Part 12
"Om den opstand in Thebe te onderdrukken, zond Philometor eergisteren de beste soldaten, de vaandels van Disilaus en die uit Arsinoë [16] naar het Zuiden. Het heeft inderdaad niet weinig gekost, de raddraaiers te werven en de ontevredenheid tot eene uitbarsting te doen komen."
"Mijn broeder vergoedt ons deze voorschotten," zeide de koning, hem in de rede vallende, "wanneer wij zijn schat in onze schatkist overstorten. Nu verder."
"Het meeste last zullen wij hebben met de priesters en Joden. De eerste trekken partij voor Philometor, omdat hij de oudste zoon uws vaders is, en vooral omdat hij veel gedaan heeft aan de tempels van Apollinopolis en Philae. De Joden hangen hem aan, omdat hij hen bijna meer begunstigt dan de Grieken; omdat hij zoowel als zijne gemalin, uwe verhevene zuster, zich inlaten met hunne godsdienstige kibbelarijen; omdat hij met hen redetwist over de leer, die in hun heilig boek is vervat, en zich aan tafel met niemand liever bezig houdt dan juist met hen."
"Ik zal zorgen dat de wijn en het gebraad, waarmede zij zich hier vetmesten, hen niet meer smaken zullen," riep Euergetes, heftig verstoord. "Heden heb ik mij al genoeg geërgerd over hunne tegenwoordigheid aan tafel, want zij hebben heldere oogen en een verstand, zoo scherp en spits als hun neus. Zij zijn het gevaarlijkst als zij iets te vreezen hebben, of op winst kunnen rekenen. Daarbij valt het niet te loochenen, dat zij trouw zijn en vasthoudend, en daar de meesten hunner wat bezitten, zoo maken zij althans in Alexandrië zelden gemeene zaak met de schreeuwende menigte. Alleen de nijd kan er hun een verwijt van maken, dat zij vlijtig en ondernemend zijn, want hun voorbeeld en dat van hunne Phoenicische stamgenooten, heeft de Hellenen tot meerdere bedrijvigheid geprikkeld. In tijd van vrede gaat het hun het best, en daar het in het gebied van Philometor en Kleopatra rustiger toegaat dan bij mij, zoo hangen zij hen aan, leenen mijn broeder geld en bezorgen mijne zuster gesneden steenen, saffieren en smaragden, fraaie stoffen en andere vrouwensnuisterijen, tegen beschreven papyrus, dat weldra niet meer waard zal zijn dan de veder, die den groenen schreeuwleelijk daar op zijn stok uit zijn vleugel is gevallen."
"Het is mij onbegrijpelijk dat zulke verstandige lieden niet kunnen inzien, dat er niets bestendigers is dan het onbestendige, niets zekerder dan dat niets zeker is, en dat zij daarom hunnen God voor den eenig waren, hunne leer voor absoluut en volmaakt houden, en verachten wat andere volken gelooven. Deze inbeelding maakt hen tot gekken, maar misschien juist om hun opgeschroefd zelfbewustzijn en hun vast vertrouwen op hunnen god in de lucht, ook tot goede soldaten."
"Ja, dat zijn ze," zeide Hiërax bevestigend, "maar zij laten zich liever en voor minder geld voor uw broeder aanwerven, dan voor ons."
"Ik zal hun toonen," sprak de koning, "dat ik in dit opzicht hun smaak verkeerd en strafwaardig vind. De priesters heb ik noodig, want zij leeren het volk gehoorzaam te zijn en zijne ellende geduldig te gedragen. Maar de Joden," en bij deze woorden rolden zijne vurige oogen wild door zijn hoofd, "roei ik uit, als de tijd daartoe gekomen is."
"Dat zal ook voor onze schatkamer goed zijn," zeide Komanus lachende.
