Klea en Irene: roman

Part 9

Chapter 93,966 wordsPublic domain

Kleopatra verheugde zich over zijn lang en langzaam drinken, want zij meende dat de Romein hiermede wilde zeggen, hoe hij niet ophouden kon zich gelukkig te prijzen over de gunst die zij hem bewezen had. Geen oogenblik wendde zij hare blikken van hem af, en met genoegen nam zij waar, hoe zijne wangen beurtelings bleek en rood werden. Zij merkte niet op dat Eulaeus met bliksemende oogen alles opmerkte, wat er tusschen haar en Publius omging.

Eindelijk zette de Romein den beker neder en zocht verlegen naar een antwoord op hare vraag, hoe de wijn hem had gesmaakt.

"Heerlijk, voortreffelijk," zeide hij ten laatste met moeite, doch zag bij deze woorden niet meer Kleopatra aan, maar Euergetes, die juist luide uitriep: "Uren lang heb ik over deze plaats nagedacht, u mijn gronden ontwikkeld, en u laten uitspreken, Aristarchus, maar ik blijf daarbij--en wie het loochenen wil doet Homerus onrecht--dat voor iu moet gelezen worden siu.

Euergetes zeide dit met zoo groote opgewondenheid, dat zijne woorden alle andere gasten overstemden. Publius beschouwde ze als een welkom middel, om de noodzakelijkheid te ontgaan gevoelens te veinzen, die hij volstrekt niet koesterde, en daarom zeide hij, terwijl hij zich half tot Euergetes half tot Kleopatra richtte:

"Wat komt het er op aan te weten, of wij zus of zoo, iu of siu moeten lezen. Ik kan veel in anderen eerbiedigen, wat mij persoonlijk vreemd is, maar ik ben niet instaat te begrijpen, hoe een krachtig handelend man, een verstandig vorst en een flink drinker als gij zijt, Euergetes, zich uren lang kan neerzetten achter half vergane papyrus-rollen, en zich het hoofd kan breken over de vraag, of dit of dat woord bij Homerus zóo of anders moet luiden."

"Gij beproeft evenzeer uwe krachten aan andere dingen," gaf Euergetes ten antwoord. "Ik houd wat onder dezen gouden hoofdwrong steekt voor het beste wat ik heb, en ik oefen mijne scherpzinnigheid in het fijnste en kleinste, evenals ik de kracht van mijne armen gaarne beproef aan den sterksten athleet. Laatst heb ik er vijf in het zand geworpen, en zij beven al, als ik in het Timagetische worstelperk [12] verschijn. Er zou in de wereld geen kracht zijn, als er geen tegenstand was, en niemand zou weten hoe sterk hij is, wanneer hij geene hinderpalen ontmoette. Ik zoek de zoodanige op, die het meest met mijn aard overeenkomen, en ik kan het niet helpen, wanneer ze niet in uw smaak vallen. Een edel ros zou deze voortreffelijk bereide spijzen, wanneer ze het dier werden voorgezet, versmaden en niet kunnen begrijpen hoe dwaze menschen zoo iets zouts lekker kunnen vinden. Niet alle schepselen houden van zout. Hun die ver van de zee wonen smaken de oesters niet, maar ik als lekkerbek open zelf de schalen om ze zoo versch te kunnen opslurpen, en ze warm en wel in mijn wijn te mengen."

"Ik houd niet van overmatig zoute spijzen, en wat het openmaken van die zeedieren betreft, dat laat ik gaarne aan mijne slaven over," antwoordde Publius. "Ik win daardoor tijd en bespaar mij onnutten arbeid."

"Dat weet ik," zeide Euergetes. "Gij houdt er Grieksche slaven op na, die voor u moeten lezen en schrijven. Er is immers eene markt, waarop men lieden kan koopen, die ons kwaad humeur moeten verdragen, wanneer wij de nachten in drinkgelagen hebben doorgebracht? Aan den Tiber gaan andere dingen de mannen meer ter harte dan studie."

