Part 22
De rust der doodenstad was wel is waar verstoord geworden, maar de geesten der afgestorvenen hadden geen deel aan de ontzettende dingen, die in dezen nacht in de woestijn tusschen grafmonumenten en rotsspelonken plaats hadden. Zij, die den vrede dezer heilige plaatsen verstoorden, waren menschen, die in koelbloedige boosaardigheid als kwade geesten met de duisternis een verbond hadden gesloten, om een ander mensch in het verderf te storten. Doch het waren ook menschen, die te midden der verschrikkingen van dezen vreeselijken nacht, in hunne borst de goddelijke kiemen, die de hemel in de zielen zijner sterfelijke kinderen heeft gelegd, tot schoone bloesems voelden ontplooien. Zoo wordt op den dag van een veldslag, te midden van bloed en lijken, een kind geboren, dat zelf gelukkig en anderen gelukkig makende, tot heil der zijnen opgroeit.
Het monster met de leeuwenmanen, welks verschijning en haastig verdwijnen in de woestijn den poortwachter het allereerst vrees had aangejaagd, was op zijn verderen weg naar Memphis ook menig ander wandelaar tegengekomen, die, verschrikt door zulk een vreemd uiterlijk, getracht had zich te verbergen, of het op een loopen had gezet. Toch was het eenvoudig een mensch met warm bloed, met eerlijke bedoelingen, met een trouw en liefdevol hart. Maar die hem tegenkwamen konden niet in zijne ziel lezen, en in zijn uiterlijk geleek hij bijzonder weinig op andere lieden. Zijne voeten, die het loopen ontwend waren en een kolossaal lichaam te dragen hadden, bewogen zich moeielijk, en de ontzettende baard en de grijze haarmassa op zijn hoofd, die in alle richtingen heen en weer vloog, gaven hem zulk een monsterachtig aanzien, dat hij zelfs den moedigste, dien hij onvoorziens tegenkwam, vrees moest aanjagen.
Twee kramers, die gewoon waren overdag in de nabijheid van het Serapeum hunne artikelen aan de pelgrims te koop te bieden, kwamen hem tegen in de nabijheid van de stad. Terwijl zij hem nakeken zeide de een: "Zaagt gij dat kuchend wangedrocht? Als hij niet vastzat in zijne cel, zou ik zeggen, dat het de ruwe kluizenaar Serapion was."
"Gekheid!" zeide de ander. "Die man is door zijne gelofte sterker gebonden dan door ketenen en banden. Het zal een van die Syrische bedelaars zijn, die zich rondom den Astartetempel ophouden."
"'t Is mogelijk," antwoordde de ander onverschillig. "Laten wij maar voortstappen, want mijne vrouw zal ons heden avond op een gebraden gans vergasten."
Serapion was wel vast aan zijne tent gebonden, en toch had de kramer goed gezien, want hij was het, die daar over den grooten weg waggelde en allen die hem tegenkwamen schrik aanjoeg. Het gaan viel hem na zijne lange gevangenschap zeer zwaar, vooral omdat hij ongeschoeid was, en elke steen op den weg zijn weeke voetzolen pijn deed. Toch wist hij het te brengen tot een tamelijk snellen draf, toen hij in de verte eene vrouwelijke gedaante zag, welke Klea zijn kon.
Menigeen, die in zijn bijzonderen kring een heel goed figuur maakt, wordt een voorwerp van spot voor kinderen, wanneer hij zijne kleine omgeving verlaat, om zich met al zijne eigenaardigheden te wagen in den stroom der wereld. Zoo ging het ook met Serapion, want in de voorstad liepen de straatjongens hem uitjouwend achterna, en eerst toen een drietal opgeprikte meisjes, die voor een herberg van den dans uitrustten, luide begonnen te lachen, zoodra zij hem in het oog kregen, en een onbeschaamd soldaat als bij ongeluk met de punt van zijne lans hem door zijne rondfladderende haren stak, begon hij aan zijn verwilderd uiterlijk te denken, en moest hij zichzelven bekennen dat hij zóo nooit in het koninklijk paleis zou toegelaten worden.
