Kleurig en donker

Part 5

Chapter 54,083 wordsPublic domain

Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst toen ik in bed lag en mijn moeder, zooals zij altijd deed, boven kwam, om mij toe te dekken en een nachtkus te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken en mij opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in, droomende van mijn duiven en konijnen, mijn zeer dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers, van wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte, daar tusschen kwam spoken.

Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek van meneer Nelissen aantrok, want niemand kon beter met kinderen omgaan dan hij. Opgewekt, nooit onbillijk, altijd zichzelf meester en daarenboven een zeer kundig onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen en de genegenheid van iederen nieuwen leerling; en zoo hielden wij van hem, als soldaten van een welwillend en kranig officier. Wij moesten leeren, dat sprak van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op humane wijze handhaafde hij orde en tucht.

Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop ik zijn school bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn schrijfwerk corrigeerde, een klein spinnetje zag, dat zich van de hanglamp naar beneden liet zakken. Zoodra het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan het hing, voorzichtig aan mijn vinger, en zonder daartoe vergunning te vragen, stond ik op, bracht het spinnetje naar een plant, die voor het geopende venster stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan eenige inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig gemaakt.

"Je mag zoo maar niet opstaan!" zei Henri, die naast mij zat.

"Dat zal hij langzamerhand wel leeren," zei meneer Nelissen, mij op den schouder kloppende. "Hij is verstandig genoeg om te begrijpen, dat, waar zooveel jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij verkiest, en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet vragen of hij dit doen mag. En wat hij deed," vervolgde meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende, "is in allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes te onthoofden, niet waar Henri?"

"Maar dan doen ze zoo eeuwig mal," mompelde Henri. En toen meneer vroeg wat hij zei, antwoordde hij: dat hij het niet weer zou doen.

Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen was, en dat ik nog al dikwijls terecht gewezen moest worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik in de oogen van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere jongens van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen gevoelen, dat mijn gebreken ernstiger waren dan die van mijn kameraden.------

"En waar gaat hij nu heen?" vroeg meneer Nelissen, toen hij een afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht, en ik binnen was geroepen om hem vaarwel te zeggen.

Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar de school van meneer Kreggers zou gaan, en toen meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg mijn moeder, over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die school kende?

"Zeker mevrouw," antwoordde hij. "Kreggers is een knap man, geloof ik, een _heel_ knap man.--Hm.!" En dit zeggende stond hij op, nam afscheid van mijn ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok.

Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indië aangekomen, bleek hij niet bestand te zijn tegen het klimaat, en op het schip, waarmede hij naar het vaderland terugkeerde, overleed hij.--Arme meneer Nelissen! gij waart een goed en verstandig man, en nog veel goeds hadt gij tot stand kunnen brengen------

Meneer Kreggers--groot, sterk-gebouwd, met een bleek, rond en baardeloos gezicht, volstrekt kleurlooze oogen en een zachte stem, die bijzonder zalvend is als hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke handen ter hoogte van het gezicht houdt--meneer Kreggers zegt: dat ik brutaal, ergerlijk brutaal ben, en onophoudelijk voegt hij mij toe, dat ik mijn onbeschaamde oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het boek, of wat ook voor mij ligt, te kijken, maar een enkele maal sla ik mijn oogen wel eens op en dan bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet, maar zeker is, dat hij het niet hebben wil, zoodat alle jongens voor zich zien, als hij voor de klas staat en les geeft.

Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch ben. Ik weet volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar hij doet het en herhaaldelijk waarschuwt hij mij, dat hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En eindelijk beweert hij nog, dat ik onwillig ben. "Je verstand is goed," zegt hij, "maar je _wilt_ niet opletten, je _wilt_ niet begrijpen;" en mij met den vinger dreigende, roept hij mij toe, dat hij het er wel uit zal krijgen. Misschien zijn er nog andere redenen waarom hij op mij gebeten is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel aan mij heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig en ik lijd er onder van het oogenblik af, dat hij 's morgens haastig binnen komt, met een liniaal eenige vinnige slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept: "_Messieurs, la prière!_" totdat het vier uur is en wij naar huis kunnen gaan.

Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar, en gaan alle jongens langs hem heen om hem een hand te geven, maar zij, op wie hij ontevreden is, blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen, zijn hand op, als ik beschroomd de mijne uitsteek, en als hij mij een enkele maal de zijne toesteekt, dan is die hand zóó slap, dat ik het niet waag die te drukken, maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor ik hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn overtuiging omtrent mijn eigenzinnigheid versterk.

Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden, als ik brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet dan op de bank gaan staan, met den rug naar hem toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb, zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog verheven, maar o! zoo diep vernederd, tot spot van mijn kameraden, op wie de wijze, waarop meneer Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent, zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder hen beschouwen, en die, van mijn tepronkstelling genietende, leelijke gezichten tegen mij trekken, de tong tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen naar mij werpen.

En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte, waarom hij toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig ben. Maar ik begrijp het niet en geloof ook niet, dat ik "zoo'n akelige jonge" ben. Ik weet, dat men mij dit alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo "slecht" was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit gezegd hebben, en waarom zou men mij thuis daarover nooit eens onderhouden hebben? En dan denk ik aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik daar was, terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft mij een prop of raakt mij een pijl, en dan komen ze, mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch, dan fluisteren de jongens, die het dichtst bij mij zitten, mij de woorden: huilebalk, lammert, en zoo vele andere toe, en--ben ik rampzalig.

Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch en ofschoon ik niet geloof, dat de jongens, met wie ik in dezelfde klas zit, mij daarin zooveel vooruit zijn--Meneer Kreggers heeft zich in het hoofd gezet, dat mijn onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart. Zoodra hij dan ook zegt: "_et maintenant, Messieurs, la lecture française_," word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor ik de geringe kans, die ik heb om mij er door te slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij slaat hij over; een andere maal verbetert hij het eerste verkeerd door mij uitgesproken woord, en laat mij dit tot in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt het, dat hij mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is het pijnlijkste. Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn uitspraak nog zeer gebrekkig is, en als ik, al hakkelend, voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel tracht ik die telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat ook wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder te letten op hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen af. Ik hoop toch, aan het einde van iederen zin, dat meneer Kreggers een anderen jongen een beurt zal geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om mij heen en ik vrees, dat hij mij weer op de bank zal laten staan. En zoo haspel ik voort, met een prop in mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen heen, voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in het midden van een zin, met de liniaal op de bank slaat en met verbeten woede uitroept: "_Assez, maintenant l'arithmétique_," een werkzaamheid waaraan ik evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn plaats opstaan, op een ledige bank, aan het eind van het schoollokaal gaan zitten, en gedurende de overige uren van den middag eenige honderde malen op de lei schrijven: _je suis un enfant revêche, hautain et indocile_.

Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten, en het mijn beurt was eenige volzinnen voor te lezen, zei meneer Kreggers, dat ik even moest wachten, en, naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke letters de woorden: _les yeux, les jeux, les cieux; les gens, les chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion_. "Lees dat nu eens hardop voor," zei hij, en zijn rechterhand opheffende, voegde hij er bij: "en nu niet geagiteerd, asjeblieft!"

Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens reeds hoor giggelen van plezier over hetgeen er zal volgen, en ik de schande van een nieuwe tepronkstelling niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de spelen en de hemelen vind ik slechts een klank: _les sjeux_; voor de lieden, de zangen en de velden slechts een woord: _les sjans_, en waar ik den uitgang "ion" moet verbinden met de "g", of de "s" of een andere medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat iets anders uit te brengen dan een afschuwelijk: _sjion_.

Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft de jongen, die naast mij zit, mij den welgemeenden raad: uit eigen beweging op de bank te gaan staan, en hoor ik achter mij fluisteren: _je suis un enfant revêche et un imbécile_.

Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als ik eindelijk, half wanhopig, waag mijn oogen even naar hem op te slaan, dan ontmoet ik zijn kouden, glansloozen blik, waarmede hij, met een uitdrukking van minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk zegt hij, met ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op mijn lei moet schrijven, en nadat hij de jongens aan eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem komen aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven, en laat mij een poos wachten, maar eindelijk keert hij zich naar mij toe en zegt, schijnbaar kalm: "we zullen het nu nog eens probeeren, maar nu"--en hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon--"nu pas je op, versta je? Zeg me nu na: _des...i...eux_."

In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen, zeg ik hem de beide woorden zoo precies na, met zoo volkomen dezelfde intonatie, dat hij zich driftig naar mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den gek te houden?

Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar ik weet niet wat ik zal zeggen, en zwijg, terwijl ik voor mij kijk.

"Krijg ik ook antwoord?" vraagt hij.

"Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet aan!" roep ik uit.

Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken, dat hij daarover verder niet wil spreken en herhaalt: "_des ... i ... eux_."

Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken hem na te doen, dan dat ik het moeilijke woord niet goed zal uitspreken, en het gevolg is, dat ik stotterend uitbreng: "_des sjeux_."

Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt zwaar adem; het is duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld op de zwaarste proef stelt, maar hij bedwingt zich en na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend: "nu nog eens, maar nu ook voor het laatst: _des...i...eux_."

Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik onder deze omstandigheden niet _kan_ doen wat hij van mij vordert, en zwijgend, terwijl de tranen langs mijn wangen loopen, schud ik even het hoofd.

Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood. Hij staat haastig op, en mij een duw tegen den schouder gevende, zegt hij: "marsch, in den hoek..!"

Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid over mij. Ik weet, dat ik _niet_ onwillig ben en dit _nooit_ ben geweest, maar dat hij dit niet gelooft en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen schuld heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die overtuiging hef ik het hoofd op, ga met een flinken stap naar den mij aangewezen hoek, maar op eenigen afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in de zakken en kijk rechts en links naar het plafond.

Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken zijn, zegt meneer Kreggers, dat ik mij moet aankleeden, dat hij zelf mij t'huis brengen--en met mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen, dat zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap van mijn daden te moeten geven, niet in staat is mij mijn trotschen kop te doen buigen, en met mijn pet op één oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn handen in de zakken, loop ik, een paar passen achter meneer Kreggers blijvende, naar huis.

Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt meneer Kreggers, met een allervriendelijksten glimlach: of het misschien niet beter zal wezen als hij mijn vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord: dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging tegen mij zal inbrengen, en het dus billijk is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij zich genoodzaakt zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt hij, dat hij, reeds op den eersten dag waarop ik zijn school bezocht, heeft ingezien, dat hij met een stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk kan verklaren nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer dan vijf-en-twintig jaren _instituteur_ is, een kind te hebben gezien, zóó brutaal, trotsch en onwillig, als ik ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij te straffen, in den hoek had laten staan, en eindigt met te zeggen, dat hij mij eigenlijk van zijn school moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader dit wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op voorwaarde evenwel, dat ik den volgenden morgen openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn onwil zal erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij ter wille van zijn prestige stellen moet.

Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader meer en meer zien betrekken, en reeds vreesde ik, dat hij ernstig boos op mij was, toen hij zich op eens, met iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij keerde en, mij naar zich toe trekkende, zeide: "en wat zegt m'n jongen nu?"

O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad en beschermde! Ik wierp mij snikkend in zijn armen en zei, dat ik niet zoo slecht was als meneer Kreggers beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en altijd had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat hij dit niet geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik ongelukkig was geweest van het eerste oogenblik af, waarop ik op zijn school was gekomen.

"Maar 't kind is zenuwachtig," zei meneer Kreggers glimlachend.

"Ik geloof het ook," antwoordde mijn vader, en zachter voegde hij er bij: "misschien wel meer dan ik verantwoorden kan. Intusschen"--en nu klonk zijn stem weer krachtig--"zal mijn zoon uw school niet langer bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den cursus van dr. Van Eeken, en tot dien tijd zal ik hem privaat-onderwijs laten geven. Voor de _goede_ zorgen, die u voor mijn kind hebt gehad," vervolgde mijn vader, meneer Kreggers vast aanziende, "betuig ik u mijn dank."

Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd van een last, waarvan ik nu eerst recht begreep hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg ik de armen om den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok, mij streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste jongen was------

Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe levendig herinner ik het mij nog! En hoe kan het anders! Want wie het heeft ondervonden, die zal het toestemmen: kinderleed is _groot_ verdriet.

Karel Jan Vonk.

"K..arel, J..an Vonk," zegt op lijzigen toon de burgemeester, die met den rug naar het venster mijner griffie staat "zoo spreekt hij precies, en zoo _is_ hij ook, saai en droog als een stokvisch. En dom en onnadenkend, daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een brief voor mij schrijven aan de oude mevrouw Winter. "Neem het copyboek," zeg ik tegen hem, "zoek daarin den brief, dien je verleden week aan dominee Hulst hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen moet je natuurlijk het woord "heer" in "mevrouw" veranderen." En Vonk deed precies wat ik hem gezegd had; want toen hij mij den brief bracht, stond er boven: "WelEerwaarde Mevrouw." WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt de burgemeester met een schamper lachje, zoo'n eend! En zoo zou ik je honderd stupiditeiten van hem kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij zich telkens vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register waarin hij niet krabt, in één woord: beroerd werk. Ik zeg je dit alles maar, zie je, opdat, als je hem toch neemt, je later niet zult kunnen zeggen, dat ik je daartoe heb geanimeerd."

"Mijn waarde," zeg ik, "daarover behoef je je niet ongerust te maken. Zoo noodig, ben ik bereid onder eede te verklaren, dat je dat niet gedaan hebt. Maar heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou worden opgeleid?"

