Kleurig en donker

Part 4

Chapter 44,101 wordsPublic domain

En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag, en toen wij den volgenden avond weer tegenover elkander zaten, en ik hem vroeg of een gelukkig gezicht van Cor en een dag aan het strand geen betere dingen waren dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de narigheden daaraan verbonden, knipoogde hij even, glimlachte en zei, dat ik dominé had moeten worden.

Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige overtuiging twee vrienden meer in de wereld te hebben, en op een avond, toen ik in den tuin mijner woning van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn examen was. Spoedig daarop ging ik op reis, en toen ik in het laatst van Augustus was teruggekeerd, vroeg ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan die uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover mij aan tafel.

Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een beetje schuw, niet erg, maar nu wij elkander eenige maanden lang niet gezien hadden, en hij daarenboven niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te behandelen juist zooals vroeger, look hij spoedig weer op, en was de oude vriendschap weldra volkomen tusschen ons hersteld.

"En wat zijn nu je plannen?" vraag ik hem, als wij na het eten in den tuin een sigaar rooken; "denk je lid van het corps te worden, of niet?"

Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd, maar ik weifelde die te doen, want met het oog op zijn omstandigheden en karakter geloof ik, dat het beter is als hij het niet doet. Maar ik begrijp natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij het zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet onmogelijk, dat Cor, zij het dan ook noode, haar toestemming zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig, dat hij het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft, maar heeft ingezien, dat hij het niet doen moest.

Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan laat ik hem beloven, dat hij na ieder welgeslaagd examen bij mij zal komen om.... een glas bier te drinken en een sigaar te rooken.

En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke tijd van voorbereiding verstreken was, kwam hij mij vertellen, dat hij een sport hooger was geklommen op de academische ladder, en eenige dagen geleden kwam hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid bij het Indisch leger, bloeiend van jeugd en gezondheid, vol blijden levenslust en ontwakende mannelijke kracht.

En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk gelukt.

Haar brood.

Zij was een dagelijksche verschijning. 's Morgens, kwart voor negenen, schelde zij aan en hield het ezeltje, dat het karretje trok, waarop zij schillen en anderen afval verzamelde, voor onze woning stil. Zij kwam altijd op precies denzelfden tijd, en zoo hadden de kinderen zich aangewend niet eerder naar school te gaan, dan nadat Antje, zoo heette zij, had aangescheld. Als ik vroeg: "Frits, jongen, moet je nog niet naar school?" of: "Karel, ventje, is het je tijd nog niet?" dan was het antwoord: "nee, pa, want Ant is er nog niet;" maar zoodra een van de kinderen haar of haar ezeltje in het oog kreeg, dan riep hij: "daar is Ant; Ant is er, hoor!" en dan grepen allen naar boeken en tasschen en stormden de deur uit.

Zij was een klein vrouwtje, oud en arm. Onder een langen, zwarten, kaal-gedragen mantel droeg zij een japon, die vroeger waarschijnlijk bruin was geweest, maar die nu, na veeljarig gebruik, die vale kleur had aangenomen, welke aan de plunje der armoede eigen is. Haar hoofd was gehuld in een zwart wollen muts, onder de kin vastgestrikt, en hare handen waren gestoken in grijze wanten, die veel te wijd en daarom met bandjes om haar polsen bevestigd waren. Haar gestalte was gebogen, haar gelaat, gebruind door weer en wind, was gerimpeld, en haar tandelooze mond was ingevallen, maar haar oude en vermoeide oogen hadden een bijzonder zachte uitdrukking, en als zij, voor de deur staande, op schillen wachtte, en de kinderen haar met een: "goeje morge, Ant; dag Ant!" voorbij gingen, dan bewees de vriendelijkheid, waarmede zij hun groet beantwoordde, en het welgevallen, waarmede zij hen naoogde, dat al het verdriet en de zorgen, die zij gekend had, haar hart niet hadden verbitterd.

Ook het langharig, wit-en-grijze ezeltje, dat het karretje trok, was oud. Reeds menig jaar had hij Antje op haar dagelijksche tochten vergezeld, maar altijd goed door haar verzorgd, was hij gezond en sterk gebleven, en zoo zag hij er op zijn ouden dag nog frisch en kranig uit, voor zoover men dit tenminste van een ezeltje zeggen kan. Antje hield veel van hem, niet alleen omdat hij grootendeels haar kostwinner was, maar ook om hemzelf, "want," zei zij, "'t was 'n best ezeltje, nooit eigenzinnig en altijd gezond."

