Kleurig en donker

Part 2

Chapter 24,104 wordsPublic domain

Bet kijkt, dit spreekt van zelf, goed uit "'r doppe," en een haar toegedacht centje ontgaat haar nooit. Zoodra zij dan ook bemerkt, dat er een venster wordt opengeschoven, laat zij haar orgel in den steek, waardoor de aandoenlijke melodie plotseling door een afschuwelijk gehuil--veroorzaakt door het nog even en langzaam doorloopen van het wiel,--wordt onderbroken, en terwijl zij, om de een of andere geheimzinnige reden, haar rokken niet van voren maar van achteren ophoudt, draaft zij naar een woning, waar een juffrouw, met het bovenlijf uit het raam eener tweede verdieping hangende, haar een cent, in een papiertje gewikkeld, toewerpt, die door Bet in haar wijd uitgehouden boezelaar wordt opgevangen, waarna zij naar haar orgel terugkeert, en het meesterstukje, op zoo ergerlijke wijze onderbroken, "ofdraait".

Haar orgel, waarop in goud het woord: "orchestrion" prijkt, is zeker een van de mooiste, die in Amsterdam worden aangetroffen, wat niet weinig zegt, als men het groot aantal dier instrumenten, in onze goede stad aanwezig, in aanmerking neemt. Aan de voorzijde ervan zijn drie poppen aangebracht: een in het midden en een aan iederen kant. Die aan weerszijden zijn gekleed als pages, de eene in het rood en de andere in het groen, terwijl hun kleeren overvloedig zijn afgezet met goud. Op het hoofd dragen beiden een baret, versierd met groene en gele veeren, en ieder houdt in de linkerhand een triangel, waarop zij, met een ijzeren staafje in de andere hand, die zij, met inbegrip van den arm, bijzonder los en natuurlijk bewegen kunnen, slaan, wat natuurlijk, vooral als zij het te gelijk doen, een verrassend effect maakt, en zijn uitwerking op de omstanders dan ook nooit mist, getuige de glimlach waarmede de mannen elkander aanzien, en het "gut!" waarmede de vrouwen haar bewondering te kennen geven. De pop in het midden, blootshoofds, met een hooge pikzwarte kuif, een vervaarlijke snor en een ijzeren glimlach om den mond, is deftig uitgedost in een zwarte rok, wit vest, witte das en _gris-perle_ handschoenen, en slaat, een dirigeerstok in de hand houdende, en zijn beide armen bevallig op en neer bewegende, de maat. Bovendien bezit hij het voor een pop zeldzaam vermogen, zijn hoofd naar rechts en naar links te kunnen bewegen, en als hij, dit doende, een der beide andere poppen aankijkt, dan zou men zweren een orchest-dirigent te zien, die zich naar een deel der executanten richt, op het oogenblik dat hunne instrumenten moeten invallen. Eigenaardig is, dat 's mans hoofd, als hij zich, met een alleszins krachtigen, maar ietwat houterigen ruk, naar rechts of naar links heeft gekeerd, eenige oogenblikken, met ongelooflijke snelheid, blijft schudden, waardoor het den schijn heeft alsof hij, ook weer als een orchest-dirigent op een repetitie, ontevreden is, in dit geval over de wijze, waarop de pages hun partij uitvoeren. Maar met het oog op den van groote voldoening getuigenden glimlach op 's mans gelaat, en de zeldzame nauwkeurigheid waarmede de triangels op het juiste oogenblik invallen, acht ik het waarschijnlijk, dat bedoeld hoofdschudden niet is een door den maker der mechaniek gewilde beweging, maar dat de dirigent lijdende is aan een inwendige kwaal, waarvan een straatjongen, na hem geruimen tijd met open mond te hebben aangestaard, de diagnose ten beste gaf, toen hij, heengaande, uitriep: "je bent slap in je kop, knul, slap in je kop!"

