Part 11
"Neen! het is nu ook geen tijd om daarover te spreken. Allereerst hebben wij te overleggen, hoe het laatste onheil, door u gesticht, weder goedgemaakt kan worden. Is het niet schandelijk van u, dat gij het aanvallig schepseltje welks kinderlijke schuchterheid wij heden morgen met welgevallen hebben opgemerkt, dat gij het meisje, waarvan gijzelf mij, toen wij terugkeerden, zeidet, dat zij u deed denken aan uwe lieve zuster, wilt overleveren aan den wildsten van alle woestelingen, die ik ooit ontmoet heb, aan dit monster, dat behagen schept in allerlei buitensporigheden, en zijn eer stelt in al wat slecht is? Wat heeft Euergetes...."
"Bij onzen beschermgod Poseidon," riep Lysias, terwijl hij zijn vriend haastig in de rede viel, "ik dacht in het geheel niet aan dien dubbelen Alcibiades, toen ik op haar de aandacht vestigde. Wat doet hij, die eene tooneelvoorstelling moet leiden, niet al om zich te verzekeren van den bijval zijner toeschouwers? En--laat ik eerlijk zijn--voor mijzelven wilde ik Irene in het paleis brengen, want ik ben smoorlijk op haar verliefd; zij heeft mijn hart getroffen."
"Even als Kallista en Phryne en de fluitspeelster Stephanion." zeide de Romein, de schouders ophalende.
"Hoe anders?" vroeg de Korinthiër, terwijl hij zijn vriend verbaasd aanzag. "Eros heeft vele pijlen in zijn koker, de eene treft dieper dan de andere, en ik geloof dat de wond, die ik heden ontving, weken lang pijn zal doen, als ik dit kind, hetwelk nog bekoorlijker is dan de zoo bewonderde Hebe aan onze bron, moet prijs geven."
"Ik raad u hoe eer hoe liever u aan deze gedachte te gewennen," zeide Publius ernstig, terwijl hij vóor den Korinthiër ging staan met de armen over elkaar gekruist. "Wat zoudt ge van mij wel zeggen, wanneer het mij inviel, uw aardig zusje, waarop--ik herhaal het--Irene zoo veel gelijkt, listig uit het huis uwer ouders te lokken?"
"Niet zulke vergelijkingen, bid ik u," hernam de Korinthiër, en zoo kortaf boos, als de Romein hem nog nooit gezien had.
"Gij maakt u ten onrechte toornig," antwoordde Publius kalm en ernstig. "Uwe zuster is een bevallige jonkvrouw, het sieraad van uwe deftige familie, en toch durf ik de arme Irene..."
"Met haar vergelijken, wilt gij zeggen," zeide Lysias, op nieuw opstuivende. "Dit is een slechte dank voor de gastvrijheid, die gij bij mijne ouders hebt genoten, en die gij altijd zoo geroemd hebt. Ik ben een goede kerel, die van u meer dan van iemand anders kan verdragen, waarom weet ikzelf niet; maar in deze zaak wil ik van geen gekscheren weten! Mijne zuster is de eenige dochter van de rijkste, de edelste familie van Korinthe, om wier hand reeds velen aanzoek hebben gedaan. Zij is geen haar minder dan het kind van uw eigene ouders, en ik wilde wel eens zien wat gij zoudt zeggen, wanneer ik het waagde de trotsche Lucretia te vergelijken met dit arme ding, dat als eene dienstmaagd water draagt...."
"Ga uw gang!" zeide Publius gelaten, den Korinthiër in de rede vallende. "Ik neem u niet kwalijk dat gij u boos maakt, want gij weet niet wie die beide zusters in den Serapis-tempel zijn. Overigens vullen zij de waterkruiken niet voor menschen, maar voor een God. Daar, neem deze rol en lees het schrift door, terwijl ik den brief uit Rome beantwoord. Hei! Spartacus, steek nog eenige lampen aan!"