"Zoo is 't. En hoe ze ooit op _die_ belachelijke gedachte zijn gekomen, dat is meer dan een mensch begrijpen kan. Verbeel je, _die_ jongen moest eerst zijn akte lager onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch en Fransch. En dat _nota bene_, in een tijd, waarin je, om zoo te zeggen, een dansmeester in het rekenen moet wezen; dat je, om maar een kleinigheid te noemen, moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in den tijd van de _prehistoric peeps_ uit _Punch_, en dat je zakt als een baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen van een kerk of van een schip kunt noemen, dingen, die een verstandig mensch natuurlijk niet eens in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool te Diepenburg geweest."

"Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?" vraag ik.

"Als een rots," bevestigt de burgemeester met een krachtigen hoofdknik, "en toen ze dan eindelijk begrepen, dat hij weinig aanleg had om schoolmeester te worden, hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak was, een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer een jaar geleden, bij den notaris. Daar is hij drie maanden geweest, maar toen hij in een paar dagen zes zegels, en dus voor een waarde van vier gulden vijftig verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een gemakkelijk heer--en nogal op nummer één gesteld is, hem bij zijn kraag genomen en de deur uitgezet. Toen kwam hij bij den ontvanger, waar hij zulk een vuurwerk van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen hij het geheele onheil had overzien, den jongen onder handen genomen--en zulke venijnige dingen gezegd heeft--want Venninga is nog al scherp, zooals je weet--dat Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen."

"Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de vingers kunnen zien?" vraag ik.

"Dat weet ik niet," antwoordt de burgemeester. "Venninga is natuurlijk dikwijls uit, want dan heeft hij hier, dan daar zitting, en daarbij komt, dat Vonk, zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de war was, dat hij, om maar geen standje te krijgen, de cijfers _liet_ kloppen, totdat hij zelf er niet meer wijs uit kon worden en de bom barstte.

"Eindelijk kwam hij bij mij. Ik _moest_ een jongen hebben, en omdat het op een klein plaatsje als dit moeilijk is er, voor een kleinigheid, een te krijgen, heb ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer. Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog ellendiger dan het andere. Ik heb gedaan wat ik kon; eerst heb ik hem, zoo vriendelijk mogelijk, onder het oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn kantoor niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb ik hem standjes gegeven, standjes..."

"Ja," zeg ik, "dat zal wel."

"Hè!" roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd aanziende, "waarom denk je dat?"

"Omdat ik geloof," antwoord ik, "dat je wel een beetje heftig bent, weet je."

"Ik geloof 't ook," erkent de burgemeester, "maar 't schijnt geen slechte eigenschap te wezen. Mijn vader, ten minste, zei altijd: "dat mag ik wel in een jongen, want 't bewijst, dat er wat inzit;" 't geen hem trouwens nooit verhinderde me een pak ransel te geven, als ik nog al dacht hem een plezier te doen met mijn hoofd door zijn ruiten te steken. Maar om op Vonk terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem weggestuurd. Als _jij_ hem nu neemt, dan doe je een weldaad aan hem en aan zijn ouders, want het is een fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben om rond te komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten staat."

"Is hij gewillig?" vraag ik.

"Zeer gewillig."

"En ijverig?"

"Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool geblokt hebben als--als een heimachine," zegt de burgemeester, die met deze even krachtige als kenschetsende uitdrukking kennelijk is ingenomen.

"Nu," zeg ik, "dan wil ik 't ook nog wel eens met hem probeeren, en kan hij Maandagmorgen om tien uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?"

"Graag," antwoordt de burgemeester. "Ik ben blij om hem en om zijn ouders, maar.... _enfin, tu m'en diras des nouvelles_."

En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien uur, aan de deur der griffie geklopt, en binnen kwam Karel Jan Vonk, een jongen van achttien jaren, met een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige oogen, gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker niet meer nieuw, maar netjes onderhouden was, en met een helder wit boordje om zijn hals, waarvan de rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren.

Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een _imprimé_ in blanco van een vonnis, om dat in te vullen, zooals ik dat heb gedaan in het _imprimé_, dat ik hem daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje bezig is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft.

En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift nu luidt, is de beklaagde niet ter terechtzitting verschenen, maar heeft hij toch aldaar stokstijf ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar verklaren toch er alles van gezien te hebben, en doordat hij heeft vergeten de straf in te vullen--wat bij een veroordeeling wel eenigszins _des Pudels Kern_ is--heeft hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt, die voor den veroordeelde geen onaangename verrassing zou zijn, maar waarmede ik mij volstrekt niet vereenigen kan.

Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog, en voor zich kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje tusschen de oogen, terwijl hij met de rechterhand de vingers zijner linkerhand bijeendrukt, en dan zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren.

En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het nog vele dagen, en telkens erkent hij, met een bedrukt gezicht, dat het veel beter kon.