Part 4
"Ik verzoek u het andermaal te doen," antwoordde de opperpriester. "Zóo, ditmaal gelukte het spel nog beter dan zoo even. Ik was vooraf zeker van uw kunst, doch vergeet niet, waarop het hier vooral aankomt. De beide koningen en de koningin zullen misschien het feest bijwonen, Philometor en Kleopatra in elk geval, en zij hebben de oogen goed open. Bovendien zal de Romein, die nu reeds voor de vierde maal aan de processie deelnam, hen begeleiden, en wanneer ik hem juist beoordeel, dan behoort hij, gelijk zooveel grooten van zijn volk, tot dezulken, die zich weinig om anderen bekommeren, als het noodig is zich met de oude goden tevreden te stellen, en die de wonderen welke wij hun kunnen vertoonen, niet zoomaar op goed geloof aannemen, maar aan eene nuchtere kritiek onderwerpen. Lieden van dit slag, die zich schamen niet te bidden, die echter niet philosopheeren, maar juist zooveel nadenken als noodig is om goed te handelen, dat zijn de gevaarlijkste vijanden van het bovenzinlijke."
"En de natuuronderzoekers dan in het museum?" vroeg Krates: "Zij gelooven slechts aan de werkelijkheid van hetgeen zij zien en tasten kunnen."
"Daarom zijn juist zij," antwoordde de opperpriester, "dikwijls zeer gemakkelijk door uwe kunst te misleiden. Daar zij toch eene werking zien zonder oorzaken, zijn zij te eer geneigd de niet waarneembare oorzaken voor bovenzinnelijk te houden. Doe thans de deuren weder open, laten wij door het zijpoortje naar buiten gaan en neem gijzelf ditmaal de taak op u Serapis een handje te helpen. Bedenk wel, dat Philometor alleen dan de akkerschenking zal bekrachtigen, wanneer hij, bij het verlaten van den tempel, diep doordrongen is van de grootheid van onzen god. Zou het mogelijk zijn vóor den verjaardag van koning Euergetes, die in Memphis gevierd zal worden, het nieuwe wierookvat gereed te hebben?"
"Wij zullen zien," gaf Krates ten antwoord. "Eerst moet ik echter het slot van de groote poort van het Apis-graf in elkaar zetten, want zoolang ik het in mijne werkplaats bij mij heb, kan ieder den grafkelder openen, die eene pen door het gat boven den grendel steekt, en ieder dien sluiten, die de ijzeren bouten verschuift. Laat mij maar roepen, alvorens het spel met de lichten begint; ondanks mijne ellendige voeten, zal ik komen. Omdat ik deze zaak nu eens op mij genomen heb, en daarom alleen, zal ik haar voleindigen, doch ik zou meenen, dat ook zonder zulke bedrieglijke middelen...."
"Wij bedriegen niet," zeide de opperpriester, zijn medehelper streng berispende. "Wij geven alleen kortzichtigen menschenkinderen in bevattelijken, zinnelijk waarneembaren vorm het leven en werken der godheid te aanschouwen."
Na deze woorden keerde de trotsche man den smid den rug toe, en verliet door eene zijpoort de zaal. Krates opende echter de ijzeren deur en sprak, terwijl hij zijne werktuigen bijeenzocht, zoo luid in zichzelven, dat Klea het in haar schuilhoek duidelijk verstond: "'t Kan mij niet schelen, maar bedrog is bedrog, hetzij een god een koning, of een kind een bedelaar bedriegt."
"Bedrog is bedrog," zeide Klea den smid na, en trad, nadat de laatste het vertrek had verlaten, uit haar schuilhoek te voorschijn. Zij bleef staan in de groote voorzaal en zag in het rond. Voor de eerste maal merkte zij op, dat de kleuren op den wand hier en daar waren verdwenen, dat de zuilen in den loop der tijden veel hadden geleden, en dat de tegels van den vloer losgeraakt waren. De geur van den wierook had thans voor haar iets walglijk zoets, en toen zij een ouden man voorbijging, die met de grootste geestdrift biddende zijne armen omhoog hief, zag zij met een blik van medelijden op hem neder.
