Klea en Irene: roman

Part 23

Chapter 233,961 wordsPublic domain

Klea boog zich nog eens over het lijk van den kluizenaar heen, hing de amulet, die hij haar op weg had medegegeven, om zijn hals, en volgde toen zwijgend haren vriend. Zoodra zij de processie bereikt hadden, deelde Publius den aanvoerder mede, hoe zij Serapion hadden gevonden, en verzocht hem het lijk te laten weghalen en op de kostbaarste wijze in het bij hun tempel behoorende huis, ter balseming voor de begrafenis te laten gereed maken. Eenige tempeldienaars plaatsten zich daarop bij het lijk om de wacht te houden en de optocht ging, nadat men Publius verscheidene vragen had gedaan en ook het lijk van den verslagen moordenaar was gevonden, naar den tempel terug.

Toen de beide geliefden weder alleen waren, greep Klea hartstochtelijk de hand van Cornelius en zeide: "Gij hebt vriendelijke woorden tot mij gesproken, en ik dank u daarvoor, doch ik ben gewoon oprecht te zijn, en nog minder dan ieder ander zou ik u willen bedriegen. Wat uwe liefde mij ooit zal geven, zal een geschenk voor mij zijn, want gij zijt mij niets schuldig, maar ik u des te meer. Want gij hebt, gelijk ik thans weet, mijne zuster gerukt uit de handen van den machtigste hier in dit land, en toen ik vernam dat Irene u gevolgd was, en dat moordenaars uw leven bedreigden, heb ik waarlijk geloofd, dat gij het meisje verleid hadt om u als haren minnaar te volgen. Toen, ja toen haatte ik u; toen--ik moet het bekennen--toen wenschte ik in mijne schrikkelijke verblinding u den dood toe."

"Meent gij," vroeg Publius, "dat deze wensch mij zou krenken? Neen, liefste, zij leert mij eerst recht, dat gij mij bemint, zooals ik bemind wil zijn. Zulk een toorn, in zulk een toestand, is de donkere schaduw der liefde, en is van haar even onafscheidelijk als van alles wat werkelijk bestaat. Waar die schaduw wordt gemist, daar kan van zoo iets geen sprake zijn, daar heeft men te doen met een vluchtig droombeeld, met een schim, met een ijdel niets. Eene Klea kan niet half beminnen, niet half haten. Maar evenals bij elke andere vrouw, is er ook in u voor mij iets raadselachtigs. Hoe veranderde toch in u de wensch, om mij te zien sterven, in het ontzettend besluit om u voor mij te laten dooden?"

"Ik zag de moordenaars," antwoordde Klea, "en werd aangegrepen door afschuw van hen en van hun voornemen, en van alles wat daarmede verwant is. Ik wilde Irene's geluk niet verstoren, en ik beminde u toch nog oneindig vuriger dan ik u haatte, en toen,--doch zwijgen wij daarvan!"

"Neen, zeg alles!"

"Toen kwam er een oogenblik...."

"Welnu, Klea?"

"Toen--ik heb die laatste uren, terwijl wij daar straks, weinig sprekende, hand in hand bij het lijk van den armen Serapion zaten, ten tweedenmale doorleefd--toen greep het middernachtelijk gezang der priesters mij in de ziel, en toen ik onder de tonen van dit vrome lied mijn hart verhief, was het mij alsof alles wat binnen in mij was verstijfd en verhard, werd verzacht en verwarmd, en nieuwe beweegkracht ontving. Ik moest weder denken aan al wat recht en goed is, en snel vatte ik toen het besluit op, mij voor uw geluk en dat van Irene op te offeren, en dat plan kon ik niet weer opgeven. Mijn vader behoorde tot de leerlingen van Zeno...."

"En gij," zeide Publius, haar in de reden vallende, "wildet handelen overeenkomstig de leer van de Stoa [26]. Ik ken haar ook, maar vruchteloos zoek ik naar den deugdzame en wijze, die in staat zou zijn te midden van den strijd des levens zóo te handelen, als die leer voorschrijft, door de geheele zedenwet in alle deelen, zonder tegen een enkel gebod te zondigen, als het ware vleesch en bloed te doen worden en in zichzelven te belichamen. Hebt gij ooit gehoord van de zielsrust, de gelatenheid en gelijkmoedigheid van den Stoïcijnschen wijze? Gij kijkt alsof die vraag u beleedigde, maar gij hebt u volstrekt al deze eigenschappen niet weten te verwerven, want ik heb u tegen elke van deze zien zondigen. Zij zijn ook in strijd met het wezen der vrouw, en, den goden zij dank, gij zijt geen Stoïcijn in vrouwengewaad, maar eene vrouw in den waren zin des woords. Van Zeno en Chrysippus hebt gij niets geleerd, behalve wat elke boerendeern van haren vader leeren kan, ik bedoel, oprecht te zijn en de deugd lief te hebben. Laat het daarbij blijven, ik ben daarmede meer dan tevreden."