Spoedig was zijn besluit genomen en ging hij den eersten scheerderswinkel binnen, waarin hij licht zag branden. Daar liet hij zich door den barbier, die bij zijn binnentreden verschrikt achter de toonbank de wijk had genomen, zijn haar en zijn baard knippen, en zag in den spiegel, dien men hem voorhield, voor het eerst na vele jaren weder zijn eigen aangezicht. Met een weemoedig lachje knikte hij het verouderd gelaat toe, dat hij in den helderen metalen schijf waarnam, betaalde wat van hem verlangd werd, en sloeg geen acht op den medelijdenden blik, waarmede de barbier en zijn knecht hem nakeken. Beiden meenden dat zij hunne kunst hadden uitgeoefend op een waanzinnige, want hij had gezwegen op al wat zij zeiden, en met een zware, akelig holle stem geroepen: "Zwetst toch zoo niet, ik heb haast!"--Waarlijk het hoofd stond hem niet naar beuzelachtig gepraat, neen, hij was vervuld van nijpenden angst en teedere bezorgdheid, en zijn hart bloedde wanneer hij bedacht, dat hij zijne gelofte gebroken en den eed geschonden had, dien hij in de hand zijner stervende moeder had gezworen.
Vóor de poort van het paleis gekomen, vroeg hij een politiewacht hem bij zijn broeder te brengen, en daar hij aan dit verzoek door een fooi klem bijzette, bracht de man hem dadelijk tot den persoon dien hij zocht. Glaukus verschrikte niet weinig, toen hij Serapion herkende, maar hij had de handen zoo vol, dat hij zijn broeder, wiens handelwijze hij onverklaarbaar en misdadig noemde, slechts enkele oogenblikken te woord kon staan. Intusschen kwam de kluizenaar te weten, dat Irene niet door Euergetes maar door den Romein uit den tempel was ontvoerd, en dat Klea even te voren het paleis op een wagen had verlaten, om te middernacht van de tweede herberg te voet naar het Serapeum terug te keeren. En het arme schepsel was zoo geheel alleen en haar weg leidde door de woestijn, waar zij door losbandige soldaten en lijkroovers of door jakhalzen en hyena's kon worden aangevallen! Bij de tweede herberg zou zij haar wandeling beginnen, en dat was juist de pleisterplaats voor slecht volk, en zijne lieveling was zoo jong, zoo schoon en zoo weerloos!
Opnieuw overviel hem dezelfde doodelijke angst voor haar, die hem in zijne kluis had aangegrepen, nadat Klea den tempel verlaten had en de duisternis was gevallen. Op dat oogenblik gevoelde hij zich als een vader, die uit het venster van zijne gevangenis zijn lief en weerloos kind zich ziet verdedigen tegen een roofdier. Met vreeselijke duidelijkheid had hij zich voorgesteld al wat haar in het koninklijk paleis, in de van beschonken soldaten krioelende stad en in de woestijn bedreigde, en zijne bijzonder levendige verbeelding had alle gevaren, die zijne lieveling, de dochter van dien achtenswaardigen man tegenging, met de donkerste kleuren afgeschilderd. Als een gevangen tijger had hij in zijn tent op en neer geloopen, nu eens tegen de wanden gebeukt, dan weder met half voorover gebogen lichaam uit het venster gekeken, om te zien of de gevluchte, die onmogelijk terug kon zijn, ook misschien was wedergekeerd. Hoe donkerder het werd, des te meer was zijn angst geklommen, des te schrikkelijker beelden deden zich voor zijne verbeelding op, en toen eene vrouw onder de pelgrims, die door kramp werd overvallen, in het pastophorium luid begon te gillen, had hij zichzelven niet langer kunnen beheerschen. Hij had de van buiten gesloten, sedert jaren niet geopende vermolmde deur van zijne tent aan stukken getrapt, de zilveren muntstukken, die hij in zijn koffer bewaarde, bij zich gestoken, en zich naar beneden laten glijden.
Daar stond hij tusschen zijne kluis en den ringmuur des tempels, en eerst nu kwam hem zijne gelofte, den eed dien hij gezworen had, voor den geest, en hij dacht aan zijne eerste vlucht uit de cel. Toen was hij weggeloopen, omdat de genietingen der wereld en de vreugde des levens hem aanlokten; toen was hij een misdadiger geweest, maar dezelfde liefde, dezelfde bezorgdheid, die hem gedrongen hadden tot zijne kluis terug te keeren, dreven hem nu uit zijne gevangenis. Om trouw te blijven brak hij een eed van trouw! Doch de groote Serapis las in de harten; zijne moeder was dood en zoo lang zij leefde steeds gaarne bereid geweest hem te vergeven. Zoo levendig meende hij haar goedig gezicht van weleer voor zich te zien, dat hij haar had toegeknikt, alsof zij tegenover hem had gestaan. Hij had vervolgens een ledig vat tegen den ringmuur gerold, en was met zeer veel moeite daarop geklommen. In het zweet zijns aanschijns moest hij tegen de borstwering van den bouwvalligen, uit ongebakken tegels samengevoegden muur opklauteren, bereikte vervolgens al glijdende en vallende de gracht, die buiten om den muur liep, kroop weder tegen de overzijde naar boven, en kon daarna eerst zijne wandeling naar Memphis beginnen.