Toen zij de pylonen [8] was doorgegaan, die het eigenlijk heiligdom afsloten, keerde zij zich om en schudde, terwijl zij er op terugzag, verwonderd het hoofd. Voorzeker, zij wist dat sedert een uur geen steen aan den Serapis-tempel veranderd was, en toch scheen hij haar even vreemd toe als het landschap, dat wij in lentetooi leerden kennen, en in den winter met ontbladerde boomen wederzien; evenzeer veranderd als een vrouwelijk gelaat, dat wij onder den sluier, die het bedekte, voor schoon hielden, en dat ons, ontdaan van dit hulsel, blijkt vol rimpels en zonder eenige aanvalligheid te zijn.
Zoodra zij het woord van den smid "bedrog is bedrog" vernam, ontwaarde zij een pijnlijk gevoel in hare borst, en was zij niet in staat de tranen tegen te houden, die opwelden in hare oogen, anders aan weenen weinig gewoon. Maar zoodra zij met hare eigene lippen het harde oordeel van den ouden Krates had nagezegd, waren hare tranen opgedroogd, en nu zij in opgewonden stemming den tempel overzag, evenals een wandelaar die van een goeden vriend afscheid neemt, haalde zij vrijer adem, richtte zich hooger op en keerde het heiligdom van Serapis, met een gewond hart maar trotsch, den rug toe.
Bij de woning van den deurwachter kwam haar een kind te gemoet, waggelende op zijne voetjes en met de armpjes in de hoogte. Zij hief het van den grond op, kuste het en vroeg daarna de moeder, die haar kwam groeten, om een stukje brood, want de honger begon haar nu gevoelig te kwellen. Terwijl zij het droge baksel opat, bleef het kind op haar schoot zitten, en volgde met groote oogen de bewegingen van hare hand en haren mond. Het was een knaapje van ongeveer vijf jaren, met zulke zwakke beentjes, dat zij den last van zijn lichaam nauwelijks konden dragen, maar met een allerliefst gezichtje. Het ventje zag er bijzonder wezenloos uit, alleen als de kleine Philo Klea zag aankomen, begonnen zijne oogjes van vreugde te flonkeren.
"Neem deze melk," zeide de moeder van het knaapje, terwijl zij de jonkvrouw een aarden schaaltje overhandigde, "al is het niet veel, en ook dit zou ik u zelfs niet kunnen aanbieden, als Philo eten wilde gelijk andere kinderen. Maar het schijnt dat het slikken hem pijn doet, hij drinkt twee druppels en eet een hapje; meer gebruikt hij echter niet, of men moet hem klappen geven."
"Gij hebt hem toch niet weder geslagen?" vroeg Klea verwijtend, en drukte het kind aan haren boezem.
"Ik niet, maar mijn man," antwoordde de vrouw, terwijl zij verlegen aan haar kleed trok. "Het kind is op een gunstigen dag en in eene goede ure geboren, en toch blijft het zwak en leert niet praten. En dat ergert Phianchi."
"Hij zal alles weder bederven!" zeide Klea ontevreden. "Waar is hij?"
"Hij werd in den tempel geroepen."
"Doet het hem dan geen plezier, dat Philo 'vader' tegen hem zegt, en 'moeder' tegen u, dat hij mij bij den naam noemt en velerlei dingen weet te onderscheiden?" vroeg het meisje.
"O zeker," antwoordde de vrouw. "Hij zegt, dat gij het jongske praten leert als een spreeuw, en wij zijn u daarvoor dankbaar."
"Ik vraag geen dank," haastte Klea zich te zeggen, "maar hetgeen ik verlang is, dat gij den jongen niet scheldt en straft, maar dat ge u met mij verheugt wanneer gij ziet, dat zijn arme sluimerende geest langzaam ontwaakt. Als het zoo met hem voortgaat, zal het lieve kereltje nog eens recht verstandig worden.--Hoe heet ik, mijn jongen?"
"Ke-ea," antwoordde de kleine, terwijl hij zijne vriendin toelachte.
"En proef nu eens, wat ik hier in de hand heb. Wat is dat? Ik kan wel zien dat gij het weet. Het heet--nu fluister het mij maar zacht in het oor.--Ja, ja, zoo is 't, me-mel-melk, juist zoo, mijn jongen! Het is melk en zóo heet het. Doe nu je bekje eens open en zeg het mij vlug na--nog eens, en nog eens weder. Als je het twaalfmaal goed gezegd hebt, geef ik je een kus.--Zie zoo, nu hebt ge ook het kusje verdiend. Ik geef je er hier een en daar een.--Hoe heet dat dingetje daar? Je o--? Je oor! Ja zoo is het goed,--en dat is je neus."