"O Publius," zeide Klea, terwijl zij de hand van haren vriend vatte, "ik versta u en weet dat gij gelijk hebt. Ongelukkig is de vrouw, zoolang zij meent sterk van geest te zijn, en in den waan verkeert, dat zij geen anderen steun noodig heeft, dan haar eigen willen en denken, geen anderen raadsman dan een verstandig uitgedacht leerstelsel, dat zij slechts heeft aan te nemen. Eer ik u bezat en trotsch op mijn deugd mijn eigen weg ging, was ik--ik mag er thans niet meer aan denken--slechts klein, terwijl ik me voor groot hield. Maar nu weet ik, ook al mocht het noodlot u van mij wegnemen, den steun te vinden, waarop ik mij in nood en vertwijfeling kan verlaten. Niet in de Stoa, niet in zichzelve kan eene vrouw dien steun vinden, maar wel in vroom vertrouwen op de hulp der goden."

"Ik ben een man," zeide Publius, even het woord nemende "en toch offer ik hun en buig ik mij gewillig voor hunne raadsbesluiten."

"Doch ik zag," vervolgde Klea, "gisteren in den tempel van Serapis door zijne dienaars onwaardige dingen bedrijven, en dat deed mij leed, dat stuitte mij tegen de borst, en daardoor verloor ik de godheid uit het oog; maar de diepste ellende, de innigste liefde deden mij haar wedervinden. Ik kan mij de kracht, die de wereld onderhoudt, niet meer zonder liefde, en de liefde, die de menschen zoo gelukkig maakt, niet meer zonder godheid denken. Wie eens voor een dierbaar wezen heeft gebeden, gelijk ik in de woestijn voor u, die verleert het bidden nimmermeer. Zulk een smeekgebed is zeker niet te vergeefs. Ook al is er geene godheid die het hoort, in het gebed zelf ligt toch eene wonderbare versterkende kracht.--Nu ga ik bedaard naar onzen tempel terug, tot gij mij afhaalt, want ik weet dat wijzen en goeden, die weten te zwijgen, trouw over onze liefde waken."

"Gij wilt mij dus niet vergezellen naar Apollodorus en Irene?" vroeg Publius verrast.

"Neen," antwoordde Klea vriendelijk, "breng mij liever naar het Serapeum terug. Niemand heeft mij nog ontslagen van den plicht, dien ik daar op mij nam en het zal voor ons beiden voegzamer zijn, wanneer Asklepiodorus u de dochter van Philotas tot vrouw geeft, dan wanneer gij u verbindt met eene geroofde dienares van Serapis."

Publius zag een oogenblik voor zich, daarna zeide hij op levendigen toon: "Ik zou toch willen, dat gij met mij medegingt. Gij zult zwaar vermoeid zijn, maar ik voer u op mijn muildier naar den beeldhouwer Apollodorus. Aan de praatjes van de menschen stoor ik mij weinig, wanneer ik mijzelven bewust ben goed te handelen. En voor Euergetes zal ik u weten te beschermen, hetzij dat gij begeert weder in den tempel toegelaten te worden, of mij naar den kunstenaar te volgen. Kom nu mede, het valt mij te zwaar weder afscheid van u te nemen. De overwinnaar legt zijn krans niet ter zijde, onmiddellijk nadat hij dien in een zwaren strijd heeft gewonnen."

"Toch verzoek ik u mij naar het Serapeum terug te brengen," hernam Klea, terwijl zij hare rechterhand in die van Cornelius legde.

"Vindt gij den weg naar Memphis te lang, en gevoelt gij u geheel afgemat?"

"Ik ben zeer uitgeput van opwinding en angst, van smart en vreugde, en toch zou ik den rit wel kunnen uithouden. Maar ik blijf bij mijn verzoek mij naar den tempel terug te brengen."

