Kleurig en donker

Part 1

Chapter 13,969 wordsPublic domain

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+

KLEURIG EN DONKER.

KLEURIG EN DONKER

DOOR

W. VAN AMSTERDAM, _Schrijver van "Marionetten."_

HAARLEM H. D. TJEENK WILLINK & ZOON

INHOUD.

Blz.

AAN DE VOORDEUR 1

HET STRAATORGEL 12

EDDY 25

HAAR BROOD 48

KINDERLEED 61

KAREL JAN VONK 73

DE OUDSTE 84

HET KLOOSTER DER WITTE VROUWE 94

HAAR KEUZE 103

BLOK'S VROUW 113

GEEN "VERRAJER" 127

DE AANSPREKER 141

DERDE KLASSE 155

Aan de voordeur.

"Zoo, dikke zus!" zegt Evert--een jonge slagersknecht, een pracht van een kerel, zooals de meeste van zijn soort, groot en breed in de schouders, met gespierde armen en een paar handen, die iemand niet kan aanzien zonder het een geruststelling te vinden dat zijn rond en blozend gezicht een zeer goedige uitdrukking heeft--"zoo, dikke zus! hoe gaat 't met mijn?" En dit zeggende, neemt hij, met een rappe beweging, de mand van zijn schouder en zet die op de stoep van een mooi en groot huis aan de Heerengracht.

"Hoe 't met je gaat," antwoordt Grietje, de aan de voordeur staande keukenmeid, een dikke, frissche schommel, met een opgeruimd gezicht, "hoe 't met je gaat, dat weet 'k niet, maar an je vollemaans-gezicht te zien, dan gaat 't nogal met je."

"Ja, 'k zie bleek, hè?" zegt Evert, "dat komt omdat me maag niet in orde is, weet je!"

"Niet?" vraagt Grietje, "lust je geen ete meer?"

"Jawel," antwoordt Evert, "maar 'k lust te veel."

"En krijg je niet genoeg?" vraagt Grietje.

"Of 'k 't krijg," zegt Evert, "dat zou me niet kanne schele, as 'k maar zooveel kon neme as 'k lust.--En daar hei je haar ook," roept hij uit, als Keetje, de werkmeid, een net, jong dienstmeisje, met een proper katoentje aan en een koket mutsje op het hoofd, met een lachend gezicht mede aan de voordeur verschijnt.

"Zoo, malle! bè je weer an de gang?" vraagt zij.

"Mal-le?" vraagt Evert, "as 'k na 't stadhuis ga, om 'n trouwbriefie te hale, hoor!--Wat zie je 'r weer goed uit!" roept hij uit, een poging doende om Keetje in de wangen te knijpen, wat zij met een: "laat je staan!" en een tik op zijn arm, verhindert.

"Ga je van aved 's met me uit?" vraagt Evert haar.

"Ikke niet," antwoordt Keetje, "want me parresol is in de maak, hoor!"

"Ja," zegt Evert, "nou je 't zeit, bedenk 'k me, dat mijn hooge hoed ook nog niet t'huis is.--Maar 'n Zondag dan?"

"Jonge nee," antwoordt Keetje,--"'n Zondag dan ga 'k na 't bessieshuis."

"'t Bessieshuis!--daar heb ik ook nog 'n oome," beweert Evert.--"Zà je 'm van me groete?"

"Dat zal 'k," belooft Keetje. "As 'k 'm zie, dan zal 'k 'm om ze hals valle."

"Zeg eris!" roept de keukenmeid uit,--"da 's waar ook!--'k docht dat jij 'n eerlijke jonge was, hè?"

"Ikke niet eerlijk," zegt Evert, "nou nog mooier! Geef me maar 's 'n zoen van je, dan krijg je 'm daalijk weerom."

"Nee," zegt Grietje, "dat hoeft niet. As je 'r een van me krijgt, dan mag je 'm wel houwe ook.--Maar 'n Maandag hei je beloofd, dat je 'n beetje gehakt zou meebrengen voor mijn en Kee, omdat we dat zoo graag luste, en dat hei je niet gedaan."

"Mijn schuld is 't niet," verzekert Evert. "De baas zei, da' 'k 't maar vergete most, en toe, dat begrijp je, is 't in eene--rits...! door me hoofd gegaan."

"Zei-ie-dat?" vraagt Grietje. "Zei ie, dat je 't maar vergete most?--Hoor je dat, Kee?"

"Zoo'n akelige, schriele kerel," roept Keetje uit.

