Klimop: Drie verhalen voor jongens en meisjes
Part 2
Hoor!! Wat was dat? O ja, daar kwamen ze aan! Hoe vroolijk zag Rosa er uit, en wat stond dat blauwe hoedje lief op haar blonde haren; Mina en Cato liepen gearmd naast haar, en zorgden er voor dat zij Ko niet uit het oog verloren, die een groote tasch over zijn schouder had hangen, zeker gevuld met het lekkers waarover Mina gisteravond had gesproken! Wat was die Ko toch een dikke jongen, 't leek wel of hij nu al niet meer voort kon! Neen, dan was Gus veel aardiger; hij kon wel erg plagen, en Nanni hield eigenlijk niet van hem, maar hij was soms zoo erg grappig dat iedereen om hem lachen moest.
Ja, daar gingen ze, nog een stuk of tien andere jongens en meisjes, alles even jolig en levendig en achteraan mijnheer Ebels, en--meester Struis! O, die meester Struis, was die er gisteren niet geweest, dan.... Och, dan had zij zeker wel wat anders gedaan, waarvoor zij straf had gekregen, dacht onze arme Nanni.
Een paar van de jongens die het laatste liepen hadden de tong uitgestoken en een langen neus getrokken, toen zij voorbij Nanni's woning kwamen. Zij had het wel gezien, maar wat die flauwerts deden kon haar niets schelen, want zij zouden het niet wagen, als zij haar zagen! Neen, ze waren bang voor haar, want ze kon het best tegen hen opnemen, als 't er op aan kwam! Niet erg jongejuffrouwachtig, niet waar? Maar dat komt er van, als men zoo weinig bemind en zoo'n baasje is!
Toen zij goed en wel uit het oog verdwenen waren nam Nanni haar kans waar en sloop op haar teenen de trappen af, haastig de gang en de achterdeur uit, en daar stond zij buiten juist toen Trijntje, de meid der tantes, de keukendeur opende om de kachel aan te gaan maken. Nanni haastte zich door den tuin, het hek uit, en weldra was zij, den tegenovergestelden kant die haar vriendinnetjes gegaan waren, het dorp uitgeloopen. Zij snelde het bosch in en hield niet op, voordat zij haar lievelingsplekje onder den grooten boom bereikt had.
Daar viel zij op het zachte mos neder en bleef een poosje voor zich uit zitten staren. Niet, dat zij iets zag van hetgeen haar omringde, o neen, haar gedachten waren bij haar schoolmakkers; zij meende dat zij nu al weggereden zouden wezen, en onwillekeurig kwamen de waterlanders voor den dag. Langzamerhand bedaarde zij echter, en begon zij eens te bedenken wat zij doen zou. Daar blijven dat ging ook niet, want zij wilde niet dat iemand haar zou zien. Zij stond dus op en liep dieper het bosch in, totdat zij op een afgelegen plek kwam, waar bijna nooit de bewoners van Frankendaal kwamen. Daar ging zij op een omgewaaiden boom zitten en haalde een boek uit den zak, dat zij opensloeg en waarin zij aanstonds begon te lezen. 't Was een boek vol mooie sprookjes dat zij op haar laatsten verjaardag had gekregen, en dat haar altijd opnieuw aantrok en boeide.
Zij was niet voornemens naar vrouw Berens te gaan, want dan zou zij moeten vertellen, dat zij haar tantes in den waan had gelaten dat zij mee naar Amsterdam ging, en zij wist niet recht waarom, maar zij begreep dat baker dat niet goed zou vinden;--kortom, zij zou het maar eens probeeren het dien dag zonder eten te doen en in het bosch te blijven ronddwalen.
Maar nu wil ik u toch in gedachten eens laten meegaan met het vroolijke troepje dat feest ging vieren! We moeten ons wel haasten, want ze zijn ons een heel eind vooruit, maar gelukkig halen we hen juist in nu zij uit de Tram stappen die te Amsterdam naar de Plantage rijdt,--en in die Plantage is de dierentuin.