"Niettegenstaande gij u krachtig genoeg gevoelt om mij te vergezellen, en ondanks mijn verlangen om u terstond naar Apollodorus en Irene te brengen?" vroeg Publius verwonderd, en trok zijne hand uit de hare terug. "Daar beneden staat het muildier te wachten. Leun op mijn arm. Kom en doe naar mijn wensch!"

"Neen, Publius, neen! Gij zijt mijn heer en altijd wil ik u gehoorzamen zonder weerstand te bieden. Slechts in éen ding moet ge mij heden en ook in het vervolg vrijlaten. Wat eene vrouw betaamt, weet ik beter dan gij, dat kan alleen de vrouw beoordeelen."

Publius antwoordde niets op deze woorden, maar hij kuste haar, sloeg zijn arm om haar midden en zóo zij aan zij wandelende, bereikten zij de poort van het Serapeum, om daar voor weinige uren van elkander afscheid te nemen.

Klea werd in den tempel binnengelaten, en zoodra zij gehoord had, dat het den kleinen Philo beter ging, strekte zij zich op hare armoedige legerstede uit. Hoe eenzaam scheen haar nu die kamer toe, hoe verlaten zonder Irene? Eene ingeving van het oogenblik volgende, stond zij op van haar eigen bed, legde zich op dat van Irene neder, alsof haar dit nader bracht bij de thans ver van haar verwijderde zuster, en sloot de oogen. Maar zij was te vermoeid en nog te opgewonden, om vast te slapen. Allerlei droomen, die elkander snel afwisselden, verstoorden telkens haar oprecht dankgebed en haren ongerusten slaap, en tooverden haar nu eens wonderbaar schitterende, dan weder verschrikkelijke, nu eens lieflijke en zalige, dan weder akelige en treurige beelden voor den geest. Daarbij was het haar te moede, als hoorde zij muziek in de verte en als wiegden onzichtbare handen haar op en neder. Het indrukwekkend beeld van den Romein overheerschte alle andere.

Eindelijk sloot een verkwikkende slaap hare oogen. Zij droomde zich in het huis van den geliefde te Rome. Zij zag zijn deftigen vader, en zijne eerwaardige moeder, die op de hare scheen te gelijken, en vele groote en strenge senatoren. Zij gevoelde zich beklemd onder al deze vreemden, die haar vragend aankeken en vervolgens haar goedig de hand reikten. Ook die edele matrone naderde haar vriendelijk en omhelsde haar. Toen Publius echter zijne armen voor haar opende en zij aan zijne borst vloog en zijne lippen op de hare meende te voelen, klopte de dienstmaagd, die iederen morgen de ronde deed om te wekken, aan hare deur, zoodat zij ontwaakte.

Ditmaal verheugde zij zich over haar droom en gaarne had zij langer geslapen; maar zij vermande zich en stond van hare legerstede op, en eer de zon geheel verrezen was, was zij aan de bron en vulde, om haar plicht niet te verzuimen, beide kruiken met water voor het altaar van den god. Vermoeid en nog slaapdronken zette zij de gouden kruiken op hun plaats, en rustte aan den voet van een pilaar uit, terwijl een priester het door haar aangedragen water als dankoffer over den grond uitgoot.

Het was geheel dag geworden, toen zij daarna weder door de vele zuilen van den tempelhal in den voorhof keek. Het pas opgegane licht speelde om de zuilen, en zijne schuinsche stralen vielen door de hooge poort in de zaal, waar het anders zoo schemerdonker was, maar die zij nu tot aan het einde helder verlichtte. Hoe plechtig, hoe verheven kwam haar nu deze plaats voor, die als opnieuw gewijd scheen! Een onweerstaanbaren drang volgende, sprak zij, tegen een pilaar geleund, met omhooggeheven armen en oogen, voor den god haar dank uit, omdat hij zoo goed was geweest, en zij wist niet anders te bidden dan dit éene, dat hij Publius en Irene en haar zelve en alle menschen voor leed en kommer en misleiding bewaren mocht. Zij was te moede alsof haar hart een donker lichaam was geweest, dat opeens het vermogen had ontvangen om helder te lichten; alsof het verdord was geweest en nu eene groeikracht had verkregen, die frisch groen en schoone veelkleurige bloemen te voorschijn riep.

