Kleurig en donker

Part 8

Chapter 84,584 wordsPublic domain

En voort holt het kolderende dier naar het dorp. Eerst, met donderend geraas, over het houten brugje, dat over een smallen zijarm van de rivier is geslagen, en dan over de keien, die onder de hoeven vonken, door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes staan te praten, uit den weg vliegen en, als de wagen voorbij is, zich op het midden van de straat vereenigen, waar zij, met gerekte halzen, hem nazien.

"Staat de brug op?"

"Net gestreken."

"Goddank...!"

Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de losplaats, die glooiend naar het water loopt, daar moeten paard en wagen in de rivier storten, of, als zij op de lange en smalle brug komen, dan slingert de gierende wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak bij de brug rukt het dier even naar links, naar de losplaats, maar dan wringt het weer naar rechts en is op de brug. En nu komt er een uitdrukking van ontzetting op het gelaat van Aart, want voor hem uit rijdt een boerenwagen, en daarachter slingert een ploeg, met de punt van het breede ijzer dreigend naar boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om van den wagen te springen, maar het gelukt hem niet een oogenblik in evenwicht te komen. De boer vóór hem heeft zijn paard aangezet, om nog van de brug af te komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier hem ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard, dan Aart, terwijl het achtergedeelte van den wagen hoog opvliegt en dan, omkantelend, neersmakt.......

Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar emmers op de deel, en dan loopt zij daar eenigen tijd rond, de handen tegen de borst gedrukt, kreunend, alsof zij pijn lijdt: "O, Aart! arme, lieve Aart!"

Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft en altijd heeft lief gehad, en dat er geen rijkdom is zóó groot, dien zij niet zou willen geven om hem weer beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te zeggen; want als hij haar nog kan hooren--en ja, dat zal immers!--dan zal dat hem troosten, en dan zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw wil worden, wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt... weer beter wordt!

Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd, snelt het erf af, en spoedt zich voort, langs den donkeren dijk, op de lichten van de brug af, starende in de verte.

De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende, vertelt hij aan eenige boeren hoe het gegaan is.

"Net was de "Culemborg" de brug onder deur en de klap gestreke, toe ie kwam aanrenne. 'k Had net effies de tijd om op zij te springe, toe ie tege de borstwering slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is ijzer, maar as glas afgeknapt, hè? Wat zoo'n dier toch 'n kracht het! Watte! Effies later viel ie op de ploeg...

"Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar geen leve d'r in, en toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as toe ze 'm gebracht hadde...."

"Dood?"

"Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim met 'm was... slim."

En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij hem moet missen, dan niet, dat geve de hemel! voordat zij bij hem is geweest.

Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij den straatweg, waaraan "de Wykamp" is gelegen, en als zij de hofstee van Tinus voorbijgaat, dan begrijpt zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen tusschen hem en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij haar in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich een oogenblik later herinnert hoe Aart naar haar opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis zouden houden, dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande, schreit zij.

Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar verdriet, en dan loopt zij weer voort en wischt met haar voorschoot haar oogen af.

Nog enkele minuten en zij heeft "de Zonnebloem" bereikt, en over het erf, waar de vruchtboomen bloeien, de meidoorns geuren, de pioenen gloeien, en alles een lied der toekomst zingt, treedt zij de woning binnen.

't Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek, waarvan de deur openstaat, straalt het schijnsel van een zwak licht. Daarop gaat zij af, en als zij op den drempel staat, ziet zij, bij het getemperd licht der hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op het kussen in de bedstede, en naast hem zit zijn arme, oude moeder, het hoofd op de borst gebogen, zijn hand in de hare.

Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de bedstede, grijpt zij eerst de gerimpelde hand van zijn moeder en kust die, en dan neemt zij zijn breede hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd er op, en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de teederheid van haar liefde en houdt zijn scheidende ziel nog een oogenblik op den drempel der eeuwigheid op....

Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode handen gevouwen over het crucifix op de borst. Donker golft het glinsterend haar om het strakke voorhoofd, en donker ook steken de lange wimpers af tegen de wasbleeke wangen.

Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede. Want om den even geopenden mond rust een glimlach, en die is daar gekomen, toen zij hem in tranen bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad--o, altijd...!

Blok's Vrouw.

"Zoodat je nou zooveel as heelemaal van 'r of bent?" vraagt Gijsen, een kantoorlooper, die een met een koperen ketting om zijn hals bevestigde portefeuille onder den arm draagt, aan Blok, een brievenbesteller, dien hij op straat heeft ontmoet en met wien hij naar het postkantoor loopt.

"Ja," antwoordt Blok, "'t is nou zóó ver, dat we effetief en voor goed van mekaar of benne. Gistere wier 'k bij me avekaat ontboje, en die zei me, dat 't nou eerdaags in de krant zou komme. "Blok," zei ie, "verleje Dinsdag is 't uitgeweze, hoor. Ze hebbe zooveel as 'n streep door je trouwbriefje gehaald, en de kinderen.... die blijve bij jou.""

"Da's nog gauw gegaan," zegt Gijsen, "gauwer as 'k docht."

"Dat komt," antwoordt Blok, "doordat me vrouw d'r eige d'r heel niet an gelege het late legge. "As ze d'r tege in had gelege," zeit me avekaat, "dan had 't nog 'n poos kanne dure, maar nou ze, om zoo te zegge, geen asem het gegeve, nou gong 't hard." En 't is maar goed ook!" roept hij uit, "want zóó.... zoo kon 't niet langer."

"Dat hoor 'k," zegt Gijsen. "Ze mot, zooas deze en gene me wist te vertelle, in de laaste tijd al heel verkeerd geweest zijn."

"O man, slim hoor!" erkent Blok, met een zucht. "In de eerste jare van ons trouwe hebbe we 'n goed leve gehad, daar zal 'k niks van zegge, maar toe ze daarmee begon"--en Gijsen even aanziende, brengt hij de hand aan den mond en licht den pink op--"toe was 't mis."

"J--a!" roept Gijsen uit, "as 'n vrouw daarmee begint, dan is 't erg. Je het er niet zoo heel veel, die d'r eige d'ran te buite gaan, maar as ze 'm luste, dan, he' 'k wel hoore zegge, motte ze d'r nog erger an verslaafd weze as 'n man."

"Te minste niet minder," bevestigt Blok. "En hoe dat 'n vrouw verlaagt!" roept hij uit, "dat geloof je niet, as je 't niet voor je ooge het gezien. As ze in die toestand was en te keer ging, dan was 't dikkels meer as 'k kon begrijpe, dat dat nou _mijn_ vrouw was, want zoo ies.... nee hoor! dat ha' 'k nou noot achter 'r gezocht."

"Dat geloof 'k graag," zegt Gijsen, "want as 'k me eige goed herinner, dan was ze 'n knap en fesoenlijk meisie toe je 'r mee verkeerde."

"Zoo knap en fesoenlijk as 't maar kon," stemt Blok toe. "En netjes en vroolijk...! "'k Krijg 'n best wijf," docht 'k, toe 'k met 'r na 't stadhuis reej!--Maar me moeder het 't toch noot op 'r begrepe gehad. 'k Had 't al gauw in de gate toe we verkeerde, dat ze 'r liever niet over de vloer had as wel. En as 'k 'r vroeg wat ze tegen d'r had, dan zei ze: dat wist ze niet, zei ze, maar ze sting 'r niet an. Daar he' 'k in die tijd weet genoeg van gehad. Want hoe gaat 't al, he? As je denkt te trouwe, en je houwt van je aanstaande vrouw, dan hei je graag, dat je ouwers 't ook doen. Maar in later jaren he' 'k er dikkels an gedocht, dat me moeder toch 'n beter kijkie op 'r gehad had as ik, al had ze _dit_ nou juistement ook niet voorzien."