Wat hij in het koninklijk paleis omtrent Klea had vernomen, was niet geschikt geweest om zijne bezorgdheid voor haar te verminderen. Zij moest zooveel eerder dan hij den zoom der woestijn bereiken en het harde loopen viel hem zoo zwaar, deed zijne voeten zooveel pijn! Het was voor de poort van den koningsburcht nog even druk als gedurende den dag, misschien gelukte het hem dus wel zich een wandelstaf te verschaffen. Terwijl hij greep in zijne tasch, die nu met zilverstukken was gevuld, keek hij rond, en zijn blik viel op eene rij ezels, welker drijvers zich en hunne dieren opdrongen aan de soldaten en bedienden, die uit de hooge poort naar buiten kwamen. Met den blik van een kenner zocht hij het sterkste grauwtje uit, wierp den eigenaar een zilverstuk toe, beklom den rug van het onder zijn last zuchtende dier, en beloofde den drijver nog twee drachmen, wanneer hij hem zoo spoedig mogelijk bracht aan de tweede herberg op den weg naar het Serapeum. Terwijl hijzelf met zijne stevige naakte beenen het arme beest tegen de zijden drukte, zette de drijver, die al schreeuwende en gillende achteraan liep, zijn grauwtje van tijd tot tijd met een puntstok tot snelheid aan, en zoo bereikte Serapion, nu eens in een korten draf dan weder in snellen galop, slechts een half uur later dan Klea zijn doel.
In de kroeg was het donker en ledig, doch de kluizenaar verlangde ook geene verfrissching. Maar hij gevoelde weder behoefte aan een wandelstok, en weldra wist hij zich er een te verschaffen door een paal te trekken uit de omheining van den tuin, die de herberg omgaf. Deze staf was wel zwaar, maar hij maakte hem toch het gaan gemakkelijker, want ofschoon zijne brandende voeten hem met moeite droegen, gevoelde hij nog een geweldige kracht in zijne armen. Dat wilde rennen had zijne gedachten verstrooid, en zijn licht beweeglijk gemoed verkwikt, want het herinnerde hem aan zijne vroegere zwerftochten. Nu hij echter eenzaam door de woestijn voortstapte, dacht hij weder aan Klea en aan haar alleen. Zoo vaak de maan achter de wolken te voorschijn kwam, keek hij met scherpe blikken naar haar uit, riep haar van tijd tot tijd bij den naam, en bereikte zoo de sphinxen-laan, die den Griekschen met den Egyptischen tempel verbond.
Uit de Apis-graven klonk hem een geluid in de ooren, alsof men aan het kloppen was. Misschien werd daar binnen bij nacht gewerkt voor het aanstaande feest.--Waarom werd de wachtpost heden gemist, waar anders altijd soldaten waren gelegerd? Hadden de krijgsknechten Klea opgemerkt en haar medegenomen?--Ook aan gene zijde van de sphinxen-laan, die hij nu bereikt had, was alles uitgestorven, liet zich geen enkele wachter bespeuren, hoewel de witachtige kalk der grafmonumenten en het gele zand der woestijn zoo helder in den maneschijn glinsterden, alsof zij zelve licht gaven.
Met steeds klimmender bezorgdheid besteeg hij een zandheuvel, om een ruimer overzicht te hebben, en riep luide den naam van Klea. Dáar, neen hij bedroog zich niet, daar vertoonde zich bij eene der grafkapellen uit vroeger eeuwen eene gedaante, die een lang kleed scheen te dragen, en toen hij nogmaals hardop riep, naderde die gedaante hem in de sphinxen-laan. Haastig, zoo snel hij maar kon, daalde hij af naar den processieweg, stak het gladde plaveisel over, ter weerszijden waarvan de leeuwen met menschenhoofden in twee rijen lagen uitgestrekt, en klom met groote moeite op den zandberg aan de andere zijde. Inderdaad deze arbeid was moeielijk, want telkens geraakte de zandmassa onder zijn last in beweging, schoof naar beneden, voerde hem mede en dwong hem met handen en voeten een nieuw standpunt te zoeken. Eindelijk stond hij aan gene zijde van de grafkapel, waarbij hij haar die hij zocht meende gezien te hebben.
