Part 11
"O--ch," zegt Mozes--en in de wijze waarop hij dit woord uitspreekt, doorloopt hij een aantal noten van de toonladder,--"wat zou 't! wat zou ze mussie, is 't bweekba-è waag?"
Dan geeft hij zijn zoon een "zabbe-zoen" en stapt in, het portier achter zich sluitende. "Zeg an Fwank," roept hij, met het bovenlijf uit den waggon hangende, zijn vrouw toe, "da' 'k de puwwe zà khoope, asse ze gaaf binne, en da' 'k an Lewie za' vwage, of ie gwaze het, zooasse de dokte' mot hebbe." Daarna gaat hij zitten, kijkt even rond, en zegt op gedempten toon: "g'dag zame!"
Eenige oogenblikken later weerklinken de drie klokslagen, de hoofdconducteur geeft, met opgestoken hand en met het fluitje in den mond, langs den trein dravende het sein tot vertrek, en terwijl Mozes, met een breeden glimlach om zijn ruig-omhaarden mond en met toegeknepen oogen, herhaaldelijk knikkende, zijn vrouw en zijn zoontje een aantal zoenhandjes toewerpt, en zijn vrouw het kind laat teruggroeten, door het armpje van den jongen heen en weer te bewegen, waarbij zij zelve, niet minder dikwijls dan haar man, met het hoofd knikt, rijden wij weg, in het stille licht van den heerlijken zomeravond, wazende over bosch en bouw.
In het compartiment, waarin wij zijn gezeten, is het gelukkig--want het is nog heel warm--niet vol. Met mij zitten op dezelfde bank twee boeren, met gezichten als frambozen, elk met een kort buis aan en een lakensche pet op het hoofd, waarvan de verlakte klep, waarop een paar eikeltjes van zwarte zijde heen en weer bungelen, niet het voorhoofd, maar het rechteroor overschaduwt. Beide trekken, de een aan een lekke sigaar en de ander aan een snorkende pijp, met zooveel kracht, dat zich telkens diepe kuilen in hun wangen vertoonen, en dikke rookwolken langzaam langs mij heen trekken naar het neergelaten portierraampje, waar zij even talmen en dan op eens, met vaart het luchtruim invliegende, spoorloos verdwijnen. Op de andere bank zit Mozes in het hoekje en, een eind van hem af, een stukadoor, met een grootendeels "gewit" gezicht, de handen vol kalk en ontelbare spatten op zijn jas, schoenen en pet, welke spatten waarschijnlijk ook op zijn broek en zijn vest aanwezig zullen zijn, maar die, nu die kleedingstukken van een witte stof zijn vervaardigd, niet noemenswaard in het oog loopen. Tusschen zijn beenen staat een niet gesloten reiszak van gebloemd trijp, gevuld met een aantal kwasten en ander gereedschap, en om zich heen verspreidt hij een lucht, die mij levendig aan "de groote schoonmaak" doet denken. Een weinig van hem af zit een vrouw, met een zuigeling op den schoot en een meisje van omstreeks twaalf jaren naast haar. Die vrouw, een frissche, gezellige dikzak, met een rond, prettig en vooral moederlijk gezicht, en glimmend-zwarte, langs de slapen gladgestreken haren, gekleed in jak en rok, met lange gouden bellen in de ooren, een helder witte muts op het hoofd en een lichtkleurige sjaal om, is kennelijk de vrouw van een polderwerker, en het kind naast haar is stellig pas "aangenomen", want de blauwe jurk, die veel te lang is, de witte hoed en het kruisje van allerdunst goud, aan een even dun kettinkje van het zelfde metaal om den hals bevestigd, geven dienaangaande stellige aanwijzingen. In haar handen houdt het kind een netjes-opgevouwen, witten zakdoek, en juist verwonder ik mij, dat zij dien, niettegenstaande de drukkende hitte, nog niet heeft gebruikt, als zij haar moeder iets toefluistert en, op een toestemmenden hoofdknik, haar hand diep in den zak van moeders rok stekende, daaruit een kolossalen lap linnen of katoen te voorschijn haalt. Met dit familiestuk wischt zij haar gezicht af en stopt het daarna weer weg, waaruit voldoende blijkt, dat het door haar in de hand gehouden voorwerp slechts als sieraad bij haar toilet behoort, zooals een bouquet bij een baljapon; en daar zij dat zakdoekje van tijd tot tijd stijf tegen haar gezicht drukt, zóó, dat het puntje van haar neus er spierwit bovenuit komt, is het niet minder duidelijk, dat bedoeld doekje uitsluitend moet voldoen aan zijn hoogere bestemming, en daarop dus, nog niet zoo heel lang geleden, een paar droppeltjes grog van eau-de-Cologne gegoten moeten zijn.