"Hoort eris," zegt Grietje, "zeg _jij_ an je baas, da' 'k haast wel zou denke, dat me volk binne kort ze vleesch niet meer zal luste, as er af en toe niet 'n kleinigheid voor de keuke kan overschiete. Daar he' 'k zoo'n ideetje van," verzekert zij, en knikt dan, met stijf gesloten mond, verscheidene malen met het hoofd.

"En dan zou ik er wel 'n eed op wille doen," verklaart Evert.--"Alla, zegge zal 'k 't. En wat ete we nou vandaag? 'n Kalfstongetje, 'n zweezerikkie of kalfsoesters,--wat mot 'k brenge?"

"'k Mot niks van je hebbe," antwoordt Grietje. "We ete vandaag 'n stukkie koud vleesch, 'n kippetje en 'n gebakke tong."

"Verdikke, mens, houw op!" roept Evert uit, "daar zou je 't water van over je tanden loope. 'k Geloof, dat die meneer van je nog al lekker is, hè?"

"Of ie lekker is!" zegt Grietje, "nee"--en met de vingertoppen tegen de wang wiegt zij het hoofd--"dat geloof je niet. 'k Zeg laatst nog tege Kee--is 't niet waar meid--"Kee," zeg 'k, "'k heb me eigen verhuurd voor de fijne pot, en die kan 'k dan ook klaar make, maar hier mot je toch ook kokkerelle kanne of je ziel en zaligheid van 'n sausie afhangt." Want aldoor het ie wat. Dán binne de kwartels wel goed geweest, zeit ie, maar 't geroosterde brood kon nog wel 'n siertje brosser; of, as ie tarrebot gegete het, dan zal ie van de visch niks zegge, zeit ie, maar de saus,--die kon nog wel 'n tik-kie meer gebonde. En zoo gaat 't aldoor. Dan mot 'k _hier_ nog 's 'n eitje meer in perbeere, of _daar_ kan wel 'n grimmeltje gries in, zeit ie, dat je, om zoo te zegge, je boezelaar of--en 't hem om ze dikke lijf zou doen.--En as 't niet percies zóó is, as ie 't graag lust, dan het mevrouw ook al de bokkepruik op, want die mot er van hoore, dat begrijp je!--'t Is dat 'k hier zoo'n hoog loon verdien, maar anders...."

"Dan ha' je 'm al gesmeerd?" vraagt Evert.

"Al lang," verklaart Grietje, "want an al dat putlut daar he' 'k 'n hekel an. Nee, dan ha' 'k in me vorige dienst 'n boel meer schik, en as ze niet buite ware gaan wone, dan diende 'k er nog. Daar kreeg je nog 's 'n goed woord, en altoos 'n vrindelijk gezicht, en ha' je nog 's eer van je werk ook. "Griet," zei meneer dikkels, "je mot niet zoo lekker koke, mens; 'k kan 's middags niet uitscheije." En as mevrouw, die er zoo'n hekel an had d'r eige met de pot te bemoeie--omdat ze nooit niks kon bedenke, zei ze--'t ete an mijn had overgelate, en 'k had 's ies nieuws verzonne: 'n schoteltje vooraf of 'n toe-tje d'rna, van dit of van dat wat de vorige dag was overgebleve, dan zei ze: "Kijk, dat hei je goed geprakkeseerd! zoo'n keukenmeid mot 'k nou juist hebben." Och ja," zegt Grietje met een zucht, "'t was er effetief prettig diene; en 'n mens is zóó zeg 'k altijd, dat hoe meer ie 't na ze zin het, hoe meer dat ie ze best nog 's doet ook. Nee"--en ze schudt het hoofd tegen een koopman in bloemen, die met de hand naar de waar op zijn kar wijst--"niet noodig."

"Mot je geen bwommetje?" vraagt hij.

"Nee," antwoordt Grietje, "ik mot geen blommetje hebbe."

"Koop 's 'n mooi ghoozie van me?" vraagt de koopman, "of 'n potje met ghesida."

"Ga nou maar gerust deur," zegt Grietje, "want 'k koop toch niks van je."

"'n Aa-digheidje voo' je moede', of 'n pgezentje voo' je zussie," zegt de koopman, met een paar potten in de handen de stoep op komende.

"Och, ga nou weg, hè!" roept Evert uit.

"Nà," zegt de koopman, "la me dan 's wat verdiene. Koop 's 'n paag potjes voo' de meissies: tien cente 'n pot."