"En hoe ze zoo an de drank gekomme is, dat zal je misschien niet wete?" vraagt Gijsen.

"Nee, heel niet," antwoordt Blok. "'k Heb wel 's gezien, dat ze op 'n verjaarpartijtje of zoo 'n kejakkie nam met wat suiker, of 'n glaasie kurasouw of zoo ies, maar da' 's ies dat doen er bij zoo'n gelegeheid zooveel, hè? Maar hoe ze zoo wijd gekomme is, dat de lust tot de drank 'r te machtig is geworde, da' 's meer as 'k weet. En 'k docht daar zoo weinig an, dat deze en gene, zooas 'k van achtere hoor, 't al eerder in de gate gehad mot hebbe as ik. Wel ha' 'k meer as eens, as 'k t'huis kwam, gedocht: "maar mens, wat doe je toch raar!" maar dat dat van de drank kwam, dat was niet in me harses opgekomme. Maar op 'n aved, da' 'k weer docht: "wat hei je toch?" en dat ze opsting om 't eene of 't andere uit de keuke te hale, toe gong me 'n licht op. Ze liep, dat ze d'r eige kwalijk op de been kon houwe, en toe 'k onder d'r asem kwam, rook 'k, dat ze gedronke had. Nou hè,--ik 'r effe onder hande genome, dat spreekt, maar ze hiete 't me liege, natuurlijk. Zij--dronke! zei ze. As 'k dat docht dan was 'k zellevers.... Jawel...! D'r zenuwe hadde 'r te pakke gehad, zei ze, en daarom had ze voor 'n paar cente bedaarwater bij de aptheker gehaald.--Afijn...! Ik had 't gezien, hè? En dat opgeteld bij al 't genige, da' 'k vroeger al gemerkt had, maakte, da' 'k begreep, da' 'k 'n vrouw had, die an de drank was. "Nou," denk 'k, "nou wordt 't mooi. Ik--altijd van huis, en me vrouw met de fles in d'r zak, en drie kinders over de vloer, waarvan de ouwste toe pas zes jare was... nou, gaat 't goed!" En die eigenste nacht, dat me vrouw sliep as 'n os, lag ik te draaie en me eige ongelukkig te make. En toe de dag kwalijk an de hemel sting, ik--na me moeder. "Toe moeder," zeg 'k, "doe me 'n plezier en houw er 'n oogie op." Niet op me vrouw, meende 'k, want wat ze voor mijn en de kindere niet liet, dat zou ze voor me moeder, daar ze bovedien 'n hekel an had, ook niet late, maar--op de kindere bedoelde 'k. Dat zou ze doen, zei me moeder. De schape! As d'r moeder niet wou oppasse, dan hadde ze altijd d'r grootouwers nog. Zie je," roept Blok uit, met den rug van de hand zijn blonden knevel opstrijkende, misschien meer om een trekking om den mond te verdrijven dan omdat de haren hem hinderen, "toe 'k weer op straat sting, en na 't ketoor ging, voelde 'k me opgelucht. 'n Mens mag getrouwd weze en ie mag kindere hebbe, maar zoo lang dat je ouwers nog leve, en je kan er na toe gaan, as je in de war zit, en je krijgt 'n vrindelijk woord..."

"Dan voel je," zegt Gijsen, "dat je 'r ten minste niet heel alleenig voor staat."