"We zitte hier toch ommers goed voor Amsterdam?" vraagt de vrouw van den polderwerker, wel wat laat, want de trein snelt met volle vaart voort, maar gerustgesteld door het antwoord der boeren, van wie de eene zegt: "dat doe je," en de andere: "dat zitje," deelt zij ons mede wel gevraagd--maar het antwoord van den conducteur, die het te druk had, om haar behoorlijk te woord te staan, niet gehoord te hebben, en geeft zij voorts te kennen, dat zij niet graag in een verkeerden trein zou zitten, omdat zij nog verder moet, "weet u!" waarop de boeren eenstemmig verklaren: "dat kan je," en de stukadoor vraagt: "waar na toe?"
"Na tante Kees," zegt het kind in het blauw, een mededeeling, die de boeren ontsteld opkijken--en Mozes mompelen doet: "da' 's raag," zoodat het kind verlegen wordt, dicht bij haar moeder kruipt, den arm door dien der moeder steekt, en het hoofd tegen haar schouder drukt, waarop de vrouw van den polderwerker haar dochtertje goedig toeknikt en ons zegt, dat bedoelde tante eigenlijk Kee heet, maar door haar man, voor de grap, nooit anders dan Kees wordt genoemd, een opheldering, die de boeren, kennelijk gerustgesteld, doet herademen en den stukadoor aanleiding geeft te verklaren, dat de man van tante Kees _ook_ wel zal weten waarom hij haar zoo noemt.
Intusschen is het zuigelingetje wakker geworden en begint zoo vervaarlijk te schreeuwen, dat de stukadoor, als dit een poosje, zonder naspeurlijke reden, heeft geduurd, beweert, dat de jongen bang is om naar tante Kees te gaan, en Mozes vraagt: of het kind zijn spoorwegkaartje ook verloren kan hebben, welke aardigheden de moeder doen glimlachen, maar op de boeren niet de minste uitwerking hebben.
Onderwijl tracht de vrouw van den polderwerker het kind te sussen, maar wat zij ook doet: of zij het tusschen de handen op en neer wipt of op haar armen dodijnt, de kleine is niet tot bedaren te brengen.
"Wel wel, wat skreeuwt 't jong!" zegt de oudere boer, het kind met verbazing aanziende.
"'k Weet niet wat ze het!" verklaart de moeder, "ze het aldoor zoo lief geslape. Wat is er dan toch, loeressie?"
"Is 't 'n zij-tje?" vraagt de stukadoor.
"Wel, dat raaj je goed," antwoordt de vrouw, "'t kind heet Zijdje."
"As 'k toch wis," zegt Mozes, "dat 't 'n meisie was."
"Sakkerloot," roept de stukadoor uit, "dan mot jij toch goeje ooge hebbe, hoor!"
"Na, wat zou 't!" antwoordt Mozes grinnekend, "as 'k toch heef gezien, dat ze tege me heef gewagge."
"Het ze?" vraagt de stukadoor. "Alla, dan het ze'r nou berouw genoeg van; 't kind schreeuwt as 'n ongesmeerde kruiwage."
"Kan ze ook honger hebbe?" vraagt de jongere boer, die, als iemand niet tevreden is, in de eerste plaats aan een leege maag denkt.
"Nee," antwoordt de vrouw, nadrukkelijk het hoofd schuddend, "ze komt er pas of."