Weldra zaten de jonge mannen tegenover elkander aan de tafel, die midden in hunne tent stond. Publius schreef ijverig door en keek alleen op, wanneer zijn vriend, die het bericht van den kluizenaar las, onwillig met de hand op de tafel sloeg, of van zijn zetel opsprong en voor zichzelf zijne verontwaardiging lucht gaf in bittere woorden.
Zij waren beiden tegelijk gereed, en toen Cornelius zijn brief gevouwen en verzegeld, en Lysias de rol op de tafel geworpen had, vroeg de Romein, terwijl hij zijn vriend strak aanzag, op gerekten toon: "Nu?"
"Ja, nu!" herhaalde Lysias. "Nu verkeer ik weder in de treurige omstandigheid, dat ik mij zelven voor dommer moet houden dan u, dat ik u gelijk geven en vergeving vragen moet, omdat ik u voor een onbeschaamde en wat niet al heb gehouden. Maar hoe kon ik dit ook weten! Neen, zulk een allerschandelijkste geschiedenis als in dat ding te lezen staat, heb ik nooit gehoord. Zoo iets kan ook alleen in Egypte voorkomen dat zich om de goden noch om hunne geboden bekommert!
"Die arme kleine Irene!--Hoe heeft dat goede kind onder dit alles zulk een vroolijk gezichtje kunnen behouden!
"Ik zou mijzelven als een schooljongen kunnen ranselen, omdat ik, gek der gekken, den machtigsten en buitensporigsten man in dit gansche land, omdat ik juist Euergetes op dit meisje opmerkzaam heb gemaakt!
"Wat moet er gedaan worden, om Irene tegen hem te beschermen? Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ik haar in zijne klauwen moet zien geraken, en dat wil ik ook niet dulden! Zijt gij niet van oordeel, dat het goed zou zijn als wij ons die kruikdraagsters aantrokken?"
"Dat is niet alleen goed, maar zelfs plicht," zeide Publius, vast besloten. "Sukkels zouden we zijn, als wij het niet deden. Sedert de kluizenaar mij in het vertrouwen heeft genomen, komt het mij voor, dat op mij de verplichting rust over deze meisjes, aan wie men de ouders heeft ontstolen, als een voogd te waken, en gij, beste Lysias, moet mij helpen!"
"De oudste der zusters heeft mij juist niet zeer vriendelijk bejegend, maar daarom acht ik haar niet minder. De jongste schijnt minder ernstig en teruggetrokken te zijn dan Klea. Ik merkte wel op, hoe zij uw glimlach beantwoordde, toen de processie werd ontbonden. Daarna zijt gij, evenmin als ik, terstond terug gereden, en ik heb reden om te gelooven, dat Irene u terughield. Ik verzoek u dringend: wees openhartig en zeg mij alles, want wij moeten eenstemmig en met overleg handelen, wanneer het gelukken zal dit spel van Euergetes te verijdelen."
"Ik heb juist niet veel te vertellen," antwoordde de Korinthiër. "Na den optocht ging ik in het pastophorium, natuurlijk om Irene te zien, en liet mij, om geen opzien te wekken, door de pelgrims vertellen, welke droomgezichten de god hun had toegezonden, en welken raad zij in den tempel van Asklepius hadden ontvangen tegen hunne eigene kwalen, en die van hunne nichten en neven. Zoo verliep er wel een half uur eer Irene kwam.
"Zij droeg een mandje, waarin de gouden haartooi lag, dien zij bij het feest had gedragen, en dien zij nu naar den schatmeester terug moest brengen. De granaatbloesem, dien zij heden morgen van mij had aangenomen, viel mij reeds van verre in het oog. Toen zij mij opmerkte en tot over de ooren kleurde, terwijl zij de oogen nedersloeg, dacht ik voor het eerst: Precies als de Hebe aan onze bron!
