Klea en Irene: roman

Part 26

Chapter 261,636 wordsPublic domain

Euergetes stond, zwaar zuchtende en met verkropten spijt, nu eens zijne handen tot vuisten ballende, dan weder de bevende vingers wijd uitstrekkende, korten tijd zwijgend tegenover den Romein, die hem rustig en met een koelen blik in het aangezicht zag. Daarop streek hij met beide handen door zijn haar, schudde zijn hoofd geweldig heen en weer, en zeide: "Breng den senaat mijn dank over, en zeg hem, dat ik wist wat wij hem verschuldigd zijn, dat ik zijne wijsheid bewonder, die een verdeeld Egypte verkiest boven een in krachtige handen vereenigd Egypte. Philometor is vrij, en gij, Kleopatra, zijt vrij met hem."

Hij zweeg een oogenblik. Toen begon hij luide te lachen en riep de koningin toe: "Uw teeder hart, zuster, zal u nu zeker op de vleugelen der liefde naar uw echtgenoot voeren!"

Kleopatra's bleeke wangen hadden, terwijl de Romein sprak, sterk gekleurd. Zonder de honende woorden van haar broeder een antwoord waardig te keuren, liep zij trotsch naar de deur. Toen zij Publius voorbijging, zeide zij met eene deemoedige beweging van hare hand: "Wij zijn den senaat zeer verplicht."

Publius boog zich diep, doch zij keerde het hoofd van hem af en verliet het vertrek.

"Gij hebt den waaier vergeten en uwe kinderen!" riep de koning haar achterna. Doch Kleopatra luisterde niet naar deze woorden, want buiten het vertrek van haren broeder gekomen, verloor zij de tegenwoordigheid van geest, die zij tot hiertoe met alle inspanning had bewaard. De handen tegen de slapen van haar hoofd drukkende, vloog zij langs de breede trappen van het paleis naar beneden, alsof zij door vijanden vervolgd werd.

Toen het geluid harer voetstappen wegstierf, wendde Euergetes zich tot Cornelius en zeide: "Daar gij nu volbracht hebt, wat gij uw plicht achtet, zoo bid ik u om eene verklaring der duistere woorden van zooeven die niet zoozeer op den vorst dan op den mensch Euergetes betrekking hadden. Heb ik u goed verstaan, dan bedoeldet gij, dat men u naar het leven heeft gestaan, en dat in uw plaats een dier wonderlijke aan Serapis zich toewijdende oude mannen vermoord is."

"Op bevel van u en uw helper Eulaeus," antwoordde Publius koel.

"Treed nader, eunuuch!" zeide de koning met donderende stem tot den sidderenden hoveling, en zag hem met een vreeselijk dreigenden blik in de oogen. "Hebt gij moordenaars gehuurd, om mijn vriend, die dreigde uwe schanddaden aan het licht te brengen, en een aanzienlijk gast van ons huis is, te vermoorden?"

"Genade!" stamelde de eunuuch, en zonk voor den koning op de knieën.

"Hij bekent zijne misdaad!" sprak Euergetes, raakte met de hand den gordel van zijn jammerend werktuig aan, en beval Hiërax hem onverwijld aan de wacht over te geven, en voor aller oogen bij de hooge poort van den koningsburcht te laten ophangen. De eunuuch wilde nog spreken en om genade smeeken, maar de sterke veldoverste, die zulk soort van lieden haatte, sleurde hem overeind en duwde hem het vertrek uit.

"Gij hebt reden u te beklagen," zeide Euergetes, terwijl het gejammer van den voortgesleepten eunuuch op den trap wegstierf, "maar gij ziet hoe ik hen weet te straffen, die het wagen onze gasten te beleedigen."

"Deze ontvangt heden het loon, wat hij sedert jaren heeft verdiend," antwoordde Publius. "Doch nu wij alleen zijn, man tegenover man, moet ik ook met u mijne rekening vereffenen. Eulaeus heeft op uw bevel en in uw dienst twee moordenaars op mij afgezonden...."