De oogjes van het kind helderden onder deze vriendelijke les al meer en meer op. Klea zoo min als haar kleine leerling werden het moede, tot dat, na verloop van een uur, het geluid van den slag op het koperen bekken, dat lang naklonk, haar wegriep. Toen zij wilde heengaan waggelde de kleine haar pruilend achterna. Doch zij nam het jongske op den arm, droeg het weder naar zijne moeder, en ging daarop naar hare kamer, om zichzelve en hare zuster voor den optocht te kleeden.
Op den weg naar het pastophorium dacht zij weder aan haren gang naar den tempel en aan haar gebed. "Vóor het sanctuarium," zeide zij tot zichzelve, "mocht het mij niet gelukken mijne ziel te bevrijden van hetgeen haar verontrustte, maar wel toen ik mijn best deed, om het tongetje van den armen jongen los te maken. Elke reine plaats, zou ik meenen, kan een god zich ten heiligdom kiezen, en is eene kinderziel niet reiner dan een altaar, waarbij de waarheid wordt gehoond?"
In hare kamer trad Irene haar te gemoet. Deze had het haar reeds opgemaakt, den granaatbloesem daarin gestoken, en vroeg Klea thans, of zij haar zoo beviel.
"Gij ziet er uit als Aphrodite zelve," antwoordde Klea, en gaf haar een kus op het voorhoofd. Vervolgens schikte zij de plooien in het gewaad harer zuster, maakte hare sieraden vast, en begon ook zichzelve aan te kleeden. Terwijl zij hare sandalen vaster aanhaalde, vroeg Irene: "Waarom zucht gij zoo pijnlijk?" en Klea antwoordde: "Het is mij als hadden ze mij heden andermaal van mijne ouders beroofd."
VIJFDE HOOFDSTUK.
De optocht was afgeloopen.
Bij den dienst, die daaraan was voorafgegaan in het Grieksche Serapeum, had Ptolemaeus Philometor aan de priesterschap van dezen tempel volstrekt niet het geheele, maar slechts een matig deel toegestaan van het akkergeschenk, waarover zij hem vele smeekschriften hadden overhandigd.
Nadat het hof weder naar Memphis opgebroken en de processie ontbonden was, keerden ook de zusters in hun vertrek terug, Irene met blozende wangen en een lachje om den mond, Klea met zekeren somberen en onheilspellenden glans in de oogen.
Terwijl de beide zusters zonder te spreken hunne kamer naderden, riep een tempeldienaar de oudste, en beval haar hem te volgen naar den opperpriester, die verlangde haar te spreken. Zwijgend reikte Klea hierop aan Irene hare kruik over, en werd in een vertrek van den tempel gebracht, hetwelk diende tot bewaarplaats der heilige gereedschappen. Terwijl zij daar wachtte, vlijde zij zich op een zetel neder.
Ook de mannen, die in den morgen het pastophorium bezochten, hadden met de koninklijke familie den optocht gevolgd. Nadat de feestelijkheid was afgeloopen, verwijderde de Romein Publius zich van zijne geleiders, en ging spoedig, zonder afscheid te nemen en strak voor zich ziende, naar het pastophorium en de tent van den kluizenaar Serapion.
De oude vernam reeds van verre den voetstap van den jonkman, die met zijne stevige zolen, zijn zelfbewusten en krachtigen gang, heel anders liep dan de priesters van Serapis, met hun zachten tred. Vriendelijk heette hij hem welkom met de hand en den mond.
Publius bedankte hem koeltjes en ernstig, en zeide daarop bits en zeer kortaf: "Mijn tijd is beperkt. Ik denk Memphis weldra te verlaten. Doch ik beloofde uw verzoek aan te hooren, en omdat ik woord wil houden, zoek ik u op, heden reeds, maar, zoo als ik zeide, alleen om woord te houden. De draagsters der waterkruiken, waarvan ge mij een en ander wilt mededeelen, gaan mij niets aan. Ik geef om hen evenveel als om de zwaluwen, die daar over het huis vliegen."
"Toch hebt gij heden morgen om Klea's wil eene lange wandeling gemaakt," antwoordde Serapion.
