Part 17
Klea volgde den man, die, blijkens de haast waarmede hij handelde, in gewichtige bezigheden gestoord was, naar de gevangenis, die zij in weinige schreden bereikte, verzocht Glaukus haar het antwoord van den Romein zoo mogelijk spoedig over te brengen, verklaarde zich gaarne bereid om in donker te blijven, daar zij inzag dat het lamplicht haar verraden kon, en zij voor de duisternis niet bevreesd was, en liet zich daarna opsluiten. Toen zij hoorde hoe de ijzeren grendel knarsend in de metalen holte werd geschoven, voer haar eene lichte rilling door de leden, en hoewel de kamer, waarin zij zich bevond, niet slechter of kleiner was dan de woning van haar en hare zuster in den Serapis-tempel, gevoelde zij zich toch beklemd, want het was haar, alsof iets, waaraan zij geen naam kon geven, hare ademhaling beklemde, terwijl zij tot de overtuiging kwam, dat zij was opgesloten, en de vrijheid miste om te komen en te gaan naar goedvinden.
Door het eenige tralievenster van hare gevangenis, dat op den hof uitzag, drong een mat licht naar binnen, waarbij zij een kleine bank van palmtakken onderscheiden kon. Daarop zette zij zich neder, om de rust te zoeken die zij zoo noodig had. Elke onaangename gewaarwording maakte langzamerhand plaats voor het thans ontwakend gevoel van verkwikking, en reeds begon de herinnering aan de ontzettende oogenblikken, die zij zoo straks had doorleefd, zich te paren met vertrouwen en blijde hoop, toen het voor de gevangenis levendiger werd en zich daar buiten paardengetrappel en kommando's lieten hooren.
Zij stond van haar bank op en zag hoe twintig ruiters ongeveer, in wier vergulde helmen en pantsers het licht der lantarens zich weerspiegelde, den uitgestrekten hof van menschen schoonveegden. Als de vlammen het wild op eene brandende heide, zoo dreven zij die voor zich uit en drong ze naar een anderen hof, om daar weder hetzelfde te doen. Althans Klea hoorde ze daar evenals hier luide roepen: "In naam des konings!" Eindelijk keerden de ruiters terug en schaarden zich tien aan tien aan elk der beide toegangen van den hof als wachtposten.
Dit voor haar zoo geheel nieuw schouwspel zag Klea niet zonder belangstelling aan, en toen een der edele rossen, door het licht der lantarens verblind, schichtig werd en op zij sprong, keer op keer steigerde en zijn berijder dreigde af te werpen, terwijl deze het wist in toom te houden, en ten laatste tot staan dwong, veranderde die Macedonische krijgsman voor haar in Publius, die zeker niet minder goed dan deze een paard kon bedwingen.
Nauwelijks was het door de lijfwacht schoongeveegde plein door alle menschen verlaten, of iets nieuws boeide Klea's aandacht. Eerst hoorde zij voetstappen in een vertrek, dat aan hare gevangenis grensde. Daarop vielen heldere lichtstralen door de fijne spleten van den dunnen wand, die haar verblijf van dit andere vertrek scheidde. Vervolgens werden de beide vensters, die zich naast de hare bevonden, met zware luiken gesloten. Toen sleepte men zetels of banken aan en plaatste allerlei voorwerpen op een tafel. Eindelijk werd de deur van dit vertrek zoo heftig opengerukt en toegeslagen, dat ook de deur, waarmede haar kamer gesloten was, klepperde, en de bank waarnaast zij stond, wankelde.
Op hetzelfde oogenblik riep een zware klankrijke stem, onder luid gelach uit volle borst: "Een spiegel, geef een spiegel, Eulaeus! Bij den hemel, ik zie er niet uit naar gevangeniskost, maar wel als iemand, wiens groote kop vervuld is van goede aanslagen, als een die zijn tegenstander met een enkelen greep verworgt en ieder stuk buit ras verteert, om eer de strop hem om den hals wordt gelegd, in ieder uur, dat hem rest, zooveel te genieten als een ander in een ganschen dag! Zoo waar ik Euergetes heet, mijn oom Antiochus, die zich zoo gaarne onder het volk begaf, had wel gelijk.
