Kleurig en donker

Part 6

Chapter 64,144 wordsPublic domain

En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester mijn sporen nog verdienen moet. Heeft Karel Jan zich in een afschrift vergist, dan zeg ik, dat wij moeten denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag beweer ik, dat wij bij _zulk_ werk eigenlijk in het geheel niet denken moeten, omdat wij daardoor maar in de war geraken. Ik deel hem mede, dat alle vonnissen de woorden: "in naam der Koningin," aan het hoofd moeten voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te denken, hem een oud imprimé voor, waarboven met vette letters staat gedrukt: "in naam des Konings." En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt, dan geef ik hem die, maar doe dat zóó omslachtig, en verdiep mij in zooveel uitzonderingen, dat het mij zelf begint te duizelen, wat Karel Jan trouwens niet verhindert toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag: of hij het begrepen heeft.

En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten, den wagen een eindje, een heel klein eindje, de helling van den weg op. Dikwijls betwijfel ik of wij ooit zullen komen waar wij wezen moeten, maar telkens, als de moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld te hebben tot het uiterste, want onder het weinige, dat Karel Jan, die langzamerhand iets spraakzamer wordt, mij vertelt van zijn leven en omstandigheden, is veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem handelen moet.

Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek dat ongeluk, waardoor hij op krukken loopt; hij werkt daar nog, maar verdient veel minder dan vroeger, omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna begon zijn moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig is. Zij heeft dikwijls pijn, spreekt heel weinig en heeft graag, dat het stil om haar heen is. Maar die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen, want hun huisje is klein en de kinderen zijn druk. Ze zijn met hun zessen; eerst zijn oudere zuster, die t'huis moet blijven om het huishouden te doen en moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes en een zusje, die allen nog klein zijn en op school gaan.

Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht geleerd hebben, wat hij altijd had gewild, en dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend hebben, dat zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar voor handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel nooit, maar dikwijls gevoelde hij zich moe en lusteloos. Misschien was _dat_ wel de reden, waarom zijn werk minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij ook gedaan op de normaalschool te Diepenburg, waar hij, op kosten van mevrouw Winter, twee jaren lang, driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was niet geschikt voor studie; dat had hij na het eerste jaar reeds begrepen, en graag had hij het toen al opgegeven, maar mevrouw Winter had gewild, dat hij het nog één jaar lang zou volhouden, en dat had hij ook gedaan. Maar op het laatst had hij de plagerijen zijner kameraden en den spot van zijn leermeesters niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had dat niet goedgevonden, maar als zij eens wist wat hij had uitgestaan! En toch had hij altijd gewerkt, dikwijls tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags, omdat vader dat verboden had.

Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging.

"Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld."

Hoe bracht hij den Zondag verder door?

"Als het goed weer was, liep hij met de kinderen langs den dijk tot Stormwijk, of den anderen kant uit tot Lingedam, en als het regende, dan las vader voor uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek."

Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn leeftijd?

"Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet toeschietelijk voor hem, en ook zaten zij dikwijls in de herberg, wat vader niet goedvond."

Las hij veel?

"Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken waren duur, en er was hier geen bibliotheek."

Had hij geen konijnen, geen duiven?

"Niet meer. Vroeger had hij twee duiven gehad, mooie dieren, die geheel aan hem gewend waren, maar ze zaten Zondags in het kerkraam, en de menschen in de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat hij ze moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij had gezegd, dat hij ze Zondags moest opsluiten, en dat had hij dan ook gedaan, maar de kinderen lieten ze los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze verkocht."

Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit gestaan aan het strand van de heerlijke zee, en nooit gedwaald in de geurende bosschen?

Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een oogenblik is er iets in zijn oogen, dat mij doet denken aan een groot, onbestemd verlangen, maar het is aanstonds weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij, dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg.