"Ik heb dikwijls nog veel verder geloopen om een hert te schieten," hernam de Romein. "Wij mannen vervolgen het wild niet, omdat wij verlangen het te bezitten, maar omdat wij vermaak scheppen in het jagen. Doch er zijn ook jagersnaturen onder de vrouwen. In plaats van speer en boog gebruiken zij vurige blikken, en wanneer zij dan meenen, dat zij hun wild daarmede getroffen hebben, dan keeren zij het den rug toe. Tot deze soort behoort ook uwe Klea, en die lieve kleine van heden morgen ziet er uit, als liet zij zich gaarne jagen. Intusschen lust het mij even weinig het wild als de jager van een meisje te zijn. Drie dagen moet ik mij nog beneden in Memphis ophouden, om enkele zaken af te doen, dan keer ik dit dwaze land voor altijd den rug toe."
"Heden morgen," zeide Serapion, die begon te vermoeden wat deze boosheid, die maar al te duidelijk sprak uit de woorden van den Romein, had opgewekt, "heden morgen scheen het, dat gij met uwe afreis vrij wat minder haast maaktet dan thans. Het komt mij dus voor, dat gij zelf op een vluchtend wild gelijkt; maar Klea ken ik beter dan gij. Het jagen is haar zaak niet, maar nog minder laat zij zich jagen, want zij bezit eene eigenschap, die gij, waarde Publius Scipio, zeker boven alle andere zult kennen en waardeeren: zij is trotsch, zeer trotsch, en zij mag het zijn, hoe minachtend gij ook uw neus optrekt, als wildet ge zeggen: Hoe komt eene kruikdraagster van Serapis, een arm schepsel, dat slecht gevoed wordt en eene ondergeschikte betrekking bekleedt, aan een trots, die hoogstens met eenig recht ontwaken kan bij hen, die boven anderen door een of ander voorrecht uitsteken? Dit meisje nu, ge kunt mij gelooven, heeft vele redenen om haar hoofd op te heffen, niet alleen omdat zij van vrije, edele ouders afstamt; omdat zij eene zeldzame schoonheid bezit; omdat zij, zelve nog een jong kind zijnde, met zelfverloochenende liefde en trouw, als eene moeder zich een ander kind, eene jongere zuster heeft aangetrokken,--maar inzonderheid, en gij zult dit, als ik u goed beoordeel, beter dan andere jongelieden kunnen begrijpen, omdat zij trotsch blijven moet, ten einde bij de nederige diensten, die zij helaas, gedwongen is te verrichten, nimmer te vergeten, dat zij eene vrije edele vrouw is. Gij kunt van uwe hooghartigheid afstand doen en toch blijven die gij zijt; maar deed zij het, en begon zij zich te voelen als een dienstbare, dan zou zij ten laatste worden, wat zij niet is en toch zijn moet. Een edel ros, dat men dwingt lasten te trekken, wordt tot een karrepaard, zoo haast het verleert den kop op te heffen en de pooten vrij te bewegen. Klea is trotsch omdat zij het zijn moet, en wanneer gij rechtvaardig zijt, zult ge op deze jonkvrouw niet boos zijn, omdat zij u misschien vriendelijk heeft aangezien, daar gij van de goden een uiterlijk hebt ontvangen, geschikt om aan elke vrouw te behagen. Doch alle pogingen om hare gunst te winnen zouden schipbreuk lijden, omdat zij zich voor te goed houdt, om zelfs door een Cornelius met zich te laten spelen, en toch voor te gering, dan dat zij ooit zou durven hopen, dat iemand van uw stand zich zou vernederen, om haar tot vrouw te begeeren. Ongetwijfeld heeft zij u beleedigd, doch ik kan slechts vermoeden waardoor. Is het door hare trots, dan mag u dat niet krenken, want eene vrouw is als een krijgsman, die het harnas alleen dan aangespt, wanneer zij wordt bedreigd door een tegenstander, wiens wapenen zij vreest."
De kluizenaar had deze woorden, om niet door zijn buurman gehoord te worden, meer gefluisterd dan overluid gesproken, en wischte zich, toen hij zweeg, het zweet van het voorhoofd, want als iets zijn gemoed aandeed, dan was hij gewoon zijn zware stem luide te laten klinken, en het kostte hem dus geen geringe inspanning, deze stem zoolang in te houden.