"Al die blinkende ledepoppen, die ons koningen omgeven, omhangen, evenals ieder deel van hun lichaam, ook elke uitdrukking van krachtig gevoel, als het ware met een sluier, en men zou duizelig worden als men bedenkt, dat men, om niet bedrogen te worden, elk woord dat men hoort--en, o wee! wat al woorden heeft men te hooren--in zijn eigen geest omzetten moet. Het gepeupel daarentegen, dat zich al zeer gekleed acht, wanneer het een doorzichtig schort om de heupen hangt, is er beter aan toe. Wanneer zulk een naakte wijze, die al wat hij bezit bij zich draagt, eens tot een ander van zijn slag zegt: gij zijt een hond! dan geeft deze hem als antwoord een slag met de vuist in het gezicht. Duidelijker kan het niet! Wanneer daarentegen tot hem gezegd wordt: gij zijt een prachtige kerel! dan gelooft hij het onvoorwaardelijk en heeft recht het te gelooven.
"Hebt gij gezien hoe die ineengedrongen kleine kerel met zijn wipneus en zijne kromme beenen, die zoo breed als lang is, grinnikend van pleizier zijne tanden liet zien, toen ik zijn vaste hand prees? Zoo lacht een hyena, en ieder goed huisvader noemt dien kerel een godvergeten monster. Maar hoe hoog moet hij niet in de gunst staan der hemelsche goden, die hem zulk een onberispelijk gebit in den mond hebben gestoken, en zoo goed waren het hem vijftig jaren--want zoo oud zal die brave man wel zijn--te laten houden. Als deze gezel zijn dolk breekt, dan bijt hij zijn offer nog met de tanden dood gelijk de vos een eend, of hij slaat hem met de vuisten de beenen doormidden."
"Maar, mijn vorst," antwoordde de eunuuch Eulaeus aan koning Euergetes--want deze beiden waren het aangrenzend vertrek binnengetreden--droogjes en met een ernst die bij zaken past, "die kleine magere Egyptenaar met zijn dun sluik haar is nog onverschrokkener, taaier en leniger, en daarom nog wel zooveel waard als zijn metgezel. De eene werpt zich terstond met geweld op zijne buit, als een rotsblok dat van een dak valt, de ander slaat hem onvoorziens den gifttand in het vleesch, als een in het gras verborgen adder. De derde, van wien ik goede verwachting had, is eergisteren buiten mijn weten een kop kleiner gemaakt, maar het paar, dat gij zoo genadig zijt geweest zelf te monsteren, is voldoende. Zij mogen noch dolk noch lans gebruiken, maar met strikken en haken en vergiftige priemen, die wonden veroorzaken als de steek van een adder, bereiken zij even gemakkelijk hun doel. Men kan zich op deze knapen verlaten."
Wederom lachte Euergetes luide en zeide: "Welk een kritiek! Juist alsof deze bloedhonden treurspelers waren, van welke de een door vuur en hartstocht, de ander door de fijnheid zijner opvatting meer indruk weet te maken. Dat noem ik onbevooroordeeld zijn! Maar waarom zou men ook in het moorden niet groot kunnen wezen!
"Uit welken beulsstrop hebt gij den hals van den eenen gehaald? Op welk blok heeft de kop van den ander gelegen, toen ge hem vondt?--Het uur, waarin men wat nieuws ontdekt, behoort tot de goede gerekend te worden, en bij Herakles, zulke kerels heb ik in mijn leven nog niet ontmoet. Het berouwt mij niet hen gezocht, en als ware ik huns gelijke, met hen verkeerd te hebben.
"Neem mij nu dien gescheurden rok van het lijf en verleen mij uw hulp om mij te verkleeden. Eer ik aan het gastmaal ga, wil ik mij eerst nog eens haastig in mijn bad werpen, want ik gevoel iets onaangenaams over al mijn leden. Het is mij alsof ik door de aanraking met dat volkje besmet ben geworden. Daar liggen mijne kleederen en mijne sandalen. Bind ze mij aan en vertel onder de hand, hoe gij den Romein in het net lokt."
Klea kon ieder woord van dit schrikkelijk onderhoud verstaan, en huiverend hield zij daarbij de hand tegen het voorhoofd, want het kostte haar moeite aan de werkelijkheid te gelooven van de voorstellingen, die haar thans voor de oogen werden gebracht. Waakte zij, of droomde zij een afgrijselijken droom? Zij wist het niet en begreep van alles wat zij hoorde ternauwernood de helft, tot de naam van den Romein werd genoemd. Het was haar als werd haar een scherp lancet door het hoofd gestoken, dat hare hersenen dwars doorboorde van de rechter naar de linkerzijde, toen plotseling de gedachte bij haar opkwam, dat die verscheurende dieren in menschelijke gedaante door Eulaeus zouden worden losgelaten tegen hem, tegen Publius, en weder werd met het oog op zoo iets ongehoords en ontzettends, alles weder helder voor haren geest.