Mijnheer Ebels zorgde er voor, dat het jonge goedje goed en wel den tuin inkwam, en meester Struis hield hen in orde.
"Waar eerst naar toe, meneer?" vroeg de laatste.
"Naar de apen!" riep Gus.
"Naar de olifanten!" zeide Cato.
"Naar de nijlpaarden?" vroeg Ko.
"Volgt mij maar," zeide de heer Ebels, zonder op al die uitroepen acht te slaan. "Ik weet hier den weg, en jullie zult alles zien, dat beloof ik je. Maar niet op je eigen houtje wegloopen of dieren plagen, dan breng ik je bij den portier en moet je daar wachten totdat wij gereed zijn."
Zij gingen eerst links af een laan in, waar zij aanstonds kameelen en dromedarissen in 't oog kregen.
"Op dat beest zou ik wel eens willen rijden!" riep Gus uit. "Tusschen die twee bulten zou ik wat gemakkelijk zitten."
"Je meent den kameel" zeide mijnheer Ebels "maar 't zou je niet meevallen voor iemand die het niet gewend is; in de woestijnen, die..."
"Wat zijn woestijnen?" vroeg Ko.
"Groote, dorre zandvlakten, waar niets groeit en ook geen water te krijgen is," vertelde mijnheer Ebels. "In ons land vindt men ze niet, maar in warme landen, zooals Afrika; daar zijn woestijnen, die zoo groot zijn, dat men er weken achtereen reizen moet om er uit te komen."
"Zijn daar ook spoortreinen?" vroeg Rosa.
"Wel neen, kind, en er wonen geen menschen ook in."
"Maar waarom gaan de menschen er dan naar toe?" vroeg Cato,
"Vooreerst omdat zij er door moeten trekken om van de eene stad naar de andere te komen, en ten tweede zijn er van die zwervende volksstammen, die er zich veel ophouden. Als zij nu in de woestijn gaan, nemen zij kameelen mee, daar die dieren heel taai en sterk zijn en bovendien zeer weinig drinken noodig hebben. Zij krijgen volop water voor zij de reis aanvaarden, en dit bewaren zij in een zak onder aan hun keel, zoodat als de reizigers gebrek aan water krijgen, zij slechts een kameel behoeven te dooden en weer drinkwater hebben."
"Dat zal ook niet lekker smaken," meende Rosa, haar neusje optrekkend.
"Als je maar eens goed dorst hebt, dan zie je zoo nauw niet," hernam mijnheer Ebels. "Maar komaan, ziet eens hier, dat zijn lama's, die zeer goede wol geven."
"O, dat zijn die spuwbeesten!" riep Mina uit, terwijl zij haar vriendinnetjes achteruit trok.
"Dat loopt zoo'n vaart niet," zeide meester Struis lachend; "maak ze niet boos, dan zul je er geen last van hebben!"
Zij kwamen nu ook bij de herten, en daarna bracht mijnheer Ebels hen bij de struisvogels en kasuarissen.
"Waarom gaan we nu niet verder?" vroeg Ko, toen de heer Ebels bij de struisvogels bleef staan en daar 't een en ander van vertelde.
"Luister liever," beet Gustaaf hem toe.
"Och ik weet wel, dat de veeren van die beesten op de hoeden worden gedragen," bromde Ko.
"Weet je dan ook hoe zij doen, als zij in gevaar verkeeren?" vroeg de heer Ebels, die hem verstaan had.
"Dan loopen ze zeker weg." pruttelde Ko; "ik wou dat ik ook weg mocht loopen!" dit laatste zeide hij zeer zacht.
"Neen, jongetje, dan blijven zij staan en verbergen hun kop tusschen het gras," vertelde de onderwijzer. "Zij meenen, dat als zij hun vervolgers niet zien, dezen hen ook niet in het oog kunnen krijgen!"
"Doen de apen dat ook?" vroeg een andere, die erg naar de apenkooi verlangde.
"Wel neen," riep meester Struis uit. "Waarom vraag je dat?"