"En," zeide Aristarchus, hem in de rede vallende, "men ontzegt zich daardoor de edelste en fijnste genietingen, want het reinste genot is altijd dat, hetwelk wij ons verwerven door opofferingen en krachtsinspanning."

"Doch wat gij door deze soort van arbeid wint," hernam Publius, "is klein en beteekent niet veel. Ik stel u mij daarbij voor als een man, die in het zweet zijns aanschijns een blok steen voortsjouwt, om het op een musschenveertje te leggen, opdat de wind het niet weg zal waaien."

"Wat is klein en wat is groot?" vroeg Aristarchus. "Tegenstrijdige opvattingen over de zelfde zaak kunnen beide waar zijn, want het hangt alleen van onszelven en onze eigene waarneming af, hoe de dingen zich aan ons voordoen, zooals koud of warm, aangenaam of onaangenaam. Als Protagoras zegt, dat de mensch de maatstaf is van alle dingen, dan is dit de meest aannemelijke van alle stellingen der sophisten. Overigens zult gij inzien, dat zelfs het kleinste voorwerp des te hooger beteekenis heeft, naarmate het geheel, waarvan het een deel uitmaakt, meer volmaakt is. Snijd een karrepaard een oor af, wat schaadt het? Maar denk nu eens dat dit gebeurde met een edel ros, hetwelk gij op het veld van Mars afrijdt! Bij eene boerin heeft een rimpel, een tand meer of minder weinig te beteekenen, maar anders is het bij het gelaat van eene gevierde schoone. Haal krassen, zooveel als gij wilt, over het menschenbeeld, dat door de ruwe vingers van een pottenbakker op een waterkruik is geboetseerd, aan het armoedig vaatwerk zal het niet veel schade doen, maar al krast gij ook maar met eene naald over den gesneden steen met de beeltenissen van Ptolemaeus en Arsinoë, die het kleed van Kleopatra om haren schoonen hals samenhoudt, de rijkste vorstin zou het betreuren, alsof zij een onherstelbaar verlies geleden had.

"Wat is er volmaakter en meer waard om zorgvuldig bewaard te worden, dan de edelste werken van groote dichters en denkers! Deze voor schade te vrijwaren, deze te zuiveren van de fouten, die in den loop der tijden hun onberispelijk werk zijn ingeslopen, ziedaar wat wij ons ten doel stellen. En als wij steenblokken voortrollen, dan doen wij het niet om ze op een musschenveertje te wentelen, opdat de wind er niet mede zou spelen, maar om de deur te sluiten, waarachter een kostbaren schat wordt bewaard, en deze voor schade te behoeden.

"De praatjes van meisjes bij eene bron mogen met den wind verwaaien, en niemand behoeft zich daarover te bekommeren; maar kan een zoon een enkel woord vergeten van de lessen, die een stervende vader hem als richtsnoer voor zijn levensweg medegeeft? Wanneer gijzelf zulk een zoon waart, en uw oor had de vermaningen van den stervenden slechts onvolledig opgevangen, hoeveel talenten zoudt gij dan wel willen betalen, om de ontbrekende woorden te kunnen aanvullen! Wat zijn de onsterfelijke werken van groote dichters en denkers anders dan zulke heilige terechtwijzingen, die voorwaar niet tot een enkele, maar tot alle beschaafden gericht zijn, waar zij zich ook bevinden. Evenals heden, zullen zij nog na duizend jaren de nakomelingen leeren, hunne harten verheffen en verblijden, en deze zullen, als zij geene ontaarde zonen zijn, ook hun danken, die hunne beste krachten wijden aan het aanvullen en in zijne oorspronkelijke zuiverheid herstellen van hetgeen hunne groote voorvaderen hebben gezegd, eer het door zorgeloosheid en domheid verminkt en bedorven wordt.