"En voor de tempels van het land," vulde Euergetes aan, "want andere vijanden tracht ik te verdelgen, maar de priesters poog ik voor mij te winnen, en dat moet ik doen, wanneer het rijk van Philometor mij ten deel valt, want de Egyptenaren verlangen een god tot koning. En tot de waardigheid van een god, voor wien mijne bruine onderdanen met genoegen en zonder mij het leven door opstanden te verbitteren, gaarne de knieën willen buigen, kan ik het alleen dan brengen, wanneer de priesters mij erkennen en daartoe verheffen."
"En toch," bracht Hiërax hiertegen in, de eenige dienaar van Euergetes, die zich niet ontzag hem in gewichtige aangelegenheden tegen te spreken, "en toch zal heden de opperpriester van Serapis om uwentwil op eene zware proef worden gesteld. Gij dringt aan op de uitlevering van een meisje, dat in dienst van den god is en Philometor zal niet verzuimen...."
"Zal niet verzuimen," zeide Euergetes, den volzin voltooiende, "den machtigen Asklepiodorus mede te deelen, dat hij het lieve meisje niet voor zich maar voor mij verlangt. Wist gij dat Eros mijn hart heeft getroffen, en ik voor deze aanminnige Irene gloei van liefde, ofschoon het dezen oogen nog niet vergund werd haar te zien!
"Gij gelooft mij op mijn woord, dat kan ik u aanzien, en ik spreek de zuivere waarheid. Want deze kleine Hebe wil ik bezitten, zoo waar ik den troon mijns broeders hoop te verwerven. Maar ik plant mijne boomen niet enkel om mijn tuin te versieren, maar ook om er voordeel van te trekken. Gij zult het zien, hoe ik tegelijk met dit schoonste liefje den opperpriester van Serapis weet te winnen, die wel is waar een Griek, maar ook een man is niet gemakkelijk te buigen.
"Mijn werktuig wacht reeds buiten! Verlaat mij thans en beveelt den eunuuch Eulaeus bij mij te brengen."
"Gij zijt als de godheid," zeide Komanus diep buigende, "en wij zijn maar sterfelijke menschen. Voor ons zwakker verstand schijnen vaak uwe handelingen duister en onbevattelijk, doch wanneer dat, wat ons toeschijnt op niets goeds te kunnen uitloopen, het doel treft, moeten wij verbaasd erkennen, dat gij wel langs vele slingerpaden zijt gegaan, maar toch den besten weg gekozen hebt."
De koning bleef een wijl alleen, fronste de wenkbrauwen, en zag nadenkend voor zich. Zoodra hij echter de zachte voetstappen van den eunuuch en de zwaardere van den man die hem binnenleidde hoorde naderen, nam hij weder het gelaat aan van iemand, die alleen voor zijn genoegen leeft, riep Eulaeus een vroolijk welkom toe en herinnerde hem aan zijn eigene kindsheid, en hoe dikwijls de eunuuch hem geholpen had om zijne moeder te overreden de reeds geweigerde wenschen van den knaap te vervullen.
"Maar, oude vriend," ging de koning voort, "de tijden zijn veranderd, en heden zegt gij: Alles voor Philometor en niets meer voor den armen Euergetes, hoewel deze, als de jongste, juist uw hulp het meest noodig heeft!"
De eunuuch boog glimlachende, waarmede hij wilde te kennen geven, dat hij zeer goed begreep, hoe weinig die laatste woorden des konings ernstig gemeend waren, en zeide: "Ik was altijd van plan, en geloof ook thans nog den zwakste van u beiden te dienen."
"Gij bedoelt mijne zuster?"
"De vorstin Kleopatra behoort tot een geslacht, dat wij vaak ten onrechte het zwakke noemen. Ofschoon gij zeker geliefdet te schertsen, toen gij de laatste vraag hebt gesteld, acht ik mij toch verplicht u bepaald te antwoorden, dat ik niet haar maar koning Philometor bedoelde."