"Zij wilde mij voorbijgaan, maar ik hield haar tegen, verzocht haar mij het sieraad te laten zien, dat zij in de hand hield, zeide haar allerlei dingen, die een meisje gaarne hoort, en vroeg haar eindelijk, of men haar streng bewaakte, en of van hare fijne handjes en voetjes, die voor beter dingen gevormd waren dan voor water dragen, veel werd gevergd. En zij bleef mij het antwoord niet schuldig, maar bij alles wat zij zeide, sloeg zij maar zelden de oogen op.
"Hoe langer men haar aanziet des te lieflijker schijnt zij te zijn. Toch is zij nog geheel een kind, maar zoo'n kind, dat zich te huis niet meer op zijn plaats gevoelt, dat van glans en vreugde en vrijheid droomt, terwijl men het in een armzalig donker vertrek opsluit en laat verkwijnen. Die arme schepsels mogen den tempel nooit verlaten, behalve bij optochten en vóor zonsopgang. Het deed mij aan, toen zij vertelde, dat zij altijd zoo ontzettend moede waren en zoo gaarne nog wat sliepen, als zij gewekt werden, om bij het krieken van den morgen, terwijl het nog half donker en koud is, er op uit te gaan. Dan moet zij uit eene put, die men de zonnebron noemt, waterscheppen."
"Weet gij waar die bron ligt?" vroeg Publius.
"Achter het acaciënbosch," antwoordde Lysias. "De gids heeft mij haar gewezen. Zij moet bijzonder heilig water bevatten, en bij zonsopgang mag voor den god geen ander water geplengd worden. Die meisjes moeten zoo vroeg opstaan, omdat, wanneer het nieuwe licht zich vertoont, bij het altaar van Serapis dit water niet ontbreken mag. Het wordt dan als drankoffer door de priesters op de aarde gegoten."
Aan Publius was, terwijl hij scherp toeluisterde, geen woord ontgaan van hetgeen zijn vriend had gezegd. Thans keerde hij zich haastig om, opende de deur van de tent, trad naar buiten, en zag op naar de sterren, die in ontelbare menigte, met wonderbare pracht aan den donkerblauwen hemel schitterend, stil hunne banen beschreven, ten einde zich aangaande hun stand te vergewissen. De maan was reeds ondergegaan, en de morgenster, welker glans en grootte de Romein elken nacht bewonderde, sedert hij in de pyramidenstad verwijlde, reeds lang opgekomen.
Een koude wind streek langs het voorhoofd van den jonkman, en terwijl hij huiverend zijn gewaad over zijne borst samentrok, dacht hij aan de zusters, die weldra in de frissche morgenlucht naar buiten moesten. Nog eens verhief hij zijn blik naar het uitspansel, en het was hem daarbij als zag hij voor zijne oogen Klea's trotsche gestalte, gehuld in een met sterren bezaaide mantel. Zijn hart ging open, en het was hem alsof de koelte, die zijn steeds sneller jagende borst indrong, zoo rein en frisch was als de aether, die het Elysium omzweeft, en daarbij zoo sterk, dat zij zijn adem beklemde. Nog altijd meende hij Klea's beeltenis voor zich te zien; doch zoodra hij zijne hand naar de wonderbare verschijning uitstrekte, verdween zij, want het getrappel van paarden en het geratel van wielen liet zich hooren en herinnerde Publius, die niet gewoon was zich aan droomerijen over te geven als er gehandeld moest worden, aan hetgeen hem gedrongen had naar buiten te gaan. De eene wagen na den anderen kwam aanrijden, terwijl hij zijne tent weder binnen ging.
Hier ontving Lysias, die tijdens zijne afwezigheid nadenkend op en neder had geloopen, hem met de vraag: "hoe lang duurt het nog eer de zon opgaat?"
"Geen twee uren meer," antwoordde de Romein, "en deze moeten wij niet ongebruikt laten voorbijgaan, als wij niet te laat willen komen."