Doch terwijl hij klom, had een dichte wolk wederom de maan bedekt, en was het volslagen donker geworden. Hij bracht nu beide handen aan zijn mond, en riep zoo luid hij kon "Klea!" en nog eens "Klea!"--Daar hoorde hij vlak in zijne nabijheid het zand kraken, en zag hij vóor zich eene gestalte bewegen, die als uit den grond scheen opgekomen. Dat kon Klea niet zijn, dat was een man. Doch misschien had deze zijne lieveling gezien. Eer hij evenwel tijd vond om hem aan te roepen, werd hij onverwachts door een slag getroffen, die met verbazende kracht tegen zijn rug tusschen de schouders aankwam. De zandzak van den moordenaar had de rechte plaats in zijn nek gemist, en Serapion's krachtige ruggegraat zou ook aan een sterker slag weerstand hebben geboden.
Niet minder snel als van het gevoel van smart werd hij zich van de zekerheid bewust, dat hij door roovers werd aangevallen, en dat hij verloren zou zijn, wanneer hij niet bedaard zich ging verweren. Wederom hoorde hij achter zich beweging in het zand. Zoo snel mogelijk draaide hij zich om, en met den uitroep: "Vervloekt adderengebroed!" sloeg hij met zijn zwaren wandelstok, als een smid op een gloeiend stuk ijzer, op de gedaante toe, waarin zijn nu meer aan het donker gewende oog, stellig en zeker een man herkende.
Serapion moest goed getroffen hebben, want zijn tegenstander liet een schrikkelijk gebrul hooren, zonk in elkaar, wentelde zich kreunend en stenend in het zand, slaakte ten laatste nog een schrillen kreet en bleef toen stijf en roerloos liggen. De kluizenaar kon in het donker de bewegingen van den zwaar gestraften roover onderscheiden, en door onrust en medelijden gedreven boog hij zich over den verslagene, toen hij huiverend vochtige handen aan zijne voeten, en terstond daarop twee steken in zijn rechterhiel voelde, die zooveel pijn deden, dat hij het luide uitschreeuwde, en zich gedwongen zag het gekwetste been naar zich toe te halen. Daarbij vergat hij echter niet, dat het zijn plicht was zich te verdedigen. Woedend als een getroffen stier, razende en vloekende hieuw hij met zijn paal om zich heen, maar hij trof alleen den grond. Toen zijne slagen elkander steeds langzamer opvolgden, en eindelijk zijn weldra uitgeputte arm den zwaren paal niet meer kon houden, en hij zich zelfs gedwongen zag op de knieën neer te zinken, riep een schelle stem hem toe:
"Gij hebt mijn metgezel om het leven gebracht, Romein, en daarom heeft een tweebeenige slang u gestoken. In een klein kwartier is het uit met u, evenals met dien daar. Waarom gaat zulk een voornaam heer ook uit zonder stevels en sandalen tot een samenkomst met zijn liefje in de woestijn, en maakt hij ons den arbeid zoo licht! Koning Euergetes en uw vriend Eulaeus laten u groeten. Gij hebt het aan hen te danken, dat ik u laat wat gij bij u hebt.--Kon ik nu dien dooden klomp daar maar uit den weg krijgen!"
Onder deze ruwe woorden lag Serapion op den grond van pijn te krimpen, en vermocht alleen de vuisten te ballen en met zijne steeds droger wordende lippen verwenschingen uit te stooten. Zijn gezicht was nog onverzwakt, en zoo kon hij bij het schijnsel der maan, die nu weder in een ruim wolkenloos vak aan den hemel te voorschijn kwam, duidelijk waarnemen, hoe de moordenaar zijn best deed, om zijn verslagen metgezel met zich voort te sleuren, en vervolgens, nadat hij luisterend het hoofd had opgestoken, opsprong en in aller ijl de vlucht nam. Opeens verloor hij zijn bewustzijn, en toen hij na weinige minuten de oogen weder kon opslaan, rustte zijn hoofd zacht in den schoot eener jonkvrouw, en het was de teedere stem van zijne lieveling Klea die hem vroeg: "Gij arme, arme vader, hoe komt gij hier in de woestijn, en in de handen der moordenaars? Herkent gij mij, uwe Klea? Hij die naar uwe wond zoekt, welke niet te vinden schijnt te zijn, is Publius Scipio, de Romein. Zeg ons eerst waar u de dolk trof, opdat ik u dadelijk verbinde. Ik ben toch half een arts en versta de kunst, dat weet gij."