De concurrentie is op ieder gebied groot, en zelfs orgeldraaiers hebben er onder te lijden, maar waar is, dat Bet, hoe gaarne zij ook een goed daggeldje t'huis brengt, zich nooit tot minder eerlijke handelingen tegenover haar collega's laat verleiden.

"A's 'k weet," zegt ze, "dat Manus van Zeggere, Woensdag en Zaterdag, om tien uur, op de Lauriergracht komt draaie, dan maak _ik_ niet, da' 'k er kwart voor tiene bin, om ze klantjes af te loopen, zooas Piet Dons mijn laast op de Vijzelgracht het gelapt; en te doen, zooas Dirk Muis laast deej, me zegge, toe 'k de Berestraat wou ingaan, waar dik zand leej, da' 'k daar die dag niet mocht draaie, omdat 'r 'n zieke was; en 'n poosie later d'r zelvers gaan draaie, omdat ie wist, dat 't zand 'r niet lag om 'n zieke, maar omdat de straat pas gemaakt was--zoo'n stiekemert! dat doen _ik_ niet. 'k Zal niet zegge, da' 'k alles over me kant laat gaan, maar dat hoeft ook niet. As 'n ander staat te draaie in 'n straat, waar ik ook mot weze, dan laat 'k 'm stil ze gang gaan, maar as ie twee moppies het gedraaid en, as ie ze cent het, nog eentje toe, dan mot ie opkrasse, want da' 's me recht. En as ie 't niet doet, dan draai 'k tege 'm in, en dan wil 'k wel ereisies zien, dat ie zóó hard tege me op draait, dat er nog wat van 'm te hoore is." Door haar kolossaal instrument behaalt Bet in verreweg de meeste gevallen inderdaad de overwinning, maar als de strijd eenmaal aan den gang is, geven haar collega's het gewoonlijk niet zoo spoedig op, en zoo valt wel eens een pianissimo van het orgel van Bet samen met een fortissimo van het vijandige orgel, waardoor een zoo oorverscheurende potpourri ontstaat, dat Bet, als zij ook maar eenigszins muzikaal ontwikkeld was, de vlag zou strijken, en aan haar beleedigd gehoor de zegepraal zou ten offer brengen. Maar daaraan denkt zij geen oogenblik, en geen zenuwtje in haar gezicht vertrekt, als haar orgel den doodenmarsch uit Saul en het andere orgel het lied van den toreador uit Carmen doet hooren.