"Zoo denk ik ook," zeide de Korinthiër. "Spoedig zullen de zusters buiten den tempel bij de zonnebron zijn, en dan noodig ik Irene uit, mij te volgen. Gij gelooft niet dat ik dit gedaan zal krijgen? Ik eigenlijk ook niet; maar zij volgt misschien toch, wanneer ik beloof haar iets moois te laten zien, en zij niet vermoedt, dat het er om te doen is haar van hare zuster te scheiden; want zij is nog geheel een kind."
"Maar Klea is ernstig en verstandig," hernam Publius met een bedenkelijk gelaat, "en op haar zal de lichtvaardige toon, waarop gij zoo gaarne spreekt, een slechten indruk maken. Bedenk dit wel en neem er den proef van.--Neen, neen, gij moogt haar niet om den tuin leiden! Vertel haar, zonder dat Irene het hoort, de volle waarheid, met den ernst dien de zaak vereischt, en zij zal hare zuster niet terughouden, als zij weet hoe groot en hoe nabij het gevaar is, dat haar bedreigt.
"Goed," zeide de Korinthiër. "Ik zal zoo plechtig en ernstig spreken, dat de censor in uwe geboortestad, wiens voorhoofd het diepst gerimpeld en wiens baard het grijst is er bij mij vergeleken als een danser op een Dionysos-feest zal uitzien. Ik zal er uitzien als Cato, toen hij er bitter over klaagde, dat de lekkerbekken in Rome in zijn tijd meer betaalden voor een vaatje nieuwen haring dan voor een juk ossen. Gij zult over mij voldaan zijn! Maar waar breng ik Irene heen? Misschien kan ik een der koninklijke wagens gebruiken, die daar onophoudelijk voorrijden, om de gasten naar huis te brengen."
"Dat heb ik ook gedacht," antwoordde Publius. "Ga mede met den overste der Diadochen, wiens deftige woning men ons gisteren heeft gewezen. Zij ligt op den weg naar het Serapeum, en onlangs aan het gastmaal hebt ge u voortdurend met hem onderhouden. Maak u daar van den wagenmenner af, door hem een goudstuk te geven, opdat hij ons niet verrade, en rijdt niet weder hierheen, maar naar de haven. Ik zal met onzen reiswagen en met mijne eigene paarden bij den kleinen Isistempel wachten, Irene in ontvangst nemen, en haar naar hare nieuwe schuilplaats voeren, terwijl gij den wagen van Euergetes naar den menner terugbrengt."
"Dit voorstel bevalt mij toch maar half," antwoordde Lysias nadenkend. "Mogelijk had ik gisteren aan u overgelaten mijn granaatbloesem aan Irene te geven, maar haar zelve....."
"Ik verlang niets van haar," zeide de Romein ontevreden. "Maar gij mocht naar ik meen, wel wat meer ijver toonen om mij te helpen, ten einde haar te beschermen voor het gevaar, dat haar door uw schuld bedreigt.--Wij kunnen haar niet hierheen brengen, doch ik meen een veilige schuilplaats voor haar gevonden te hebben. Herinnert ge u den beeldhouwer Apollodorus, aan wien mijn vader ons had aanbevolen, en zijne vriendelijke vrouw, welke ons dien heerlijken wijn van Chios voorzette? Die man heeft verplichting aan mij, want mijn vader heeft hem het vervaardigen opgedragen van den mozaïekvloer in de nieuwe bogengalerij, die hij op het kapitool liet bouwen, en later heeft mijn vader hem gered, toen naijverige kunstgenooten hem naar het leven stonden. Gijzelf hebt gehoord, hoe hij zijn persoon en alles wat hij bezit te mijner beschikking stelde."
"Zeker, zeker," zeide Lysias haastig. "Maar zeg mij, hebt gij ook niet het hoogst bevreemdend verschijnsel opgemerkt, dat juist kunstenaars, dus menschen die meer dan andere hun leven wijden aan het streven naar idealen, bijzonder genegen zijn de laagste neigingen, als nijd, afgunst, en..."