"Philometor? Gij gelooft dus niet aan zijne sterkte, houdt mij voor krachtiger dan hem en hebt mij nog heden aan het gastmaal uw dienst aangeboden, en mij verteld, dat aan u was opgedragen de uitlevering van de kleine dienares van Serapis in naam des konings van den opperpriester Asklepiodorus te vragen?--Is dat den zwakkere dienen? Waart gij misschien dronken, toen ge mij dat mededeeldet?--Neen? Dan zijt gij matiger geweest dan ik.--Zijt gij ook van zienswijze veranderd? Maar dat zou mij verwonderen, want uwe beginselen gebieden u toch den zwakkeren zoon mijner moeder...."
"Gij drijft den spot met mij," zeide de hoveling, den koning met een zacht verwijt, doch niet zonder eenige bitterheid in zijne stem, in de rede vallende.--"Wanneer ik mij ter uwer beschikking heb gesteld, is dit niet uit wankelmoedigheid geschied, maar juist omdat ik begeer trouw te blijven aan het eenig doel mijns levens."
"En dat is?"
"Te zorgen voor het heil van dit land, in den geest van uwe verhevene moeder, wier raadsman ik was."
"Gij vergeet het andere, namelijk voor uzelven zoo goed mogelijk te zorgen."
"Dit vergat ik niet, maar sprak het niet uit, want ik weet dat de tijd van een koning precies is afgemeten, en bovendien komt het mij voor evenzeer vanzelf te spreken, dat iemand om zijn eigen persoon denkt, als dat iemand, wanneer hij een paard koopt, ook de schaduw er bij krijgt."
"Hoe fijn! Maar ik berisp u hierover evenmin als het meisje, dat zich voor den spiegel plaatst, om zich voor den geliefde te tooien, en tegelijk zich vermeit in hare eigene schoonheid.--Doch laten wij nu terugkomen op hetgeen gij het eerst gezegd hebt. Als ik u goed verstaan heb, meent gij ter wille van Egypte mij die diensten te moeten aanbieden, die gij tot dusverre aan mijn broeder hebt bewezen?"
"Juist! In dezen moeielijken tijd heeft het land den wil en de hand noodig van een krachtig aanvoerder."
"En daarvoor houdt ge mij dus!"
"Voor een reus in kracht van wil, van lichaam en van geest, wiens begeerte, om de beide deelen van Egypte weder te vereenigen en alleen te bezitten, niet onvervuld kan blijven, wanneer hij met overleg zijn slag slaat, en wanneer...."
"Wanneer?" zeide de koning den eunuuch na, en zag hem scherp in de oogen, zoodat hij de zijne nedersloeg en zacht antwoordde: "Wanneer Rome zich hiertegen niet verzet."
Euergetes haalde de schouders op en vervolgde op ernstigen toon. "Het is hiermede als met het noodlot, dat bij alles wat wij doen den doorslag geeft. Waarlijk ik liet het niet ontbreken aan buitengewone offers, om deze macht, die zich niet laat keeren, tevreden te stellen, en mijn agent, door wiens handen grootere sommen gaan dan door die van den betaalmeester mijner troepen, schrijft mij, dat men mij in den senaat niet ongunstig gezind is."
"Hetzelfde weten wij ook van onzen agent. Gij hebt aan den Tiber meer vrienden dan Philometor, o koning, maar onze laatste brief is reeds eenige weken oud, en in de laatste dagen zijn er dingen gebeurd..."
"Spreek op!" zeide Euergetes, terwijl hij zich in zijne kussens recht overeind zette. "Maar als ge mij een strik spant en spreekt als het werktuig van mijn broeder, dan laat ik u, al wildet gij ook naar de afgelegenste holen der Troglodyten [17] ontvluchten, ja dan laat ik u, zoo waarachtig als ik een echte zoon van mijn vader hoop te zijn, dan laat ik u opvangen en levend in stukken scheuren."
"Zulk een straf zou ik verdiend hebben," antwoordde Eulaeus deemoedig en ging voort: "Als ik goed heb gezien, staan ons reeds in de eerste dagen groote dingen te wachten."
