'n mooie," zeide Mies. "Kom, doe hier nu nog wat in, 't zou jammer zijn als je het niet deedt."
"Maar dan niet meer," riep Jet uit.
"Strooi wat over de bolussen," zeide Kee lachend.
"Gauw, meisjes, daar komt juf!" riep Jeanne, het kabinetje binnenstormende; "ze is midden op de trap."
"Hier, luilekkerland!" riep Mies, sloeg het deksel van de trommel dicht en gooide haar in den hoek van de kast, waaruit zij haar te voorschijn had gehaald. Door de woestheid, waarmede zij dit deed, scheurde het zakje van de sjalappenpoeder, en vloog het overschot in het rond.
"Dat akelige goed!" riep Kee, terwijl zij een paar keeren niesde.
"Komt toch mee," zeide Jeanne, Jet en Mies naar de andere kamer trekkend; "juf zal anders vragen, wat of je in het kabinetje doet."
"Kee, nies toch niet zoo," waarschuwde Jet haar; "ze kunnen je buiten wel hooren."
"Ik kan het niet helpen," klaagde Kee; "dat akelige goed is in mijn neus gevlogen."
"Zwijg er dan toch over," riep Jeanne half luid, "daar is juf!"
De juffrouw kwam de slaapzaal binnen, terwijl Kee nog steeds stond te niezen.
"Je bent erg verkouden, Kee," zeide zij bezorgd. "Je moet vanavond maar eens vroeg naar bed gaan."
"Als je blieft niet, juffrouw!" riep Kee verschrikt uit. "Ik moet alleen maar niezen, maar dat is niets."
"Neen, neen, jij kruipt vanavond maar eens om halfacht onder de wol," zeide zij beslist, en verliet het vertrek weer nadat zij iets uit een lade had gekregen.
"Dat is nu jouw akelige schuld," zeide Kee, terwijl zij Mies een por gaf.
"Kan ik het helpen, dat het in jouw neus vloog," riep Mies verontwaardigd uit. "Had je neus dan dichtgehouden!"
"Je bent altijd zoo wild," pruttelde Kee; "nu moet ik vroeg naar bed."
"Dan kun je meteen eens lekker uitslapen," meende Jet.
"Ik heb geen slaap," bromde Kee.
"Laten we nu naar beneden gaan, anders gaat het speeluur voorbij, zonder dat wij gespeeld hebben," riep Jeanne uit. "Dan kan Jo ook meegaan."
"Nora komt nu zeker boven snoepen," zeide Mies, terwijl zij in een hartelijk gelach uitbarstte.
"Houdt je dan toch stil, lachebek!" duwde Jet haar toe.
Weldra was ons clubje met Jo buiten en speelde krijgertje, dat het een lust was om aan te zien.
Nora was, zoodra als Jo haar los had gelaten naar boven gesneld, waar zij zich braaf aan de lekkernijen te goed deed, weinig denkende wat haar boven het hoofd hing.
's Avonds om halfacht werd Kee door de juffrouw er aan herinnerd, dat zij vroeg naar bed zou gaan, en hoe smeekend zij de dame ook aankeek, er hielp niets aan, zij was zoo goed niet of zij moest naar boven gaan, en tot overmaat van verdriet ging een der secondantes mee om er haar lekker warm onder te stoppen.
"Maar, juf, ik zal stikken, als u het dek zoo instopt," klaagde Kee, terwijl zij alle moeite deed om haar handen boven te krijgen.
"Luister eens, Kee," zeide de juffrouw overredend, "als je er nu goed onderkruipt, ben je zeker morgen weer beter; je moet uitwasemen."
"Maar ik ben niet ziek, en dus hoef ik niet beter te worden," bromde Kee, onrustig heen en weder draaiend.
"Je schijnt wel wat koortsig te wezen," zeide de juffrouw haar hand op Kee's voorhoofd leggend. "Nu, ik zal wat voor je halen; blijf maar stil liggen."
De juffrouw verliet haastig de zaal en liet Kee alleen met haar gebrom en verdriet. Aanstonds ging deze nu overeind in bed zitten en gooide de dekens zoo ver van zich af, als zij kon: 't was warm weder, en dus begrijpt ge, dat zij niets op dat dek gesteld was. Uit bed durfde zij echter niet komen, want zij vreesde dat de juffrouw nog wel eens boven zou komen kijken. Zuchtend en pruttelend zat zij dus met de knieën tegen haar kin gedrukt en haar armen er omheen.