Op haar dagelijksche tochten door de stad voert Bet een onafgebroken strijd tegen de honden, niet omdat deze dieren het om de een of andere reden op haar persoonlijk voorzien hebben, maar om het afschuwelijk gehuil, waarmede zij de welluidende klanken van haar orgel begeleiden. "As 'k effe kan, dan geef 'k zoo'n lamme hond, die bij me orgel staat te sjanke, 'n doodschop," verzekert Bet, en meer dan een Bijou of Chéri heeft dan ook aan de punt van haar slof zijn leven lang een miserabele herinnering bewaard. En dat nog wel terwijl een hond een door en door muzikaal dier is. Want wel beweert men, dat hij geen muziek kan hooren, zooals dat heet, en dat zijn zenuwen gefolterd worden door de klanken, die onze ooren streelen, maar deze meening is volstrekt onjuist, om de eenvoudige reden, dat men nooit een hond ziet wegloopen, als de tonen van het een of ander muziek-instrument tot hem doordringen. Als hij geen muziek kon hooren zonder "akelig" te worden, dan zou hij natuurlijk onmiddellijk de plaat poetsen, iets waartoe hij bij uitnemendheid in staat is. Maar dit doet hij nooit.--Integendeel! zoodra hij op zijn levenspad een muziek-instrument, bijvoorbeeld een orgel ontmoet, dan blijft hij, zoodra de eerste accoorden zich doen hooren, daar omheen draaien, en daar hij zich daarvan niet dan op geringen afstand verwijdert, is het alleszins aannemelijk, dat de geluiden, die hij aanheft, en die wij, de taal der honden niet kennende, huilen of janken noemen, moeten worden verklaard als een soort poging om mee te zingen of mee te neuriën, althans als een openbaring van het genot, dat hij smaakt. Dat Bet ooit over het huilen der honden heeft nagedacht, is onwaarschijnlijk. "As ie sjankt, dan mot ie weg," zegt ze, en nooit verzuimt zij een gelegenheid dit den onnoozelen dieren aan het verstand te brengen, waartoe zij hun allerlei lagen legt en listen verzint. Is er een onbezonnen genoeg even vóór haar orgel te gaan zitten, dan schopt zij, tot ontsteltenis van het dier, onder het orgel door, haar slof naar zijn kop. En heeft er een de onvoorzichtigheid zich een oogenblik naast haar orgel neer te zetten, dan laat zij hem stil begaan, maar zij houdt hem in het oog, en als hij, al mee-neuriënd, zijn kop een weinig van haar af keert, dan schiet zij opeens uit, en tracht hem haar doodschop toe te brengen. Een enkele maal raakt zij hem, en dan vliegt het dier met een gil op, neemt zijn staart, waarschijnlijk om dit ornament tegen eventueele averij te beveiligen, tusschen de beenen, en rent, nu inderdaad huilende, weg. Mist zij haar doel, dan heeft haar onverhoedsche uitval toch altijd dit resultaat, dat het beest zich half dood schrikt en het hazenpad kiest. Maar gewoonlijk wordt hij, nog voordat Bet het gunstig oogenblik voor haar doodschop gekomen acht, door een natuurgenoot in zijn muzikale genoegens gestoord, en de wederzijdsche plichtplegingen vervullende, die deze dieren der schepping elkander bij het ontmoeten bewijzen, dwalen zij ver genoeg af om buiten het bereik der orgeltonen en van de harde slof van Bet te komen.

Bet is een ordentelijke vrouw, die nog nooit met de politie in aanraking is geweest, zooals dat heet, wat inderdaad lofwaardig is, als men bedenkt hoe gemakkelijk zij in haar beroep het een of andere voorschrift der politie-verordening kan overtreden, bijvoorbeeld het verbod van op de kleine steentjes te rijden, een bepaling, die telkens aanleiding geeft tot onaangenaamheden tusschen haar en haar kogel-kalen assistent, met wiens verklaarbare voorliefde voor geëffende wegen Bet, die bij eventueele bekeuring de boete zou moeten betalen, zich volstrekt niet kan vereenigen. "Smerisse," zegt ze, "daar mot 'k niks van hebbe, en met 'n bout an me arm, op klaarlichte dag, over de straat te loope, asof 'k de la gelicht of me buurvrouw 'n blauw oog geslage had--en dat zou zoo'n wonder niet weze--zoo'n doerak!... daar he' 'k 'n hekel an. Want ze neme je mee!" roept ze uit. "As je, zonder erg, de een of andere straat van de verkeerde kant bent ingereje, en je het 't ongeluk 'n paar woorde tege te pruttele, as ze je bekeure, en dat doet 'n mens al gauw, dan schrijve ze je niet op, maar je mot mee na 't bero. En as je _erg_ bertaal bent, zooas ze dat noeme, dan loope ze nog 'n graggie met je om. Sekuur!" roept zij uit, als haar toehoorder haar ongeloovig aankijkt, "want toe Da Punt...." en dan volgt het waarachtige verhaal van een van haar vriendinnen, die het om een kleinigheid met de politie aan den stok had gekregen, en in plaats van naar den politie-post aan de Raambarrière gebracht te worden, zooals volgens recht en billijkheid had moeten geschieden, naar het bureau aan het Jonas-Daniël-Meijerplein was gebracht. "Nee, nee," zegt Bet, "met de pelisie affetuur 'k niks, want _dat_ wil 'k wel wete: ik het me tong _ook_ tot me dienst." En zoo komt zij getrouw de bepalingen na, die op het stuk van straatmuziek in de hoofdstad verordend zijn, van welke voor haar zeker de meest bezwarende is, dat zij geen muziek mag maken voordat de zon een half uur lang aan den hemel heeft gestaan, en niet _meer_, als het een half uur is geleden dat hoogstdezelve zich verwijderd heeft, want daardoor heeft zij in de hondsdagen, in plaats van vacantie te hebben, juist haar drukken tijd. Overdag bezoekt Bet met haar orgel de meer deftige wijken, en tegen het vallen van den avond treft men haar aan in de achterbuurten, waar de meesterstukken, die zij ten gehoore brengt, ten hoogste worden gewaardeerd.