"Ja!" zeide Euergetes zonder aarzelen.
"Doch juist nu zullen Philometor's belangen in Rome beter bepleit worden dan ooit te voren. Gij hebt den jongen Publius Scipio aan 's konings tafel leeren kennen, en u weinig ijverig getoond om zijne gunst te winnen."
"Hij behoort tot de familie der Corneliërs" zeide de koning hem in de rede vallende, "een voornaam persoon voorzeker, die verwant is aan allen die aan den Tiber zich inbeelden groot te zijn; doch hij is geen gezant; hij reist maar van Athene naar Alexandrië om wat kennis op te doen, hetgeen hij meer dan noodig heeft; hij verheft zijn hoofd fierder en beweegt zijne lippen vrijer dan hem tegenover koningen past, omdat die jongelieden denken dat het hun goed staat zich als ouderen aan te stellen."
"Hij heeft meer te beteekenen dan gij denkt."
"Dan noodig ik hem bij mij te Alexandrië en zal hem binnen drie dagen voor mij weten te winnen, zoo waar ik Euergetes heet."
"Dan zal het te laat zijn, want hij heeft heden, dat weet ik zeker, volmacht van den senaat gekregen, om in geval van nood te spreken in naam van den gezant, dien men weder tot ons wil zenden."
"En dat hoor ik nu eerst!" riep de koning, en sprong van zijn rustbed op. "Mijne vrienden, als ik er nog heb die dezen naam verdienen, mijne dienaars en boden, allen zijn ze doof, blind en lam!--Ik heb een afkeer van dien trotschen onvriendelijken knaap, maar ik noodig hem morgen, neen heden nog op een vroolijk gastmaal, en zend hem het schoonste vierspan van de paarden die ik uit Cyrene medebracht. Ik zal...."
"Alles zal vruchteloos zijn," zeide Eulaeus ernstig en bedaard, "want hij bezit in den volsten en uitgebreidsten zin van het woord, de gunst, ja, ik veroorloof mij het ronduit te zeggen, de warme toegenegenheid van koningin Kleopatra, en hij geniet deze kostelijkste aller gaven met een dankbaar hart. Philometor laat, gelijk in alles, ook hierin de dingen maar gaan zoo ze willen. Kleopatra en Publius, Publius en Kleopatra verblijden zich openlijk in hunne wederzijdsche liefde, zien elkander in de oogen, als een herderspaar in Arkadië, verwisselen hunne bekers en kussen met hunne lippen den rand, waar de ander den mond aan gezet heeft. Beloof en geef dien man wat gij ook wilt, hij zal uwe zuster trouw blijven, en als het u gelukt hen van den troon te stooten, dan zal hij om uw persoon, evenals Popilius Laenas om uw oom Antiochus, een kring trekken en zeggen: wanneer gij het waagt hier buiten te treden, dan hebt gij Rome tot vijand!"
Euergetes hoorde deze woorden zwijgend aan, rukte toen de doeken waarmede men zijn lichaam had omwonden, los, en liep in stormachtige gejaagdheid in zijn vertrek op en neder, van tijd tot tijd steunende en brullende als een wilde stier, die zich beknelt voelt door touwen en banden, en te vergeefs al zijne krachten inspant om ze te verscheuren. Eindelijk bleef hij voor Eulaeus staan en vroeg: "Wat weet gij nog meer van den Romein?"
"De man, die u niet veroorloofde u met Alcibiades te vergelijken, tracht zelf den lieveling der meisjes te Athene na te doen, want het is hem niet genoeg een koning het hart zijner gemalin te ontstelen, hij strekt bovendien zijne hand uit naar de schoonste dienstmaagd van den hoogsten god. De kruikdraagster, welke de vriend van den Romein, Lysias, als Hebe heeft aanbevolen, is het liefje van Cornelius. Zeker verwacht hij hier hare gunsten gemakkelijker te kunnen genieten in uw vroolijk paleis dan in den somberen tempel van Serapis."
