Kleurig en donker

Part 7

Chapter 74,093 wordsPublic domain

En terwijl ik dit alles herdenk, wordt mijn ziel ontroerd. Het is, als ging ik onder kerkbogen, in het stille hooglicht, dat door de geschilderde vensters, in breede kleurbanen, naar binnen valt. Harpakkoorden en zachte orgeltonen ruischen om mij heen, en terwijl mijn oog is gericht op de eeuwige lamp, die voor het hoog-heilige op het altaar brandt, heffen engelenstemmen een lied der hope aan!------------

Men heeft mij dikwijls gevraagd waarom ik op den duur met mijn bescheiden betrekking tevreden was, en nooit naar iets beters vroeg. Maar de eerzucht, die, den mensch geen rust latende, hem voortdrijft van de eene plaats naar de andere, om daardoor een sport hooger te stijgen op de maatschappelijke ladder, is ons vreemd. Hier hebben wij lief en worden wij bemind, en genieten een vreedzaam leven, een stil geluk. Maar wat hier bovenal ons bindt en houden zal, totdat ook onze hulk op de zee des levens aan den gezichteinder verdwijnt, dat is, al hebben wij het zelfs elkander nooit bekend, de kleine grafzerk op het kerkhof in de duinen, waar hij rust, onze oudste, onze lieveling, ons dierbaar kind, dat wij met duizend hoopvolle verwachtingen hebben verbeid, met duizend zegeningen ontvingen, maar o, met hoeveel meer tranen hebben beweend!

Het klooster der Witte Vrouwe.

(Een indruk.)

Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten tusschen de bergen, voortspoedend in wilde haast over de steenen der ondiepe bedding, alles meevoerend wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand bieden kan, bruist de machtige bergstroom naar beneden; en daar, waar hij in zijn vaart wordt gestuit door een vooruitspringenden rotswand, waartegen hij hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen door de zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden, daar ligt, op den top van den berg, boven het donkergroen der wuivende denneboomen, wit en rechtlijnig, het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven, baadt het in zonneschijn en rust.

Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is het, zooals het was toen het, na jaren van arbeid en eindelooze inspanning, was verrezen op deze plaats, waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als een baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt, door weer en wind vernield en door het vuur verwoest, dat alles is hersteld, maar niet veranderd, en zoo is het nog zooals het was, en zal het blijven zooals het is, zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige dennen, die het als wachters omringen.

En evenals het klooster zelf geen verandering onderging, zoo is ook het leven van haar, die er wonen, hetzelfde als van die allen--en velen zijn het--die er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust. Want zij, die een toevlucht vonden in het huis der Witte Vrouwe--wier in steen gehouwen beeld, dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een nis boven den ingang staat--haar leven gaat voorbij, nu evenals vroeger, in aanbidding en boete. In de afzondering der cel glijden de kralen van den rozenkrans tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel rijzen des morgens en des avonds het gemeenschappelijk gebed en de lofzang naar omhoog; door vasten en waken kruisigen zij het vleesch, en door het versieren van het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en misgewaden trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat deden zij, die er waren, dat doen zij, die er zijn, al de dagen, al de jaren, die zij er doorbrengen, onafgebroken, zonder verdere afwisseling. Want met de wereld hebben zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de banden van liefde en vriendschap hebben zij ontknoopt, ter wille van haar hemelschen Bruidegom, en zelfs haar naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel overschreden van dit gebouw, om een ander, een nieuw leven te beginnen. Niets wat van de wereld is heeft voor haar meer belang, niets van buiten stoort den vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware poort zich gemakkelijk opent voor den reiziger, die vermoeid is en rust noodig heeft, en voor den arme, wiens weg hem over dezen berg voert, en die om lafenis vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid te oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich verkwikken, totdat hij den staf weer opneemt en verder trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet, noch van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de wereld evenmin. Want de ziel heeft dit alles niet van noode, en ijdel is immers alles wat de ziel niet behoeft.

Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal drie slagen: aan den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, en dan galmt zij eenigen tijd voort, vol en diep, de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk gebed in de kapel.

Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster, verheft zich een groot verguld kruis, dat in den zonneschijn schittert met hellen glans, en daar omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de balken van het bedehuis gebouwd hebben en die, door een opening in den muur uit en in vliegende, van tijd tot tijd door haar vleugelruischen de stilte afbreken, die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met het getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In dat wazig halfduister brandt zwak de vlam der kaarsen, die op hooge zilveren kandelaars op het altaar staan, en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter weerszijden van dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt een overvloed van witte rozen, en achter het altaar staat hoogopgaand groen van palmen, sparren en varens. Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het orgel, waarvan, als de laatste galm der luidende klok is weggestorven, een zachte muziek ruischt.

Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend, welluidend door de ruimte stroomen, komt een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het hoofd--bedekt met een wijd-uitstaande witte kap--eerbiedig gebogen, de handen tegen de borst en de vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil, als elven, verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de kapel is bevloerd, en dan knielen zij neer op die steenen, waaronder het gebeente rust harer zusteren, die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het gemeenschappelijk gebed rijst omhoog.

Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch in die vrouwenrijen, zooals zij, in dat geheimzinnige licht, allen in een zelfde kleed gehuld, in het heilige der heiligen geknield ter neder liggen. Meer menschen_beelden_ zijn het dan menschen, meer herrezenen dan levenden. Want niet van deze wereld schijnt de rust, waarvan al die gelaatstrekken getuigen, en de kalmte, die uit den opslag dier oogen en de gelijkmatigheid dier bewegingen spreekt.

Immers het leven daarbuiten heet "zorg." Daar is de zorg voor het heden en die voor de toekomst, de zorg voor zichzelf en die voor anderen, de zorg om te verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei aard. En dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd bereid zijn en uitzien, houdt den mensch wakend en in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking van zijn gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en strijdt. Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd, tot den eindpaal des levens is gebaand, waar vandaag is als gisteren en morgen zal zijn als heden, waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het leven, losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat zonder indrukken, zonder emoties, zonder wenschen en verlangen, zonder genot en zonder smart, waar de ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den wierookgeur, die van het altaar opstijgt, hier worden zij verkregen, na korter of langer tijd, die kleurlooze kalmte en die effen rust, door allen, die op den tocht des levens, van verre of van nabij, langs verschillende paden naar deze toevlucht gekomen zijn.

Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen kwamen en die, uitgeput van vermoeienis en bloedig verwond, hier een wijkplaats gezocht en gevonden hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg liepen, in koele schaduw, langs helder stroomend water, met een lieflijk verschiet voor oogen. En als ook zij zich hebben afgekeerd van de bekoorlijkheden van het dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den dienst der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat zij geleid werden door den drang der ziel, de verzadiging zoekende, die in de wereld niet voor haar te vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden, die zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel vruchten konden dragen daarboven, maar niet _ook_ konden rijpen tot aardschen oogst.

Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde, regelmatige gelaat, zooals zij daar ligt neergeknield, de handen rustende in den schoot, de vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar boven gericht, in innige devotie. Hier is in jeugd en schoonheid, naam en rijkdom alles vereenigd wat het leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het genot der rust door de herinnering aan het welbesteed en zegenvol verleden zou worden gewijd. Maar zij heeft alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende bloesem en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij naar de wereld bezat? Zouden jeugd en schoonheid niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een naam iets meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De menschen zouden komen en voor dat alles knielen, en door den wierookwalm hunner vereering, den adem hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer ziel bezoedelen.

Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht van Zijn mond, een sprank van Zijn geest, die zou leven als de doodsklok luidde over haar en al het hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar zijn vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk geluk mocht heeten, wees de evenaar niet naar aardsche genietingen, maar naar het heil harer ziel. Haar wijden aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid, ver van het gewoel, den glans, de verleiding der wereld, dat was het eenig noodige, dat, waardoor zij haar ziel door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn lied. En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd.

Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond, is die andere gestalte naar hier gekomen, wier edel gelaat de sporen draagt van het leed, dat achter haar ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk haar toelachte, toen zij werd geƫerd en benijd door allen, die haar omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen verre van haar zouden blijven, en dat haar leven, rijk aan zegen, zou zijn ten zegen ook. Maar dat alles was veranderd, ineens. Een enkele windstoot had alles vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring, dat de overgroote menigte den mensch waardeert naar zijn kleed. Toen had zij gewerkt voor haar brood, dagen en nachten, en geleerd, dat de vruchten van den arbeid vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering. Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel vaster om de lendenen gesnoerd en voorwaarts ging zij met fieren moed, al brak haar bijna het hart onder den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want de armoede haat de armoede, die niet uit haar is geboren, zij hoont het kind der weelde, dat gebrek lijdt, en kwetst zijn fijngevoeligheid op de pijnlijkste wijze. Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig. En toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de duisternis om haar heen, en weer had zij zich gekeerd naar het leven als het kind naar zijn moeder, want zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen, een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet, haar vertroost en bemoedigd, en een sterke arm had zich om haar heen geslagen, een arm, die haar zou leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven. En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O, niet meer alleen zijn, te midden dier tallooze, onverschillige menigte, die haar ruw bejegende, haar wegstiet en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan zij en hand in hand door het leven gaan. Te zamen werken des daags, te zamen rusten des avonds, te zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander steunen en bemoedigen in iederen strijd, elkander leiden en dienen, elkander waardeeren en hooghouden, elkander liefhebben tot het einde. _Dat_ had zij gehoopt van haar toekomstig geluk, en het was een droom geweest waaruit zij op ruwe wijze was wakker geschud. Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel kende geen idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt, vluchtende ver buiten zijn bereik.