Als het mooi weer is, en de menschen buiten hun woningen van den heerlijken zomeravond en van de orgeltonen genieten, dan gebeurt het nog wel eens dat Euterpe en Terpsichore elkander ontmoeten, met andere woorden, dat er in een ommezientje een straatbal wordt geimproviseerd. Deze gebeurtenis moet gewoonlijk worden toegeschreven aan een halfbeschonken kerel, die in zijn eentje, de armen wijd van het lijf, het hoofd zoo ver mogelijk voorover gebogen, van het eene been op het andere springt, en al springende ronddraait. En na deze miserabele _entrechat_ begint het bal. Eigenaardig genoeg wordt daaraan alleen door dames deelgenomen en, mits er slechts muziek zij, is het volstrekt geen vereischte, dat bepaaldelijk dansmuziek worde uitgevoerd. Een _marche-funèbre_ van Beethoven of Chopin kan even goed dienst doen als een wals van Strausz, en zelfs de eerste de beste straatdeun is voldoende begeleiding van de lichaamsbewegingen, die men in achterbuurten dansen noemt, en die bestaan in het uitvoeren van eenige passen, nu eens wat sneller dan weer wat langzamer, al naar de maat der muziek, en waarbij nooit een deftige bedaardheid en gepaste bezadigdheid, die bij andere amusementen van het volk nooit zoo treffend op den voorgrond treden, uit het oog worden verloren. Kijk maar! Zoodra de danslustige dames, elkander stevig vasthoudende, in letterlijken zin _nez à nez_ staan--liefst op de kleine steentjes, maar op de keien gaat het ook wel--maken zij, onder het voortdurend op en neer bewegen van de uitgestoken armen (de rechter van eene danseuse tegen de linker van de andere) eenige afgemeten, schuivende voetbewegingen, eerst op de plaats waar zij beginnen, dan een beetje naar rechts, daarna een siertje naar links, eindelijk vooruit en achteruit, en ten slotte draaien zij, plechtig en triomfantelijk, alsof al het voorafgaande heeft moeten dienen om dit doel te bereiken, eenige malen om elkander heen, waarna zij onmiddellijk weer van voren af beginnen en volhouden, totdat een der dames zich genoodzaakt ziet haar losgeraakte haren weer op te steken, of een van haar schoenen, die wat wijd en daardoor half van den voet gegleden is, weer aan te trekken.

Bij dezen dans zijn niet, zooals bij mazurka of polonaise, de verschillende bewegingen voorgeschreven, maar alles is overgelaten aan eigen fantasie, en zoo gebeurt het nog wel eens, dat zich langzamerhand een wijde kring vormt van moeders, tantes, nichten en vriendinnen om een paar danseressen, die door verrassende wendingen en bijzonder sierlijke bewegingen de aandacht op zich gevestigd hebben, en onder den prikkel der bewondering zich zoozeer overtreffen, dat bedoelde familieleden, door met de hand aan de wang langzaam het hoofd te wiegen, of door korte uitroepen, haar verrukking te kennen geven over de ten toon gespreide bevalligheid.