"Zoo is 't," bevestigt Blok. "En van die tijd af was me moeder, as ze effe kon wegloope, bij de kindere. Maar alla, altijd kon ze 'r ook niet weze, hè? want ze had ook voor me vader te zorrege, die toe al krukte, en zoo wier 't gaandeweg bij mijn an huis 'n misse boel. As 'k t'huis kwam om te ete, dan gebeurde 't wel, dat me vrouw d'r heel niet was, of ze had niet gekookt, en had ze 't klaar gemaakt, dan was 't dikkels niet te ete ook: niet gaar, of angebrand, of roet er in--afijn--beroerd! Me weekloon, daar ze vroeger geregeld mee had toe gekonne, raakte zoetjes an al op in 't voorst van de week, en was 't vroeger netjes en zindelijk in me woning geweest, 't wier er langzamerhand slordig en smerig ook. Maar 't ergste was, dat ze d'r eige ook niet meer an de kindere gelege liet legge. Ze liet ze maar rondscharrele en keek niet na ze om. En doordat 'r humeur er ook al niet beter op wier, grauwde en snauwde ze ze af, en as ze iet of wat deje, dat 'r niet beviel... alla, vort maar, de straat op! 'k Heb 't toch wel gehad," roept Blok uit, met diepe rimpels tusschen de oogen naar de straatsteenen kijkende, "'k heb 't toch wel gehad, dat Antoon, da's me jongste, en 'n aardig gezeggelijk knaapie, al zeg 'k 't zelfs, me 's aves laat in de kou en in de rege, 'n heel end van me woning sting op te wachte, toe 'k van 't ketoor kwam. Moeder had 'm de straat opgestuurd, vertelde ie, omdat ie 'n kommetje had gebroke of zoo ies. En 't schaap had bekant geen kleere an 't lijf! Ik--'m opgenome, en toe ie op me arm zat, begon ie door ze trane heen te lache en aaide ie me wang, want nou was ie gerust, hè? En dat ie ze hoofie op me schouwer leit, valt ie in slaap ook. "'k Breng 'm niet na huis," denk 'k, want 'k voelde, da' 'k me eige geen baas was; en "as me vrouw me nou onder de ooge komt," denk 'k, "dan weet 'k al niet waartoe da' 'k in staat ben." En zoo brocht 'k 'm na me ouwers, waar 'k 'm gelate heb ook, want me moeder wou 'm graag houwe, zei ze, en dat ie 't daar beter zou hebbe as bij mijn... ongelukkig was 't, maar wat kon 'k er an doen! De vollegende dag, da' 'k na 't ketoor zal gaan, vraagt me vrouw waar dat Antoon is. "Wel nou," zeg 'k, "jij het 'm de straat opgestuurd, hè? maak jij dan nou ook maar weer, dat ie t'huis komt." En toe ze d'r achter was gekomme, dat ie bij me ouwers was en daar blijve zou, toe had je 't gaande! "Ja nou," denk 'k, "speel maar op, maar hier komt ie niet meer weerom.""

"Opspele?" zegt Gijsen,--"ze had d'r eige motte schame, dat was beter geweest."

"D'r schame!" roept Blok uit, "nee hoor, dat kunsie had ze al lang verleerd; en 't droeg er toe bij, dat 't van kwaad tot erger gong. Eerst maakte ze, dat we moste verhuize.--Dat de bure 't in de gate hadde, dat spreekt, hè? en zoetjes an liete ze d'r loope: eerst de een en toe de ander, en op 't lange lest keek niemand d'r meer an. Daar had ze de duvel over in, dat begrijp je, en zoo zocht ze met iedereen ruzie, net zoo lang totdat ons de huur wier opgezeid. 'k Woonde toe in de Blomstraat, en 'k had er 'n woning zoo as 'k niet gauw 'n tweede zal vinde: 'n groote voorkamer met 'n ruim alkoof, 'n lief keuketje, en niet duur ook. Maar 't kon niet langer, zei de opzichter; niet dat ie iet of wat tege mijn had, maar me vrouw en de andere bewoonders van 't perceel,--dat gong niet. En zoo moste we weg. Ik--in me vrije tijd 'n andere woning gezocht natuurlijk, maar dat zat me niet glad, want in de buurt most 'k blijve, wou 'k 's aves, as 'k gedaan had, niet 'n heel end loope, en me vrouw had d'r eige gaandeweg al zoo bekend gemaakt, dat ze me overal wegstuurde as 'k zei wie 'k was. Maar, alla hè! eindelijk vond 'k er toch een, wel niet veel bezonders maar 't kon er mee door, en toe we 'r goed en wel in ware, begon ze of en toe 'n stukkie weg te brenge. Eerst d'r eige spulle: 'n horlosie, daar ze voor had opgespaard toe ze nog diende, 'n kerkboek met 'n klampie en 'n ringetje, dat ze van mijn had gekrege, en later plukte ze an 't huishouwe: 'n stukkie koper, dat we hadde, 'n paar ornementjes op de schoorsteen,... afijn, alles wat ze kon pakke, zonder dat 't als te veel in de gate liep, gong na de lommerd en 't geld na de kroeg.