"Maar, Kee, ben je nu niet verstandiger om zoo te woelen!" riep de juffrouw, die terugkwam met een kopje warme lindebloesemthee in de hand. "Gauw, drink dit eens leeg; dat zal je goeddoen!"
"Och, juf, ik zal smelten, als ik dit gloeiende goed moet drinken," jammerde Kee. "U vindt morgenochtend niets dan een plas in bed."
"Kom, kom, geen gekheid, drink dit maar eens gauw leeg," zeide de zorgzame dame, terwijl zij Kee het kopje aan den mond zette en haar dwong het leeg te drinken.
"En nu er onder. Ziezoo, blijf nu stil liggen en probeer maar of je in slaap kunt komen."
Met deze woorden verliet de juffrouw haar, en Kee bleef alleen achter. De zon scheen nog zoo heerlijk en zij hoorde, hoe de meisjes op de speelplaats lachten en pret hadden, terwijl zij daar zoo in bed lag... en groote tranen vloeiden langs haar wangen. Zij snikte uit overmaat van droefheid en had niet gemerkt, dat iemand uit het kabinetje in de slaapzaal was gekomen, en haar medelijdend stond aan te kijken.
"Ben je ziek, Kee?" vroeg een stem.
"Neen, niet ziek, maar... o.. maar, ..." snikte Kee.
"Waarom lig je dan in bed?"
Nu keek Kee op en zag, dat het Nora was, die haar toegesproken had en nu naderbij kwam.
"O, ben jij het," riep Kee uit.
"Nu, ja, ik mag je toch wel wat vragen," zeide Nora beschroomd.
"Eet jij je lekkers maar op," hernam Kee, en barstte, terwijl de tranen van verdriet nog aan haar wimpers hingen, in een luid gelach uit.
Verwonderd keek Nora haar aan en begreep niet waarom Kee nu zoo ging lachen.
"Wil je er ook wat van?" vroeg zij op fluisterenden toon.
"Dank je, eet jij je lekkers maar alleen op," zeide Kee; "jij behoeft niet mee te deelen!"
"O, maar ik heb er zoo'n spijt van," bekende Nora nederig. "Als je maar een klein stukje wildet nemen, zou ik het prettig vinden!"
"Maar ik niet!" riep Kee uit, denkende aan de sjalappenpoeder. "Eet jij zelf je appelbollen maar op!"
"Hé, hoe weet je, dat er appelbollen bij waren?" vroeg Nora verwonderd.
"Och, dat denk ik maar zoo," zeide Kee verlegen, omdat zij zich zoo verpraat had. "Waren er dan geen appelbollen bij?"
"Jawel, en die heb ik al opgegeten," zeide Nora, "want die worden zoo gauw oudbakken. Maar de bolussen zijn er nog. Wil je er een? Och toe, doe het maar!"
"Dank je wel, ik mag ze niet eten, want de juffrouw zegt dat ik ziek ben," antwoordde Kee.
"Zou je het anders wel doen?" vroeg Nora.
"Misschien," zeide Kee aarzelend.
"Neem dan een halven bolus," drong Nora, terwijl zij de trommel haastig uit het kabinetje haalde en op den stoel naast het bed nederzette.
"Neen... neen..." riep Kee, toen Nora haar een bolus in den mond stopte, "ik... ik..." maar zij kon niets meer zeggen, want Nora hield niet op en duwde net zoolang aan den bolus, totdat Kee, om niet te stikken, begon te kauwen.
"Smaakt hij lekker?" vroeg Nora, haar met zelfvoldoening aanziende.
Kee had haar mond veel te vol om op deze vraag te kunnen antwoorden, maar knikte even.
"Wil je er nog een?" vroeg Nora.
"Neen, neen... ik wil niets meer hebben!" riep Kee uit.
"Wil je aan Jet en Jeanne, en Mies, en Jo ook zeggen, dat het mij zoo spijt dat ik zoo onaardig ben geweest?" vroeg Nora nu. "En wil je nu ook weer goed op mij zijn?"
Kee wist niet goed, wat zij zeggen zou, en zweeg dus.
"Wil je het niet zeggen?" vroeg Nora bedroefd.
"Waarom zeg je het zelf niet?" vroeg Kee op haar beurt.
"Och, ze loopen altijd weg, als ik ze aan wil spreken," vertelde Nora.
"Dat is je eigen schuld," zeide Kee.
"Jawel, maar als Jo aan haar sommen geholpen moet worden, dan spreekt ze wel," riep Nora uit. "Vanmiddag nog was ze heel goed op me en vroeg ze mij of ik haar wou helpen."