Voor Bet is zulk een straatbal--want de bewoners van achterbuurten zijn goedhartig en dus, zoo mogelijk, gul--een aardig buitenkansje, maar natuurlijk ook een vermoeiend half uurtje. In haar hart is zij dan ook dankbaar als het laatste paartje er genoeg van heeft en zij naar huis kan gaan. Maar als zij zulk een goeden dag gehad heeft, vergeet zij nooit, voordat zij haar woning binnen gaat, bij den drogist op den hoek een pijp drop of een paar stukken zoethout te koopen, waarmede zij, bij haar t'huiskomst, haar vijf-jarigen jongen gelukkig maakt. Ze heeft er maar één, maar "wat 'n hartepitje is ie, hè?" En als zij hem van den vloer opneemt en hem zoent dat het klapt, dan is alle vermoeienis vergeten en er in heel Amsterdam geen gelukkiger moeder te vinden.

Eddy.

Ik wou, dat ik een portretje van hem had zóó als ik hem nu, in gedachte, voor mij zie: een jongen van zestien jaren, gekleed in een licht-grijs pak, met een viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met een fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende, kastanjebruine haar een veld-mutsje of zoo iets--donkerblauw, afgezet met wit--want hij is het een of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd de geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten minste het hoofddeksel daarvan. Hij heeft een open, prettig gezicht, met groote donkere oogen, een scherphoekigen neus, die hem in het geheel niet misstaat, maar wel een beetje een uitdrukking van "ik-mag-er-ook-wel-wezen" aan zijn gezicht geeft, en de volle lippen sluiten zich over regelmatige, kleine tanden, die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk, dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding om te stoeien, iets waartoe ik mij slechts zelden laat verleiden, omdat het hem maar ophoudt en opwindt, waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk.

Zóó als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke malen tegenover mij gezeten, thans een zevental jaren geleden, en als ik dan naar het portret kijk, dat op mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen geleden door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen, dat de tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld tot de krachtige, mannelijke gestalte, waarvan dat portret een afbeeldsel is, en waarnaar ik kijk, niet zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit weer zal zien en zijn hand nog eens drukken zal.

Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen wil, en dus eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen en hoe het kwam, dat wij elkander op onzen levensweg eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden hebben.

Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik in mijn nieuwe woonplaats zou betrekken--want ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik het kamerleven op den duur te "onhuiselijk"--moest zooveel hersteld en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden gemoeid zouden zijn; en daar ik slechts eens, nu en dan tweemaal in de week in mijn nieuwe standplaats _moest_ wezen, besloot ik kamers te huren in een nabijgelegen dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken en daar te vertoeven totdat mijn woning in orde zou zijn. 't Was winter, en zoo had ik de keus tusschen een aantal pensions, maar toen ik de gezellige benedensuite had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental jaren ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met haar had gesproken, kwam het mij voor, dat ik niet gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik de kamers huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op een Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar ik toen de eenige gast was.

De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie nam van de personen bij wie ik inwoonde, noch zij van mij. Nu en dan bemerkte ik, dat Cor--zoo heette de zuster van Eddy--als zij binnen kwam, om het een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks naar mij keek, alsof zij zich wilde overtuigen met welk mensch zij nu eigenlijk te doen had, maar toen zij bemerkte, dat ik mij gedroeg zóó als dit aan een fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat niet minder fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen, en vroeg zij mij op een morgen--waarschijnlijk omdat zij mij nu wel wenschte te houden totdat ik naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken--of ik tevreden was, of dat ik in het vervolg het een of ander veranderd wilde hebben.

Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had, en niets liever wenschte dan rustig te blijven waar ik was; en met haar pratende, vroeg ik wie die jongen was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of op zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich dicht slaande zóó, dat het huis er van dreunde en, met de klep van zijn pet op het achterhoofd, al dravende, zijn overjas aantrekkende.

Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit zeggende, lichtte er iets in haar oogen, en kwam er een uitdrukking op haar gezicht, die dat van schoonheid misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is niet mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote donkere oogen staan te veel naar voren, en het zwarte, kroezende haar is grof en zonder glans; maar nu zij over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem.

Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb.