"Op 'n Zondag 'n morrege, da' 'k weer wat miste, en dat ze me wat handzamer leek as gewoonlijk, docht 'k: "'k mot toch 's met 'r prate," en 'k zeg: "Bet, Bet," zeg 'k, "waar gane we toch na toe!" 'k Had 't kwalijk gezeid, of ze gong met d'r hoofd op d'r arm op de tafel legge, en huile... huile van geweld! 't Was gedaan, zei ze, 't zou niet weer gebeure. Ze zag 't nou in as dat 't mijn en de kindere ongelukkig maakte, en d'r eige ook. 'k Kon er op an, 't was uit.

"Da' 'k dat zoo grif annam, zal 'k niet zegge, maar 'n mens hoopt al 's gauw wat, hè? En om 't 'r wat nader an d'r hart te legge, zeg 'k: "Zie je," zeg 'k, "as je dit nou 's te bove kon komme, dan konne we ommers weer 'n best leve hebbe, zooas we in de eerste jare van ons trouwe hebbe gehad. Want zoo as 't nou is," zeg 'k, "is 't niks; da' 's arremoed voor ons allebei en voor de kindere ook, en grooter arremoed as dat je niet te ete het. Jij het fesoenlijke ouwers gehad," zeg 'k, "en ik heb ze nog, en nou motte wij ook make, dat _wij_ fesoenlijk door de tijd komme. En as je wil," zeg 'k, "dat de kindere later zalle oppasse, dan motte ze an ons 'n voorbeeld hebbe, dat spreekt." 'k Had gelijk, zei ze, ze had 't d'r eige ook al voor gehouwe, en 't zou nou anders worde, dat beloofde ze me.

"'t Was om de klok van negene, da' 'k 'r dat voorhieuw, en tege half tien sting ze op en kleedde d'r eige an: 'n hoed op en 'n mantel om. "Waar ga je nou na toe?" zeg ik. "Na de kerk," zei ze. 'k Had 'r hemelsche gedachte in d'r hoofd gebrocht, en nou wou ze na de Noorderkerk, waar de dominé preekte, daar ze bij angenome was.

"'t Was me wel wat heel mooi, maar "je kan 't niet wete," denk 'k. "'t Is mogelijk, dat ze 't d'r eige vast het voorgenome, en ze zou de eerste niet weze, die er van teruggekomme is." En zoo lie' 'k 'r gaan. 'k Gaf 'r 'n dubbeltje voor de stovezetster en 'n paar cente voor 't armezakkie, en zij--de deur uit.

"'k Had die dag--'t was Zondag--maar één rondte, en toe 'k t'huis kwam om te ete, zeg 'k tege Jan--da' 's me ouwste--"Jan," zeg 'k, "waar is je moeder?" "Moeder," zeit ie, "moeder is nog niet weerom." "Niet?" zeg 'k, en 'k docht er 't mijne van. Maar 'k hoopte toch nog effe, dat ze na kerktijd bij die dominé an huis was gegaan om 's met 'm te prate. As ze 't _goed_ meende, dan was dat niet onmogelijk. En zoo ha' 'k geduld. Maar 'k wachtte, en ze kwam niet. 't Wier vier uur en 't wier vijf; 'k stak de lamp an, en tege half zes, dat de mense weer na de avedkerk gonge,... daar kwam ze an: d'r hoed dwars op d'r hoofd, d'r hare voor d'r gezicht, d'r mantel onder d'r arm, en 'n paar ooge..."