Hans werd dan ook naar verdienste beloond, en als Antje een broodkorst in den afval vond, of iets anders, waarvan zij vermoedde dat hij het zou lusten, dan vergat zij nooit het vóór hem op straat te werpen, waarop Hans, na eerst eenige oogenblikken daarnaar gekeken te hebben, zijn kop boog, het van alle kanten besnuffelende, en eindelijk ophapte, als het tenminste van zijn gading was, wat lang niet altijd gebeurde; want doorvoed als hij was, had hij natuurlijk geen honger, maar slechts trek in wat lekkers, en wat Antje dacht dat een delicatesse voor hem zou zijn, bleek nog wel eens volstrekt niet in zijn "smaak" te vallen.

Als een verstandig ezeltje wist Hans natuurlijk precies den weg, dien hij dagelijks moest afleggen en de woningen, waarvoor hij moest stilstaan. En als Antje, die verderop in de straat waarin wij woonden geen klanten had, bij ons aanschelde, dan liep Hans uit eigen beweging eenige stappen voort, maakte een wel wat overdreven grooten draai, en bleef daarna geduldig voor onze woning staan, wachtende totdat de schillen waren opgeladen, en Antje "vort Hans!" riep, waarop hij terstond aantrok en het karretje wegrolde.

Gedurende de jaren, die zij samen hadden doorleefd, had Antje haar ezeltje langzamerhand tot haar stilzwijgenden vertrouwde gemaakt en, naast zijn kop gaande, had zij, in lange alleenspraken, hem alles medegedeeld wat er belangrijks in haar leven voorviel, en hem al haar hopen en vreezen toevertrouwd, waarbij zij hem van tijd tot tijd in den hals duwde, vooral als zij zijn aandacht op het een of ander meer in het bijzonder wilde vestigen.

Vroolijk en opwekkend was het gewoonlijk niet wat Hans te hooren kreeg. Toen de man van Antje ziek en bedlegerig was geworden, had zij haar ezeltje al haar tobben in het heden en al zorgen voor de toekomst geopenbaard, en toen de zieke na een lijden van eenige jaren overleden was, had Hans al spoedig daarop de ongelukkige geschiedenis moeten aanhooren van de dochter, het eenige kind zijner meesteres, wier man, een dronkaard, zijn vrouw had mishandeld en eindelijk haar en haar kind had verlaten, die daarop hun intrek bij Antje genomen hadden: de moeder ziek en ellendig van het leven, dat zij geleden had, maar haar jongen--frisch en gezond. "Niet waar, Hans? frisch en gezond, dat is ie, dat harteboertje!" had Antje haar ezeltje toegeduwd. "Maar z'n vader, hè! Och Heere, ja! Alweer de drank, hè? Ja, jonge, dat is 't, de drank, die er al menigeen onder geholpe het, die 'n best leve had kanne hebbe. En zij ook; "want als werkman is er geen beter," zeit z'n baas. En nou zwerft ie rond, en motte wij de kost voor ze verdiene. Maar 't gaat, Goddank, hè! As wij nou maar gezond blijve, ik en jij! maar dat zal wel schikke, hè! want heelemaal verlate, dat wordt 'n mens, die z'n plicht doet, nooit..."

Op een kouden wintermorgen, toen de schillen van alle klanten waren opgehaald, kwamen Antje en Hans, die veel moeite had het karretje door de hoog liggende sneeuw te trekken, op hun weg naar buiten de stad, waar de schillen gebracht moesten worden, over den Brink, toen zij door een agent van politie werden aangehouden, die, Hans bij het hoofdstel vasthoudende, tot Antje zei: "da' 's nou al de derde maal, da' 'k 't zie; twee keere hè 'k 't door de vingers gezien, maar nou mot je mee na 't berô."

Antje, die deze woorden met de grootste verbazing had aangehoord, keek den agent aan, alsof zij dacht, dat hij niet wel bij het hoofd was, en kwam eerst tot zichzelve toen Hans, niet gewend zich op die plaats op te houden, en gaarne zijn zaken zoo spoedig mogelijk afdoende, om de rest van den dag genoegelijk in zijn stalletje te slijten, een zoo krachtige poging aanwendde om het karretje voort te trekken, dat de man der wet, zijns ondanks, een eindje werd meegetrokken.