"Welzeker niet," antwoord ik. "'t Is, helaas! al heel lang geleden, maar ik herinner mij nog best, dat ik op zijn leeftijd even "stormachtig" was als hij. Gaat hij nog op school, of...?"

"Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en weer naar stad."

"En leert hij goed?"

"Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan ook ieder jaar gelukkig nog over gegaan, maar hij is speelziek en loopt nog al dikwijls van zijn werk af. Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar zijn rapporten zijn dit jaar niet mooi, en het laatste was slecht."

"En wat moet hij worden?"

"Ik hoop," antwoordt Cor, met een blosje, dat van haar bescheidenheid getuigt, "dat hij dokter zal worden, dokter bij de marine." En aangemoedigd door mijn belangstelling vertelt zij nu: "Eenige jaren geleden stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes kinderen, die zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste en ik, de oudste, alleen in leven gebleven; en toen we nu samen in de wereld stonden, zonder iemand te hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot ik dit huis te huren, en er een pension in te openen. 't Was een waagstuk, want ik was toen nog wel wat jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig, 't ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en zoo had ik iederen zomer het huis vol logé's. Intusschen, had Eddy de lagere school doorloopen, en moesten we beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't Ontbrak me natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor dat het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld te laten verdienen. We hadden geen fortuin, zei men, er kwamen hier telkens meer pensions bij, en als ik eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar Eddy wou studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde zijn toekomst natuurlijk veel meer dan wanneer hij voor de eene of andere mindere betrekking werd opgeleid, of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld betrof, kon ik hem zonder eenig bezwaar op het Gymnasium laten gaan; en als hij dan later spoorstudent werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als het mij niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om dokter te worden, wat hij wenschte. Zoo kon het; en toen ik Eddy ernstig onder het oog had gebracht, dat ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem niet de middelen kon verschaffen om pret te maken, zooals andere studenten dat doen, en hij gezegd had dat ook niet te verlangen, toen vond ik het beter te vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden, waarvan misschien niet een zou gebeuren. En zoo," zegt Cor, met een glimlachje, "ben ik overgegaan tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet minder hartelijk hoop dat het mij zal gelukken."

Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij daarbij toch iets over het hoofd had gezien.

"En dat is?" vroeg zij, een beetje ongerust.

"Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt gedacht," antwoordde ik.

"Niet om mezelf?" vroeg zij verbaasd.

"Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij zeker nog zes of zeven jaren studeeren, en moet ge dus ook al dien tijd voor hem zorgen."

"O," zei zij met een glimlach, "dat is geen bezwaar! Ik wil natuurlijk niets liever dan zijn toekomst verzekeren. Beter doel kan ik aan mijn leven niet geven."

Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van het leven verlangde, en of zij nog niet wat jong was om dat geheel aan haar broer te wijden, maar zij antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen tevreden was met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche bezigheden te doen.

"En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan, daarvan hebt ge nog geen berouw?" vroeg ik.

"Neen," antwoordde zij beslist. "Tot nog toe is hij ieder jaar overgegaan, en meer kan ik niet verlangen. Wel vind ik, dat hij, vooral in den laatsten tijd, erg onstuimig is en te veel pret maakt, maar hij is ook nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van 't Gymnasium, of "'t hok," zooals hij zegt, af te komen, hem zal aansporen om deze laatste maanden nog eens flink te werken. En gelukkig was hij over zijn laatste rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan ook niet heel lang geduurd," voegde zij er met een glimlach bij.

Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had gemaakt, maar dat ik dit eens zou doen, en dat ik, als het een beetje tusschen ons wou opschieten, wel eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten en hem aan te moedigen zijn best te doen.

Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier doen, zei ze; en met een vriendelijk knikje ging zij de kamer uit.

Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl ik achter in den tuin was, stormde Eddy, gevolgd door zijn hond, de keukendeur uit, rende ettelijke malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen langs de leuning, het hoofd achterover, en de zijkant van zijn linkervoet op zijn rechter knie, ging ik, eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak hem aan.