En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij over mijn ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den overvloed des levens, zijn schatten aan bloemen en zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets voor hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk brood en een schamel kleed.------

Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen hij op een maandagmorgen, nadat het tien uur had geslagen, niet verscheen. Even later hoorde ik een ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging kijken wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met moeite naar boven kwam en mij, toen hij bij mij zat, zeide, dat zijn zoon niet kon komen, omdat hij ziek was.

Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde, omdat hij er in den laatsten tijd zoo slecht had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei.

"Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. "Vonk," zei ie van morge, toe 'k 'm uitliet, "dat lampie"--en de stem van den ouden man beeft--"dat lampie brandt nog maar heel eve.""

"Arme jongen...!"

"En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder nooit! O, 't is niet, da' 'k murmureer, want wie ben ik om God rekeschap te vrage van z'n dade, maar de gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k 'm wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd had hoeve voort te jage, as ie wat meer had kanne geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg 'k, dat 't niet is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest en 'm alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an 'm beleefd zou hebbe. En daarom--beruste, altijd weer beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag nog hoorde: onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie zal zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die levend maakt waar Hij doodt."

Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien, zoelen lentedag, en weer zit hij tegenover mij zooals vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij; hij was veel beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en die diepe groeven om neus en mond! En zwak is hij..! Telkens legt zijn bevende hand de pen neer, omdat hij even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze naar mij kijkt. Maar ik doe of ik niets bemerk, en bedenk hoe ik hem zal verlossen van dat schrijfwerk, dat zijn krachten verre te boven gaat.

Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten nazien of een aantal stukken allen voorkomen op een daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem dat werk heb voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan.

Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en legt het op zijde. En terwijl hij daarmede bezig is, is het alsof hij, één voor één, de bladen omslaat van zijn eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas, even dor is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg vermindert het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts enkele, en dan is zijn taak voltooid, maar dan zal het ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar huis gaat. En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt mij een rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord, en dat luidt:

Eens zei een teer bloempje, op een donkere plek: "Schijn, zonnetje, ook op mij!" Maar 't zonnetje hoorde 't zwak stemmetje niet, Haar stralen gingen voorbij. Toen hoopte ons bloempje op den volgenden dag, En tuurde naar 't morgenrood, Maar toen 't zonnetje weer het bloempje vergat, Toen treurde 't, kwijnde en ging dood.

En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!----

Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de krukken stommelden weer op de trap en zijn vader kwam binnen.

"Hoe is 't?" vraag ik.

Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd.

"Geen hoop meer?"

"Nee;... hij is dood."

* * * * *

Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem neergelegd waar hij gewenscht had te rusten: onder het groen der sparreboomen op het kerkhof. Een steen dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor hem, die het weet, gewaagt hij van een korte maar sombere geschiedenis, van een jong leven, licht- en vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag: kleurloos, mistig en koud.

O, 't is beter... zóó! Want wat zou hij uit den moeielijken strijd des levens meer nog hebben weggedragen dan het bestaan, en wie weet hoeveel onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor zijn ziel.

De oudste.

Wij hebben, te midden onzer kinderen, ons feest gevierd, het feest van ons vijf-en-twintigjarig huwelijk. Het hart vervuld van dankbaarheid voor de zegeningen die wij ontvingen, wijdden wij, het verleden herdenkend, een dronk aan de toekomst, en zoo hebben wij een gedenkteeken opgericht, waarop wij _Eben Haëzer_ schreven, een teeken, dat zichtbaar blijven en ons bemoedigen zal, als wij, bij het vervolgen van onzen levensweg, den blik terug wenden.

Thans is alles tot zijn vroegere rust teruggekeerd. Onze gasten zijn vertrokken; de kleine zilveren botter ons geschonken door mijn goede visschers, wier burgervader ik nu reeds vijf-en-twintig jaren ben, prijkt op een tafeltje tusschen de ramen, en op mijn kamer gezeten, herdenk ik wat achter mij ligt.