En toen, toen was het geweest of de nacht was gekomen, waarna geen morgen meer zou dagen, alsof de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld, haar joeg in de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen van aardsch geluk, gebogen door de ellende, bedrogen in haar liefde--waaruit zou haar verzwakte hand nu nog de kracht putten om het roer van haar ontredderd levensscheepje verder te omklemmen?

Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord, die zacht, maar met nadruk had gesproken: "kom tot mij," en telkens als haar hopeloos "waarom" onbeantwoord bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij weer gehoord: "kom tot mij," met de troostvolle belofte van rust. En Hij, die haar riep, Hij had in zijn gebed geen andere aardsche gave gevraagd dan het dagelijksch brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden. En langzaam als de smachtende bloem, zich verzadigend aan den dauwdroppel, haar kroon keert naar de zon, zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend, zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis zij was neergeknield, zeggende: "hier ben ik, Heer!"

En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de rust gevonden, die haar was toegezegd. Zij weet nu, dat alle dingen medewerken ten goede hem, die gelooft, en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.------

Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar een zonnestraal, die in zijn lichtbanen het crucifix op het outer omvat en dan valt op haar kleed. En in dat licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die, afstralend van den Heiland, tot haar gekomen is.

Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal zij altijd meer, altijd inniger, om eens, als de weg is afgelegd, die haar voert, niet naar de duisternis des doods, maar naar het licht _des_ levens, en zij neerligt, bleeke roze in witte wade, te zijn _in_ Hem.

Haar keuze.

.... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt, dat hij nog even naar haar zal omzien... daar... bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en als hij achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even en denkt pruilend: "hij het ook zoo'n haast!"

Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang geleden heeft zij begrepen wat Aart bedoelde, en verrast is zij dan ook niet geweest, toen hij haar zoo even vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden. En "kermis houwe, met Allerheilige trouwe," zegge ze in 't dorp.

Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom zoekt zij een reden om ontevreden te zijn over een ander. "'t Was," denkt ze--en starende op de heg plukt zij aan de blaadjes daarvan--"'t was, toe ie me aankeek en z'n hand toestak, of iemes me zei: "toe dan, meisie, toe dan!" en 't is of 't dwaas van me is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur 't kermis is. En dan..."

En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van "de Wykamp", de grootste hofstee in den omtrek, met haar uitgestrekte bouwvelden en heerlijke weiden, en hoort zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even heeft gedaan. En "boerin van de Wykamp te worde," denkt Geerte, "da' 's veul!"

Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd was ze over alles wat ze zag. "'t Was haast te veul veur een alleenig mens," had haar moeder gezegd, maar Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half genoeg vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin hij het goud van zijn moeder bewaarde. "Doe ze 's in, Geerte," had hij gezegd, toen zij voorzichtig een paar lange oorhangers opgenomen en zwijgend bewonderd had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't goud weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn oogen op haar gevestigd gezien met een uitdrukking, die haar had verschrikt.

"Zou 't waar weze, moeder," had zij peinzend gevraagd, toen zij naar huis liepen, "zou 't waar weze, alles wat ze van 'm vertelle?" En haar moeder had geantwoord, dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en afgunstige menschen daarom misschien kwaad van hem spraken. Dat was wel mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn oogen waren toch gluiperig en schuw, vond zij. En toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel, dat een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen, dat _zijn_ gezicht niets verborg.

Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam naar de deel gaat om de blankgeschuurde emmers te halen,--want het is tijd om te melken,--en zij weet niet wat zij doen zal. "'t Is moeilijk," meent zij, "moeielijk!"--

Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het erf van "de Zonnebloem" gekomen is, dan roept zijn knecht hem toe, dat Harmsen, de kastelein van "de Roode Leeuw," er geweest is en gevraagd heeft waarom hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen markt te Elsdingen was, en hij zijn stal vol paarden kreeg.

Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat hij in den laatsten tijd verzuimd heeft te doen.

"Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere," denkt hij, kwaad op zich zichzelf. "Zet de wage voor de schuur, Dirk," roept hij zijn knecht toe, "en laat Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't aved weerum."

Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen, en als de vracht is vastgesjord, haalt Aart het paard van stal. 't Is de zwarte, dien hij niet graag gebruikt, want het dier is nog te jong en te vurig voor dat zware werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet gebruiken--Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis.