Publius had hem strak aangekeken, maar daarna de oogen nederslagen, en Serapion tot het einde aangehoord, zonder hem in de rede te vallen. Daarbij was hij van schaamte gaan blozen, als ware hij een schoolknaap; en toch was hij een zelfbewust en kloekmoedig jonkman, die in moeilijke omstandigheden zichzelven volkomen wist te beheerschen, zooals men dit van een man in de kracht des levens verwacht. Bij al zijne handelingen placht hij nauwkeurig te weten wat hij wilde, en zonder opwinding alleen datgene te doen, wat hem goed en nuttig toescheen. Onder de woorden van den kluizenaar drong zich nu de vraag aan hem op, wat hij toch eigenlijk van de kruikdraagster verlangde, en daar hij geen antwoord kon vinden, begon hij te weifelen. Deze onzekerheid en ontevredenheid met zichzelven klom hooger naarmate hetgeen hij hoorde hem juister toescheen, en hij zich in den grond van zijn hart minder geneigd gevoelde om afstand te doen van het meisje, waaraan hij dagen lang, ook tegen zijn wil, had moeten denken, wier beeld hij gaarne uit zijn gemoed zou hebben verwijderd, dat hem echter juist om de woorden van den kluizenaar begeerlijker voorkwam dat ooit te voren.
"Misschien hebt gij gelijk," antwoordde hij, na eenige oogenblikken zwijgens, insgelijks op zachten toon, want op eene zachte toespraak volgt gewoonlijk een niet minder zacht antwoord. "Gij kent dit meisje beter dan ik, doch wanneer gij haar naar waarheid hebt geteekend, dan zal het juist goed zijn, dat ik bij mijn voornemen blijf en Egypte, of laat ik het maar ronduit zeggen, uwe beschermelinge verlaat, want ik heb van haar niet anders te wachten dan òf een nederlaag òf eene overwinning, waarover ik later slechts berouw zou kunnen gevoelen. Klea heeft heden mijne blikken ontweken, als vloeide er uit mijne oogen gif, gelijk uit den tand van een adder. Ik heb derhalve met haar niets meer uit te staan. Toch zou ik wel willen weten hoe zij in dezen tempel is gekomen, en als ik haar van dienst kan zijn, wil ik het doen--om uwentwil. Vertel mij thans wat gij weet, en zeg mij wat ge van mij begeert."
De kluizenaar knikte met het hoofd, ten teeken van bijval, wenkte hem nader te komen en terwijl hij zich nederboog naar het oor van den man, dat naar hem was toegekeerd, vroeg hij zacht: "Is de koningin u gunstig gezind?"
Toen Publius hierop toestemmend had geantwoord, begon Serapion, met een uitroep van tevredenheid, aldus zijn verhaal:
"Heden morgen hebt gij vernomen, hoe ikzelf in deze kooi kwam, en dat mijn vader opzichter van de tempelschuur is geweest. Terwijl ik in den vreemde omzwierf, werd hij van zijn ambt ontzet, en misschien ware hij in de gevangenis gestorven, wanneer een braaf man hem niet geholpen had zijne eer en vrijheid te redden. Dit alles zou u niets aangaan, en zou ik daarom wel voor mijzelven kunnen houden, maar deze man was de vader van Klea en de kleine Irene; de vijand, door wien de mijne onschuldig lijden moest, is de bandiet Eulaeus. Gij weet, of waarschijnlijk weet gij het niet, dat de priesterschap bij wijze van belasting bepaalde leverantiën heeft te doen aan het koninklijk hof. Zoo, weet gij het? Het is ook waar, gij Romeinen stelt meer belang in rechts- en administratiezaken, dan in voorwerpen van kunst en in ideeën. Het was het werk van mijn vader, deze schenkingen uit te betalen en van den eunuuch ze in ontvangst te nemen. Maar deze vetgemeste baardelooze gulzigaard, deze veelvraat, wien elke perzik, die hij gegeten heeft en in het vervolg mogelijk nog verslinden zal tot vergif moge worden, hield de helft van het geleverde achterwege, en toen de rentmeesters bemerkten, dat in 's konings schatkamer dáar, waar men koorn en geweven stoffen meende te zullen vinden, niets dan ledige ruimte was, maakten zij alarm, hetwelk natuurlijk eer het oor bereikte van den dief, die bij het hof veel invloed had, dan dat van mijn arme vader. Gij hebt Egypte een wonderlijk land genoemd of zoo iets, en dat is het ook werkelijk, niet alleen om die steenen tarwebrooden daar ginds, die gij pyramiden noemt, en dergelijke zaken meer, maar omdat hier dingen gebeuren kunnen, die bij u in Rome zoo onmogelijk zouden zijn als maneschijn op den middag, of een paard met een staart aan zijn