"Och, ik dacht dat zij alles nadeden wat andere dieren doen, en dat er daarom van naäpen gesproken wordt," verklaarde deze kleine geleerde.
"Mij dunkt, we moesten nu maar naar de apenkooi gaan," hernam de heer Ebels, na op zijn horloge gekeken te hebben; "daarna zullen wij een broodje eten."
"En wanneer dan naar de wilde dieren?" vroeg Gustaaf teleurgesteld. "Ik verlang zoo naar de leeuwen en tijgers."
"Die loopen niet weg," zeide de heer Ebels; "straks."
"'t Zou er ook gek uitzien, als zij wegliepen," fluisterde Mina haar vriendin Cato in; "dan zouden zij ons allen wel opeten."
Schertsend en joelend bereikte ons troepje de apenkooi. Reeds een eind er vandaan hoorden zij de groote bel luiden, die midden in het hok hing, en zij begrepen natuurlijk eerst niet, waar dat gelui vandaan kwam. Dat was een gekrioel daar achter die traliën! 't Leek onze vriendinnetjes en vriendjes toe, alsof er wel honderd, of zooals Ko beweerde, duizend van die aardige, kleine springers in waren! Zij waren als water zoo vlug. Daar hing er één met zijn achterpooten te slingeren aan een ketting, die van het eene naar het andere einde was gespannen. Verbazend, wat ging dat vlug! Wip! Daar duikelde hij om, greep ook met zijn voorpooten den ketting en liep er zoo vlug overheen, alsof hij een koordedanser was. Waar naar toe? Ha, ja naar de bel! Dat was dus de aap, die den post van klokkeluider waarnam, en hij zat met zulk een ambitie te luiden, dat hij niet bemerkte, dat er een ander achter hem aankwam en hem onverwacht achteroverhaalde.
"Die leelijkerd!" riep Cato uit, die met ingespannen aandacht had staan kijken. "Nu zal dat aardige aapje vallen!"
Maar neen hoor, de sinjeur tuimelde wel achterover, maar greep tevens met een zijner handen den boomstam, die in het midden der kooi stond, bleef daar hangen en trok met de andere hand zijn vijand zoo geducht aan zijn staart, dat deze luid begon te schreeuwen, de klok in den steek liet en de ander na ging loopen. Met bewondering zagen zij naar de vlugge en kluchtige sprongen, die de vroolijke dieren maakten, en telkens barstten zij in een hartelijk gelach uit.
"Pas op, Ko," riep meester Struis waarschuwend uit, "achteruit!"
't Was maar waarlijk goed, dat ons Kootje vlug achteruitsprong, want hij zag eensklaps den ruigen arm van een allerliefst zwart aapje naast zich verschijnen. Haastig stak hij den schelm een noot toe, en had het genoegen te zien, dat deze hem heel netjes kraakte en begon op te peuzelen, toen een andere, zoo vlug als een matroos, die uit den mast glijdt, langs de traliën naar beneden kwam, heel handig de noot wegpakte en er in een ommezien mee verdwenen was. Het kleine, zwarte aapje zat den dief een oogenblik verbaasd na te kijken, maar zeker bemerkte hij wel, dat deze te groot en te sterk was, om een gevecht te durven beginnen en daarom krabde hij zich maar eens achter de ooren en keek de meisjes en jongens smeekend aan.
"Die leelijke dief!" had Rosa aanstonds uitgeroepen. "Toe, Gus, geef een paar amandelen aan dat kleine aapje!"
"Wil jij ze hem geven?" vroeg Gustaaf heel galant, "of ben je soms bang dat hij je vinger ook beetpakt?"
"Wel neen, geef maar op!" riep Rosa ongeduldig uit. "Daar arm, klein ventje, pas nu op, dat ze 't je niet weer afnemen! Ko, geef jij nu aan dien grooten een noot als hij er weer bijkomt!"
't Aapje nam de amandelen heel voorzichtig en netjes aan, stopte degene die hij nog niet opat, tusschen zijn achterpootjes en begon er een te kraken, terwijl hij Rosa met zijn slimme, heldere oogjes aankeek.