Toen hij dit hoorde sloeg de koning zich voor het hoofd en riep: "Koning te zijn, en een man die het opneemt tegen tien, en dan zich dit kalm en wel te moeten laten welgevallen als een boer, wiens zaadveld mijne ruiters vertreden!--Alles kan hij verijdelen, alles, mijne plannen zoowel als mijne wenschen, en mij blijft niets over dan de vuisten te ballen en van woede te stikken!
"Maar dit steunen en op de tanden knarsen is even nutteloos als mijn razen en vloeken bij de legerstede mijner stervende moeder, die toch dood bleef en niet weder opstond.--Ware die Cornelius een Griek, een Syriër, een Egyptenaar, ja ware hij mijn eigen broeder, ik zeg u, Eulaeus, hij zou mij niet lang in den weg staan. Maar hij heeft volmacht van Rome, en Rome is het noodlot, Rome is het noodlot!"
Diep ademhalende en als verlamd viel de koning op het rustbed neder, terwijl hij zijn aangezicht in de zachte kussens drukte. Doch Eulaeus trad onhoorbaar zacht naar den jongen man toe en fluisterde hem met plechtige bedaardheid in het oor: "Rome is het noodlot, maar ook Rome vermag niets tegen het noodlot. Cornelius moet sterven, omdat hij de dochter uwer moeder verleidt, en u, den redder van Egypte, in den weg staat. Een moord aan hem gepleegd zou de senaat schrikkelijk wreken, maar wat kan deze doen, wanneer wilde dieren zijn gevolmachtigden op het lijf vallen en in stukken scheuren?"
"Kostelijk, overheerlijk!" riep Euergetes uit, terwijl hij weder overeind sprong, en de groote oogen zoo verrast en stralende van blijdschap opsloeg, als had zich de hemel voor hem geopend, en als zag hij de verhevene goden maaltijd houden aan gouden tafels.
"Gij zijt een groot man, Eulaeus," zoo ging hij voort, "en ik zal u weten te beloonen. Maar kent gij de wilde dieren die wij noodig hebben, en zal het mogelijk zijn te zorgen, dat niemand het wagen durft, ook maar den schijn van een vermoeden te koesteren, dat de wonden, die hunne tanden en klauwen zullen openrijten, door dolken, haken of lansspitsen veroorzaakt zijn?"
"Heb hiervoor geen zorg," antwoordde Eulaeus; "deze roofdieren hebben het hier in Memphis meer gedaan, en staan in 's konings dienst...."
"Zie nu mijn zachtmoedigen broeder eens aan!" zeide Euergetes lachend. "Hij beroemt zich behalve in den slag nooit iemand gedood te hebben, en nu...."
"Philometor heeft ook eene gemalin," zeide de eunuuch, den koning in de rede vallende.
"Ja, die vrouwen," hernam Euergetes, "wat kan men van haar al niet leeren!" Daarop vroeg hij op zachten toon: "Wanneer kunnen uwe beesten aan het werk gaan?"
"De zon is sedert lang opgegaan. Eer zij weder ondergaat moet ik mijne maatregelen nemen, maar tegen middernacht kan, naar ik gis, de daad volbracht zijn. Wij maken eene afspraak met den Romein omtrent eene samenkomst, lokken hem naar den tempel van Serapis en op zijn terugtocht door de woestijn..."
"Ja dan!" riep de koning, terwijl hij met zijne hand op zijne borst stootte, als had hij een dolk daarin. Vervolgens voegde hij er bij op vermanenden toon: "Maar uwe lieden moeten sterk zijn als leeuwen en voorzichtig als katten. Als gij geld noodig hebt, wendt u dan tot Komanus; of nog beter, neem dezen buidel.--Is het genoeg? Dan moet ik u nog vragen: Hebt gijzelf reden om den Romein te haten?"