Zij sloop zoo zacht mogelijk naar de spleet van den wand, waardoor de breedste lichtstraal viel in haar donker vertrek, bracht haar oor vóor de opening en zoog nu, als een versmachtende in de woestijn het walglijkst water van een zoutachtig meer, in vreeselijke spanning, lettergreep voor lettergreep het bericht in, dat de eunuuch gaf aan zijn misdadigen vorst, die hem vaak met tegenwerpingen, met woorden van bijval of met even in lachen uit te barsten in de rede viel. Wat zij vernam was wel geschikt haar half waanzinnig te maken, maar hoe meer hetgeen zij hoorde over bepaalde daadzaken liep, des te scherper luisterde zij toch, des te meer spande zij zich in om hare tegenwoordigheid van geest te behouden.
In haar eigen naam had Eulaeus den Romein uitgenoodigd, zich tegen middernacht in de woestijn te laten vinden op eene bepaalde plaats in de nabijheid der Apis-graven. De eunuuch herhaalde de woorden, die hij met dit doel op een scherf had geschreven, en waarbij Publius dringend werd verzocht geheel alleen op de aangewezen plaats te verschijnen, want in den tempel mocht zij niet met hem spreken. Ten laatste werd hij verzocht haar op de achterzijde van de scherf zijn antwoord mede te deelen.
Klea had, toen zij de woorden vernam die de booswicht haar in den mond legde, liefst aan haar gevoel van angst, schaamte en toorn in luid snikken lucht gegeven, maar het kwam er nu op aan de ooren wijd open te houden, want Euergetes vroeg zijn afschuwelijk werktuig: "En hoe luidde het antwoord van Cornelius?"
De eunuuch had zeker den koning het scherfje overhandigd, want de laatste barstte in luid gelach uit en riep: "Hij loopt dus in den val, komt dus op zijn laatst een half uur na middernacht, en laat Klea van hare zuster Irene groeten. Hij doet aan minnarijen en schaken in het groot en koopt de kruikdraagsters bij paren als duiven op de markt of sandalen in een schoenmakerswinkel.--Zie eens, hoe die stumpert Grieksch schrijft! Daar maakt hij me in die weinige regels nog twee fouten, twee echte schooljongens fouten!
"Die knaap heeft heden een al te gelukkigen dag, dan dat hij, overeenkomstig de slechte gewoonte der goden, om de hand, waarmede zij hare gunstelingen lang geliefkoosd hebben, in een slaande vuist te veranderen, niet op een slechten avond zou mogen rekenen. Amalthea's [24] hoorn werd heden over hem uitgestort. Eerst kaapte hij mij mijne kleine Hebe, de Irene bij uitnemendheid, die ik morgen van hem hoop te erven, voor den neus weg; daarna kreeg hij van mij mijne beste Cyrenaeische vossen ten geschenke en daarbij de vleiende verzekering mijner zeer te waardeeren vriendschap. Voorts werd hij door mijne schoone zuster ontvangen, en het streelt het hart van een republikein meer dan men denken zou, wanneer een gekroond hoofd hem gunstig gezind is, en eindelijk noodigt hem de zuster van zijn bekoorlijk liefje, die, als gij en Zoë waarheid spreekt, tot de uitgelezen schoonheden behoort, tot eene samenkomst.
"Dat is voor een bewoner van deze hoogst gebrekkig ingerichte wereld, en voor een enkelen dag, die als hij is aangebroken zoo spoedig omvliegt, te veel goeds. De gerechtigheid vordert dat wij het noodlot een handje helpen, en deze maankop afslaan, die boven hare zusters wil uitgroeien. De duizenden, wien het minder voor den wind gaat, zouden anders grond hebben over achteruitzetting te klagen."
"Het verheugt mij u in eene gelukkige stemming te zien," zeide Eulaeus.