Het is ook hun vergund goed te handelen, die, op eigen krachten steunende, met zedelijken ernst hunne krachten inspannen, om naar de beginselen van recht en waarheid te leven; maar de deugd en het waarachtig innerlijk geluk vieren het feest van hunne verbintenis alleen in zulke harten, die een god weten te zoeken en te vinden, hij moge dan Serapis of Jahveh heeten.

Aan de poort van het voorhof ontmoette Klea onverwachts Asklepiodorus, die haar beval hem te volgen. De opperpriester had vernomen dat zij heimelijk den tempel had verlaten. Toen zij in zijn stil vertrek met hem alleen was, vroeg hij haar ernstig en gestreng, waarom zij de wet overtreden en zonder zijne toestemming het heiligdom verlaten had. Klea vertelde hem daarop, hoe de angst over hare zuster haar naar Memphis had gedreven, en zij daar vernomen had, dat de Romein Publius Cornelius Scipio, die zich de zaak van haar vader had aangetrokken, Irene uit de handen van koning Euergetes gered en in veiligheid gebracht had. Midden in den nacht was zij alleen teruggekeerd.

De opperpriester scheen zich over dit bericht te verheugen, en toen zij verder mededeelde, dat Serapion uit bezorgdheid over haar zijne tent verlaten en in de woestijn den dood gevonden had, zeide Asklepiodorus: "Dit alles wist ik mijn kind. De goden mogen den kluizenaar vergeven, en Serapis hem die zijn eed verbrak aan gene zijde des grafs genade verleenen; het noodlot is aan hem vervuld. Maar voor u, meisje, hebben betere sterren bij uwe geboorte geschenen, en het ligt in mijne hand u ongestraft te laten. Gaarne doe ik het, en, Klea, als mijne Andromeda groot wordt, hoop ik dat zij op u gelijken zal. Dit is de hoogste lof, dien een vader aan de dochter van een ander geven kan. Als bestuurder van dezen tempel beveel ik u, uwe kruik heden als altijd te vullen, totdat iemand, die uwer waardig is, zich bij mij aanmeldt en u tot vrouw begeert. Ik denk, dat hij zich niet lang zal laten wachten."

"Hoe weet gij, mijn vader..." vroeg Klea blozend.

"Ik lees het uit uwe oogen," antwoordde Asklepiodorus, en keek haar vriendelijk na, toen zij op zijn wenk het vertrek verliet.

Zoodra hij alleen was, liet hij zijn schrijver roepen en zeide: "Koning Philometor heeft bevolen, dat de geboortedag van zijn broeder Euergetes heden te Memphis zal gevierd worden. Laat alle vanen hijschen en de bloemkransen, die weldra uit Arsinoë zullen aankomen, aan de pylonen bevestigen, de offerdieren naar buiten voeren, en tegen den namiddag een optocht aankondigen. Alle tempelbewoners moeten in feestkleedij zijn.--Maar nu wat anders. Komanus is hier geweest, en heeft ons in den naam van koning Euergetes groote beloften gedaan en verklaard, dat hij zijn broeder Philometor zou bestraffen, omdat hij een onzer tempelgenooten, Irene, had geroofd. Hij laat ons tevens verzoeken de kruikdraagster Klea, de zuster van de geroofde, naar Memphis te zenden om verhoord te worden. Maar dat zal niet gebeuren. Ook heden sluiten wij de tempelpoorten, vieren het feest onder ons en laten niemand tot offerande of gebed binnen onze muren toe, tot het lot der beide zusters verzekerd is. Al wilden de koningen zelve verschijnen en hunne soldaten mede binnenvoeren, dan zullen wij hen eerbiedig ontvangen, gelijk het betaamt, maar in plaats van hun Klea uit te leveren, brengen wij haar in het Allerheiligste, dat zelfs Euergetes niet waagt zonder mij te betreden. Want met onze jonkvrouw zouden wij onze waardigheid en met haar onszelven prijs geven."

De schrijver boog en meldde daarop twee propheten van Osiris-Apis aan, die Asklepiodorus wenschten te spreken. Klea had deze mannen, toen zij den opperpriester verliet, in het voorvertrek ontmoet, en opgemerkt dat de een den sleutel in de hand had, waarmede zij de poort der Apis-graven geopend had. Zij verschrikte en voelde dat het haar plicht was, den priesterlijken vriend terstond mede te deelen, hoe slecht zij zijn last had uitgevoerd. De oude Krates zat, toen zij bij hem binnentrad, met omzwachtelde voeten aan zijn werk en verblijdde zich over haar komst, want bezorgdheid voor haar en Irene had hem in zijn nachtrust gestoord, en tegen den morgen was zijne vrees door een akelig droombeeld tot angst gestegen. Bemoedigd door de vriendelijke begroeting van den anders zoo knorrigen grijsaard, bekende Klea, dat zij verzuimd had den sleutel aan den smid in de stad af te geven, dat zij de poort der Apis-graven daarmede geopend en vergeten had dien weder uit het nieuwe slot te halen.