De kluizenaar trachtte zijn gelaat naar Klea toe te keeren, maar toen hem dit niet gelukken wilde, zeide hij zacht: "Leg mij tegen den steilen wand van de grafkapel hiernevens, en zet u dan, lief meisje, tegenover mij, want ik wil u aanzien, terwijl ik sterf. Voorzichtig, voorzichtig, waarde Publius; het is alsof al mijne leden van Phoenicisch glas zijn, dat bij de minste aanraking breekt. Heb dank, jonge vriend, gij hebt sterke armen, en kunt mij nog wel een weinig hooger optillen. Zoo, nu zit ik draaglijk, neen goed, benijdenswaardig goed, want bij het licht der maan kan ik nu uw aanvallig gelaat zien, meisjelief, en ik bespeur tranen op uwe wangen, die zeker mij, ouden knorrepot, gelden. Ja dat doet goed, dat doet uitnemend goed, zóo te sterven."
"O vader, vader!" riep Klea. "Zoo moogt gij niet spreken. Gij zult leven, niet sterven, want zie, deze Publius verlangt mij tot vrouw, en de hemelsche goden weten, hoe gaarne ik hem volg; en Irene zal bij ons blijven, als ons beider zuster. Dat zal u toch genoegen doen, mijn vader!--Maar zeg nu eens, waar brandt toch de wond, waar heeft de moordenaar u getroffen?"
"Kinderen, kinderen," stamelde de kluizenaar, en een lachje verhelderde zijn gelaat. "Dat ik dit nog beleven mag, dat--ja dat is vriendelijk van de genadige goden, en om dit te bewerken, zou ik gaarne twintigmaal gestorven zijn."
Terwijl hij zoo sprak bracht Klea zijne hand, die reeds koud begon te worden, aan hare lippen, en zeide, hoewel de droefheid haar het spreken bijna belette: "Maar de wond, vader, de wond!"
"Vraag daar niet naar," antwoordde de kluizenaar. "Een snelwerkend vergif, geen dolk of pijl sloopt mijne krachten. Ik kan nu rustig heengaan, want gij hebt mij niet meer noodig. Gij, Publius, zult nu mijne plaats bij haar innemen, en gij zult beter voor haar kunnen zorgen dan ik.--Klea, de vrouw van Publius Scipio! Ik heb wel eens gedroomd, dat het er toe komen zou. Altijd heb ik wel geweten, en duizendmaal heb ik tot mij zelven gezegd, gelijk ik het thans tot u zeg, mijn zoon: Deze Klea, zij heeft een goed karakter en is den edelsten man waardig. U, waarde Publius, gun ik haar.--Geeft elkander nu de handen, dat ik het zie, want ik ben een vader voor haar geweest."
"Ja, dat zijt gij geweest," zeide Klea, snikkende. "Zeker hebt gij om mijnentwil, om mij te beschermen uwe kluis verlaten en den dood gevonden!"
"Het geluk, het geluk...." stamelde de oude.
"De moordenaars," zeide Publius, terwijl hij Serapion's hand greep, "waren tegen mij afgezonden, en zij hebben u in plaats van mij getroffen. Nog eens, waar is uw wond?"
"Het noodlot wordt aan mij vervuld," antwoordde de kluizenaar, "tegen welks besluit geene geslotene cel, geen arts, geen genezend kruid kan baten. Ik sterf aan slangengif, zoo als bij mijne geboorte was voorspeld. Al ware ik niet uitgebroken om Klea te zoeken, dan zou eene slang in mijne kooi zijn geslopen, om toch een einde te maken aan mijn leven. Geeft mij de hand, kinderen, de ijzige doodskoude klimt al hooger en hooger, en raakt met hare vingers reeds mijn hart--"
Gedurende eenige oogenblikken begaf hem de stem, daarna sprak hij zacht: "Eene bede heb ik nog aan u. Laat het weinige dat ik bezit, en dat voor u en Irene bestemd was, nu gebruikt worden voor mijne begrafenis. Ik wil niet verbrand worden, gelijk zij mijn vader hebben gedaan, neen, zij moeten mij balsemen, gelijk het behoort, en mijne mummie naast die mijner moeder plaatsen. Als we elkander na den dood wederzien, en daar geloof ik aan, dan zou ik het liefst haar nog eens ontmoeten, want zij heeft mij zoo liefgehad, en het is mij alsof ik weder klein was, en mijne armpjes om haren hals sloeg. In een ander leven ben ik misschien geen kind des ongeluks, gelijk in dit--in een ander leven.... Nu grijpt de dood mijn hart aan!--In een ander.... Kinderen, wanneer ook in dit leven de zaligheid mij heeft toegelachen, kinderen, dan dank ik het u, Klea.... Daar is ook mijne kleine Irene!"