"En dan za' ze d'g possie ook _wè'_ gehad hebbe," verklaart Mozes, een vermoeden waarmede de boeren, door herhaaldelijk te knikken, hun volle instemming betuigen.
"Je eerste en je laaste?" vraagt de stukadoor, met een blik naar de beide kinderen.
"Wel nee," antwoordt de vrouw--druk bezig tusschen de kleertjes van het kind te zoeken, om de reden te vinden waarom het zoo schreeuwt--"wel nee! bove haar"--en met het hoofd wijst zij naar het kind in het blauw--"he' 'k er nog vijf, en onder haar nog vier. Maar dat dit kleintje me laaste zal weze--dat zou 'k wel denken."
"Na," zegt Mozes, "pas mà' op, dat 't de ojevaag niet hoo-t."
"Dat mag ie wel hoore," beweert de vrouw. "We hebben 'r tien, en da' 's net wat 'n burgermens toekomt hè, want 't versie zeit:
Een edelman die krijgt er twee, Een rijke man krijgt vier; --Zoo'n twee- of viertal is niet erg, Die hei je voor plezier. Maar bè je 'n kale ambtenaar, Of ben je dominé, Dan vare d'r wel zes of acht, In 't huwlijksbootje mee.
Een tiental krijgt,--'t is haast te gek, Een burger zonder goed; En 't vol dozijn,--da' 's gekker nog, Is voor de arremoed.
"Wel kijk," roept zij uit, als zij, het linkerarmpje van het kind ontblootende, daarop een rood vlekje ontdekt, "da' 's vast 'n beest, dat 'r gestoken het, want ze het noot nergens niks op d'r lijfie."
"'n Hoog-springertje," oppert de oudere boer.
"Wel nee," zegt de vrouw, haar hoofd afkeerende, "die het ze noot."
"Ja nou," roept de oudere boer uit, "'n mens mag zoo zindelijk weze as ie wil, maar _daar_ kan je niks an doen!"
"'t Kan ook wel 'n muggebeet zijn," beweert de stukadoor.
"Wel ja," zegt de vrouw van den polderwerker, "dat zal 't zeker wel weze. Hier meisie, houw jij d'r 's effe vast." En terwijl zij het kind op den schoot van haar oudste dochtertje legt en daarna, uit een naast haar staand spoorwegmandje, een lapje linnen en een apothekersfleschje met water gevuld te voorschijn haalt, beweert Mozes, dat 't "misegabè' is, zoo'n mach mugge as 'r dit jaag binne," en deelt de oudere boer ons mede al eens opgemerkt te hebbe, dat dit met den wind in verband staat, omdat, als de wind oostelijk is, er veel meer van "dat goed" in den polder komt, dan bij westenwind, waarop de vrouw van den polderwerker aanmerkt, dat men er meer last van heeft, als men bij het water woont dan in droge streken, en de stukadoor verklaart alleen te weten, dat het een last is, omdat men er 's nachts niet van slapen kan, waartegen de vrouw van den polderwerker een paar droppels nagel-olie als "erg goed" aanbeveelt, wat de stukadoor ook niet kwaad vindt, het evenwel nog beter achtende 's avonds de vensters gesloten te houden, omdat de dieren op het licht af komen, welk laatste middel allen gereedelijk toestemmen verreweg het beste te zijn.
"Zie zoo," zegt de vrouw van den polderwerker, het in water gedrenkt lapje om het armpje van het kind bevestigend, "nou zal ze wel gauw weer bedare; 'k heb er altijd 'n hekel an as ze zoo in eene wat krijge, want toe we pas getrouwd ware, kreeg me man, zonder te wete hoe ie er an kwam, 'n dikke voet. En 't was maar goed, zei de dokter, dat we 'm daalijk hadde late hale, want as ie d'r mee was blijve loope, dan had 't gevaarlijk kanne worde."
"Ja," zegt de oudere boer, "met zukke dinge mot je niet zuime, da' 's menigeen z'n dood geweest."
"En mijn vade za-egè," zegt Mozes, "heef 't è ook mee bekoch."
"Het ie?" vraagt de oudere boer.