"Hij die als koning Euergetes in Homerus éene juiste syllabe in de plaats zet van eene valsche, die heeft, naar ik meen, alle volgende geslachten een dienst, en wel een grooten dienst bewezen--"

"Wat gij daar zegt," hernam Publius, "klinkt overtuigend, maar toch ben ik nog niet volkomen overtuigd; zeker omdat ik van jongs af geleerd heb, daden boven woorden te stellen. Het gemakkelijkst zou ik mij kunnen verzoenen met uw vervelend geknutsel, wanneer ik mij voorstel dat aan u werd opgedragen de juiste bewoordingen te herstellen van wetten, die geheel verkeerd kunnen worden opgevat, wanneer er een woord is uitgevallen; of dat mij een slecht bericht over eene enkele handeling, of over den levensloop van een vriend of bloedverwant werd voorgelegd, en mij verzocht werd dit van fouten en verkeerde uitleggingen te zuiveren."

"Maar wat zijn de werken der heldendichters en geschiedschrijvers dan anders dan de dichterlijk uitgewerkte of overeenkomstig de waarheid verhaalde levensgeschiedenissen onzer vaderen?" vroeg Aristarchus. "Het is juist aan deze dat mijn koning en studiegenoot zich met bijzonderen ijver wijdt."

"Wanneer hij niet drinkt en doorslaat en regeert, en met offers en processiën en andere dwaasheden zijn tijd verbeuzelt," zeide Euergetes. "Ware ik geen koning, misschien zou er dan uit mij een Aristarchus zijn gegroeid. Thans ben ik een halve vorst, want de eene helft van mijn rijk behoort aan u, Philometor,--en een halve geleerde, want wanneer vind ik rust genoeg om te denken en te schrijven?

"Alles is half, ja half aan mij, terwijl ik, als het gewicht den doorslag gaf, een..." en hij sloeg zich op zijn lijf en zijn voorhoofd, "een dubbel man zou zijn."

"Geheel," dus ging hij voort, "meer dan geheel ben ik alleen bij het drinkgelag, wanneer de wijn fonkelt in de bekers en ik de oogen zie schitteren in de aanvallige kopjes der fluitspeelsters te Alexandrië en te Cyrene; menigmaal ook in den raad, wanneer het er op aankomt; en overal wanneer er iets buitengewoons te doen is, waarvoor mijn broeder en gij allen wèl, en misschien alleen de Romeinen niet terug zouden deinzen. Zoo is het, en gij zult het ondervinden!"

Euergetes had deze laatste woorden, met vuurroode wangen en onrustig heen en weer rollende oogen, meer uitgeschreeuwd dan gesproken, terwijl hij den krans met den gouden hoofdband had afgenomen en weder met de handen door zijne haren streek. Zijne zuster hield daarbij beide ooren dicht en zeide:

"Gij doet mij pijn! Daar niemand u tegenspreekt en gij niet gewoon zijt als de Scythen door hard spreken uwe beweringen te bekrachtigen, zoo zoudt gij beter doen het metaal uwer stem te sparen voor het mededeelen van datgene, waarmede gij ons, zoo ik hoop, heden nog vermaken zult. Voor uw kracht, waarop gij roem draagt, hebben wij ons reeds meer dan eens moeten buigen, doch thans, bij dit vroolijk maal, willen wij daaraan niet denken, maar liever blijven bij het gesprek, dat ons verkwikt en zoo goed begonnen werd. Door zulk eene warme verdediging van alles wat in Alexandrië het hart der Hellenen vervult, gelukt het ons wellicht onzen Publius Scipio, en door hem ook vele jonge Romeinen, achting in te boezemen voor eene geestesrichting, die hij alleen veroordeelen kon, zoolang hij nog niet is staat was haar te begrijpen.