"Het is daarmede maar zoo zoo," zeide de koning, hem in de rede vallende. "Ik geloof dat ik dit vroolijke liedje enkel fluit, om in het donker moed te houden. Indien ik op beteren voet verkeerde met hetgeen andere lieden angst noemen, dan zou ik wel grond hebben om te vreezen, want bij het hanengevecht, dat wij nu begonnen zijn, heb ik een kroon op het spel gezet, meer nog dan dit. Eerst morgen zal beslist worden, of ik het spel gewonnen dan wel verloren heb. Doch dit weet ik heden reeds, dat ik liever mijn plan tegen Philometor en mijne uitzichten op de kroon der beide Egypten schipbreuk zag lijden, dan onzen aanslag tegen het leven van den Romein. Want eer ik koning werd, was ik mensch, en dat zou ik blijven, wanneer mijn troon, die nu nog op twee pooten staat, onder mijn last ineen zou storten.
"Mijne waardigheid als vorst is slechts een kleed, ofschoon dan ook het kostbaarste van alle gewaden. Wie mij dat kleed bevlekt of beschadigt, dien zou ik het zeer gemakkelijk kunnen vergeven, wanneer ten minste vergeven in mijn smaak viel. Maar wie den mensch Euergetes te na komt, wie het waagt dit lichaam en den geest dien het bevat aan te tasten, en zijne wenschen en begeerten te dwarsboomen, dien treed ik onverbiddelijk onder den voet, dien wil ik in stukken scheuren! Over den Romein is het vonnis geveld, en wanneer uwe moordenaars hun plicht doen en de goden het offer aannemen, dat ik hun ter eere bij zonsondergang liet slachten voor het welgelukken mijner onderneming, dan zal Publius Cornelius Scipio binnen twee uren een lijk zijn.
"Het staat hem vrij over mij, als mensch, te lachen, maar daarom heb ik als mensch het recht, en als koning ook de noodige macht, te zorgen, dat deze lach zijn laatste is. Kon ik Rome vermoorden evenals hem, dan zou mij dit niet weinig verheugen, want Rome alleen staat mij in den weg om onder de groote koningen van dezen tijd de grootste te worden. Morgen echter zal ik hooger vreugde smaken, wanneer men verneemt: Publius Cornelius Scipio is door wilde dieren verscheurd, en zijn lijk is zoo gehavend, dat zelfs zijne eigene moeder hem niet herkennen zou, hooger vreugde dan wanneer een bode de tijding bracht, dat Karthago de macht der Romeinen heeft gebroken."
Met eene stem die, als het rollen des donders bij een snel opkomend onweder, steeds luider, dieper en heviger werd, had Euergetes deze laatste woorden gesproken. Toen hij eindelijk zweeg zeide Eulaeus: "Deze vreugde, mijn vorst, zullen de onsterfelijke goden u niet onthouden. De flinke knapen, die gij zoo genadig waart te zien en te onderzoeken, treffen zoo zeker als de bliksem van vader Zeus, en daar wij door den wagenmenner van den Romein weten, waar hij Irene verborgen houdt, zoo zal zij u evenmin ontgaan als de kroon van Opper- en Neder-Egypte.--Sta mij nu toe u den mantel om te hangen en de lijfwacht te gelasten u te begeleiden, terwijl gij naar uw verblijf terugkeert.
"Nog iets," zeide de koning, terwijl hij den eunuuch terughield. "Bij de Apis-graven stonden altijd troepen, die de heilige plaatsen moeten bewaken, kunnen zij uwen vrienden niet hinderlijk zijn?"
"Ik heb," antwoordde Eulaeus, "alle soldaten en gewapende wachten tot den laatsten man naar Memphis opgeroepen, en binnen den witten muur onder dak laten brengen. Morgen vroeg, eer gij tot de uitvoering van uw plan overgaat, worden zij door eene sterkere afdeeling vervangen, opdat zij de troepen van uw broeder hier niet zullen versterken, als het op vechten aankomt."
"Ik zal u voor dezen voorzorgsmaatregel weten te beloonen," zeide Euergetes, terwijl de eunuuch het vertrek verliet.
Klea hoorde daarop andermaal eene deur open en dicht gaan, en herhaald paardengetrappel in den geplaveiden hof. Toen zij vervolgens bevend naar het venster ging, zag zij Euergetes zelf, en het groote stevig gebouwde paard, dat hem tegemoet werd gevoerd. De verschrikkelijke man wond de manen van het ongeduldig steigerende dier om zijne hand, en Klea dacht, dat deze logge massa alleen met behulp van vele mannen op den rug van het paard zou kunnen komen. Maar zij vergiste zich, want met een geweldigen zwaai vloog de reus in de hoogte, en terwijl hij zijn hengst enkel met de beenen regeerde, vloog hij den gevangenhof uit, van alle zijden door zijn schitterend gevolg omgeven.