"Ik zou hier wel willen blijven!" riep Mina uit, "de apen vind ik het alleraardigst!"
"Ik ook," zeide Cato. "Zie eens die met die lange staarten, wat hangen die er kluchtig aan!"
"Dat zijn zeker slingerapen," voegde Ko er bij.
"En wat koesteren en vertroetelen zij die jongen," zeide Rosa. "Zie daar eens... O wee, nu gaan ze vechten!"
"'t Is nog al gauw gedaan," riep Ko uit; "ze toffelen elkaar niet zooals wij dat doen, als we vechten."
"Die apen zijn ook veel aardiger dan jullie!" antwoordde Mina minachtend. "Om jullie moeten we nooit zoo lachen!"
"Dan zal ik je maar niets meer uit mijn tasch geven," zeide Ko beleedigd, "en...."
"Kom, kom, Ko, je moet zoo gauw niet boos worden," riep Cato sussend; "jullie zijn weer op een andere manier aardig, niet zoo aardig als de apen, maar je bent ook geen aap!"
"Dat zou ik ook niet graag wezen," antwoordde Ko tevredengesteld en met een hooge borst. "Een aap is maar een aap!"
Mina wilde iets ondeugends zeggen en opende haar lippen reeds, maar Cato trok haar aan haar arm en fluisterde haar in om te zwijgen, want dat Ko haar anders bepaald niets meer van de rozijnen zou geven.
"Kom aan, jongelui, nu een tafeltje om ons broodje te kunnen eten; ieder krijgt een glas melk," riep de heer Ebels. "Is iedereen present? Ja? Neen! Waar is Gustaaf?"
Allen keken rond, maar Gustaaf was er niet bij. Rosa wist het ook niet, en juist wilde meester Struis een laantje inloopen om te zien of hij het verloren schaap daar ook kon vinden, toen een angstig gegil, dat uit het winterhok der apen kwam, hun in de ooren klonk. Er in te vliegen was het werk van een oogenblik; allen meester Struis na, en wat zij zagen, deed hen eerst ontstellen, en daarna in lachen uitbarsten.
Gustaaf stond midden in den smallen doorloop tusschen de kooien, die zich aan weerszijden bevonden, of juister gezegd, hij stond niet in het midden, maar vlak bij een der kooien, en daar stond hij niet vrijwillig ook. Een groote aap had met de eene hand zijn arm vastgepakt, terwijl hij met de andere zijn oor stevig beet had. Gustaaf die zich niet verroeren kon, of zijn oor deed hem vreeselijk pijn, stond daar als 't beeld der radeloosheid en gilde en riep zoo hard hij kon om hulp.
't Was wezenlijk zoo gemakkelijk niet om hem van zijn aanvaller te verlossen, dat ondervond meester Struis, en ook mijnheer Ebels kon bitter weinig uitrichten, want als zij de handen van het dier los wilden maken, kneep het Gustaaf hoe langer hoe harder en begon te brommen, zoodat Gustaaf de tranen uit de oogen liepen van pijn. Ko echter kreeg een inval! Hij zeide evenwel niets, en ondanks het geroep van den heer Ebels, snelde hij weg en kwam een oogenblik daarna met den oppasser terug.
"Wat is dat?" zeide de oppasser, terwijl hij naderbij kwam. "Laat los, Cesar!" en hij dreigde het dier met een rieten stok.
Langzaam week de groote aap achteruit, met de oogen strak op zijn oppasser gericht. Eindelijk voelde Gustaaf dat de greep aan zijn arm en oor losser werd, en hij meende reeds dat hij vrij was, toen hij een onbedachte beweging maakte en het nijdige dier eensklaps luid brommend zijn nagels nogmaals diep in het oor drukte en daarna losliet en achter in het hok vluchtte.
Gustaaf voelde zich niet bevrijd of hij sprong aanstonds een heel eind terug en kwam tegen het tegenovergestelde hok terecht, waar een klein aapje hem spottend zat aan te kijken.