Van zelf, het eerst, het liefst gaan mijn oogen naar het geschilderd portret van Agnes, mijn vrouw, dat sedert onzen feestdag boven mijn schrijftafel hangt. Toen ik het van haar ontving, en zij den doek wegnam, die het bedekte, zeide zij te weten, dat er niets was, waarmede zij mij meer genoegen kon doen, en met een gelukkigen glimlach voegde zij er bij, God te danken dat het zoo was.

Ja, mijn beste, zoo is 't. En wie zou ik zijn, als gij mij niet dierbaar waart boven alles! Nu vijf-en-twintig jaren geleden, op den dag waarop wij voor het eerst als man en vrouw deze woning binnengetreden waren, genoten wij den heerlijken voorjaarsavond op het duin. Millioenen sterren vonkelden aan den hemel, en zachtkens ruischte de stille zee.

Daar stonden wij, hand in hand, met onze bloeiende liefde in het hart, bereid tot ons werk, bereid ook tot den strijd. En toen ik zeide te hopen, dat onze toekomst mocht zijn vredig, als de natuur om ons heen, toen hebt gij uw armen om mij heen geslagen en mijn hand gedrukt, en heb ik begrepen, dat gij bovenal voor mij zoudt zijn een levenshulpe, mij altijd nabij, mij altijd steunende en bemoedigende, ook in den nood.

Arme lieve, de tijd is niet over u heengegaan zonder u te deren. Uw haren zijn vergrijsd, en de lijnen om neus en mond bewijzen, dat gij de zorgen des levens geleden hebt; maar wat uw gelaat heeft behouden, dat is het beste en kan geen ouderdom u ontrooven, want het is die blijmoedige en liefdevolle uitdrukking, de openbaring van dat reine, onbaatzuchtige hart, zich zelf gelijk gebleven al die jaren lang, altijd. O, als jongeling had ik u lief, maar hoe dierbaar, hoe onmisbaar zijt ge mij thans! En wanneer ik gevoel een beter mensch te zijn dan ik was, toen gij uw leven aan het mijne verbondt, dan is het omdat mijn ziel zich meer en meer naar de uwe stemt.

En nu rust mijn blik op die andere beeltenis, op dat blonde, blozende kindergezichtje, met die groote, bruine, onschuldige oogen en dien lieven mond; en in gedachte jaren en jaren teruggaande, zie ik Agnes weer voor me, zooals zij daar lag tusschen de witte kussens, het bleeke gezichtje rustende op de los gevouwen handen, met een uitdrukking van innig geluk starende naar het wiegje, waarin ons kind lag, onze eersteling, teeder als een rozeblad en rein als de morgen.

"Ons kind, onze zoon!" Met hoeveel trots sprak ik die woorden uit, en hoeveel weelde lag er in de stem waarmede Agnes, naar mij opziende, herhaalde: "onze zoon."

"Dien wij willen liefhebben," zei ik, "_ook_ met geheel ons verstand, tot zijn eigen geluk en tot het onze."----

Eenige jaren gingen voorbij; en nu zie ik hem weer, als hij, heerlijk opgroeiende en een toonbeeld van levenslust en gezondheid, zijn eerste broek draagt, waarop hij verbazend trotsch is. Met zijn blonde haren, donkere oogen, blozende wangen en het--aan de mondhoeken naar beneden getrokken bovenlipje, dat zijn gezichtje zoo aantrekkelijk maakt, ziet hij er allerliefst uit, en op zijn korte beentjes, met die plooi in zijn mollige kuitjes, juist boven zijn rijgschoenen, dribbelt hij over het strand, vriendschap sluitende met de visschers, die hem "de jonker" noemen, en wier verweerde gezichten vriendelijk op hem neerzien, als hij vrijmoedig zijn klein, zacht knuistje in hun groote, vereelte handen legt.

Hij is nu in den leeftijd, waarin zijn weetlust ontwaakt, en op de lange wandelingen, die wij te zamen maken, staat zijn mond niet stil, vragende het hoe en waarom van alles wat indruk maakt op zijn jongen geest. En daardoor brengt hij mij dikwijls in verlegenheid, want het is moeielijk een voor hem begrijpelijke verklaring te geven van hetgeen hij weten wil.