"Ho, Hans, ho!" riep Antje uit, het ezeltje op den hals kloppende; en zich tot den agent keerende, vroeg zij: "wat zeg je, mot 'k mee na 't berô?"

"Wel wis," antwoordde de agent met een straffen blik, "ik zeg je ommers, dat 't nou al de derde keer is, en da's genoeg zou 'k denke!"

"De derde keer, wat derde keer?" vroeg Antje, den man met groote oogen aanziende.

"Maar mens!--dat je schille ophaalt!" antwoordde de agent, met een hoofdbeweging naar het karretje.

"Nou ja," zei Antje, "dat doe 'k alle dage, hoor! Wat zou dat?"

"Maar dat mag je niet doen!" riep de agent uit. "Wist je dat dan niet?"

"Wat zeg je nou? Mag 'k geen schilletjes ophale? Menslief, droom je, of hoe hè' 'k 't nou met je?" vroeg Antje, den agent ongeloovig aanziende.

"Droome," antwoordde de agent, "dat doe 'k in bed, en hoe je 't met me het, dat weet 'k niet, maar schille vervoere, dat mag je alleen maar doen vóór 's morgens acht uur."

"Kom", zei Antje, "nou nog mooier! wie zou dat verbieje?"

"Weet ik 't! de burgemeester of 'n ander, die 'r over te zegge het," antwoordde de agent, "maar 't _mag_ niet. En ga nou maar mee na 't berô, dan kan je 't van de commissaris zelfs hoore."

Antje keek even naar den grond, schudde langzaam het hoofd, maar begrijpende, dat er niets aan te doen was, en wenschende te weten wat er waar was van hetgeen de agent beweerde, iets waardoor haar broodwinning ernstig werd bedreigd, nam zij Hans bij den teugel, en riep met een zucht: "Vort, Hans, vort jonge!"

't Ging lang niet gemakkelijk Hans aan het verstand te brengen, dat hij dien morgen een anderen weg moest volgen dan anders, en herhaaldelijk gaf hij, door opeens stil te staan, en door verkeerde straten te willen ingaan, zijn weinige ingenomenheid te kennen met de buitengewone verlenging zijner morgenwandeling, maar eindelijk, vooral toen de agent er zich niet meer mee bemoeide, wiens inmenging Hans volstrekt niet verdragen wilde, werd hij gewilliger; en toen zij ten slotte voor het politie-bureau gekomen waren, gingen Antje en de agent naar boven en kwam er, om op Hans te passen, een andere agent buiten, bij wiens verschijning het ezeltje terstond een lang aangehouden gebalk aanhief, tot groote pret van eenige straatjongens, die een aantal geestige opmerkingen maakten over de krassende geluiden, die Hans maakte, in verband met de komst van den agent.

"Wel Kloek," vroeg de commissaris, toen Antje en haar geleider voor hem stonden, "wat is er, wat heeft dat vrouwtje gedaan?"

"Afval van eetware vervoerd nà bezette tijd, U-gestrenge," antwoordde de agent, de hand aan het hoofd brengende, "al drie dage achter mekaar."

"Maar dat mag je niet doen vrouwtje!" zei de commissaris. "Na 's morgens acht uur is dat verboden, en mag 't alleen van gemeentewege gebeuren. Je moet dus maken, dat je in 't vervolg op dat uur met je karretje van de straat bent."

"Maar me lieve meneer," zei Antje, "as 'k 's morges vóór acht uur me schilletjes mot hale, dan krijg 'k er geen een. Vóór half acht hoef 'k bij de rijkdom niet an te schelle, en in 'n half uur kan 'k ommers me klantjes niet afloope en de schilletjes wegbrenge."

"Ja," antwoordde de Commissaris schouderophalend, "daarmee heb 'k niet te maken. Ik moet alleen zorgen, dat de verordeningen worden nageleefd; en als je nu niet doet wat 'k je zeg, dan moeten we je bekeuren. Ik zal 't nu nog _eens_ door de vingers zien, maar Kloek, je hoort 't, als ze nu weer nà acht uur schillen vervoert, dan moet je proces-verbaal tegen haar opmaken."

"'t Zal gebeure, U-gestrenge," antwoordde de agent, andermaal de hand aan het hoofd brengende.