Dit waren de laatste woorden van de kluizenaar Serapion; met een diepen zucht rekte hij zich uit en was gestorven.
Klea en Publius drukten hem liefderijk de trouwe oogen toe.
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
In den Egyptischen tempel, in de nabijheid van de Apis-graven, waren zoomin als in het Grieksche Serapeum, de vreemde geluiden, die de kalmte van den nacht hadden verstoord, onopgemerkt gebleven. Doch er heerschte weder volmaakte stilte in de doodenstad, toen eindelijk de groote poort van het heiligdom van Osiris-Apis werd geopend, en eene kleine priesterschaar, geordend als bij eene processie, en voorafgegaan van tempeldienaars, die men met offermessen en bijlen gewapend had, naar buiten trad.
Publius en Klea, die bij het hoofd van hun gestorven vriend gezeten, trouw waakten voor zijn lijk, zagen hen komen. "Het zou toch nog minder betamelijk zijn geweest," zeide de eerste, "u in dezen nacht, zonder mijn geleide, naar een der tempels te zenden, dan onzen armen vriend hier onbewaakt te laten liggen."
"En ik herhaal nog eens," zeide Klea met nadruk, "dat wij de mogelijkheid, om Serapion's laatsten wensch in zijn geest te vervullen, zouden verspeeld hebben, wanneer een hyena of een jakhals zijn lijk in onze afwezigheid zou hebben geschonden. Ik ben zoo blijde dat ik den dooden vriend ten minste bewijzen kan, hoe dankbaar ik hem ben voor al het goede, dat hij aan ons, zoolang wij leefden, bewezen heeft. Waarlijk den afgestorvene mogen wij erkentelijk zijn, want hoe plechtig en schoon was deze ure bij zijn lijk! Onrust en strijd hebben ons saamgebracht...."
"En hier," zeide Publius, het woord nemende, "hebben wij een goeden en duurzamen vrede gesloten voor ons leven."
"Ik neem dien gaarne aan," antwoordde Klea en sloeg de oogen neder, "want ik ben de overwonnene."
"Gij hebt mij te voren bekend," hernam Publius, "dat gij nooit ongelukkiger waart geweest, dan toen gij meendet u tegenover mij sterk getoond te hebben; en ik zeg u, dat gij mij nooit zoo groot en tegelijk zoo beminnelijk zijt voorgekomen, dan toen gij te midden van uw zegepraal den slag verloren gaaft. Eene ure als deze doorleeft men maar eens. Ik heb een goed geheugen, maar mocht ik haar ooit vergeten, en ruw en driftig zijn, gelijk nu eenmaal mijne natuur is, herinner mij dan aan deze plek en aan dien gestorvene daar, en de ijskorst van mijn hart zal smelten, en ik zal mij voor den geest brengen, dat gij eens bereid zijt geweest, uw leven voor mij op te offeren. Ik zal het u gemakkelijk maken, want om den man te eeren, die zijn leven voor u prijsgaf, en die in mijne plaats werd vermoord, voeg ik--en dat zal ik ook in Rome niet veranderen--zijn naam Serapion bij den mijne. Hij heeft ons als vader behandeld, en daarom wil ik zijn aandenken zoo hoog in eere houden, als ware ik zijn zoon geweest.--Het was mij altijd onverdraaglijk schulden te hebben, maar hoe ik u, hetgeen gij heden voor mij gedaan hebt, terugbetalen zal, dat begrijp ik thans niet. En toch zal ik gaarne bereid zijn dagelijks en te ieder ure eene nieuwe gave der liefde van u te ontvangen. Een schuldenaar, zegt men, is half een gevangene, en daarom bid ik u uw overwinnaar genadig te behandelen."
Hij greep hare hand, streek haar de haren van het voorhoofd en raakte het zacht met zijne lippen aan. Toen ging hij voort: "Ga nu met mij mede, om den doode aan de priesters daar ginds over te geven."