"Maar mensch!" riep Publius den Korinthiër knorrig in de rede vallende, "kunt gij dan geen enkel oogenblik bij dezelfde zaak blijven, en niets vóor u houden van wat u invalt? Wij hadden thans, dacht ik, over gewichtiger dingen te spreken dan over de wangunst, waarmede kunstenaars en misschien ook geleerden elkander vervolgen.--De beeldhouwer Apollodorus nu, die verplichting aan mij heeft, woont sedert zes maanden hier met zijne vrouw en zijne dochters, want hij moest voor Philometor de beelden der wijsgeeren en der dieren vervaardigen, die thans het plein van de Apis-graven versieren. Zijne zonen staan aan het hoofd van zijne groote werkplaats te Alexandrië, en wanneer hij, hetgeen dikwijls gebeurt, met zijn Nijl-boot daarheen vaart, kan hij Irene medenemen en op een schip zetten. Waarheen wij haar brengen zullen, om haar uit de handen van Euergetes te redden, dat zullen wij later met Apollodorus overleggen."
"Goed, zeer goed," zeide de Korinthiër toestemmend. "Bij Herakles, ik ben niet wantrouwend, maar dat gijzelf Irene bij Apollodorus wilt brengen, bevalt mij toch niet, want als men u in haar gezelschap ziet, kan onze gansche onderneming schipbreuk lijden. Zend liever de vrouw van den beeldhouwer, die in Memphis weinig bekend is, naar den Isistempel, met een sluier of mantel, om het meisje te verbergen. Groet ook die vroolijke Milesische voor mij, en zeg haar--neen, zeg haar niets--ik zie haar toch later zelf bij den tempel van Isis."
Terwijl de jongelieden deze laatste woorden met elkander spraken, hadden de slaven hun de mantels omgehangen. Thans traden zij te zamen naar buiten, wenschten elkander veel geluk, en spoedden zich voort, de Romein om zijne eigene paarden te laten inspannen, Lysias om met den overste der Diadochen een wagen des konings te bestijgen, en verder te handelen overeenkomstig het plan, dat hij met Publius besproken had.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
De eene wagen na den ander rende de hooge poort uit van het koninklijk paleis naar de stad, waar alles nog rustig sliep.
In de groote feestzaal was het stil geworden, en donkerkleurige slaven begonnen bij het flauwe licht van enkele lampen, die nog niet uitgedoofd waren, den mozaïekvloer, die bezaaid lag met bladeren van rozen en andere bloemen, uit de verwelkte klimop- en populier-kransen gevallen, en die hier en daar door den uitgestorten wijn donkerrood was gekleurd, met bezems en dweilen te reinigen.
In een hoek zat een jongen fluitspeler, door wijn en slaperigheid bevangen. De popelkrans, die zijne lokken had gesierd, was hem van het voorhoofd gegleden, en bedekte zijn aanvallig gelaat, doch zijne fluit hield hij ook in den slaap met de vingers omklemd.
De bedienden lieten hem slapen, en deden hun werk zonder acht op hem te slaan; een opzichter alleen wees met den vinger naar hem en zeide lachend: "Zijne kameraden gingen niet nuchterder naar huis dan die dáar. Het is een aardige jongen, en bovendien de beminde van de schoone Chloë, die hem heden vruchteloos wachten zal."
"Misschien ook morgen," antwoordde een ander, "want als de dikke haar ziet, zoo heeft zij den langsten tijd aan den armen Damon toebehoord."