"Maar meneer," zei Antje, "'t is me brood! wat mot 'k beginne, as 'k geen schilletjes meer mag ophale?"

"Ik heb je al gezegd, vrouwtje, dat 'k er niet mee te maken heb," antwoordde de Commissaris. "Wees nu verstandig en zie, dat je wat anders bij de hand neemt. En nu, goeden dag, hoor!" En terwijl hij zich weer verdiepte in de papieren, die voor hem op de tafel lagen, ging Antje heen, mompelend: "zóó verstandig zal 'k nooit worre, da'k zal wete hoe 'k op 'n andere menier an de kost mot komme. Maar"--en langzaam de trap af gaande, schudde zij zeer beslist het hoofd--"ik laat 't er niet bij, dat doen 'k niet!"

Op straat gekomen, liep zij langen tijd, in diep gepeins, naast den kop van Hans, die zich haastte zijn gewonen weg weer op te zoeken, maar toen zij buiten de stad gekomen waren, gaf zij, opeens haar hoofd opheffende, Hans een paar krachtige duwen in den hals en riep zij uit: "ik heb 't Hans, ik heb 't!"

Een uur later, toen Hans in zijn stalletje gebracht en van het noodige voorzien was, knapte Antje zich wat op en, na een linnen zakje met eenig geld daarin uit haar chiffonnière genomen en bij zich gestoken te hebben, ging zij naar het huis van Mr. Verdoorn, een advocaat, bij wien haar dochter voor haar ongelukkig, huwelijk had gediend.------

Meneer was t'huis, maar had iemand bij zich, zei de huisknecht, maar als zij wou wachten....

"Wel, menslief, ja, hoor! ik het de tijd," antwoordde Antje. En zoo stond zij geruimen tijd bescheidenlijk te wachten op de vloermat bij de voordeur, in de breede, marmeren gang, met haar beelden, vazen en planten, en verwonderde zij zich hoe rijk iemand wel moest wezen, om zulk een prachtig huis te bewonen, toen zij eindelijk werd binnen gelaten in de ruime kamer, waarin de advocaat zich bevond, en zij, het armoedige vrouwtje, in haar schamele plunje, een droevige tegenstelling opleverde met de weelderige inrichting van het hooge vertrek, ouderwetsch en deftig door het geschilderde behangsel en de gebeeldhouwde meubelen, het dikke tapijt en de zware draperieën.

"Wel, vrouwtje," zei Mr. Verdoorn in volle waardigheid in zijn hoog-gerugden stoel achterover leunende, de handen over het lijf gevouwen en het eene been over het andere geslagen, "wat kan ik voor u doen?"

En Antje, die niet vergat te zeggen, dat zij de moeder was van Jans, die er vijf jaren eerlijk had gediend, vertelde wat haar overkomen was en vroeg wat er aan te doen zou zijn.

"'t Is juist wat ik heb voorspeld," zei Mr. Verdoorn, met een zelfgenoegzaam glimlachje zijn duimen om elkander draaiende, "juist wat ik heb voorspeld. Toen in den raad werd voorgesteld in het vervolg afval van gemeentewege op te halen, heb ik er op gewezen, dat men daardoor een aantal personen broodeloos zou maken. En toen, niettegenstaande dit bezwaar, dit zeer groote bezwaar," herhaalt Mr. Verdoorn met een ernstig gezicht, "het voorstel werd gehandhaafd, heb ik in overweging gegeven hun, die sedert eenige jaren afval ophaalden, te vergunnen daarmede voort te gaan. Maar ook hiermede kon men zich niet vereenigen. En alles wat ik gedaan heb kunnen krijgen, bestaat hierin, dat het ophalen van afval, bij uitzondering, ook aan particulieren kan worden vergund. Die vergunning voor u aan te vragen, is dus alles wat ik voor u kan doen."

"Ik kan dus een vergunning krijgen?" vroeg Antje, die, van al hetgeen zij had gehoord, niet veel meer dan het laatste had begrepen.

"Onmogelijk is 't niet," antwoordde Mr. Verdoorn, "maar"--en hij zette een bedenkelijk gezicht--"zeker is 't evenmin."

"Och meneer, doe uw best voor me," vroeg Antje, "doe uw best, want 't is me brood!" en een paar dikke tranen kwamen in haar oude oogen te voorschijn.