"Ja," antwoordde Eulaeus zonder aarzelen. "Hij vermoedt, dat ik alles weet, wat hij in het schild voert, en vervolgt mij met valsche aanklachten, die mij heden in ernstig gevaar kunnen brengen. Als gij hoort, dat hij de koningin heeft overgehaald mij gevangen te nemen, zorg dan terstond voor mijne bevrijding."
"Niemand zal u een haar krenken, verlaat u daarop. Ik zie dat gij reden hebt, gelijk spel met mij te spelen, en dat verheugt mij, want men werkt alleen met al zijne kracht voor zichzelven. En nu mijne laatste vraag: Wanneer haalt gij de kleine Hebe?"
"Over een uur ga ik naar Asklepiodorus; maar wij kunnen het meisje eerst morgen gebruiken, want eerst moet zij als lokaas voor Cornelius in den tempel blijven."
"Ik wil geduld oefenen, maar dan heb ik u nog iets op te dragen. Stel den opperpriester de zaak zoo voor, alsof mijn broeder met de kruikdraagster voor mij op te eischen,--op te eischen, zeg ik--een mijner luimen wenscht te bevredigen. Beleedig den man, voor zooveel gij doen kunt zonder achterdocht te wekken. Als ik den man goed ken, blijft hij op zijn recht staan en zal hij standvastig weigeren. Dan komt na u mijn Komanus met groeten, geschenken en beloften.
"Morgen, wanneer volbracht is wat met den Romein geschieden moet, haalt gij het meisje in naam mijns broeders met list of geweld, en overmorgen, wanneer de goden mij genadig helpen, en beide deelen van Egypte in mijne hand vereenigen, dan openbaar ik aan Asklepiodorus, dat ik Philometor heb gestraft voor zijn vergrijp tegen den tempel, en van de regeering ontzet heb. Serapis zal zien wie zijn vriend is!
"Als alles naar wensch gaat, dan benoem ik u, dat beloof ik bij de zielen mijner afgestorven voorvaderen, tot Epitroop [18] van de opnieuw vereenigde rijken. Ik ben heden voor u op ieder uur te spreken."
De eunuuch verwijderde zich met zoo vluggen tred, alsof hij door dit gesprek met den koning zijne jeugd had teruggekregen.
Toen Hiërax, Komanus en andere beambten het vertrek weder binnentraden, beval Euergetes hun zijn vriend Publius Cornelius Scipio in den loop van den voormiddag zijne vier edelste Cyrenische rossen aan te bieden, als een teeken zijner hoogachting en toegenegenheid. Daarop liet hij zich kleeden, zocht Aristarchus op en zette zich met hem aan den arbeid.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De tempel van Serapis lag in diepe rust, geheel gehuld in het duister, dat zijne veelvuldige deelen voor het oog onzichtbaar maakte, en hem het aanzien gaf van eene op zichzelf staande rotsmassa, door een blauwzwarten nevel omgeven. Ook buiten den tempel was alles in rust, doch nu liet zich in de stilte van den nacht, die elk gedruisch scheen te verdubbelen, de hoefslag der paarden en het geratel van wielen vernemen. Vóordat de wagen, die dit geraas veroorzaakte, bij den tempel was aangekomen, hield zij stil, en wel achter het acaciënbosch van den god, want van daar hoorde men het gehinnik van een paard.
De hengst, die dit geluid deed hooren, was een van de paarden des konings. De Korinthiër Lysias bond het dier juist aan een boom, dicht bij den weg, aan den zoom van het boschje; hij wierp zijn mantel over den rug van het dampende ros, baande zich tastend van acacia tot acacia een pad, en vond weldra de zonnebron, op welker borstwering hij ging zitten. Een scherpe koude luchtstroom verhief zich uit het oosten, als voorbode van het opgaan der zon, en eene flauwe schemering begon de kronen der hooge boomen, die in de duisternis als het ware éen groot zwart dak vormden, langzamerhand te doen uitkomen. Uit den tuin van den Asklepius-tempel liet zich hanengekraai hooren, en toen de Korinthiër vroolijk opstond, om door snel op en neder te loopen zijn bloed te verwarmen, hoorde hij in de richting van den ringmuur des tempels, welks omtrekken steeds scherper begrensd uit het duister te voorschijn kwamen, een deur kraken.