Als ik 's avonds met hem buiten ben, en hem wijs op het vonkelen der sterren, dan vraagt hij, met dat zilveren stemmetje, dat zoo helder te midden der stilte klinkt: "hoe kom dat?" en als de opkomende maan zijn aandacht trekt, dan blijft hij stilstaan, kijkt naar boven en vraagt: "het de maan ook beene?"

Een enkele maal loop ik 's avonds, voordat hij naar zijn bedje gaat, met hem langs het strand, wat voor hem de bekoring heeft van iets dat "goote mense doen." Maar de breede, eenzame en donkere vlakte voor hem uit, het ruischen der zee, het rijzen en dalen der golven, en het stille uitvloeien van het schuim over het strand, te midden der duisternis om ons heen, dat alles heeft iets geheimzinnigs, dat zijn invloed op hem uitoefent, en hem zijn kleine vingers vaster om de mijne sluiten doet.

Eens, toen op eenigen afstand een gedaante van achter een der vaartuigen te voorschijn kwam en ons naderde, zei hij:

"Daar kom 'n man an, hè?"

"Ja jongen, 't is 'n visscher, die van zijn pink komt."

"Goeje man, hè?"

"Zeker wel, vent."

"Niks bang, hoor?"

"Wel nee. Waarom zou je bang zijn? Niemand doet zoo'n klein kereltje als jij bent kwaad, en Pa is immers bij je?"

"Pa zou mijn wel hejjepe, hè?"

"Nou hoor, ik zou ze wel vinden! Maar kijk 's, 'k geloof, dat 't Teunissen is, die daar aankomt; je weet wel, die zoo'n aardig klein meisje heeft."

Maar de groote, krachtige gestalte, die sterk en hoog afstekende tegen het vlakke strand naar ons toe komt, en de reusachtige afmetingen van haar schaduw, boezemen hem toch eenig ontzag in, en dichter dringt hij zich tegen mij aan.

Zoodra de visscher bij ons gekomen is, spreek ik hem even aan, om mijn ventje te doen zien hoe weinig verschrikkelijk die geduchte verschijning is, en na eenige oogenblikken steekt hij dan ook uit eigen beweging, Teunissen zijn handje toe; maar als de visscher zich verwijdert, kijkt hij nog een paar malen om naar de verdwijnende gestalte, en zegt hij, met iets in zijn stem, dat van verlichting getuigt: "goeje man, hoor!"

Het liefst bereikt hij onze woning, niet langs den gebaanden weg, maar door over het duin te klimmen, en als wij dit dien avond doen, dan ziet hij, dat men in den kleinen, op een hoog duin geplaatsten lichttoren, een nieuwe en grootere lamp heeft geplaatst, dan daarin vroeger heeft gestaan. Hij weet, door den storm, dien hij eens heeft bijgewoond, en door hetgeen wij hem hebben verteld van het wrak, dat eenige jaren geleden, een half uur gaans van onze woning op het strand werd gezet, dat de zee "o, zoo gevaajik is voo' die ajjeme visserjes." En sedert ik hem heb verteld, dat zij, bij donker op zee zijnde, dat licht van ver, van heel ver kunnen zien en daardoor hun weg vinden naar huis, stelt hij in het ouden baken het grootste belang. En als hij nu die nieuwe lamp ziet branden en bemerkt hoeveel sterker dat licht is dan het vroegere, dan roept hij uit: "o, jiggie bjandt mooi, hoor! nou kanne de visserjes goed zien, hè? die goe...je visserjes!" En die gedachte laat hij niet weer los. Hij zegt dat het heel goed is, dat zij nu zoo'n mooi "jiggie" hebben, dat zij nu zeker wel "bjij" zijn, en als wij t'huis zijn gekomen en hij, nadat hij is uitgekleed, in zijn helder wit nachtjaponnetje binnen komt, om ons een nachtkus te brengen, dan zegt hij nog eens, terwijl hij op mijn knie staat en mijn hoofd tusschen zijn warme handjes houdt: "nou kanne de visserjes mooi zien, hè?"