"Pas toch wat op, jongeheer, je bent pas verlost, of daar spring je alweer naar een anderen snuiter toe," waarschuwde de oppasser. "Dat kleintje is ook een rakker als hij begint!"
Haastig verwijderde Gustaaf zich, zijn zakdoek stijf tegen het mishandelde oor gedrukt en snelde den tuin in. Natuurlijk liepen allen hem achterna, en verlangde de heer Ebels eerst eens te weten hoe zijn oor er uitzag, en daarna hoe hij zoo in de klem geraakt was.
Het oor bloedde geducht want er waren verscheidene leelijke krabbels op, maar gelukkig waren dat de ergste wonden; in de mouw van zijn kiel was een winkelhaak maar dat was van zoo weinig belang dat toen die met een paar spelden gerepareerd was, niemand er notitie van nam. Een natgemaakte zakdoek deed het bloeden van het oor spoedig bedaren, en toen Gustaaf genoegzaam van den schrik hersteld was, vertelde hij hoe het gekomen was dat hij zoo geducht in 't nauw was geraakt.
"Ik was even naar binnengeloopen, mijnheer," zeide hij, "om te zien of er nog dieren waren, en toen zag ik zulke aardige, kleine aapjes en bleef staan kijken; zeker ben ik te ver achteruitgegaan, want eensklaps voelde ik mij beetgepakt door een aap dien ik niet gezien had. O, ik was zoo geschrikt! Eerst hield ik mij stil, want ik was bang dat u knorren zoudt, als u zag dat ik stilletjes naar binnen was gegaan, en ik dacht dat die aap het maar voor de grap deed!"
"Hij zag je zeker voor familie aan," kon Mina niet nalaten aan te merken, "en hij meende dat je bij hem in het hok behoordet!"
"Plaag hem nu niet, Mina," zeide Rosa, die erg medelijden met haar vriendje had en medelijdende blikken op het gehavende oor wierp. "Hij heeft nu narigheid genoeg."
"Och, die stumper!" riep Mina halfluid uit; maar zij meende het zoo kwaad niet, want zij was eerst erg geschrikt toen zij het bloedende oor zag, maar zij hield veel van plagen, die ondeugd!
"En ben je toen gaan schreeuwen?" informeerde Cato.
"Jij zoudt ook wel geschreeuwd hebben," antwoordde Gustaaf pijnlijk glimlachend. "Hè, ik voel die nagels nog!"
"Ik vind dat je niet eens erg geschreeuwd hebt," bekende Cato openhartig, "ik zou zeker een keel op hebben gezet, alsof ik vermoord werd. Was maar dadelijk gaan schreeuwen, des te eerder waren wij bij je geweest!"
"Dat hielp niet veel of wij er al bij waren," zeide nu de heer Ebels, die hen maar onder elkaar had laten praten, "als Ko niet zoo flink bij de hand was geweest en den oppasser had gehaald, dan weet ik niet of Gustaaf nog wel twee ooren zou hebben. Je hebt een pluimpje verdiend, Ko! Ik hoop dat je altijd, ook in latere jaren zooveel tegenwoordigheid van geest zult hebben!"
Ko keek erg verlegen en stak uit verbouwereerdheid een handvol rozijnen in zijn mond, zoodat hij geen woord kon zeggen, en Mina hem waarschuwend aan den arm trok, daar zij bang was dat hij alles op zou eten.
Weldra zaten allen onder de heerlijke boomen, aan drie aan elkander gezette tafeltjes smakelijk te eten,--maar lang rust hadden zij niet, want er was nog zooveel te zien, dat zij bang waren dat de dag niet lang genoeg zou zijn.
"Goed, wij zullen nu verder gaan," zeide de heer Ebels die wel bemerkte waar de schoen wrong, "maar nu allen bij mij blijven! Je hebt aan Gustaaf gemerkt hoe 't je bekomt als je op je eigen houtje uitstapjes maakt!"
In een oogwenk waren allen opgestaan, en nu ging men het keurig nette bruggetje over naar den overtuin.