"Dat heef ie," antwoordt Mozes.--"Zes, zeve dage voo' ghoote vehzoendag, dat ie in ze winke' met 'n buugman sthaat te pgate, sthaat ie met ze hande te zwaaie, en slhaat ie in 'n spijke' van 'n kis.--"Na, wat zou 't!" zeit ie tege me moede', as ze schgikt, dat ie bloeit, "maak toch geen matschudding ove' niks."--Mà 's awes, dat ie na ze bed zà gaan, zeit ie, dat 't 'm pijn doet, zeit ie.--"Gaat na de dokte'," zeit me moede, "gaat na de dokte'."
"Och," zeit me vade',--"de dokte', de dokte', wat zou de dokte'!" en ie gong niet. Mà 's ande-è daags had me vade' 'n agm as è kagepijp, en toe 't ghoote vehzoendag was, was mijn vade' bij zijn vade-è vehzamed.--Mà' as ie gedaan had wat me moede' wou, as ie na de dokte' was gegaan, dan had die 'm gehouwe, zeit ie,--"met ze agm of zonde' ze agm, mà' gehouwe had 'k 'm," zeit ie. "Ma' nou," zeit ie, "nou 't vehgif in ze hagt is gegaan, nou mos ie dood.""
"En 'k houw 't ervoor, dat ie nog leefde," zegt de oudere boer, "as de smid van de Bullewijksbrug d'r bij was geweest, voordat ie de laatste azem had uitgeblaze, want zooveel as die d'r het geneze, die door de dokters opgegeve waren--dat geloof je niet."
"Is 't toch waar?" vraagt de stukadoor.
"Honderde en honderde," verzekert ons boertje. "En alles met 'n zallevie, dat ie zelfs klaar maakt. _Hoe_ ie dat doet, da' 's zijn geheim, zeit ie, maar zooveel is zeker, dat 't al 'n macht van jare van vader op zoon moet zijn overgegaan, wat voor dingsighede daartoe noodig benne. En 't helpt, hoor! bovest en bovest! Jong en oud, man en vrouw vindt er baat bij. En wat je het: galle of spatte, zal 'k maar zegge, 'n zieke arm of 'n zeer been--hij leit hier 'n pleister en daar een, en as ze d'r af valle--want je mot ze late zitte tot ze uitgewerkt hebbe--dan ben je geneze, hoor je!"
"Wat zeit u?" roept de vrouw van den polderwerker uit.
"Glad geneze," verzekert het boertje. "En da' 's geen praatje, maar de zuivere waarheid, want toe me zeun hier"--en met het hoofd wijst hij naar den jongeren boer--"'n kind was, kreeg ie 'n ziektestof in de linkervoet: zooveel as 'n beeneter, zei de dokter, en die zou zien, dat ie 'm weer opknapte; maar wat ie prakkizeerde of mierde: pappe of snijje, niks hielp. En onderwijl wier 't zoo erg, dat de perfester d'r an te pas most komme, en die zei, dat 't hoog tijd wier, dat de voet d'r af kwam. Maar daar kon 'k zoo in eene niet toe besluite en me vrouw nog minder."
"Dat kan 'k me begrijpe," zegt de vrouw van den polderwerker, "want wat wij mense hebbe gekrege, dat motte we houwe, ziek of gezond."
"Dat zeg je goed," bevestigt de oudere boer, "want dat we 'r over prakkiseerde, wat ons te doen stind, heur 'k van de smid an de Bullewijksbrug, en ik--met me vrouw en me zeun' d'r na toe. "Ofzette," zeit ie, toe 'k 'm 't geval vertelde, "ofzette,--'t mocht wat; _ik_ zal 'm geneze, en over vier weke loopt ie paardjespele met de jonges langs de weg." En ze woord het ie gehouwe, want amper 'n maand later had ie de klompe weer aan, en na die tijd--zeg 't nou zelfs, Kees!"
"Nooit nerges meer niks van gewete," verklaart zijn zoon.
"Daar beur je 't," zegt zijn vader, "nooit iewers meer ies van gewete. En à je nou ze voet ziet,--net zoo blank en zoo zuiver, _net_ zoo blank en zoo zuiver," herhaalt hij, beide handen over elkander schuivende, "de eene as de andere."