"Publius Cornelius Scipio?" zeide de koning zijn vijand met dreigende stem in de rede vallende.

De Romein ging echter koel en rustig voort: "Ik zeg niets wat ik niet door getuigen kan laten bewijzen, en heb in twee brieven naar waarheid bericht, wat koning Euergetes in dezen nacht tegen het leven van een gezant van den Romeinsche staat heeft ondernomen. Het eene schrijven is aan mijn vader, het andere aan Popilius Laenas gericht, en beide brieven zijn reeds op weg naar Rome. Zij zullen, zoo heb ik bevolen, geopend worden, wanneer ik ze binnen drie maanden, van heden af gerekend, niet heb teruggevorderd. Gij ziet dat gij er belang bij hebt mijn leven te ontzien, en te doen al wat ik van u eischen zal. Voegt gij u in alles wat ik verlang naar mijn wil, dan zal al wat in dezen nacht geschied is,--dat beloof ik u, en ik heb mijn woord nog nooit gebroken--een geheim blijven tusschen u en mij, en nog een derde, voor welker stilzwijgendheid ik kan instaan."

"Spreek," zeide de koning, wierp zich op het rustbed neer, en trok, terwijl Publius sprak, de veeren uit Kleopatra's vergeten waaier.

"Ik verlang in de eerste plaats de vrijspraak van den koninklijken verwant en voorzitter van het Chrematisten-college, Philotas van Syracuse, de oogenblikkelijke bevrijding van hem en zijne vrouw van den dwangarbeid en hun terugkeer uit de bergwerken."

"Beiden zijn gestorven," zeide Euergetes: "mijn broeder kan het getuigen."

"Dan vorder ik, dat in een afzonderlijk decreet verklaard worde, dat Philotas onrechtvaardig is veroordeeld geworden, en dat hij in zijne eer worde hersteld. Ik verlang verder, dat gij mij en mijn vriend den Korinthiër Lysias, als ook den beeldhouwer Apollodorus vergunt, met de dochters van Philotas, Klea en Irene, die Serapis als kruikdraagsters dienen, ongehinderd Egypte te verlaten.--Gij talmt met uw antwoord?"

"Neen," antwoordde de koning en stak daarbij zijn hand in de hoogte, "want voor ditmaal heb ik het spel verloren?"

"Aan de dochters van Philotas, Klea en Irene," ging Publius voort met onverstoorbare kalmte, "moeten de verbeurdverklaarde goederen van hare ouders worden teruggegeven."

"Gij schijnt aan de schoonheid van uwe geliefde niet genoeg te hebben," merkte Euergetes spottend op, den Romein in de rede vallende.

"Ik ben er volkomen mede tevreden. Als laatste vordering verlang ik, dat deze goederen voor de helft aan den tempel van Serapis worden toegewezen, opdat de god gewillig en zonder tegenspraak van zijne dienaressen afstand doe. De andere helft moet aan mijn zaakwaarnemer Dicaearchus te Alexandrië overhandigd worden, daar ik wil dat Klea en Irene niet zonder het huwelijksgoed, dat haar toekomt, mijn eigen huis en dat van Lysias van Korinthe als echtgenooten zullen betreden. Binnen een uur moet ik het decreet en de acte van teruggave in handen hebben, want zoodra Juventius Thalna hier aankomt--en ik verwacht hem, gelijk ik zeide, nog heden--denken wij Memphis te verlaten en te Alexandrië scheep te gaan."

"Zonderlinge samenloop van omstandigheden!" zeide Euergetes. "Gij belet mij de wraak en verijdelt mijne liefde, en toch zie ik mij gedwongen u nog een goede reis te wenschen. Ik moet een offer brengen aan Poseidon, de Cyprische godin en de Dioscuren [32], opdat zij uw vaart begunstigen, en toch zal het schip den man dragen, die mij te Rome in de toekomst, door zijne bittere vijandschap meer benadeelen kan dan eenig ander."