"N--ou," roept Gijsen uit, "'t is mooi; en dat voor 'n vrouw...!"

"J--a," zegt Blok met een zucht, "'t was erg...! Wat er die dag bij 'r is omgegaan,... ik weet 't niet! Maar zoo as ze toe te keer ging...! En woorde, dat ze in d'r mond nam...! En dinge, dat ze zei..! Nee,... da' 's nou effetief waar, maar zóó,... zoo hoor je 't onder dienst nog geen eens."

"N--ou," zegt Gijsen, "maar da' 's meer as ik had verdrage, hoor!"

"As je mijn vóór me trouwe had gezeid," antwoordt Blok, "dat _ik_ die dinge zou anhoore en me eige zou bezitte, dan ha' 'k gezeid, dat je me heel niet kon. En as me dat zoo in eene overkomme was, dan weet 'k wel, da' 'k me eige ook geen baas zou zijn gebleve. Maar je mot niet vergete, dat je zoetjes an tot zukke dinge komt, net of dat je 'n ladder opklimt. 't Gaat er al mee as met 'n sjouwerman, hè: eerst het ie an vijftig pond ze bekomst, maar as ie er 'n tijd bij is, dan loopt ie met vijftig kilo weg."

"Dat laat 'm wel hoore," erkent Gijsen, "maar je mot 't maar drage; en as 't 'n poos het geduurd, dan wordt 't zwaar."

"Of 't zwaar wordt!" roept Blok uit. "Geloof mijn maar, dat er heel wat wilskracht noodig is om zelfs niet door de wind te gaan. En as 'k me eige niet vast had voorgenome, dat me dat niet zou gebeure, dan weet 'k niet wat er met mijn gebeurd zou zijn, want ze zegge met recht, hè: 'n goed klantje van de tapper heet "verdriet." Maar 'k zag an me vrouw wat er van 'n mens wort, die ze eige laat gaan, en 'k heb altijd gedocht, as 'k 'r in die toestand zag: "zóó ziene de kindere me noot!"--En onderwijl gong 't aldoor met 'r achteruit. Soms kwam ze in geen dage meer t'huis, en was ze 'r, dan lag ze as 'n blok op d'r bed, of ze speelde de beest. 'k Moest van d'r of; zóó kon 't niet langer, en 'k was er mee doende toe Jan ziek wier, en hard ziek ook. 'k Had twee keer daags de dokter over de vloer, en dat ie 'r 'n zwaar hoofd in had, dat kon 'k wel zien. 'k Had 'm graag na 't gasthuis late gaan, maar dat kon niet, zei de dokter, en zoo kwam de jonge an oppassing veels te kort. Wel was me moeder gedurig bij 'm, as ze effe kon, en af en toe keek 'n buurvrouw ook nog wel 's na 'm, maar de geregelde verzorging, die 'n kind in die omstandighede noodig het,--die had ie niet. En zoo gong 'k 's morreges met looje schoene na 't ketoor. Want kindere," roept Blok uit,--"as ze motte komme dan kijk je 'r tege an, maar as je ze eenmaal het, dan wil je ze niet weer kwijt."