't Is ruim een half uur stappen naar "de Roode Leeuw," en reeds laat in den namiddag, als hij er aan komt.

"Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?" vraagt Harmsen, die, met zijn knecht, in 't zolderluik van den stal staat.

"Dat he' 'k," antwoordt Aart opkijkende; "'t was me deur 't heufd gegaan, heur!"

"Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in 't heufd, jong?"

"Of wil ze niet meer van je wete?" vraagt de knecht van Harmsen, met een knipoogje naar zijn baas.

"Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!" roept Harmsen uit. "En nou, as de weerga de zolder vol."

En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep zinken zijn voeten in het voer, telkens als hij, heen en weer stappende, de vork drie- viermalen in het hooi steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt, als hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande massa, waarvan telkens vlokken loslaten, die op zijn hoofd en schouders vallen, in het luik werpt. Naarmate de vracht mindert, wordt de afstand tusschen hem en den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger opsteken en dus ook meer kracht aanwenden moet, en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd in te halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk, maar als eindelijk alles is geborgen en Aart, op den bodem van den leegen wagen staande, zijn pet afneemt en met de mouw van zijn boezeroen zich het zweet van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: "hard werke, da's 't beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks." En met een vluggen zwaai springt hij van den wagen, en door den knecht van Harmsen geholpen, spant hij zijn paard weer in.

"'n Mooie zwart," zegt de kastelein, naar borst en "beenen" van het fiere en trappelende dier kijkende, en het dan onder de manen, op den hals kloppende, herhaalt hij: "'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!"

"'n Beste," verzekert Aart, met den voet op de trede van den wagen. "Stil, zwart! ho jong!"

"Hij 's dartel," zegt Harmsen, op zijde gaande om den wagen voorbij te laten.

"Hij 's jong, en 't is veurjaar," antwoordt Aart. "Da-ag!" En de teugels vierend, rijdt hij het erf af.

"'k Zal 'm toch 's minder straf voere," denkt hij, als hij uit het mulle zand op den straatweg gekomen is, en zijn vurig paard, dat naar den stal verlangt, slechts met moeite in toom houdt, "hij wordt te veel mans. Zacht, zwart! zaggies, nou!" En met sterke vuist beheerscht hij het edele dier, zoodat het, den glanzenden nek sierlijk gebogen en knabbelend op het bit, eenigen tijd, half stappend half dravend, over den weg gaat, door het schudden van den kop en het vinnig slaan met den langen staart bewijzende hoe noode het gehoorzaamt.

En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich wat Harmsen zei: "veur haar 'n aar." "'k Mocht lijje," denkt hij, "dat 't zoo gemakkelijk ging, maar 't kruipt en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette kan. 'n Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan 'k niet, maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa' 'k kan,--of dat scheelt! En as 'k sikuur wist," denkt hij, op het schoft van het tuig starende, "heel sikuur, dat ze me niet lijje mag,--alla! 't zou dragelijk weze, maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt uit 'r...."

Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met kracht in de teugels, want zijn paard schrikt voor eenig wit goed, dat op een haag hangt en door den wind wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug, en als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner pooten met een wiel van den wagen in aanraking komt, dan wordt het schuw. Het steigert, slaat, en dan opeens trekt het woest aan en slaat op hol....

Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd geopend, de kleurlooze lippen op elkander geklemd, het bovenlijf achterover gebogen, spant Aart de teugels met levenverdedigende kracht, maar het woedende dier stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en trillende neusgaten, de wild-staande oogen met bloed beloopen, de ooren in den nek en den kop tegen de borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig schuim om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van zweet, peezen en zenuwen op het uiterste gespannen, telkens gespoord door den slingerenden wagen, die hotsend en stootend over den weg giert en ieder oogenblik dreigt te kantelen, rent het razende dier voort... Voort jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog arbeiden, die door het ratelend gerucht van den wagen, waarvan de losse zijstukken telkens opvliegen en weer neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den weg spoeden, waar zij, de handen boven de oogen, hem nastaren.

"Wie is 't?"

"Aart."

"Aart? Aart van de Zonnebloem?"

"Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat holt ie...!"

En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint gedeelte van den weg, zoodat de kiezelsteenen, hoog opvliegende, Aart in het aangezicht treffen, of op den wagen kletteren--voort, naar den tol.

De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht gooien? Als hij het doet, dan stort alles neer in een verschrikkelijken val, maar als hij het niet doet, het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg kan staan, en verder op ligt de brug over de rivier, en als de klap daarvan open is...!

Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit genomen heeft, schiet de wagen hem voorbij, en scheuren de wielnaven stukken hout uit den balk, waaraan de sluitboom bevestigd is.