"Dan zal ik haar zeggen, dat ze 't je niet meer moet vragen," antwoordde Kee, na zich even bedacht te hebben.
"Och neen, neen, doe dat niet!" riep Nora verschrikt uit; "ik wou, dat jullie allemaal goed op mij werd!"
Kee zat nu wel een weinig in den brand, want 't was op het oogenblik toch al te gek om vrede te sluiten. Het antwoord werd haar echter bespaard, want de juffrouw kwam weer boven om eens te zien hoe 't met Kee was.
"O, Nora, doe de trommel met lekkers weg," zeide zij berispend, "je zult er Kee toch wel niets van willen geven; het staat niet mooi haar er mee te plagen."
Nora kreeg een vuurroode kleur van schaamte en maakte zoo gauw mogelijk, dat zij met haar schat in het kabinetje kwam. Toen de juffrouw zag, dat Kee stil was blijven liggen ging zij tevreden heen, en riep Nora nog toe, dat zij over een kwartiertje beneden moest komen, want dat zij dan haar avondboterham moest eten.
"En die krijg ik ook niet," zuchtte Kee, toen de juffrouw vertrokken was.
"O, dat is niets!" riep Nora, die dezen uitroep gehoord had. "Je moogt al de bolussen opeten; er zijn er nog vier in!" Zij kwam weer met de trommel aansjouwen en zette haar op den stoel naast het bed van Kee.
Kee, hoeveel zij anders van bolussen hield, was nu met het vooruitzicht op deze smulpartij volstrekt niet gediend, want ze herinnerde zich met schrik dat Mies de rest uit het zakje over de bolussen had gestrooid.
"Neen, ik heb nu geen trek in de bolussen," zeide zij; "ik zou ze maar weggooien!"
"Weggooien!" riep Nora uit, terwijl zij Kee aankeek, alsof zij meende, dat deze gek was geworden.
"Wel ja, weggooien," herhaalde Kee; "je eet je anders nog ziek aan al die snoeperij."
"Kom, jij lust het ook wel!" riep Nora ongeloovig uit. "Zoo gek zal ik niet zijn!"
"Nu, ik wil ze niet hebben," hernam Kee; "ik heb er aan één genoeg!"
"Dan zal ik vragen, of Jet, Mies, Jeanne en Jo er ieder een willen hebben!" riep Nora eensklaps uit. "Als we naar bed gaan, zal ik het doen!"
"Och, ze houden er zoo erg veel niet van," zeide Kee, "en.."
Daar luidde de schel, en Nora had nog even tijd om de trommel weg te brengen, toen er al voor de tweede maal gescheld werd.
Natuurlijk kon Nora weer niet eten, want waar een paar appelbollen zitten, daar is geen plaats voor een boterham. Ditmaal echter bedankte zij niet, zooals anders, maar trachtte haar ongemerkt onder haar boezelaar te verbergen.
"Wat gaat Nora nu uitrichten?" vroeg Mies fluisterend aan Jeanne, die ook met verwondering Nora's handeling gezien had.
"Ik weet niet; zou ze die in bed op willen eten?" vroeg Jeanne halfluid.
"Wat voer je uit?" vroeg Jo haar halfluid.
"St!" verzocht Nora, terwijl zij haar smeekend aanzag, "'t is voor Kee!"
"Waar komt die lievigheid zoo in eens vandaan?" pruttelde Jeanne.
"Kom wees nu stil," verzocht Jo haar; "wat kan 't je schelen!"
"Ja, ze heeft jou aan je sommen geholpen, en daarom ben je nu goed op haar," bromde Mies.
"Wel, dat vond jullie immers allemaal goed," zeide Jo driftig terug, "en..."
"Meisjes, niet zoo fluisteren onder elkaar," riep de onderwijzeres nu; "als je wat te vertellen hebt, zegt het dan hardop."
Nu zwegen zij en aten in vrede haar boterhammen op, waarna het bedtijd werd. Nora ontsnapte het eerst en snelde naar boven, waar zij Kee reeds half in slaap vond, die niet wist wat haar overkwam, toen Nora haar een reepje brood in den mond stak.
"He... e... wat is dat?" vroeg Kee slaperig.
"Eet maar op," antwoordde Nora, die zich gereed maakte om een tweede reepje in Kee's mond te doen verhuizen.
Nu kwamen ook anderen boven en stormden de slaapzaal in.