"Ja," zegt Evert, "'t zit er bij mijn nogal an, hè! Zoodra 'k geen slagersknecht meer ben, maar me koetjes op 't droge heb, dan krijg je de klandisie, hoor."

"Wat zou 't," roept de koopman uit, "as datte gebeugd, dan rentenieg 'k à tien jaag! En jij, juff," vraagt hij aan Keetje, "mo' je niet 's 'n potje in 't keukeghaam zette, of op 't kassie in je kametje?"

"Nee," antwoordt Keetje, "ik heb zoo'n rare neus! ik kan de lucht niet verdrage, hoor! net zoo min as van uie. Ik ruik liever," en zij ginnegapt achter haar hand, "ik ruik liever gebraje spek."

"Ja," zegt Grietje, gemoedelijk voor zich uit lachende, "nou je 't zeit, ruik ik ook liever 'n bankethammetje."

"Of 'n varkensrib," zegt Evert, "dat mot je ook niet uitvlakke, dat ruikt heerlijk, hoor!"

En terwijl zij dat zeggen, knipoogen zij tegen elkander, en zien af en toe den koopman aan, die van den een naar den ander kijkt, en eindelijk uitroept: "toe maag, hoo' ze nou's an gaan! Net as de kindetjes, asse ze stout binne.--Mà voo' mijn pagt za je 't niet ghuike, of je za 't magge ete ook. En ga nou 's vóó' me vwage of je mevwouw geen bwommetje mot hebbe, hè?"

"Nee," zegt Grietje, "dat kan 'k niet doen, da' 's mijn werk niet; ik ben alleenig voor de pot."

"Nà," zegt de koopman, den rozenstruik voor zich uithoudende, "da's ommes ook 'n pot.--Doe je 't niet? Jij dan?" vraagt hij aan Keetje,--"'k het 'n ghoot huishouwe, denk 'e om."

"Dat zou 'k nou wel voor je wille doen," zegt Keetje, "maar daar hoef 'k niet mee an te komme, want an de deur koopt ze nooit. Nee, as je zoo graag wat verkoope wil, geef mijn dat roosie dan maar, dan neemt me kameraad dat andere potje wel. Doe je 't Griet?"

"Alla!" zegt Grietje, met de hand in den zak naar haar knip zoekende, "'n mens mot ook 's wat voor 'n ander doen. Ziedaar," en zij reikt den koopman twee dubbeltjes over--want een keukenmeid heeft altijd en een werkmeid nooit geld bij zich, en daarom schiet zij haar kameraad de twee stuivers voor, "daar is je geld. Maar nou niet terugkomme hoor,--'n Zaterdag of zoo."

"Nee," zegt Keetje, "want dan houwe we groote verschoondag, hoor!"

"Schoon za' je bwijve kind," zegt de koopman, de stoep af gaande, "'t zou jamme' weze as je 'n vwakkie kreeg."

"Ze-eg!" roept Evert uit, "jij hoeft hier niet de blikke dominé uit te bange, hoor je!"

"Laat 'm maar gaan," zegt Keetje, "want gelijk het ie.--Wil jij nou ook liever dat roosie hebbe?" vraagt zij aan haar kameraad, "dan geef mijn dat andere dingie maar."

"Wel nee meid," antwoordt Grietje, "dit ruikt immers ook goed!"

"Dat doet 't," bevestigt Evert. "Hoe zei ie ook weer, dat 't hiet?"

"Weet je dat niet?" vraagt Grietje, "en 'k dacht nog al, dat jij uit Blomstraat kwam? Da' 's nou 'n potje met "ghesida"" zegt zij, den koopman nadoende. "Wou je 't graag meeneme voor je meissie, of hei je 'r nog geen?"

"Ikke geen meissie!" roept Evert uit; "alle Zondagge 'n ander, hoor!"

"Dat binne d'r een en vijftig te veel," beweert Grietje.--"Maar jij bent er ook net zoo een, om 'n echte vrouwegek te weze, hè?"

"Nou," zegt Evert, "'t zou ook al heel beroerd met me zijn, as 'k niet van 'n aardig snoetje hieuw. Wat zeg jij nou, zus?" vraagt hij aan Keetje.

"Ikke zeg niks," antwoordt zij. ""As jij je mond houwt," zeit me moeder, "dan kan 'n ander de zijne niet over je ope doen." En daar gedraag 'k me eige na; is 't niet waar, Griet?"

"Ja," antwoordt Grietje, "van 's aves ellefe tot 'smorreges zevene, hè?"