Gedurende eenige oogenblikken bleef de hof ledig; daarna kwam er een man haastig het plein op, die de kamer, waarin Klea vertoefde, openstiet en zich als een onderhoorige en bode van Glaukus aanmeldde. "Mijn meester," deelde de vergrijsde politiewacht het meisje mede, "laat u groeten en zeggen, dat hij noch den Romein Publius Scipio, noch zijn vriend uit Korinthe te huis heeft getroffen. Hij is verhinderd u persoonlijk op te zoeken, want hij heeft beide handen vol werk, daar er soldaten van beide koningen binnen den witten muur liggen en er tusschen hen telkens twist ontstaat. Gij kunt ook niet in dit vertrek blijven, want het zal weldra bezet worden door eenige onderbevelhebbers, die een vechtpartij begonnen. Glaukus laat u de keus, of gij u door mij naar zijne vrouw wilt laten brengen, dan of gij naar den tempel, waarin gij tehuis behoort, wilt terugkeeren. In het laatste geval zal een wagen--want de stad is vol dronken krijgsvolk--u naar de tweede herberg van Kakem brengen, die aan den zoom der woestijn staat. Misschien zult gij daar wel een geleider vinden, wanneer gij aan den waard zegt wie gij zijt. Het voertuig moet binnen een klein uur terug zijn, want het behoort tot de koninklijke rijtuigen, en als het gastmaal vroeg afloopt, zou er soms aan wagens gebrek kunnen zijn."
"Ik wil terug naar de plaats waar ik behoor," antwoordde Klea zonder aarzelen. "Breng mij terstond naar den wagen."
"Volg mij dan," verzocht de oude man.
"Maar ik ben ongesluierd," merkte Klea op, "en draag niets dan dit dunne kleed. Ruwe soldaten hebben mij den sluier van het hoofd en den mantel van de schouders gehaald."
"Dan zal ik u den mantel van den overste brengen, die hiernaast ligt in de kamer van den bevelhebber, en ook zijn reishoed, welks breede rand uw gelaat voldoende bedekken zal. Door uwe statige houding en grootte zal men u voor een man aanzien, en dat is goed, want eene vrouw, die op dit uur het paleis wilde verlaten, zou er niet ongedeerd uitkomen. Morgen zal een slaaf deze kleedingstukken aan uw tempel afhalen. Ik durf ze u wel toevertrouwen, want mijn meester heeft mij bevolen, dat ik voor u moest zorgen als waart gij zijne eigene dochter. Hij laat mij ook zeggen--ik had het bijna vergeten--dat uwe zuster den Romein Publius Cornelius Scipio gevolgd is, en niet dien anderen zeer gevaarlijken man, gij zult het wel weten. Thans verzoek ik u te wachten tot ik terugkom; het zal niet lang duren."
Na eenige oogenblikken keerde de politiewacht met een grooten mantel terug, dien Klea geheel omsloeg, en een breedgeranden hoed, dien zij diep op haar hoofd drukte. Hij geleidde haar vervolgens naar het kwartier van het paleis, waar de koninklijke stallen zich bevonden. Zij moest dicht bij den beambte blijven en weldra stond zij op een wagen en liet zich door den wagenmenner, die haar hield voor een Macedonischen edelman, welke in den nacht uitreed om een geheime samenkomst te hebben, rijden naar de tweede herberg op den weg, die naar het Serapeum leidde.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Terwijl Klea naar het gesprek van koning Euergetes met den eunuuch luisterde, zat Kleopatra in hare tent, en liet zich met niet minder zorgvuldigheid maar met andere gewaden dan den vorigen avond aankleeden. Heden was zeker niet alles geloopen zooals zij 't wenschte, want twee harer kameniers hadden rood bekreten oogen. Hare speelgenoote Zoë las weder voor, maar ditmaal niet uit een Helleensch philosoof, maar uit de Grieksche vertaling der Joodsche psalmen, over welker dichterlijke waarde eenige dagen geleden aan tafel een twistgesprek was ontstaan. De Israëlietische generaal Onias had namelijk beweerd, dat deze gezangen met die van Alkman of Pindarus op éen lijn gesteld konden worden, en er eenige plaatsen uit voorgedragen, die de koningin zeer bevallen hadden.
Heden was zij niet geschikt om te denken: zij had iets vreemds, iets buitengewoons noodig om zich te verstrooien, en beval daarom Zoë het boek der Hebreërs op te slaan, waarvan de vertaling door de Helleensche Joden in Alexandrië voor een voortreffelijk, ja door God zelven ingegeven werk werd gehouden, waarmede zij door hare Israëlietische vrienden en dischgenooten sedert lang kennis had gemaakt.