"Wat doe jij hier?" was het eerste wat Mies zeide, zoodra zij Nora zag. "Blijf jij in het kabinetje!"
"Ja, we kunnen je missen als kiespijn," voegde Jet er bij.
"Ik gaf dit maar even aan Kee," zeide Nora aarzelend.
"Niet noodig," meende Jeanne, "als ze wat wil hebben zullen wij het haar wel geven!"
"Ik zou het zoo prettig vinden als jullie goed op mij wildet zijn, en ik met jullie mee mocht spelen," hernam Nora.
"Dat wil ik wel gelooven," zeide Mies snibbig, "je vindt het zeker erg vervelend om zoo alleen te zijn; 't is je verdiende loon."
"Maar als Nora goede vrienden wil worden, dan behoef jij niet zoo bijdehand te zijn," meende Jo. "Jij bent ook zoo'n heilig boontje niet."
"Dat is best mogelijk, maar ik ben toch nooit zoo'n schrok geweest als Nora," verdedigde Mies zich.
"Omdat je nooit zulke groote trommels met lekkers hebt gekregen," zeide Kee die aldoor gezwegen had.
Nora ging dien avond naar bed, wel in haar schik dat zij nu op weg was om met de andere meisjes goede vrienden te worden, ja zij neuriede onderwijl, en had van pleizier wel willen dansen.
III.
WAT DE BEDIENDE VAN DEN DROGIST VERTELDE.
't Was nog heel vroeg in den morgen toen Kee ontwaakte door een verward gedruisch van stemmen, en het heen en weer loopen van menschen. Haastig sprong zij uit het bed en toen zij om het hoekje der kamerdeur keek, zag zij hoe de juffrouw over het ledikant van Nora stond heengebogen.
"Wat een spektakel," dacht Kee, "om zoo'n lawaai te maken over wat pijn in het lijf!"
Toen zij echter nog even bleef luisteren bleek het haar dat het iets anders was, waarover Nora klaagde, en zij zag het gezicht van het meisje dat doodsbleek en angstig stond.
"Wat zou haar toch schelen?" zeide Kee halfluid.
"O, Kee, ben jij daar," riep de juffrouw uit, "ga eens naar beneden en vraag of mevrouw eens boven komt, want dat Nora zoo ziek is."
"Dadelijk juf," riep Kee uit, en snelde naar de slaapzaal, waar zij de andere meisjes wakker schudde, en zoo gauw mogelijk naar beneden liep.
Heel spoedig kwam Kee met mevrouw boven die aanstonds in het kabinet ging.
"'t Beste is dat de dokter eens naar haar komt kijken," zeide mevrouw, nadat zij een oogenblik had gezwegen. "Zeg eens Nora, wil je ook iets hebben?"
"Neen... neen... O, ik ben zoo naar," fluisterde het meisje.
"Als u nu zoolang bij haar blijft, juffrouw, dan zal ik iemand naar dokter van Beek sturen," hernam mevrouw.
Dokter van Beek kwam al, toen de overige leerlingen nog aan het ontbijt zaten, en had de patiënte oplettend waargenomen en verscheidene vragen gedaan.
Op de groote slaapzaal gekomen, zeide mevrouw Beerman:
"Wat denkt u van de zieke, dokter? Het is toch niet gevaarlijk?"
"Gevaarlijk juist niet, mevrouw, maar ik zou wel eens willen weten of zij ook 't een of ander gebruikt kan hebben dat schadelijk is," antwoordde dokter van Beek.
"Zij heeft gegeten wat de andere meisjes ook gebruikt hebben, dokter," zeide mevrouw Beerman.
"Anders niets?"
"Wacht, daar herinner ik mij dat zij van huis een trommel met lekkers heeft gekregen!" riep mevrouw Beerman uit. "Wilt u het zien?" Zonder het antwoord af te wachten ging zij naar het kabinetje om den schat te halen.
"Bolussen en suikergoed," zeide de dokter, toen de trommel voor hem stond. "Misschien is het suikergoed wel gekleurd, en heeft ze verf binnen gekregen!"
Hij schudde de zak leeg maar zag dat het best fijn suikergoed was zonder kleuren.
"Neen, dat is het niet," zeide mevrouw Beerman, "maar kan er ook iets in die bolussen zijn? Misschien heeft er nog wel meer lekkers ingezeten. Juf! juf!" riep zij halfluid, "weet u ook wat er nog meer in de trommel was?"
"Ja, mevrouw, er waren ook appelbollen in, maar die heeft zij het eerst opgegeten."