neus! Eer het kwam tot een aanklacht tegen Eulaeus beschuldigde hij mijn vader van verduistering der goederen, en vóor het districtshoofd met zijne beambten een blik in de acten had geslagen, stond hun oordeel over den valschelijk aangeklaagde reeds vast, want de eunuuch had een vonnis van hen gekocht, gelijk men een visch of een koolstruik op de markt inkoopt. In den ouden tijd werd hier te lande de godin der gerechtigheid afgebeeld met geslotene oogen, thans kijkt zij in de wereld rond als een schele vrouw, die met éen oog den koning aanziet, en met het andere gluurt naar het goud in de handen van den aanklager of den beschuldigde. Mijn arme vader werd natuurlijk veroordeeld, en reeds begon hij in de gevangenis te twijfelen aan de gerechtigheid der goden, toen om zijnentwil het grootste wonder geschiedde, dat in dit land der wonderen ooit heeft plaats gehad, sedert de Grieken in Alexandrië heerschen. Een eerlijk man trok zich zonder menschenvrees de reeds verloren zaak van den armen veroordeelde aan, en rustte niet, voor hij hem zijne eer en zijne vrijheid had teruggegeven. Maar de gevangenschap, de schande, de verkropte verontwaardiging hadden langzamerhand de krachten van den mishandelden man gesloopt, gelijk een houtworm een cederstam verteert. Hij kwijnde weg en stierf. Met zijn redder, Klea's vader, liep het, tot loon voor deze moedige daad, nog erger af dan met hem, want hier aan den Nijl wordt de deugd op aarde gestraft, gelijk bij u de ondeugd. Waar de ongerechtigheid heerschappij voert, daar ziet men het schrikkelijkste gebeuren, namelijk dat de goden partij schijnen te trekken voor de boozen. Hij die niet hoopt op eene vergelding aan gene zijde des grafs, zorgt wel, zoo hij geen dwaas of wijsgeer is--en dat komt in de meeste gevallen op hetzelfde neer--dat zijn wandel niet al te rein is.
"Philotas, de vader van de kruikdraagsters, wiens ouders uit Syracuse afkomstig waren, behoorde tot de aanhangers van de leer van Zeno [9], die ook bij u in Rome vele vrienden heeft en had het als beambte ver gebracht, want hij was voorzitter der Chrematisten, dat is een college van rechters, dat buiten Egypte zijns gelijke wel niet heeft, en zijn alouden roem beter gehandhaafd heeft dan eenig ander. Het trekt rond van district tot district, en vestigt zijn verblijf in de hoofdsteden om recht te spreken. Wanneer er appèl aangeteekend wordt tegen het vonnis, gewezen door het gerechtshof van deze of gene plaats, waarvan het districtshoofd voorzitter is, zoo wordt de zaak nog eens behandeld voor de Chrematisten, die gewoonlijk noch den aanklager noch den beschuldigde kennen. Door deze instelling kunnen de bewoners der provinciën zich de moeite en kosten besparen van eene reis naar Alexandrië of sedert het rijk verdeeld is, naar Memphis, waar de oppergerechtshoven bovendien met zaken overladen zijn.
"Onder alle voorzitters van de Chrematisten heeft niemand ooit zooveel naam gemaakt als Philotas, de vader van Klea en Irene. Evenmin als een musch zich waagt tegen een valk, evenmin beproefde iemand hem om te koopen, en hij was niet minder verstandig dan rechtvaardig, want hij was even bekend met de oude wet der Egyptenaren als met die der Grieken, en menig omkoopbaar rechter is op zijn hoede geweest, zoodra het bekend werd dat Philotas zich met zijne Chrematisten op reis had begeven, en heeft in plaats van een valsch een rechtvaardig oordeel geveld.
"Toen Kleopatra, de weduwe van Epiphanes, nog leefde en voor hare zonen Philometor en Euergetes, die thans in Memphis en Alexandrië regeeren, de voogdijschap voerde, hield zij Philotas in hooge eer en verhief hem tot den rang van verwant des konings. Doch zij was juist gestorven, toen de brave man mijns vaders zaak op nieuw ter hand nam, en hem uit den kerker bevrijdde.
"De roover Eulaeus en zijn spitsbroeder Lenaeus stonden juist op het toppunt van hun macht, want de jonge onmondige koning liet zich door hen leiden als een kind door zijne min. Als mijn vader een eerlijk man was, dan moest de eunuuch een boef zijn. Toen nu de Chrematisten dreigden Eulaeus voor hun rechtbank te dagen, wist die ellendeling den krijg te bewerken om het bezit van Coelesyrië tegen 's konings oom, Antiochus Epiphanes.