"Ik zal voor dengene onder u optreden, aan wiens zijde het recht is."

Met een trotsche beweging zijner hand als afscheidsgroet verliet Publius het vertrek. Zoodra de deur zich achter den Romein had gesloten, sprong Euergetes van zijn rustbed af, schudde dreigend zijn gebalde vuist, en sprak: "Gij, stijve klant, kunt mij met uw opgeblazen patricische kliek aan den Tiber wel benadeelen, maar misschien win ik uws ondanks mijn spel! Gij kruist mijn weg in naam van Rome's senaat. Als Philometor in de voorvertrekken der consuls en senatoren zijne opwachting maakt, kunnen wij elkander daar zeker ontmoeten, maar ik wil het ook eens beproeven met het volk en zijne tribunen!

"Vreemd! In éen uur heeft deze kop", en hierbij wees hij op zijn hoofd, "meer goede invallen, dan zulk een koel heer in een jaar. En toch kan ik niet tegen hem op, en als ik billijk ben, moet ik toegeven: het was niet zijn geluk, het was zijne slimheid die mij overwon.--Laat hij met zijne trotsche Hera wegvaren, mij wenken in haar plaats te Alexandrië wel tien Aphrodite's.

"Ik ben als het ware het Hellas en hij het Rome van deze dagen. Wij jagen in den zonneschijn fladderende na, wat onzen zinnen bevalt, en onzen geest aantrekt, maar zij gaan, vóor zich ziende, met vasten tred op macht en voordeel af. Zoo komen zij verder dan wij, en toch--ik wil niet met hen ruilen!"

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Dus geheeten naar de pastophoren, tempelbeambten, die beelden en kleine altaren droegen.

[2] Onderkleed.

[3] Een muziekinstrument, dat bij godsdienstige plechtigheden werd gebruikt. Zie Ebers' Warda, Dl. I, Hoofdst. 7.

[4] Eiland in het noorden van de Aegeïsche zee.

[5] September.

[6] Eene muts in den vorm van eene mand.

[7] Het voorvertrek van het sanctuarium, waarin Klea zich bevond.

[8] De door een poortdoorgang verbonden torens aan den ingang van een Egyptischen tempel.

[9] Een Grieksch wijsgeer, afkomstig van Cyprus, die omstreeks 300 v. C. leefde. Hij was de stichter der Stoïsche wijsbegeerte.

[10] Jonge mannen die op 18 jarigen leeftijd meerderjarig waren verklaard.

[11] Het hoofd van den nomos Arabia, toen een deel van Egypte.

[12] Te Alexandrië.

[13] Een schip met drie rijen roeibanken boven elkaar.

[14] De koninklijke garde te paard bij het Macedonische leger.

[15] De koningsgezinden. Eene koninklijke lijfwacht.

[16] Steden in Opper- en Neder-Egypte.

[17] Holbewoners.

[18] Bestuurder of stadhouder.

[19] Aurora.

[20] De zonnegod.

[21] Een zuilengalerij te Athene.

[22] Vgl. Ebers' Warda, Dl. I, Hoofdst. 7.

[23] Opperbevelhebber.

[24] De geit uit wier hoorn ambrozijn vloeide. Deze hoorn, door de geit afgestooten, werd door Zeus onder de sterren geplaatst.

[25] Antisthenes was de stichter der Cynische, Zeno van de Stoïsche school. Strato behoorde tot de Peripaettische school en Aristippus, die leerde dat het genot het hoogste is, was de stichter der Cyrenaïsche.

[26] De beschilderde gaanderij te Athene, waar Zeno aan zijne leerlingen onderwijs gaf.

[27] Vgl. Ebers' Warda, Dl I, Hoofdst. 11.

[28] Werkkleed.

[29] Gesp.

[30] Overste der ruiterij.

[31] Murrha of myrrha heette eene kostbare steen of aardsoort.

[32] Castor en Pollux.