Kleopatra kon zoo wat een kwartier naar Zoë's voordracht hebben geluisterd, toen aan den voet van den trap, die tot haar tent leidde, een teeken met de trompet werd gegeven, hetwelk het bezoek van een man aankondigde.
De koningin keek onwillig op, gaf hare speelgenoote een wenk om even op te houden, en zeide: "Ik wil thans mijn echtgenoot niet zien. Ga, Thaïs, en zeg den eunuuch aan den trap, dat ik Philometor laat verzoeken mij thans niet te storen.--Lees verder Zoë!"
Reeds waren tien nieuwe psalmen voorgelezen en eenige strophen op verlangen van Kleopatra, twee- en driemaal herhaald, toen het vlugge Atheensche meisje met hoogroode wangen terugkwam en met eene stem, die hare opgewondenheid verried, zeide: "Niet uw echtgenoot, de koning, maar uw broeder Euergetes wenscht u te spreken."
"Hij had wel een ander uur kunnen kiezen," antwoordde Kleopatra en keek om naar hare kamenier.
Thaïs had de oogen nedergeslagen en met hare vingers wat aan haar kleed getrokken, terwijl zij sprak tot haar gebiedster. Doch de koningin, wie niets ontging wat zij wilde zien, en die zich heden niet in eene stemming bevond om te lachen of iets onbetamelijks ongestraft te laten, liet er onmiddellijk op verbitterden toon op volgen, terwijl hare stem zich verhief tot snijdende scherpheid: "Het bevalt mij niet, wanneer mijne boden zich laten ophouden, door wien het dan ook zij; dat moet ge weten! Verlaat mij oogenblikkelijk en ga in uw kamer, waar gij blijven zult, tot ik u heden nacht noodig heb om mij uit te kleeden. Andromeda mag--hoort gij, oude, gij moogt mijn broeder bij mij brengen, en u, denk ik, zal hij sneller laten terugkeeren dan Thaïs. Gij behoeft niet ter zijde te zien naar den spiegel, want aan uwe rimpels is toch niets te veranderen. Mijn kapsel was reeds gereed. Geef mij den linnen mantel om, Olympias, en dan mag hij komen!--Daar is hij waarlijk al!--Gij vraagt eerst om verlof, broeder, en toch verkiest gij niet te wachten, tot het u gegeven wordt."
"Het verlangen en het wachten," antwoordde Euergetes, "zijn een paar, dat zich slecht laat vereenigen. Ik heb den ganschen avond onder soldaten met schranzen doorgebracht, ben daarop, om weder eens eenige fatsoenlijke gezichten te zien, naar de gevangenis gegaan, heb toen een bad genomen daar de verf in de verblijven uwer gevangenen wat meer afgeeft en vuiler is, dan in dit kleine godenverblijf, waarin het er uitziet en geurt als in Aphrodite's toiletkamer. Ik heb nu lust vóor den maaltijd nog eenige goede woorden te hooren."
"Uit mijn mond?" vroeg Kleopatra.
"Er is er geen aan den Nijl en aan den Ilissus, die beter kan spreken."
"Wat verlangt gij van mij te hebben?"
"Ik--van u?"
"Zeker, want zoo vleiend spreekt gij alleen, wanneer gij iets begeert."
"Ik zeide het u reeds! Ik wensch van u iets verstandigs, iets geestigs, iets opwekkends te hooren."
"Men kan de geestigheid maar zoo niet commandeeren als eene kamenier. Zij verschijnt ongevraagd, en hoe dringender men haar beveelt te komen, des te zekerder blijft zij uit."
"Dat mag voor anderen gelden, maar niet voor u, die, ofschoon gij verzekert geen Attisch zout te hebben, er toch druk gebruik van maakt. Alles is der schoonheid gehoorzaamheid schuldig, ook de scherts en de scherptongige Momus, die zelfs de goden niet ontziet."
"Gij vergist u, mijne kameniers komen niets eens op haar tijd terug, wanneer ik haar opdraag eene boodschap aan u over te brengen."
"Is het dan niet geoorloofd, op den weg naar den tempel van Aphrodite ook aan de Gratiën te offeren?"
"Indien ik eene godin was, dan zou ik weinig ophebben met aanbidders, die mijne dienaressen voor mijns gelijken houden."