"Ik beloof u te zullen doen wat ik kan," antwoordde Mr. Verdoorn, "en zoodra ik de beslissing heb, zal ik het u doen weten."

"Dank u, dank u!" zei Antje; en het linnen zakje voor den dag halende, nam zij daaruit een aantal dubbeltjes, die zij op de schrijftafel van Mr. Verdoorn begon uit te tellen, om hem voor zijn advies te betalen.

Maar de advocaat streek met een glimlach het geld van zich af, zeggende, dat hij gaarne zou doen, wat hij haar had beloofd, maar dat hij daarvoor geen geld wilde ontvangen.

Met nog een dankbetuiging borg Antje het geld weer weg, en met een koddig buiginkje verliet zij de kamer en weldra ook het huis van Mr. Verdoorn.

Dankbaar gestemd door de aanvankelijke hulp, die zij gevonden had, ging zij haar klanten rond, vertelde wat er gebeurd was, en vroeg hun, om niet door anderen "onderkropen" te worden, of zij, gedurende den tijd, waarin het haar niet mogelijk zou zijn haar broodwinning uit te oefenen, de schillen slechts aan personen, die van stadswege daarom kwamen, wilden meegeven; en nadat allen haar dit bereidwillig beloofd hadden, ging zij naar huis, en afwachtende de dingen, die komen zouden, legde zij zichzelve en Hans een gedwongen vacantie op, iets waarin het ezeltje zich bijzonder goed schikte.

Twaalf, veertien dagen gingen voorbij, zonder dat Antje kwam opdagen, en reeds maakten wij ons ongerust, dat zij de vergunning niet had kunnen krijgen, toen op een morgen, waarop het zonnetje scheen en de kinderen, vroolijk en gezond, zich gereed maakten om naar school te gaan, Karel uitriep: "Kijk's, kijk's, daar is Antje weer! daar staat ze te knikken en buiginkjes te maken."

En waarlijk, daar stond zij, en knikte ons toe met zulk een gelukkig gezicht en zooveel zonneschijn in haar oogen, dat wij allen naar de voordeur gingen, haar gelukwenschten en zeiden hoe blij wij waren, dat zij haar broodwinning had mogen behouden.

En dankbaar was zij! "Lieve harte," zei ze, "wat in de wereld ha'k toch motte beginne as 'k geen schilletjes meer had magge ophalen? Dan was 'k natuurlijk an de diakenie vervalle, en as 'k van de arreme niet hoef te trekke, dan is dat ommers veel beter! En nou ben ik zoo blij as 'n kind, en kom 'k weer alle dage, net zoo lang as onze Lieve Heer wil." En zij knikte ons toe, en wij haar, en opgewekt riep zij: "Vort, Hans, vort jonge!" En het ezeltje, dat er na zijn vacantie bijzonder welgedaan uitzag, trok aan en weg rolde het karretje.

Haar gewonen weg volgende en, op den Brink gekomen, den agent van politie ziende, die haar zulke bange dagen had bezorgd, besloot zij haar rekening met de politie, die toch eens moest weten dat zij een vergunning gekregen had, terstond te vereffenen, en om de opmerkzaamheid van den agent te trekken, die met zijn rug naar haar toe stond, riep zij, iets wat zij anders nooit deed, zoo luid als haar zwakke stem toeliet: "schille, schille, wie het schille!"

Dit geroep miste zijn uitwerking geenszins. Kloek keerde zich terstond om, en Antje met haar karretje ziende, ging hij naar haar toe, en zei knorrig: "ik merk 't al, je bent net as de rest, en je _wil_ 't niet late."

"Dat kan 'k niet, me goeje man," zei Antje hoofdschuddend; "'t is me brood, zie je, en daarom mot 'k 't wel doen--vandaag, morge en altijd."

"'t Is goed," antwoordde Kloek, "maar je weet wat de Commissaris het gezeid, en je mot dus weer mee na 't berô. Maar 't zal er spanne, hoor je, 't zal spanne, dat zeg ik je!"

"'t Zal zoo'n vaart niet loope," meende Antje, 't zal nog wel schikke."

"Wor nou maar niet bertaal," waarschuwde Kloek, "want dan maak je 't nog erger!"

"Menslief," zei Antje, "daar denk 'k niet an." En Hans tegen den hals duwende, riep zij uit: "Vort Hans, vort jonge, we gaan nog _eens_ na de Commesaris."