Toen hij dit hoorde vloog de oude in drift op, smeet het ijzeren stangetje, dat hij met de vijl bewerkte, op zijn werktafel en riep: "Zóo hebt gij u dus van uw last gekweten! Het was voor het eerst dat ik eene vrouw vertrouwde, en nu heb ik mijn loon! Dit alles zal u en mij slecht bekomen, en als zij te weten komen, dat door mijn schuld en de uwe het heiligdom der Apis-graven ontwijd werd, zoo zullen ze mij met recht allerlei boeten opleggen, en u straffen met gevangenschap en honger."

"En toch, mijn vader," antwoordde Klea bedaard, "gevoel ik mij zonder schuld, en misschien zoudt gij in den afgrijslijken toestand waarin ik verkeerde, niet anders gehandeld hebben dan ik."

"Dat meent gij--dat durft gij gelooven?" zeide de oude man, stotterend. "En als zij nu den sleutel en misschien ook het slot gestolen hebben, en ik dit kunstig en moeitevol werk voor niet heb gedaan?"

"Welke dief zou zich aan de heilige graven vergrijpen?" vroeg Klea schuchter.

"Zijn ze dan zoo onschendbaar?" antwoordde Krates, met een wedervraag. "Zulk een armzalig schepsel als gij zijt, heeft het zelfs gewaagd ze te openen.--Doch wacht, wacht even; als mijne voeten mij maar niet zooveel pijn deden..."

"Hoor mij," smeekte het meisje, terwijl zij den verbolgen smid naderde. "Gij kunt zwijgen, dat hebt ge mij gisteren getoond. Als ik u verteld zal hebben, wat ik in dezen nacht heb doorleefd en ervaren, dan zult gij mij vergeven, dat weet ik zeker."

"Als ge u maar niet vergist!" zeide de smid. "Het moet wel iets buitengewoons zijn, dat mij zou kunnen bewegen, zulk een plichtverzuim en zulk een misdrijf ongestraft door de vingers te zien!"

En het was iets buitengewoons, dat de oude vernam, want toen Klea het verhaal van alles, wat zij in den nacht had ondervonden, geëindigd had, stonden hare oogen niet alleen maar ook die van den smid vol tranen.

"Die verdoemde beenen!" bromde hij, toen zijn oog den vragenden blik van de jonkvrouw ontmoette, terwijl hij met de mouwen van zijn kleed zijne vochtige wangen afdroogde. "Ja zulk een gezwollen voet doet zeer, meisje, en zulk een kreupele als ik, is niet altijd van de sterksten. Oude vrouwen worden soms mannen, en oude mannen vrouwen. Ja, die ouderdom! Zulke voeten te hebben is erg, maar nog veel erger, dat het geheugen met de jaren vermindert. Daar heb ik gisteren avond, meen ik, den sleutel laten steken in de deur van de Apis-graven. Ik zal dadelijk een boodschap naar Asklepiodorus zenden, opdat hij de Egyptenaars van de overzijde, die aan mij verplichting hebben wegens verschillende werken, uit mijn naam om verontschuldiging vrage."

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De donkere wolken, die in den afgeloopen nacht het blauw van den hemel verduisterd en het licht der maan telkens onderschept hadden, waren alle verdwenen. De noordoostenwind, die tegen den morgen opstak, had ze uiteengedreven, en de wolkenverslindende Zeus de laatste opgeslokt. Het was een heerlijke morgen, en toen de dagvorstin hooger steeg, en ook den witten nevel, die over den Nijl zweefde, en het waas, dat over het oostelijk gebergte als een fijn doorzichtig kleed van blauwgrijze wol lag uitgespreid, sneller en sneller uiteen scheurde en optrok, toen verdween ook de kilheid van den nacht uit de donkerste hoeken der stad, die als een smalle strook zich mijlen ver langs den oever van den stroom uitstrekte. En het heerlijke heldere licht, dat de straten en huizen, de paleizen en tempels, de tuinen, lanen en tallooze schepen in de haven van Memphis bestraalde, ging gepaard met eene warmte, die ook hier bij het begin van een winterdag zoo welkom was.