"Zeker, mijn schat! het licht brandt helder en de visschertjes kunnen zien."

Ja, hij heeft een warm-gevoelend, klein hart. O, zoo teeder streelt hij onzen grooten hond, die oud en blind is, en als hij zijn frisch gezichtje tegen den ruigen kop van het dier drukt en zegt: "o jou goeje, ouwe bj...inde Pjins!" dan spreekt het grootste medelijden uit zijn stem. En 's winters, als hij naast mij staat, terwijl ik, op den grond gehurkt, mijn arm om hem geslagen houd, en zijn kleine vuist, in een bord vol kruimels grabbelend, daarvan telkens een handjevol in de sneeuw werpt, "voo' die ajjeme vogejes, die zoo'n honner hebben," en die dan ook, tot zijn blijdschap, spoedig komen aanvliegen en zich gulzig verzadigen, dan zegt hij: "dat vinne ze jekker, hè? nou smujje ze hoor!" en dan kijkt hij mij aan met zulke vriendelijk toegeknepen oogjes, dat 'k niet kan laten hem tegen mij aan te drukken en te kussen.

Trouwens, zijn levendig gezichtje is altijd vol uitdrukking, en in hooge mate bezit hij de gave der mimiek. Hij houdt veel van versjes opzeggen, waarbij hij aan moeders schoot staat, zijn armen op haar knieën geleund. Agnes zegt dan den eenen en hij den volgenden regel, en dan is het alleraardigst onzen kleinen acteur te bespieden. Als, door de stem van Agnes, de verkleede prins uit het sprookje tot den ouden houthakker zegt, dat de takkebossen, die hij draagt, toch zoo zwaar niet kunnen zijn, dan antwoordt ons ventje:

"Nou zie je, meneerje, da vaj je nie meê!"

En dan schudt hij zijn hoofdje, rimpelt zijn voorhoofdje en zet een hoogst bedenkelijk gezichtje. En als hij van het versje, waarin wordt verhaald van een schaapje, dat ongehoorzaam is en niet bij zijn moeder wil blijven, waarom het dan ook in het water valt en verdrinkt, den laatsten regel zegt:

"O, 't sjaapie is vedjonke, Och, 't ajme dier is dood!"

dan laat hij zijn kopje hangen, slaat de oogen naar boven, en kijkt o, zoo bedroefd!

Maar nooit is de uitdrukking van zijn gezichtje welsprekender, dan wanneer Agnes op haar orgel eenige eenvoudige melodieën speelt. Dan staat hij dicht tegen haar aan, en ziet met zijn groote oogen naar haar op, zoo ernstig, onschuldig en aandachtig als door Raphaël in zijn engelenkopjes, die naar gewijde muziek luisteren, is afgebeeld.

Ja, het waren heerlijke, gezegende jaren, en schaduwloos was ons geluk, tot die avond kwam--en nu ik daaraan denk, gevoel ik weer dezelfde gewaarwording, die ik toen ondervond, dat voorgevoel van een naderend onheil, dat als een zwaard gaat door de ziel--toen Agnes, met een benepen gezichtje, beneden kwam en zei, dat ik eens naar Frits moest gaan zien, omdat hij zoo onrustig was en zij vreesde, dat hij onwel zou zijn. Helaas, dat was het begin van de ramp die ons beschoren was! Binnen weinige uren was de blos van zijn wangen verdwenen, de glans zijner oogen verdoofd, en na enkele dagen was hij zóó zwak, dat hij onze fluisterende stemmen bijna niet meer kon verdragen en het daglicht, hoe ook getemperd, nauwlijks meer aan zijn oogen velen kon. Daar ligt hij, klein en teer in zijn bedje, en strijdt den zwaren strijd: den strijd om het leven. Wij verlaten hem niet, geen uur, geen oogenblik, en omringen hem met alles wat onze liefde kan uitdenken. O, het is wreed hem te zien worstelen, en van tijd tot tijd dien blik op te vangen, die ons schijnt te vragen, of wij hem niet helpen kunnen, en niets te vermogen, niets, dan hem te liefkoozen en met teedere namen te noemen, met de folterende overtuiging, dat onze teedere bloem--ach, met hoeveel zorg gekweekt!--onder de zeis des grooten maaiers vallen zal.