Maar de dikke, zooals de Alexandrijnen en met hen de overige Egyptenaars koning Euergetes betitelden, dacht in deze ure om geene Chloë of haars gelijken. Hij bevond zich in het bad, dat een deel uitmaakte van zijne schitterend ingerichte woning. Geheel ontkleed stond hij in het lauwe water, waarmede een groot bassin van wit marmer gevuld was. In de heldere oppervlakte van het welriekende water spiegelden zich de beelden van jonge nymphen, die verliefde saters ontvloden, en het schitterend licht van vele lampen, die aan de zoldering hingen. Aan de smalle zijde van dit bassin lag de gebaarde gestalte van den Nijlgod, over wien zestien kinderfiguren--zinnebeeldige voorstelling van het aantal ellen, tot welke de groote stroom van Egypte moest stijgen, om vruchtbaarheid over het land te verspreiden--vroolijk heen klauterden, tot vreugde van hun eerbiedwaardigen vader. Uit de vaas, waarop de waardige grijsaard zijn arm liet rusten, vloeide een breede stroom koud water, die door vijf schoone jongelingen opgevangen werd in slanke albasten vazen; ten einde het over het hoofd, de sterk gespierde borst, den rug en de armen van den jongen badenden koning uit te gieten.
"Meer, nog meer, altijd meer!" riep Euergetes, toen de jongelingen met scheppen en gieten begonnen te vertragen, en zoodra weder eene nieuwe watermassa over hem werd uitgegoten, begon hij te proesten en te snuiven van genot, en dikke stralen verspreidden zich naar alle zijden, zoodra de luchtstroom uit zijne longen zich een weg baande door het water dat van zijn hoofd afvloeide.
Eindelijk riep hij uit: "Genoeg!" plonsde zoo zwaar als hij was in het water, zoodat het in de hoogte spatte, alsof men een rotsblok daarin had geslingerd; bleef een tijdlang onder de oppervlakte van het vochtig element, en steeg toen langs de marmeren trappen uit het bad, schudde daarbij uit moedwil geweldig zijn hoofd, om, als een overmoedige knaap zijne vrienden en dienaars, die rondom het bassin stonden, kletsnat te maken, liet zich in hagelwitte ragfijne linnen doeken wikkelen, met kostbare welriekende oliën besprengen, en trad daarna in een klein vertrek, rondom met tapijten behangen.
Daar wierp hij zich op eene verhevenheid van zachte kussens neder, en zeide, diep ademhalend: "Nu ben ik weer lekker, en gevoel ik mij zoo nuchter als een kind, dat nog niets anders dan de moedermelk heeft geproefd. Pindarus heeft gelijk, er gaat niets boven water, het bluscht zelfs den heeten gloed, dien de wijn in hoofd en hart ontsteekt. Heb ik heden avond veel onzin verteld, Hiërax?"
De man die alzoo werd aangesproken, de bevelhebber van de troepen des konings en zijn uitverkoren vriend, sloeg vragend een blik in 't rond op alle aanwezigen, doch daar Euergetes hem beval zonder schroom te spreken, antwoordde hij: "Zelfs de wijn is niet in staat een geest als de uwe zoo te ontzenuwen, dat gij dwaasheden zoudt zeggen. Maar gij zijt onvoorzichtig geweest, en het zou wonder zijn als Philometor niet gemerkt had...."
"Voortreffelijk!" zeide de koning, hem in de rede vallende, en richtte zich op zijn kussen in de hoogte. "Gij Hiërax, en gij Komanus, blijft hier, de overigen kunnen gaan. Maar verwijder u niet te ver, opdat gij bij de hand zijt als ik u noodig heb. Er komen nu dagen, waarin zooveel gebeuren moet als anders in jaren."
Zij die verlof hadden gekregen verwijderden zich, alleen hij die den koning moest aankleeden, een aanzienlijk Macedoniër, bleef talmend bij de deur staan. Doch Euergetes gaf dezen met een wenk te kennen, dat hij zich insgelijks verwijderen moest, en riep hem na: "Ik ben goed wakker en zal niet naar bed gaan. Drie uren na zonsopgang wacht ik Aristarchus--en wel om te werken. Leg de handschriften gereed die ik medenam.--Wacht de eunuuch Eulaeus in het voorvertrek? Ja? Des te beter!