"Nou, maar dan kan ik is ook effe, hoor!" verzekert Evert.--""Nee," zeit me moeder, "zoo as jij toch ook slape kan--da's gerust 'n mirakel; daar slijt om zoo te zegge 't beddegoed van.""

"Dus ze hoeve jou geen wel-te-ruste te wensche, hé?" vraagt Keetje.

"As 'n stelletje van 'n stuk of tien dat ooit te gelijk doet, dan wor 'k nooit meer wakker," beweert Evert. "Zeg eris," roept hij uit, in de gang kijkende, "juilie gaan hier toch geen kaarsewinkel opzette, of zoo?--daar legge wel 'n pak of tien op de bank."

"Da's voor 'n Zaterdag," zegt Grietje, "dan hebbe we hier diné."

"Diné?" vraagt Evert. "Ete jullie dan alle dage nog niet lekker genoeg?"

"Alle dage lekker," zegt Grietje, "maar as we diné hebbe, dan ete we fijn."

"Hoort eris," zegt Evert, "as 'k ooit 'n kosthuis zoek, dan zal 'k om juilie denke, hoor. 'k Geloof, dat 't me hier best zou bevalle. 't Lijkt hier de restoratie van Van Laar wel."

"Van Laar," zegt Grietje, "die mag de oestertjes levere, want daar beginne we mee: 'n oestertje met 'n glaasie sampagne. "Dat zet de maag in ze fatsoen, daar wort ie graag van," zeit meneer."

"Nou," zegt Evert, "dan is 't maar goed, dat ik 't alle dage niet krijg, want mijn maag het toch al zoo'n fatsoen, asof ie 'n keer of zes op de leest geslagen is."

"Dan zou 't je hier 'n Zaterdag best bevalle," verzekert Grietje, "want er valt heel wat te smikkele. Eerst de oestertjes, zooas 'k zei, en dan krijgen we twee soepies."

"Och ga weg!" roept Evert uit. "Twee keer soep!..."

"Daar mag je uit kieze," zegt Keetje. "Ik kom achter je, en vraag wat uwes hebbe wil: 'n bordje schildpadsoep of 'n bordje witte ragoe."

"En onderwijl," zegt Grietje, "schenkt de knecht je 'n glaasie serry in."

"Die kon wel achter me blijve staan," meent Evert.

"Wel nee," zegt Keetje, "da' 's nerges voor noodig, want iedere keer krijg je weer 'n andere soort wijn; en bovendien staat er naast je bord nog 'n kraf vol."

"Dat zou niet lang dure," verzekert Evert.

"Dat denk ik ook niet," zegt Grietje, "en daar mag je dan 'n glaasie uit neme, as je na de soep 'n pasteitje krijgt, want daarna krijg je 'n stukkie versche zalm, met kappertjes-saus en 'n aardappeltje, en daar schenkt de knecht je 'n glaasie witte wijn bij in."

"En als je dat lekkertjes het opgepeuzeld," zegt Keetje, "dan begin je om zoo te zegge pas."

"Ja!" roept Evert uit, "'k docht, dat we al aardig an de gang ware, hè!"

"Jawel," zegt Keetje, "maar dan komt eigelijk pas wat ze "sta-in-de-maag" noeme: ossehaas met groente d'r om heen, kalfsvleesch met sper..."

"Nee hoor, nou is 't genoeg!" roept Evert uit, naar zijn mand grijpende, "da 'k 't niet krijg, da's tot daar an toe, maar om er nou alleenig van te motte hoore, da's al te arremoeïig."

"En wil je wel geloove, da' 'k dat lekkere ete niet eens lust?" vraagt Grietje.

"Niet?" vraagt Evert. "Hei jij dan zoo'n beroerde maag?"

"Gelukkig niet," antwoordt Grietje, "maar 'k ben er vies van."

"Kom", zegt Evert,--"vies...!"

"Dat ben 'k," bevestigt Grietje, "en Kee ook. Is 't niet waar, meid?"

"Ba," roept Keetje uit, haar oogen dicht knijpende en haar hoofd afkeerende, "dat vieze gedoe!"

"Daar wor je ziek van," beweert Grietje. "We zegge zoo dikkels tege mekaar,--is 't niet Kee--as de kok in de keuke bezig is: "dat moste ze binne nou 's zien, hoe 't hier wordt klaar gemaakt, dan zette ze 'r geen mond an."--Want niet alleenig, dat er niks op tafel komt of ie is 'r met ze hande an geweest, maar met 't eigeste lepeltje proeft ie van alles; en as ie zoo gauw niks bij de hand het, om 'n sausie om te roere, dan kan ie 't met ze vinger ook wel."