"Dan was er zeker 't een of ander in die appelbollen," meende Mevrouw Beerman, terwijl zij den dokter vragend aankeek, die den bolus oplettend bekeek.
"Best mogelijk, mevrouw, maar hier op dien bolus is ook iets gestrooid dat er niet ophoort," antwoordde dokter van Beek. "Ik neem dien bolus mee, en zal onderzoeken wat er op ligt."
Toen mevrouw Beerman beneden kwam vroegen al de meisjes om strijd hoe 't met Nora was.
"Zij is volstrekt niet goed," antwoordde zij ernstig, "gaat nu naar school, want de lessen beginnen."
Jet, Kee, Mies, Jeanne en Jo keken elkander aan, en zij begrepen volstrekt maar niet hoe 't kwam dat Nora zoo ziek was en maakten zich niet ongerust, want zij dachten dat het wel gauw weer in orde zou komen.
"Wel ja, wat pijn in 't lijf enzoovoorts! zooals die jongen bij den drogist zei," riep Mies lachend uit.
"Maar ze ziet zoo wit als een laken en kijkt volstrekt niet op," merkte Jo aan.
"Kom, maak jij je werk maar," beet Kee haar toe, die wel wat ongerust was, en ook zoo'n vreemd gevoel bij haar maag had. Zeker van dien bolus, dacht zij.
Terwijl de lessen druk aan den gang waren werd mevrouw Beerman onverwacht geroepen, in 't eerst schrikte zij niet weinig, want zij dacht ook niet anders of Nora was erger geworden, maar toen zij hoorde dat er een jongmensch was om haar te spreken was zij weer gerustgesteld, en ging zij gauw naar beneden.
"Wat is er van uw dienst?" vroeg zij, toen zij de spreekkamer binnenkwam.
"Och mevrouw, 't was heusch niet exprès, en 't was erg dom van mij," begon hij stotterend, "maar..."
"Wat dan?" vroeg mevrouw Beerman verwonderd.
"Toen de jongejuffrouwen zoo vroeg in den winkel kwamen, en... en..."
"Welke jongejuffrouwen? En wie ben je dan toch?"
"Och mevrouw, ik ben bediende bij den drogist, weet u. De drogist hier op 't dorp," zeide hij verlegen, "maar ik ben er eerst acht dagen, en dan kunt u wel begrijpen dat ik niet precies weet waar alles staat, niet waar? Zou u dat zoo gauw kunnen weten?"
"Zeg nu liever wat de jongejuffrouwen hier bij te pas komen," zeide mevrouw Beerman ongeduldig, "want je spreekt toch zeker over kostleerlingen van mij!"
"Juist, mevrouw," antwoordde hij, "en 't eene meisje vooral was erg vroolijk, want zij lachte aldoor. Misschien lachte zij mij wel uit, denkt u ook niet, mevrouw? Of 't kon ook om den patroon zijn, die met de slaapmuts op om den hoek kwam kijken! Dat was erg gek van hem, hé?"
"Als je me nu niet gauw zegt, wat je te vertellen hebt dan verzoek ik je vriendelijk mij niet langer op te houden," riep mevrouw Beerman boos wordend uit, en keerde zich half om.
"Een oogenblikje, mevrouw, wij zijn nu zoo mooi op weg," zeide hij smeekend, "een vergissing kan iedereen overkomen, en dus is 't zoo erg niet dat 't mij gebeurd is, en dat ik in plaats van sjalappen, een ander poeder gegeven heb. 't Ziet er precies eender uit! Zie maar eens mevrouw," en hij haalde twee opgevouwen papiertjes uit zijn zak die hij opendeed en op de tafel neerlegde.
"En dus hebben een paar van de meisjes sjalappenpoeder bij je gehaald?" vroeg mevrouw Beerman verwonderd.
"Excuseer, mevrouw, zij hebben er wel om gevraagd, maar ik heb haar bij ongeluk dit gegeven," zeide het jongemensch.
"En wanneer is dat gebeurd?" vroeg mevrouw Beerman belangstellend.
"Gisterenochtend, om zeven uur al," antwoordde hij. "Toen kwamen de twee jongejuffrouwen de boodschap doen, en 't spijt mij erg dat ik de verkeerde poeder gaf!"
"Zoo... zoo..." antwoordde mevrouw Beerman langzaam. "En zou je mij kunnen aanwijzen wie het zijn geweest?"
"Als ik ze zag zeker," riep de angstige jongen aanstonds uit.