"Soms maakt het treffend woord van een dichter ons op eenmaal duidelijk, wat wij ondanks lange geleerde uiteenzettingen niet vermogen te vatten. Ik herinner mij zulk een woord, dat een onbekende heeft gesproken, en dat u allen, en ook u, Aristarchus, bevallen zal. Het vat in korte woorden den inhoud van ons gesprek samen en luidt aldus:

't Kleine menschenkind, aan 't strand, Speelt aan d'oever van den tijd, Schept er met zijn tengre hand Druppels uit de eeuwigheid.

't Kleine menschenkind wil zoeken, Wat er fluistrend ommedwerrelt, Schrijft het in geschiednisboeken Die hij noemt het boek der wereld.

"Wij hebben deze verzen aan een verstandig vriend te danken, en een ander maakte er de volgende variant op.

Schepte niet het kleine menschenkind, Druppels uit der tijden oceaan, Wat geschiedde ware ras als wind In het niet der eeuwigheid vergaan.

Druppels uit de golven van den tijd Schept het menschenkind met kleine hand, Maar bij 't licht van 't denkende verstand Spiegelt daarin toch zich de eeuwigheid.

"Kleine menschenkinderen zijn wij allen, maar hen die druppels verzamelen mogen wij zeker niet geringer schatten dan hen, die aan den oever van den oceaan hun leven doorbrengen met spel en strijd...."

"En liefde," zeide de eunuuch zachtjes, haar in de rede vallende, terwijl zijn blik zich naar Publius richtte.

"De strophen van uw dichter zijn bevallig en treffend," zeide Aristarchus, het woord nemende, en eene vergelijking met het kind dat druppels schept, laat ik mij gaarne aanleunen. Er is een tijdperk geweest, dat helaas met den grooten Aristoteles is afgesloten, waarin onder de Grieken mannen waren, die den oceaan, waarvan gij spreekt, met nieuwen toevoer voedden. Want de goden hadden hun de kracht geschonken bronnen te doen ontspringen, evenals die wonderdoener Mozes, van wien ons onlangs de jood Onias vertelde, en wiens geschiedenis ik in het heilige boek der Hebreën heb nageslagen. Deze--ik bedoel dien Mozes--sloeg slechts water voor het lichaam uit de rots, terwijl wij aan onze wijsgeeren en dichters een lafenis voor den geest en het hart te danken hebben, die nimmer opdroogt.

"Thans is de tijd voorbij, waarin zulke scheppende geesten, die goden gelijken, geboren worden, en dat hebben uwe voorvaderen, o koningin, wel erkend, toen zij den grondslag legden tot het museum in Alexandrië en de boekverzameling, waarvan ik bewaarder ben, en die ik, dank zij uwe hulp, mag uitbreiden. Wat in de dagen onzer grootheid was ontstaan, kon, toen Ptolemaeus Soter het museum oprichtte, niet door nieuwe werken vermeerderd worden; maar hij stelde ons, druppels verzamelende kinderen, tot taak alles bijeen te brengen, te ziften en te zuiveren, en voor deze taak zijn wij, geloof ik, opgewassen.

"Men zegt, dat het niet minder moeielijk is een vermogen te behouden als het te vergaderen, en zoo hebben wij, die zulke bewaarders zijn, toch altijd aanspraak op eenigen lof, en dat te meer, omdat wij de kunst verstaan het gevondene goed te ordenen, tot ons voordeel aan te wenden, toe te passen, te verklaren en in waarde te doen toenemen. Als er uit onzen kring iets nieuws te voorschijn komt, is dit altijd slechts eene voortzetting van het oude. Toch is het ons ook gelukt dat oude op velerlei gebied, met name op dat der ervaringswetenschappen, te overvleugelen. De verheven geest van het voorgeslacht zag overal rond in de ruimte, maar onze kortzichtige blik kan het nabijliggende scherper onderzoeken. Wij hebben den zekeren weg voor elken arbeid des geestes gevonden, namelijk de wetenschappelijke methode, en beter dan onzen voorgangers gelukt het ons de dingen nauwkeurig waar te nemen, zooals zij zijn. Ziedaar waarom in onzen kring op het gebied van de natuurwetenschappen, de wiskunde, de kennis van den hemel, de werktuigkunde en de aardbeschrijving ongehoorde resultaten worden verkregen. Ook de ijver waarmede mijne geestverwanten verzamelen..."