Hans, die waarschijnlijk gedurende zijn vacantie zijn gewone _route_ een beetje had vergeten, stribbelde deze maal in het geheel niet tegen, en weldra stonden Antje en de agent weer voor den Commissaris.

En Kloek had gelijk gehad, want het spande geducht toen Antje in het verhoor werd genomen. Maar, met gebogen hoofd voor hem staande, liet zij hem kalm uit...spreken, en toen zij eindelijk haar naam, ouderdom en woonplaats had opgegeven, vroeg zij: "Meneer, toe u me laast het gezeid, da' 'k geen schilletjes mocht ophale--dat was toch niet de volle waarheid, was 't wel?"

"Mensch," stoof de Commissaris op, "wou je me in m'n gezicht zeggen, dat 'k lieg!"

"Maar me lieve meneer," zei Antje, "dat wil 'k in 't geheel niet zegge; ik meen maar, dat 't niet de _heele_ waarheid was; want 'k mag wel schilletjes ophale, as 'k maar 'n vergunning heb. Is 't zoo niet?"

"Die vergunning," zei de Commissaris boos, "wordt nooit verleend, en 't was dus geheel onnoodig daarover te spreken."

"Ja," zei Antje, "zoo heel gemakkelijk kan je 'm niet krijge, maar 'k het er toch eentje." En nadat zij eenigen tijd, misschien iets langer dan bepaald noodzakelijk was, in de diepte van haar zak had rondgewoeld, haalde zij daaruit een papier, dat zij met een buiginkje aan den Commissaris overhandigde, die nauwelijks zijn oogen kon gelooven, toen hij het stuk doorgelezen en gezien had, dat het een vergunning in _optima forma_ was.

Eindelijk gaf hij, schouderophalend, het papier terug, en zei, op een toon alsof hij verongelijkt was: "'t is in orde, en we zullen er aanteekening van houden. Maar hoe _jij_ die vergunning gekregen hebt," vervolgde hij, het schamel menschje met ongeveinsde verbazing aanziende, "dat mag de hemel weten!"

"Ik mag dus ongehinderd weer schilletjes ophale?" vroeg Antje, die het onnoodig vond den Commissaris te vertellen op welke wijze zij de vergunning gekregen had.

"Ja, mensch, ja!" antwoordde de Commissaris, zich omkeerende, waardoor het dankbaar buiginkje, dat Antje voor hem maakte, geheel voor hem verloren ging.

Op straat gekomen, haalde Antje diep adem, en Hans vriendelijk op den rug kloppende, zei zij: "hè Hans, da' 's achter de rug, hoor! 't Ware benauwde dage, maar goeje mense hebbe ons geholpe; we benne erdoor en voor goed ook; vort, jonge, vort."

Kinderleed.

Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals hij placht te doen, eerst zijn mes, lepel en vork, en daarna wijnflesch en glas een weinig op zijde had geschoven, zei mijn vader: "Meneer Nelissen is zoo even bij mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd, dat hij met de groote vacantie zijn school opheft. Hij heeft een betrekking in Indië gekregen, en in het begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar een andere school moet, ventje."

"Och heden, dat is jammer!" zei mijn moeder; "dat zal je spijten, hè, Willem?"

"Hè ja!" riep ik uit, "zoo'n prettige school."

"Ja," zei mijn vader, "het spijt mij ook. Meneer Nelissen is een verstandig man, die veel van kinderen houdt en daarbij een goed onderwijzer. Maar er is natuurlijk niets aan te doen. Ik zal nu informeeren of er plaats voor je is bij meneer Kreggers; dat moet een uitmuntende school zijn, wel wat duur, maar heel goed."--En hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij aan mijn ouderen broeder, die deelgenoot in zijn zaken was: hoe de Beurs was geweest, en terwijl Gerard hem mededeelde, dat de Portugeezen "een ietsje flauwer"--de Metallieken "een tikje beter" waren, en verder verslag gaf over den stand der fondsen, dacht ik na over het akelige nieuws, dat ik had gehoord, en was zoo geheel onder den indruk daarvan, dat ik, om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen ik mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje hoorde zeggen: "Heere--zegen--deze--spijs--en--drank--amen," waarna het mijn beurt was, en ik dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half boos, half bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien eerbiedigen toon, die mij paste, want toen ik mijn oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet alleen op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs op het ernstige gelaat van mijn vader.