"Wacht dan even," zeide mevrouw Beerman, "straks gaan ze naar een ander lokaal en dan komen ze allemaal hier voorbij. Hoe oud denk je dat ze waren?"
"Een jaar of elf," antwoordde hij na zich even bedacht te hebben.
Mevrouw Beerman trok aan een schel en aanstonds hoorde men een getrappel en kwamen de meisjes naar beneden.
Heel spoedig wees hij Jeanne en Mies aan, die niet vermoedden wie haar zag.
Nadat het jongemensch, onder veel verontschuldigingen, was weggegaan, liet mevrouw Beerman Mies en Jeanne roepen. Deze, die niet begrepen wat mevrouw haar te zeggen kon hebben, stonden weldra in de kamer.
"Meisjes, ik zou wel eens willen weten wat jullie gisterenmorgen om zeven uur bij den drogist hebt gedaan?" zeide zij haar doordringend aanziende.
Geen van beiden gaf antwoord.
"Nu, weest zoo beleefd om mij te antwoorden," zeide de onderwijzeres streng. "Wat deed je bij den drogist?"
"Een boodschap, mevrouw," antwoordde Mies gevat.
"Juist, je haaldet sjalappenpoeder," zeide mevrouw Beerman, "en nu zul je mij dadelijk vertellen, waarom je dat deedt."
Nu zeide Mies ook geen woord en zweeg evenals Jeanne.
"Jeanne, waarom haalde je dat poeder?" vroeg mevrouw nogmaals. "Als je niet antwoordt zal ik je voorbeeldig straffen."
"Om in te nemen," zeide Mies weer.
"Zelf hebt je het niet ingenomen," hernam mevrouw Beerman, "dus was 't voor iemand anders. Waarom heb je het over Nora's bolussen gestrooid?" dit zeide zij eensklaps en keek de meisjes strak aan.
"Om... ik... ja.." stotterde Jeanne, die erg schrikte.
"En jullie hebt het ook in de appelbollen gedaan," hernam mevrouw Beerman bepaald.
"Nu ja, mevrouw," riep Mies uit, "dat hebben wij gedaan, omdat ze zoo'n schrok was!"
"Hoe vreeselijk ondeugend," zeide mevrouw Beerman het hoofd schuddend. "Je weet zeker niet dat het geen sjalappenpoeder was dat je gekocht hebt."
"Neen, mevrouw, 't was sjalappenpoeder!" riep Mies uit, "de jongen in den winkel zei het zelf."
"Ik heb hem zoo juist hier gehad, en hij zeide dat hij zich vergist had, en je iets anders gegeven had," zeide mevrouw Beerman, "en dat andere is zeer schadelijk; 't is iets waar Nora nu zeker ziek van is!"
De meisjes keken erg bedrukt. Zoo hadden zij het niet bedoeld, zij hadden alleen Nora maar eens een onpleizierigen nacht willen bezorgen, maar haar geen nadeel willen toebrengen.
"Nu, meisjes, je begrijpt wel, dat je in het speeluur niet naar buiten behoeft te gaan," zeide mevrouw Beerman. "Ik zal jullie later wel zeggen welke straf je zult krijgen."
Zij ging uit de kamer en liet de meisjes alleen.
"Wat een nare flauwe, akelige jongen!" riep Mies uit die het eerst weer op het verhaal kwam. "Om hier bij mevrouw zoo'n wit voetje te willen hebben en alles te komen vertellen! Ik wou dat ik hem hier had!"
"Ik vind dat de anderen ook gestraft moeten worden," meende Jeanne knorrig. "Ze hebben er evenveel schuld aan als wij!"
"Wat helpt ons dat?" vroeg Mies schouderophalend, "als jij gaat klikken ben je net zoo flauw als die jongen! En wij hebben er toch het meeste schuld aan en wij hebben er ook het meeste pleizier van gehad!"
"Omdat we nu toevallig naar dien winkel zijn gegaan," zeide Jeanne pruilend, "als we allemaal straf kregen kon 't mij niet schelen, maar nu zoo wij alleen!"
"Je valt me erg tegen, Jeanne," riep Mies verontwaardigd uit, "maar als je het klikt dat de anderen ook mee hebben gedaan dan zul je je pleizier in het vervolg wel aankunnen!"
Weldra kwam de dokter, die den bolus onderzocht had en wist wat er aan scheelde, nog eens kijken.
"U moogt wel naar haar mama schrijven, mevrouw," zeide hij, "dat zij niets meer bij dien banketbakker laat halen, want ze zijn daar erg onvoorzichtig."