"En as je dan binne bent om te diene," zegt Keetje, "dan hoor je meneer tegen mevrouw van hier naast zegge: "wel mevrouw, is dat nou geen lekker sausie?" En dan zeit zij,--met 'n pracht van 'n diamante koljee om d'r magere, bloote hals: "ja""--en Keetje trekt een allerliefst mondje--""dat mo' 'k zegge, da' 's heusch delicieus!""

"Nee hoor," zegt Evert, "as 't zóó is, dan lust ik toch ook liever me moeders pot."

"En daar doe je wijs an," verzekert Grietje. "Lekker ete is goed, maar zindelijk ete is lekkerder. Afijn, voor dit jaar is 't alweer 't laatste diné, het mevrouw gezeid; want 't wordt zaggies an weer tijd, dat we na buite gaan."

"Mooi zoo!" roept Evert uit, "dan zà je me baas weer effe hoore moppere.--Gaan jelui al gauw?"

"Dat zal geen zes weke meer dure," antwoordt Grietje.

"Maar ik ga al gauwer," zegt Keetje.

"Zoo! wanneer ga jij dan?" vraagt Evert.

"Van aved, hoor!--as 'k de voordeur achter me toe trek. En wanneer ga jij?"

"Ik ga van 't jaar maar 's in 't geheel niet," antwoordt Evert; "me moeder wil de Blomstraat niet uit, en ik zie hier in Amsterdam"--en hij knipoogt tegen Keetje--"blommetjes genog."

"As dat dan waar is," zegt Keetje, "dan ga ik met me blommetje maar gauw weg. 'k Sta hier maar te prate, asof 't vandaag geen kamerdag is."

"En ik dan!" roept Evert uit, de mand op zijn schouder zettende. "Ik mot al de klanten nog of.--Maar 't is juilie schuld; je hadt toch ommers wel daalijk kanne zegge, dat er niks te zegge was!"

"Zie je Kee, zoo gaat 't nou altijd, kind," zegt Grietje. "En daarom zegge ze dan ook:

As Adam in 'n appel bijt, Ofschoon door Eva _niet_ verleid, Dan weet ie 't toch zóó an te legge, Dat _zij_ er 't loodje bij mot legge.

En nou atjuus hoor," zegt zij, met een hoofdknik naar Evert. "En droom van nacht 's van me. Zal je?"

"'k Hoop er om te denke," antwoordt Evert. "Maar 'k zal in alle geval an me moeder zegge, dat ze me mot wakker make as 'k 't vergeet.--Adie...!"

Het straatorgel.

"'Morges vroeg porre en overdag orgel-draaie--zoo kom 'k an de kost, sedert me man van de steiger is gevalle en 'n stijve arm en 'n stijf been het," zegt Bet Bos, bij de buren bekend als "orgel-Bet". "En à je me nou vraagt, of 'k dat in me jonge jare heb gedocht, da' 'k op die manier door de tijd zou komme, dan is 't nee; want toe 'k me man trouwde--dat was toe 'k keukemeid was bij mevrouw Govers, op de Keizersgracht over de Westermart--'n goed mens daarvan niet, maar zij en d'r man konne niet overweg, en zoo was er dikkels ruzie, da' 'k wel gezien heb, dat de bure d'r hoofd over de schutting stakke; en ze wou-e dan ook wel van mekaar of, maar dat wou zij niet, om 't schandaal en de kindere, zei ze--toe _ik_ me man trouwde," herhaalt Bet, diep adem halende, want de lange tusschenzin heeft het laatste zuchtje lucht uit haar longen gedreven, "toe was ie 'n boom van 'n kerel, en verdiende ie twaalf tot veertien gulde in de week.--Ja mens, zoo benne we begonne, knappies in de meubeltjes, want _hij_ had 'n paar cente overgehouwe en _ik_ had 'n spaarpotje gemaakt, en knappies in de verdienste, want met musse-make verdiende 'k er nog wat bij. En zoo docht 'k niet anders of 't zou wel schikke in me trouwe. Maar op 'n goeje dag... daar brochte ze 'm t'huis! Heere! heere!"--en Bet slaat haar handen in elkander--"zoo goed als in stukke en brokke! En daar ha' je 't gedoe an de gang!--'k Zou wijs doen, as 'k 'm na 't gasthuis liet brenge, zei de dokter; 't zou lang dure, en as 'k dat allemaal most betale...! Maar 'k wou er niet van hoore. "Nee," zeg 'k, "daarvoor is niet getrouwd!" En zoo hieuw 'k 'm in huis. Maar toe ie weer overeind sting en over de kamer kon scharrele, hè' 'k menig stukkie motte wegbrenge om de dokter en de aptheker te betale, en begreep 'k wel, dat _ik_ in 't vervolg de kost zou motte verdiene in plaas van me man; want daartoe was ie niet meer in staat. Och ja,"--en met beide handen strijkt Bet het haar aan haar voorhoofd glad--"zoo is 't gegaan; en zoo is 't gekomme, da' 'k met 'n orgel loop. Maar 't het zoo motte weze, zalle we maar denke; en as je tegeswoordig op de een of andere manier an de kost komt, dan mag 'n mens al blij weze, zeg 'k."