Met gespannen opmerkzaamheid keek hij nu den weg af, waar het opkomend licht meer en meer de schaduwen deed verdwijnen, en sneller begon zijn hart te kloppen, toen hij eene gedaante waarnam, die met haastige schreden naar de bron ging. Hetgeen hij zag naderen was inderdaad een menschelijk wezen, dat door geen ander werd begeleid; het was geen man, maar eene vrouw in een lang gewaad. Maar het kwam hem voor dat zij die hij zocht, kleiner was dan de vrouwengestalte die steeds naderbij kwam. Kwam de oudere en niet de jongere zuster, om wie het hem toch alleen te doen was, heden naar de bron?
Thans kon hij reeds haar lichten tred onderscheiden; nu was zij nog maar door een jonge acaciënstruik, die haar aan zijn blik onttrok, van hem gescheiden. Zie, daar plaatst zij twee kruiken op den grond; zij trekt zonder moeite een emmer in de hoogte en vult de kruik, die zij in de linkerhand droeg. Thans keert zij haar aangezicht naar den horizont, die meer en meer door schitterend licht wordt verhelderd. Lysias meent Irene herkend te hebben, ja nu, dank zij alle beschermgoden, nu weet hij het zeker. Vóor hem staat de jongste, niet de oudste zuster, staat het meisje dat hij zoekt.
Door de wilde acaciënstruik nog altijd half verborgen, en met zachte stem, om Irene niet te doen schrikken, roept hij haar bij den naam. Toch was het der jonkvrouw, die hier nog nooit op dit uur door een mensch was verrast, alsof haar van schrik het bloed in de aderen stolde. Zij stond als aan den grond genageld, en drukte bevreesd de koude, vochtige gouden kruik van den god tegen hare borst.
Lysias riep haar nu luider bij den naam, en voegde er, altijd nog met eene gedempte stem, bij: "Schrik niet, Irene, ik ben Lysias de Korinthiër, uw vriend, wiens granaat gij gisteren hebt gedragen, en die u na den optocht aansprak. Sta mij toe u goeden morgen te zeggen!"
Het meisje nam, toen zij deze woorden hoorde, haar kruik in de linkerhand, liet die met zijn inhoud nederdalen, legde de rechterhand op haar borst en zeide na eene diepe ademhaling: "Wat hebt gij mij vreeselijk doen ontstellen! Ik dacht dat een dwalende geest, die nog niet naar de onderwereld is teruggekeerd, mij had geroepen, want eerst de opgaande zon verjaagt de geesten."
"Maar niet menschen van vleesch en been, die geen kwaad in hun schild voeren. Ik zou, dit moogt ge gerust gelooven, gaarne bij u blijven tot Helios weder ondergaat, wanneer gij mij dit vergunt."
"Ik heb u niets te vergunnen en niets te verbieden," antwoordde Irene; "maar hoe komt gij op dit uur hier?"
"Op mijn wagen," antwoordde Lysias lachend.
"Gekheid! Ik wil weten wat gij hier op dit uur aan de zonnebron zoekt?"
"Wat anders dan u? Gij hebt mij gisteren gezegd, dat gij gaarne slaapt, en dat doe ik ook. Maar om u weder te zien, heb ik zeer gaarne mijne nachtrust bekort."
"Maar hoe kondt gij weten....?"
"Gij zeidet mij gisteren zelve op welken tijd gij den tempel moogt verlaten."
"Heb ik u dat gezegd?--Groote Serapis, wat wordt het reeds licht! Ik word bestraft, als de kruik niet vóor zonsopgang op het altaar staat. En daar is ook nog die voor mijne Klea."