"Is groot!" riep Euergetes, hem in de rede vallende. "Maar met het stof, dat zij bijeenscharrelen, verstikken zij het frissche denken, en daar het hun vóor alle dingen bij het verzamelen om 'het vele' te doen is, vergeten zij te ziften wat groot en wat klein is, en geven zij aan Publius Scipio en zijns gelijken, die over den arbeid der geleerden de schouders ophalen, gegronde reden om hen in het gezicht uit te lachen. Gaarne zou ik drie vierde van uwe geleerden aan een handwerk zetten, en ik doe het nog eens op zekeren dag, ja ik doe het.--Dan jaag ik al uw ellendig gespuis het museum en mijn hoofdstad uit. Dan kunnen zij bij u, Philometor, die alles bewondert waartoe gijzelf niet in staat zijt, die alles bezitten wilt wat ik wegwerp, en hen vertroetelt die ik verafschuw, een goed onderkomen vinden, en Kleopatra speelt wellicht bij hun intocht te Memphis wel op de harp."

"Wellicht," antwoordde de koningin, met een bitter lachje. "Want het is zeer waarschijnlijk, dat uw toorn ook waardiger mannen zal treffen. Ik zal mij tegen dien tijd in de muziek oefenen, en daarbij gebruik maken van het werk, dat gij begonnen zijt over de harmonie te schrijven. Heden levert gij ons proeven, hoever gij reeds gevorderd zijt in de kunst, de tonen uwer ziel harmonisch te stemmen."

"Ha, zoo bevalt ge mij," riep Euergetes. "Zoo houd ik van u, zuster! Het staat een jongen adelaar slecht, te kirren als eene duif, en gij hebt scherpe nagels, al verbergt gij ze ook onder zachte veeren.

"Het is waar, dat ik over de harmonie schrijf, en ik doe het met voorliefde, want zij behoort tot de verschijnselen, wier waarneming het meest binnen ons bereik ligt en die bovendien onvergankelijk zijn, daar zelfs geen godheid ze zuiver en onvermengd in de werkelijkheid kan ontdekken. Waar vindt gij harmonie in die worsteling en dat gewarrel van het leven des heelals? En ons aanzijn zelf is een verkleind spiegelbeeld van dat wordings- en vernietigingsproces, waaraan alles onderworpen is wat met de zinnen is waar te nemen, nu eens langzaam en onmerkbaar, dan weder onder geweldige stuiptrekkingen, maar nooit op eene harmonische wijze.

"Deze harmonie, die zelfs vreemd is aan het leven der goden, deze harmonie, die ik ken en toch niet in staat ben te vatten, die ik lief heb en toch niet bezit, waarnaar ik smacht en die mij altijd ontvlucht, zij is in de wereld der ideeën en dáar alleen te huis. Ik ben als een dorstige, en zij is voor mij de verre onbereikbare bron. Ik drijf op de oneindige zee en zij is een land, dat al verder terugwijkt, hoe meer ik het waan te naderen.

"Wie noemt mij het rijk, waarin zij ongestoord en onverhinderd als koningin regeert? Wien gaat een schoone ernstiger ter harte: hem die slapend in hare armen rust, of hem die door hartstochtelijk verlangen naar haar wordt verteerd? Ik zoek, wat gijlieden meent te bezitten, ha ha! te bezitten!