"M--enslief," roept de vrouw van den polderwerker uit, langzaam haar hoofd wiegend, "wat 'n zege, wat 'n zege!"
"Ja," zegt de stukadoor, "want as je nou was heengegaan en je hadt na die perfester geluisterd...."
"Dan was ie 'n kruppel geweest, ze leve lang 'n kruppel," verklaart de oudere boer met een krachtigen hoofdknik.
"En daarvoor is ie gelukkig gespaard gebleve," zegt de vrouw van den polderwerker. "Is 't niet waar meisie?" vraagt zij met den voorsten vinger het zuigelengetje, dat nu weer tevreden kijkt, tegen de wangetjes tikkende. "Is 't nou weer goed? En ga je nou weer slape? Toe dan maar." En het kind in een omslag gewikkeld hebbende, wiegt zij het heen en weer en neuriet:
"Doe die blauwe oogies toe, Zoete, lieve poes! Vaders vreugd en moeders lust, Slaap, me kleine snoes!"
En dan begint zij weer van voren af aan: "doe die blauwe oogies toe," net zoolang totdat het kind aan de herhaalde uitnoodiging heeft voldaan.
Onderwijl stopt de trein te Bussum, waar een aantal militairen op het perron staan, gepakt en gezakt, hun lange jassen van voren opgeslagen, een groen takje op de schako of een heideplantje in den loop van het geweer.
"Inkwartiering," zegt de oudere boer, die geen soldaat kan zien zonder aan gedwongen logeergasten te denken, waaraan hij een hekel heeft als aan een zieke koe.
"Schijfschiete," beweert de stukadoor, die van militaire dingen geen flauw begrip heeft, maar Mozes, den spijker op den kop slaande, zegt: "maneuvels. Ze wasse in 't kamp en ze gane tegug."
"Zou 't?" vraagt de oudere boer, die "afmarcheeren" het ideaal van alle militaire verrichtingen vindt.
"As 'k 't toch weet," roept Mozes uit, "as 'k eiges toch ook heef gediend!"
"Bij de marine?" vraagt de stukadoor, met een knipoogje tegen ons.
"Nà," zegt Mozes, "wate' is nat, hè? Ovè' wat zà je zwabbe-è op de pwanke, as je kan sthaan op de ghond?"
"Ze motte naar Amersfoort," zegt de jongere boer, ziende dat de militairen plaats nemen in den naar die stad bestemden trein.
"Dat motte ze," bevestigt Mozes, "weegom, na d'g gagnizoen."
"Ja, ja," zegt de oudere boer, met een zucht--terwijl de trein, waarin wij zijn gezeten, zich weer in beweging stelt--"al dat soldaatje-spele is mooi en goed, maar 't kost 'n bult geld--'n bult; en ik en 'n ander kanne 't an belasting maar opbrenge."
"O," roept de stukadoor uit, "da' 's 'n ongeluk, zoo as ze je tegeswoordig d'r bij lappe! En as ze je eenmaal te pakke hebbe, dan late ze je niet los, net zoo min as 'n spin 'n vlieg.--Vijf, zes maande terug, net da' 'k t'huis ben om te ete, komme er twee van die risserseurs van de belasting binne.--'n Mooi stelletje! Half-sleet heere, met hongerige gezichte, gerafelde broeke en moderspatte tot op de kraag van d'r jasse, van 't vigeleere, dat ze, dag in dag uit, weer of geen weer, door de stad doen.--En mager, dat ze ware! dat ze wel met de konijne tusse de tralies door hadde kanne ete.--
""Offe ze terecht ware bij Bruins," vroege ze. "Nou," zeg 'k, "dat is er na, hè! Me vader hiet Bruins, drie broers van me hiete ook Bruins, en dan he' 'k nog 'n macht oomes en neefs, die ook Bruins hiette--zoek jij nou maar uit waar je weze mot."