De pelikanen, zwanen, eenden enz. die in de vijvers zwommen trokken al dadelijk de aandacht der meisjes, die aanstonds brood en beschuit begonnen te kruimelen en dat in het water wierpen. Maar lang konden zij daar niet blijven, de heer Ebels maakte wat haast. Eerst naar de leeuwen en tijgers had hij gezegd, en zoo gingen zij dan ook. O, welke prachtige wilde dieren zagen zij daar! Wel vonden de meisjes dat brullen niet erg pleizierig en schrikten zij terug toen een groote, gestreepte tijger haar met zijn glinsterende, groenachtige oogen zoo valsch aankeek, maar toch genoten zij er in dat zij nu die dieren, die zij maar alleen op prentjes hadden gezien, zoo voor zich zagen. En die leeuwen! Daar kon Mina haast niet vandaan komen; de leeuwin kon haar minder schelen, maar die leeuw met zijn prachtige lange manen betooverde haar.
"Hoe raar dat de leeuw zooveel mooier is dan de leeuwin," zeide Mina die gearmd met haar stond.
"Ja, jammer," beaamde Cato; "ik zou het aardiger vinden als het wijfje mooier was."
"Zeker!" riep Mina uit. "Dan zou 't net zijn als bij de menschen!"
"Hoezoo?" vroeg Gustaaf.
"Wel, meisjes zijn veel mooier dan jongens," antwoordde zij zonder erg.
"'t Zou wat!" riep Ko. "Jullie denkt zeker, dat je zoo mooi bent, als... als..." een geschikte vergelijking wilde onzen jongen held niet invallen; hij zweeg ook maar, want hij zag dat de oogen van Cato zóó spottend op hem gericht waren, dat hij wel begreep dat hij geducht door de meisjes zou geplaagd worden, als hij iets zeide.
"Nu naar den olifant!" werd er geroepen, en daar die zijn hok er vlak naast had werd er geen tijd verloren. De oppasser van het groote dier was er bij, en toen deze zag hoeveel schik de jongelieden er in hadden, als hij zijn langen snuit door de traliën stak om amandelen en noten aan te nemen, die hem gegeven werden, besloot hij het dier nog meer kunsten te laten vertoonen.
"Kijk eens, Rosa, haalt de oppasser daar niet een koffiemolen voor den dag?" fluisterde Cato deze in; zij durfde het niet hardop zeggen, daar zij bang was dat de jongens er haar mee voor den gek zouden houden als zij zich vergiste.
"Wel zeker," zeide Rosa aanstonds; "wat zou hij daarmee doen?"
Ook de oppasser had haar hooren fluisteren, en zeide nu glimlachend: "Ja, jongejuffrouwen, nu moet u eens kijken, dan zult u zien, dat de olifant evengoed koffie kan malen als een keukenmeid!"
En waarlijk op een paar bevelende woorden van den man, nam het groote, logge dier met zijn snuit den slinger beet, en draaide dien in het rond dat het een lust was het te zien. Daarna moest hij met zijn voorpooten knielen, en ten laatste moest hij op een rond stuk hout met alle vier zijn pooten gaan staan.
Toen die kunsten afgeloopen waren, waarnaar allen in stomme verbazing hadden staan kijken, stak de olifant zijn snuit weer door de traliën, en nu legde de heer Ebels er een dubbeltje in, dat het dier heel netjes in 't bakje deed, dat aan den muur hing, nadat hij eerst het dekseltje had opgelicht.
"Nu moet ik hem nog wat geven om op te eten!" riep Mina uit, "dat heeft hij wel verdiend. Kom, Ko, geeft wat amandelen!"
"Er zijn er nog zoo weinig," zeide Ko, die wel graag iets voor zich zelf bewaarde.
"Kom, wees nu niet zoo schrokkig, jongen!" antwoordde Mina verwijtend. "De olifant krijgt het ook niet alle dagen."
"Ik ook niet," pruttelde Ko.
"Hij krijgt anders dikwijls wat lekkers, jongejuffrouw," zeide nu de oppasser, "want als hij zijn kunsten vertoont, geven de kinderen hem bijna altijd wat."