"Ziezoo, nu zijn wij alleen, mijne wijze vrienden Hiërax en Komanus, en moet ik beginnen met u openhartig te zeggen dat ge mij ditmaal toeschijnt alles behalve verstandig te zijn; ofschoon gij daarover anders denkt. Verstandig is hij, die een wijden kring van gedachten onbeperkt beheerscht, zoo zelfs, dat hem wat nabij is even weinig in den weg staat als wat nog verre ligt; onverstandig is hij, die maar éen ding tegelijk ziet. Het gebied van bekrompenen reikt niet verder dan hun neus lang is, dat van dwazen en phantasten ligt in de onbereikbare verte. Ik wil u niet uitschelden, want ook menig wijs man heeft zijne dwaze buien, doch stellig en zeker ziet gij heden door in de ruimte te staren het nabijliggende over het hoofd. Daarom zijt gij gestruikeld. Waart gij niet in deze fout vervallen, zoo zoudt gij niet zoo verwonderd hebben opgezien, toen zoo even mij dit 'voortreffelijk' ontsnapte.
"Geeft nu acht! Philometor en zijne zuster weten zeer goed hoe ik gezind ben, en wat zij van mij te verwachten hebben. Had ik het masker voorgedaan van een tevreden man, die niet meer verlangt dan hij heeft, dan zouden zij verwonderd opgezien en vermoed hebben dat er onraad was. Daarom vertoonde ik mij juist als altijd, en zelfs nog onbeschaamder dan gewoonlijk. Daarom sprak ik zoo open over hetgeen ik begeer, dat zij voor later op elke daad van geweld van mij zijn voorbereid, maar bezwaarlijk op dit oogenblik een listige overrompeling zullen verwachten; want wie zijn vijand van achteren wil overvallen, maakt geen gerucht.
"Indien ik geloof sloeg aan uw deugdleer, zou ik het voor niet zeer schoon houden, iemand van achteren aan te vallen. Nu zie ook ik liever het aangezicht dan den rug der menschen, vooral van mijn broeder en mijne zuster, die onder de fijn gevormde lieden behooren. Maar wat zal men doen? Ten slotte is altijd hij er het best aan toe, die de overwinning behaalt en het spel wint.
"Mijne manier van vechten kan ook wel door wijzen worden verdedigd. Wie muizen wil vangen heeft spek noodig; wie menschen in een strik wil lokken, moet weten hoe zij gevoelen en denken, en er allereerst op bedacht zijn hen op een dwaalspoor te brengen. Een stier is het minst gevaarlijk, wanneer hij in woede rechtuit holt, en zijn tweebeenige tegenpartij wanneer hij niet weet wat te doen, en op goed geluk af nu rechts dan links loopt.
"Heb dank voor uw bijval, want ik heb dien verdiend, en hoop u dien te kunnen vergelden, mijn Hiërax. Ik ben verlangend naar uw bericht. Schud dit kussen hier onder mijn hoofd wat op, en dan kunt gij beginnen."
"Alles schijnt mij toe voortreffelijk te staan," antwoordde de overste. "Onze keurbenden, de Hetaeren [14] en Diadochen, twee duizend vijfhonderd man, zijn onderweg hierheen en slaan morgen reeds ten noorden van Memphis hunne legerplaats op. Vijfhonderd zullen er met de priesters en anderen, die u komen gelukwenschen op uw geboortedag, binnen de muren worden gelaten, de overige tweeduizend houden zich schuil in hunne tenten. De aanvoerder der Philobasilisten [15] van uw broeder Philometor is omgekocht en staat aan onze zijde. Maar hij was duur, want Komanus moest hem twintig talenten bieden eer hij toehapte."
"Die zal hij hebben," zeide de koning lachend, "en hij mag ze behouden, tot ik lust krijg hem te verdenken, en hem naar verdienste te beloonen, door zijne bezittingen verbeurd te verklaren. Spreek verder!"