Aan den oever van den Nijl krioelden schippers en matrozen dooreen, die van den noordoostenwind gebruik wilden maken om stroomopwaarts te varen, en onder luid gezang werden de zeilen geheschen en de ankers gelicht. De oever was zoo dicht bezet met schepen, dat men niet begreep, hoe zich die welke zeilree lagen, tusschen de andere door een weg zouden banen. Toch vond elk een geul, waardoor het eindelijk het vaarwater bereikte, en weldra wemelde de stroom van booten, die allen naar het zuiden zeilden. Het was alsof de Nijl met een onafzienbaar leger van drijvende tenten was bedekt.

Op de havenkade bewogen zich lange treinen van hoogbepakte kameelen, minder zwaar beladene ezels en donkerkleurige slaven. De laatsten zongen, alsof het dagwerk hun niet vermoeide, en hunne opzichters droegen de zweep tusschen den gordel. Hier en ginds werden ossenkarren geladen, of kwamen met koopwaren naar de landingsplaats. Rondom enkele groote kooplieden, waarvan de meeste op Grieksche wijze en maar enkele als Egyptenaars gekleed waren, begonnen zich de schippers reeds te verdringen, ten einde hunne ladingen aan den man te brengen, of hunne vaartuigen opnieuw te verhuren. Het drukst ging het toe op dat gedeelte van de haven, waar de tolbeambten onder groote tenten gezeten waren. Want de meeste schepen wierpen voor Memphis alleen het anker uit, om den Nijltol op 's konings tafel te leggen.

Niet minder groote verscheidenheid en afwisseling zag men op de markt in de nabijheid van de haven. Dáar lagen dadels en graan, ossenhuiden en gedroogde visch bij groote hoopen opgestapeld. Daar werden gansche kudden vee onder geloei en geblaat samengedreven, om aan de meestbiedenden verkocht te worden. Evenals pauwen en bonte hanen te midden van hennen, die op een hoenderhof druk in de weer zijn, zoo vertoonden zich ook hier, te midden der bedrijvige menigte, soldaten te voet en te paard in bonte rokken en schitterende wapenrustingen, aanzienlijke hovelingen in feestkleederen van roode, blauwe en gele stoffen, die reeds van verre in het oog liepen, en die door hunne slaven in draagstoelen gedragen werden of op fraai vergulde wagens stonden. Voorts zag men er priesters in lange witte kleederen, met kransen om het hoofd, en opgetooide meisjes, die zich naar de herbergen in de nabijheid van de haven begaven, om op de fluit te spelen of te dansen. De kinderen, die tusschen dit druk gewoel liepen te spelen, zagen begeerig naar de hoog in manden opgestapelde koeken, die door bakkersjongens zeer netjes op hunne hoofden werden gedragen. Honden, die hier in bijzonder groot aantal tegenwoordig waren, zetten hunne neusgaten uit, wanneer zulk een drager van zoetigheden in hunne nabijheid kwam, en vele begonnen te huilen van verlangen, zoodra er eene burgervrouw voorbijkwam met een slaaf, die onder groenten en vruchten in zijn korf ook pas geslacht gevogelte of versch vleesch voor een feestgebraad droeg.

Als gouden draden geweven door een alledaagsch grijs kleed, zoo vertoonde zich te midden van het bedrijvig leven van de landingsplaats ook de glans van het feest. Tuinlieden, knapen en meisjes in groote menigte droegen, hetzij twee aan twee aan houten stokken of alleen op planken en aan stangen, bloemkransen, guirlandes en geurige ruikers, en bij dat gedeelte van den oever, waar de schepen van den koning voor anker lagen, waren vele arbeiders bezig om de masten, waaraan de wimpels wapperden, met groen en bloemguirlandes te omwinden en met veelkleurige lantaarnen te behangen. De dienaars der godheid in feestgewaad, de vertegenwoordigers van de vijf afdeelingen der priesterschap van het geheele land, trokken in een langen optocht met geschenken en standaarden, langs de havenstraat in de richting van het koninklijk paleis, terwijl de woelende menigte eerbiedig voor hen uit den weg ging. Euergetes toch, de broeder des koning, die te Alexandrië heerschte, vierde heden te Memphis zijn geboortedag, en de gansche stad zou aan dat feest deel nemen.