"Ziet eens rond in de wereld en in het leven, ziet eens met mij rond in dit vertrek, waarop gij trotsch zijt! Een Griek heeft het gebouwd, maar dewijl gij niet meer tevreden zijt met de welluidendheid van eenvoudige vormen; daar de pracht van het oosten, waarin gij geboren zijt, u toelacht, omdat zij uwe ijdelheid streelt, en u, zoo vaak gij haar aanschouwt, herinnert dat gij rijk en machtig zijt, hebt gij den bouwmeester bevolen niet te letten op eenvoud en waardigheid, maar zulk een bont onding samen te stellen als dit, dat juist zooveel gelijkt op de feestzaal van een Pericles, als ik of gij, Kleopatra, in onzen feesttooi op een god of eene godin van Phidias in hun eenvoudig gewaad. Doch, dat moet gij weten! Maar u, Kleopatra, heb ik dit te zeggen: Ik schrijf thans over de harmonie, en later misschien ook over gerechtigheid, waarheid en deugd; hoewel ik weet dat dit enkel zaken zijn, die noch in de natuur, noch in ons leven voorkomen, en waarmede ik mij bij mijne handelingen niet inlaat, doch die mij in elk geval wel een onderzoek waard schijnen, evenals elke andere dwaling, door wier ontdekking men komen kan tot de erkentenis van hetgeen stellig waar is. Wijl de eene mensch den ander vreest, heeft men aan deze beperkingen--gerechtigheid, waarheid of hoe zij verder heeten mogen--hoogdravende benamingen gegeven, heeft men ze tot eigenschappen der goden gestempeld en onder bescherming der hemelbewoners gesteld. Ja, men ging in zijne bezorgdheid zoover, dat men als schoon en goed aanprees zich te spenen van het vrije genot des levens ter wille van deze drogbeelden. Denk aan Antisthenes en zijne navolgers, denk aan die gekken, die zich in den Serapis-tempel hebben opgesloten! Alleen wat vrij is, is schoon, en niemand is minder vrij dan hij, die zijne neigingen te allen tijde, en dan nog meestal te vergeefs tracht te breidelen, om in den geest van vreesachtige zwakhoofden deugdzaam, rechtvaardig en overeenkomstig de waarheid te leven. Het eene dier verslindt het andere, nadat het hem gelukt is zijn vijand in openlijken strijd of door list te overmeesteren. De klimop verstikt den boom; het woestijnzand doodt de velden; sterren vallen van den hemel en aardbevingen vernielen steden. Gij gelooft aan goden, wat mij betreft ik geloof er ook aan; wanneer nu dezen het leven op elk gebied zóo hebben ingericht, dat de sterkere den zwakkere moet overwinnen, waarom zal ik dan mijne kracht niet gebruiken, en haar laten beperken door die hooggeroemde verdoovingsdranken, die slimme voorvaderen hebben bereidt om mij en mijns gelijken het heete bloed te koelen en de gespierde vuist te verlammen?

"Bij mijne geboorte heb ik den naam Euergetes, d. i., 'weldoener', ontvangen, doch wanneer men mij eens Kakergetes d. i. 'boosdoener', noemen wil, kan mij dit weinig schelen, want wat gij goed noemt heet beperking, en wat gij boos noemt, vrijheid en onbeteugelde kracht. Voor een luiaard en lediglooper zou ik niet willen doorgaan, want alles in de natuur is beweging en werkzaamheid, en daar ik met Aristippus genot als het hoogste goed heb erkend, zoo wil ik den roem gaarne verwerven, meer genoten te hebben dan alle anderen, eerst met den geest, maar niet minder ook met dit lichaam, dat ik liefheb en vertroetel."

Terwijl hij zoo sprak, hadden verschillende der aanwezigen luide teekenen van ontevredenheid gegeven. Publius, die voor het eerst in zijn leven zulk een lastertaal hoorde, had de woorden van den onstuimigen jonkman met ontzetting gevolgd. Hij gevoelde zich niet opgewassen tegen dien sterken, in alle kunsten van denken en redeneeren fijn geslepen geest, maar toch kon hij niet nalaten het gehoorde te weerleggen, en daarom zeide hij, toen Euergetes zweeg, om zijn pas gevulden beker te ledigen:

"Als wij allen uwe grondstellingen wilden volgen, dan zou er, geloof ik, in weinige eeuwen niemand meer zijn, om ze aan te nemen, want de aarde zou ontvolkt zijn. Gezonde moeders zouden de schriftrollen, waarin gij zoo zorgvuldig 'iu' in 'siu' veranderd hebt, gebruiken, waar zij ze maar vonden, om in dit aan hout zoo arme land er de soep voor hunne kinderen op te koken. Eerst hebt gij er u op beroemd, dat gij een Alcibiades waart, maar hetgeen dezen Griek onderscheidde en de oorzaak was waarom de Atheners zoo hoog met hem wegliepen,--ik bedoel zijne schoonheid--is allerminst te vereenigen met deze leer, die de menschen tot denkende roofdieren verlagen zal. Want wie voor schoon gehouden wil worden, moet--dat heb ik reeds in Rome geleerd en niet voor 't eerst in Athene vernomen, en ik heb het goed onthouden--die moet vóor alle dingen de kunst verstaan zich te beperken en maat te houden. Een Titan heeft misschien gedacht en geredeneerd als gij, een Alcibiades zeker niet!"

Euergetes steeg het bloed naar het hoofd, toen hij dit hoorde, maar hij hield het scherpe beleedigende antwoord in, dat hem op de lippen zweefde. Het overwinnen van de toornige opwelling in zijn gemoed werd hem lichter gemaakt, door dat juist op dit oogenblik Lysias tot de feestvierenden terugkeerde, die, na zich verontschuldigd te hebben over zijn langdurig uitblijven, eerst Kleopatra en daarna haren gemaal de gesneden steenen van zijn vriend Publius voorlegde. Zij werden uitbundig geprezen; ook Euergetes was alles behalve karig in zijn lof. Elk der aanwezige gasten moest toestemmen nooit iets schooners en bevalligers te hebben gezien, dan deze Hebe, met de oogen zoo schuchter nedergeslagen, dan deze godin der overreding, die hare hand legde op den arm der bruid.

"Ik zal Peitho voorstellen," zeide Kleopatra, op beslisten toon.

"En ik Heracles!" riep Euergetes.

"Maar wie," vroeg koning Philometor, "is nu de schoone, die gij Lysias, voor dit onvergelijkelijk lieftallig beeld van Hebe op het oog hebt. Terwijl gij afwezig waart, heb ik mij de gelaatstrekken van alle vrouwen en meisjes, die onze burcht bezoeken, voor den geest geroepen, maar om de eene na de andere te verwerpen."

"De schoone, die ik bedoel," antwoordde Lysias, "heeft noch dit paleis, noch eenig ander ooit betreden, en ik begin bijkans te vreezen, dat ik te ver ga, wanneer ik onze verhevene koningin voorstel, een armoedig kind, al is het ook maar in eene vertooning, eene plaats in te ruimen aan hare zijde."

"Ik moet althans haar arm met mijne hand aanraken," zeide de koningin bezorgd, terwijl zij de vingers introk, als vreesde zij iets onreins aan te raken. "Wanneer gij een bloemenmeisje bedoelt, eene fluitspeelster, of zoo eene...."

"Hoe zou ik u zoo iets onbetamelijks durven voorslaan," zeide Lysias, de koningin haastig in de rede vallende. "De jonkvrouw, waarop ik doel, zal zoowat zestien jaren tellen; zij is de onschuld in eigen persoon, en ziet er uit als eene bloemknop, die na nog éen verkwikkenden regen, in den vroegen morgen kan ontluiken, maar nu nog in zijne kelkbladeren besloten is. Zij is van Helleensche afkomst, van uwe grootte, Kleopatra, heeft wonderbaarschoone gazellenoogen in haar kopje, dat met dik bruin haar is getooid, heeft als zij lacht bevallige kuiltjes in de wangen, en zij zal ongetwijfeld lachen, als zulk eene Peitho haar toespreekt."