Mina echter stoorde er zich niet aan en grabbelde eenige mangelen uit Ko's tasch, die zij het dier toereikte.
Daarna kwamen zij bij de giraffen, de mooie dieren met hun lange halzen en hooge pooten.
"Wat zijn ze mooi bruin gevlekt!" riep Gustaaf uit, "maar wat is hun lijf kort in vergelijking met hun hals en pooten!"
"Ja, dat is zoo," zeide de heer Ebels, "maar 't zijn sierlijke beesten; jammer dat ze zoo erg teer zijn. Ze kunnen volstrekt niet tegen koude of tocht, en ze moeten heel zorgvuldig opgepast worden, anders sterven ze. Er zijn er hier al verscheidene gestorven!"
"Wat hoor ik daar toch raar schreeuwen!" zeide Ko, toen zij den tuin een eind verder ingewandeld waren.
"'t Is een akelig geluid."
"O, dat zullen de zeeleeuwen zijn," meende meester Struis; "daar komen wij straks, wij gaan nu eerst naar de nijlpaarden."
"Zeeleeuwen!" riep Mina verwonderd uit. "Zien die er ook zoo uit als de leeuwen die wij straks gezien hebben?"
"Zouden ze ook zoo mooi zijn?" vroeg Cato. "Maar wat zullen die mooie manen nat worden, als ze in de zee leven!"
"Geduld maar," vermaande de heer Ebels glimlachend. "Je moet je echter niet verbeelden, dat ze er uitzien als landleeuwen."
"Hoe dan? Hoe dan?" riepen allen door elkaar.
"Dat zul je wel zien," antwoordde de heer Ebels, terwijl hij voor een groot gebouw bleef staan. "Hierin, jongelui; dat is het paleis van de nijlpaarden."
"Wat een groot huis!" riep Rosa verwonderd uit. "'t Is veel grooter dan het huisje van vrouw Berens bij ons op 't dorp!"
"De nijlpaarden zijn ook veel grooter dan vrouw Berens," zeide de heer Ebels vroolijk. "Kijk maar eens; wat zeg je van zulk een mondje!"
Juist opende een der dieren den bek en onwillekeurig traden de kinderen een paar schreden achteruit, toen zij dien opengesperden muil boven het water zagen uitkomen.
"Hè, hoe akelig," zeide Rosa huiverend.
"Ik zou ze wel eens uit het water willen zien," zeide Gustaaf aan meester Struis. "Zouden ze er niet eens uitkomen?"
De oppasser, die in het hok bezig was, beloofde dat hij ze er eens zou laten uitkomen, en 't duurde dan ook niet lang of het mannetje kwam langzaam uit het water en liep het hok binnen.
"Wat is dat dier groot!" riep Ko uit.
"En wat heeft het korte pooten!" voegde Gustaaf er bij.
"'t Lijkt wel een groot, heel groot varken," meende Mina.
De oppasser vertelde dat het eene dier 3000 ponden woog, iets waarover zij zich braaf verwonderden.
Daarna gingen zij naar de zeeleeuwen, en--toen zag Mina tot haar verbazing, dat zij hoegenaamd niets op landleeuwen geleken. Zij vonden ze lang zoo mooi niet.
"Waarom noemen ze die glibberige beesten leeuwen?" riep Gustaaf verontwaardigd uit. "'t Lijken wel zeehonden!"
"Ja, ik vind ze leelijk en akelig," voegde Ko er bij, "en dan schreeuwen ze als magere speenvarkens!"
"'t Spijt mij, dat ze jullie goedkeuring niet wegdragen," zeide de heer Ebels, die braaf pret had in hun uitroepen. "Maar zij kunnen er niets aan doen en moeten zoo glibberig en wel maar voort blijven leven."
"Wat plassen ze in dat water!" zeide Cato. "Komen ze er nooit uit?"
"Jawel," antwoordde de heer Ebels. "Kijk daar komt hun oppasser met een mandvol visch; misschien komen zij nu wel voor den dag."