Hij is nu het best in de armen zijner moeder, die hem zachtjes wiegt en af en toe haar diep bedroefd gezicht, o, zoo innig tegen zijn hoofdje drukt. En als hij daar zoo ligt en ik neerzie op zijn arm, bleek, vervallen gezichtje, met die blauwe kringen onder de oogen en die lange wimpers, die hij nu bijna in het geheel niet meer opslaat, op die vermagerde handjes en die langzame bewegingen--o, wat zou ik dan niet willen geven, om dat oog weer te zien schitteren, dien vroolijken lach te hooren en dien frisschen blos weer op zijn wangen te zien! Maar wat baat het! Ik weet het, ik zie het immers: zijn jong leven spoedt heen als het beekje, dat zich rept naar de rivier.

Op een avond, nadat wij ons hadden verheugd in hetgeen wij hielden voor een vleugje van herstel, maar dat onzen dokter, toen wij er hem op wezen, geen bemoedigend woord ontlokte, had ik hem van Agnes overgenomen, en lag hij stil, doodzwak en uitgeput in mijn armen. Wij hoopten, dat hij in slaap zou vallen, maar de uren verstreken en brachten geen rust voor ons afgetobd kind. Agnes wil hem nog eens zijn drankje ingeven, maar hij keert zijn hoofdje af, hij kan niet meer.

"Och Agnes, laat maar; het baat niet meer!"

Neen, het kan niet meer baten, want hij is nu buiten bereik van alle aardsche hulp, en ragfijn is de draad die zijn jonge ziel nog aan het leven bindt.

Als de maan is opgekomen, en haar stralen door de toegeschoven gordijnen naar binnen dringen, dan is zijn tijd vervuld. Nog eenmaal richt hij zich op, nog even ziet hij, zonder besef, om zich heen, en dan buigt hij zijn hoofdje aan mijn borst en, met een zachten zucht, is alles voorbij...

"Voorbij...!" Met die gedachte buig ik mij over hem heen en tracht haar beteekenis te beseffen, maar ik kan die niet omvatten, en weet alleen, dat zij een gevoel van nameloos jammer in mijn hart stort. Dan sta ik met hem op, en leg hem in zijn bedje. Arme lieveling, hoe rustig, hoe vredig ligt hij daar! En terwijl Agnes met haar hoofd op mijn schouder leunt, nemen wij afscheid van ons kind, zooals hij daar ligt, klein heiligje, in het zilver-glanzend maanlicht, schuldeloos als dat reine licht. En in dien aanblik is iets zóó plechtigs, iets zóó verhevens, dat het onze lippen verzegelt en onze tranen weerhoudt. Eindelijk laat ik de witte gordijnen om zijn bedje vallen, en leid Agnes naar buiten.

Zacht ruischt de zee, en langzaam stuwt zij haar golfjes naar het strand. O, nog dikwijls zal zij ebben, en nog menigmaal zal de vloed opkomen, voordat de wonde, ons hart geslagen, zal ophouden te bloeden, maar zelfs op dat oogenblik, toen wij daar naast elkander zaten, sprakeloos, maar hand in hand, toen was er in de diepte van ons hart toch iets, ons toefluisterend, dat wij onze groote smart zouden leeren dragen, omdat wij te zamen leden, en dat, waar de zon van ons geluk was schuilgegaan, onze nacht niet gekomen was, omdat wij elkander omvat hielden.