"Zoo is 't," stemt Gijsen toe. "Toe wij in 't begin van ons trouwe geen kindere krege, en me vrouw d'r over murremureerde, zeg 'k: "mens," zeg 'k, "wees blij, dat je 'r niet voor te zorrege het." Maar toe we 'r eindelijk 'n paar hadde, en me vrouws tante, die er behoorlijk bij kan, 't in d'r hoofd haalde om de ouwste na 'r te neme, en dan verders voor 'm te zorrege, toe zeg 'k: "'t is heel vrindelijk angepreseteerd, daarvan niet, en 't is wel mogelijk, dat de jonge me d'r later schuins om an zal kijke, maar om 'r nou, nou we 'm eenmaal hebbe, zooveel as afstand van te doen,... nee hoor!.. daar kom 'k niet in."--En me vrouw had me wel om me hals wille valle, geloof 'k."

"Ja," zegt Blok, "'t is 'n mens ze vlees en bloed, hè! En zoo wou _ik_ me jonge ook graag houwe, maar 't wier met de dag slimmer: aldoor had ie koors, en aldoor was ie in de war,... 't wier hoog tijd, zei de dokter, dat de wind om liep; as ie nog 'n poosie in _die_ hoek bleef, dan sting ie er kwaad voor. Maar wat was er an te doen? 't Beetje dat _ik_ kon doen, dat deej 'k: 's nachts tobde 'k met 'm om, en as 'k bij 't doen van me rondte in de buurt van me woning kwam, dan liep 'k effe na bove. 't Mocht wel niet, maar... 'n mens denkt toch eerst om ze kindere en dan om ze werk, hè?

"'t Was toe net in de tijd da' 'k voor 'n kameraad van me, die was overgeplaast, de postkwitanties ophaalde, en op 'n Woensdag 'n middag, da' 'k pal naast me deur 'n rijksdaalder had weze ontvange,--ik effe me woning in, dat begrijp je. 't Had hard gereged, en om niet in me natte kleere bij me jonge te komme, trok 'k in 't voorkamertje me jas uit, en hong 'm over de stoel daar 'k me brievetas en me geldzak op gelege had, en ik--na achtere. En toe 'k daar kwam, sting 'k toch te kijke, want voor me jonge ze bed zat 'n juffertje, met 'n blauw ketoene japonnetje an en 'n wit boezelaar voor, en naast 'r sting me dochtertje, dat ze met 'n prente-boekie bezig hieuw. Ze was zooveel as wijkverpleegster vertelde ze, en de dokter had 'r gestuurd. Ze was eerst effe bij me ouwers angeloope, zei ze, en nou ze van me moeder wist wanneer die niet bij mijn over de vloer kon weze, zou _zij_ zorrege, dat zij er dan was. "Of 'k dat goedvond," vroeg ze. "Of 'k dat goedvin?" zeg 'k, "ja hoor, ikke wel, want hulpeloozer as ik, kan 'n mens er al niet voor staan." "Ja, ja," zei ze, "dat weet ik wel, maar 't zal nou alles wel beter gaan." "Dat denk 'k ook," zeg 'k, want in de gauwigheid ha' 'k al gezien, dat ze me dochtertje had gewasse en gekamd, en toe 'k me ooge door de kamer liet gaan, zag 'k, dat ze die had opgeredderd ook. Maar 't beste van alles was, dat me jonge lag te slape, en... dood gerust. En al was dat niet door haar gekomme, _zij_ had er voor gezorgd, dat ie zou doorslape, want de dokter had gezeid, vertelde ze, dat er veel gewonne was as dat 'n poos anhieuw, en daarom had ze an de bure gevraagd of ze stil wou-e weze, zoo stil as 't maar kon. "En de goeje mense," zei ze--"je hoort ze niet." Zie je," roept Blok uit, "'k kreeg toe 'n gevoel asof de klok weer gemaakt was, want in 'n huishouwe benne man en vrouw al net as de beide wijzers. As de groote gaat, maar de kleine niet, of de kleine draait, maar de groote staat stil..."

"Nee," zegt Gijsen, "daar het 'n mens niet an. Ze motte allebei d'r plicht doen. De eene mag 'm in 'n wat grootere kring bewege as de andere, maar as ze de juiste tijd zal anwijze...."