En als Bet, die praatgraag is als een fonograaf, deze wederwaardigheden heeft medegedeeld aan een jufvrouw, in een achterbuurt wonende, en naar voren gekomen om, onder het voorwendsel van een cent voor de muziek te offeren, een praatje te maken, dan klotst zij het houten trapje van de voordeur naar de straat af, en als zij zich met haar orgel verwijdert, laat bedoelde jufvrouw een punt van haar boezelaar, die zij onder het praten tusschen den band om haar lijf heeft gestoken, weer vallen, stroopt langzaam haar mouwen weer op, waarbij zij nu rechts dan links de straat op kijkt, en gaat eindelijk op een drafje haar woning in, om tot haar ergernis te ontdekken, dat het zeepzop koud is geworden, en zij haar tijd derhalve verpraat heeft.

En onderwijl loopt Bet de straat uit en de Palmgracht op, waar een aantal van haar vaste klantjes wonen.

Zij is een klein, maar stevig gebouwd vrouwtje, goed berekend voor haar beroep, dat een sterk gestel en meer spierkracht eischt, dan men, oppervlakkig beschouwd, zou denken. Om al haar kracht tot het draaien van het orgel te kunnen aanwenden, want "draaie en cente ophale, dat doen 'k zellevers," zegt ze, "draaie om de haverderij, weet je, en cente ophale,--nou, dat begrijp je wel," heeft zij een zeventien- of achttienjarigen jongen in haar dienst, wiens bijzonder groot hoofd, met uitzondering van enkele lange, witblonde haren aan het achterhoofd, zoo kaal is als een spoelkom, en die, diep over de kruk gebogen, en voortdurend, om het orgel heen, voor zich uit ziende, het gevaarte voortduwt. Maar niettegenstaande deze stuwende kracht, kost het ten gehoore brengen der verschillende nummers van het _répertoire_ Bet nog heel wat inspanning; en met recht noemt zij dan ook het draaien van tien of twaalf "moppies," als er een ziek kind opgevroolijkt--of de pret in een bruiloft gehouden moet worden, "'n heele karrewei." Want zoodra zij de kruk heeft gegrepen, bevestigd aan het wiel, waardoor aan dit prachtstuk van een instrument de lieflijke tonen ontlokt worden, geraakt haar geheele lichaam in beweging, en slingeren haar korte rokken, waarvan lange rafels afhangen, om haar beenen, "zoo asse de gowwevies," zou Mozes zeggen, "zoo asse de gowwevies kabbewe om 'n schip." Eerst draait zij een poos met haar rechterhand, en dan grijpt zij, al draaiende, de kruk met haar andere hand, welk links draaien de actie van haar bovenlijf,--door de ongemakkelijke houding die zij daarbij moet aannemen, eenigszins van het orgel af, en door het voortdurend heen en weer slingeren van haar rechterarm,--niet weinig verhoogt. Door haar kleine gestalte moet zij bovendien, om het wiel geheel te kunnen ronddraaien, zich onophoudelijk op haar teenen verheffen, waardoor telkens zichtbaar wordt, dat haar roode kousen aan de hielen _à jour_ zijn gewerkt, en zoo is het geen wonder, dat een zucht haar ontsnapt, als de laatste tonen van het lieflijke: "Daisy, Daisy!" zijn weggestorven, en dat zij eerst haar zwart wollen muts, tengevolge van al die bewegingen op haar achterhoofd gezakt, naar voren moet trekken, voordat zij de koperen lip, aan den zijkant van het orgel aangebracht, verschuift en vastzet, en van haar programma, dat bijzonder rijk aan afwisseling is, het tweede nummer: _la dernière pensée_ van Weber, doet hooren.