""Bij Jan Bruins," zei diegenige, die 'n paar jaar ouwer was as de andere--'n dwarskijker van belang, want hij had 'n paar ooge, dat ie met 't eene na de neus van je gezicht en met 't andere na de neus van je schoene keek--"bij Jan Bruins, de stikkadoor."--"O," zeg 'k, "tel dan je geld maar uit, want van dat soort is er maar een in heel Amsterdam." "Nee," zei ie, "brenge kwamme ze zoozeer niks, as wel 's kijke hoe 't er bij me an zat, want ze ware, zoo gezeid, van de belasting." "Belasting," zeg 'k, "asjeblieft, daar zitte ze, allemaal om de tafel: een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeve kindere; en da' 's belasting genoeg zou 'k denke."
""'k Weet niet hoe jelui 't in je hoofd haalt," zeit me vrouw. Belasting, dat was goed voor de rijkdom, zei ze, maar dat je er de mindere man mee an kwam, dat had ze nog noot op de viool hoore spele.
"Dat kon wel, zei toe die andere kerel--die zoo zuur keek, asof ie 'n karnemelksche moeder had gehad--dat kon wel, maar as ze 't alleenig van de rijkdom moste hebbe, dan kwamme ze d'r niet.
""Ja nou," zeg 'k, "waar jelui weze motte, dat weet 'k niet en dat kan me niet schele ook, maar hier ben je niet terecht."
"Dat zat nog, zei ie, 'k had al vast 'n knap boeltje.
""'n Knap boeltje," zeg 'k, "mag dat dan niet voor de belasting, dat je 'n knap boeltje het?"
"Ja wel, dat mocht wel, zei ie, maar 't was 'n eigeschap daar rekening mee gehouwe wier voor de inkomste-belasting.
""Inkomste-belasting," zeg 'k, "maar man 't is ommers al mooi, da' 'k met me inkomme uitkom."
"'k Begreep er niks van, zei ie.
""Nou," zeg 'k, "'k mag lijje, dat je gelijk het, maar as 't niet om me cente te doen is, dan zalle jelui toch allebei 'n borrel van me hebbe, voordat je weggaat."--Afijn... wa' 'k zei of zweeg... van me baas wiste ze dit en van die dat... 'k most nou maar ofwachte, zei-e ze, dan zou 'k wel 'n pampier t'huis krijge, en as 'k daar dan niet mee tevreje was, dan kon 'k altoos nog rikkelameere. "Maar dat doen 'k al," zeg 'k, "daar he' 'k geen pampier voor noodig; 'k rikkelameer al zoo hard as 'k kan." Ja nou, maar dat gong niet, _eerst_ most 'k dat pampier hebbe.
"'n Poos later kwam 't, en ik er mee na 'n kennis van me, die nog wel 's 'n goeje raad voor 'n arm mens over het, en die dan ook 'n stuk voor me het opgesteld, da' 'k zellevers kwalijk wist, da' 'k er zoo beroerd an toe was. Maar uitgehaald het 't niks, want 'n week of wat later kreeg 'k weer 'n pampier, en daarin sting 'n heele omhaal van woorde--dit gezien en dat gezien--dit zus en dat zoo,--w..eet ik 't! maar de rijksdaalder, daar die kerels me voor opgeschreve hadde, die most 'k betale. "Nou," zeg 'k tege me vrouw, "as dat nou niet is iemand 'n stuk van ze hemd knippe, zeg jij dan 's hoe 'k dat noeme mot.""
"Ja," zegt de oudere boer, "'t is erg. En ze store d'r eige nerges an. Of de oogst mee- of tegevalt, of de mart hoog is of laag, of je gelukkig bent met je vee of er 'n tegeslag mee het--je kan maar make, dat je de cente bij mekaar het. En 't lijkt wel of tegeswoordig alle belasting d'rekt is, want je het je anslag kwalijk in huis, of je kan 't al betale ook.--Maar daar benne we al te Amsterdam.--Koman jong, nou as de weerga na de avekaat."
"En ikhe na de vekoopening," zegt Mozes,--"g'dag zame."
"En ik na huis," zegt de stukadoor,--"ook g'dag."
"En wij na Sloterdijk," zegt de vrouw van den polderwerker,--"gedag allemaal, en wel t'huis, mense."