Kinderen uit m'n klas

Part 9

Chapter 94,145 wordsPublic domain

„Ik kom 'r zelf even brengen”, ging de vader voort, zich blijkbaar niet heelemaal op z'n gemak voelend in deze omgeving van moeders-met-kinderen. „Want 'r moeder is niet meer zoo erg goed ter been, ziet u, die kan alle dagen numero vier verwachten.” En, dadelijk m'n vragenden blik begrijpend, met echte vadertrots: „Ja, zij is de oudste, onder haar heb 'k nog een jongen en een meisje!”

Weer keek ik naar m'n Oostersche prinses. En opeens, met een schok, zag ik, dat dit kind geen kind was, maar een oud vrouwtje in miniatuur. Kwam het door die ouwelijke omslagdoek, door de gelige bleekheid van 't magere gezichtje, door het wisselen der tandjes, wat haar een mummelmondje gaf? Nee, dat was het allemaal niet: 't was het ouwelijke, zorgelijke kijken der half toegeknepen oogjes, 't was het ouwelijke, zorgelijke zieltje zelf, dat me uit die oogjes aankeek.

Ze schenen te weten, die oogjes, van al de zorgen en pijnen der aanstaande bevalling, ze schenen me levenswijs toe te knikken met een: „Ja, wat zeg je dr van, nou al nommer vier, waar moet het op die manier naar toe? En wat een moeite en getob, om die allemaal fatsoenlijk groot te brengen!”

En met ontzetting dacht ik: Wat moet dat kind in die zes jaar van haar bestaan aan levensvreugde te kort zijn gekomen, met hoeveel zorgen en zorgjes is dat heel-jonge zieltje al bezwaard, dat het nu reeds iedere frischheid, iedere veerkracht mist! Of, erger nog, zou het die ooit wel bezeten hebben? Zouden misschien de zorgen en bekommernissen van een lang voorgeslacht al vóór de geboorte hun stempel op haar hebben gedrukt; zou ze met dit oude versleten zieltje op de wereld zijn gekomen?

* * * * *

Twee jaar hield ik Juudje in m'n klas, niet één keer in al dien tijd zag ik haar als een echt kind. Spelen deed ze nooit. „Je schoene hebbe d'r zoo van te lije en de kindere trekke je altijd je goed stuk”, antwoordde ze, als 'k haar vroeg, waarom ze niet mee hinkelbaantje of kruip-door-sluip-door speelde. Veel liever kwam ze aan m'n arm hangen, om me deelgenoot te maken van alles, wat er zoo zwaar op haar hartje woog.

Want snateren kon ze en deed ze graag, als een echt oud wijfje. En terwijl ze zoo bezadigd naast me heen en weer drentelde, onthulde het schelle stemmetje met de scherpe keelgeluidjes me heel de intimiteit van het huishouden, waarin ze leefde. Van kleine Iesie af, die „niet zuigen wou” en „dauwwurrem” had, tot Opoe toe, die met oome Mau ook bij hen inwoonde en die kookte en de aardappels schilde, terwijl oome Mau met Vader op negosie ging.

't Scheen wel, of dat kind nooit een pop of prentenboek bezeten had, of ze nooit vroeg naar bed ging, of ze nooit iets anders deed dan tusschen de groote menschen zitten, hun gesprekken afluisteren, en hun zorgen en zwarigheden in haar klein hoofdje opnemen en verwerken. En ook scheen 't, alsof er nooit iets anders dan zorg en narigheid verhandeld werd in dat gezin!

Met de andere kinderen ging Juudje om, zooals ze 't, denk ik, van haar moeder met de buurvrouwen had afgekeken: wantrouwig, scherp, venijnig en bovenal, critisch! „Gunst, wat een gekke hoed heb je op!” „Ajakkes, dat zou ik niet lusten, hoor,” of „'t Gaat jou wat an, as me moeder me haar zoo wil strengele”.

Maar nooit zag ik haar met een „vriendinnetje” samen van dezelfde appel bijten, hapje om hapje, zooals kinderen zoo graag doen, of met de armen om mekaars hals en oogen als sterren elkaar de gewichtigste geheimen influisteren: „Nee zeg, en moetje hooren...”

Zelfs met haar eigen broertje en zusje speelde ze niet, veeleer had ze iets van een bedillerige zure gouvernante. Als 't Zaterdagsmorgens mooi weer was, kwam ze, keurig uitgedost, met ze naar 't plantsoentje, om mij in 't speelkwartier te begroeten. En dan moest je haar hooren: „Lewietje, geef de juffrouw een handje.... Nee domme jongen, je mooie handje.... he je nou wéér een vuile neus? waar he je je zakdoek dan gelate?... Sefietje! wil je hier blijve, mot je valle en je mooie jurk vuil make?... Lewie schop niet zoo tege die steentjes, je stoot je heele schoene stuk!”

Meen niet, dat ze niet van ze hield. Maar haar liefde wist geen andere uiting dan de getrouwe nabootsing van moeders opvoedingssysteem en ze kwam dus niet verder dan tot knibbelen en vitten en een angstvallige zorg voor hun kleeren en schoeisel. En broer en zusje van hun kant? Noch het nerveuze rustelooze jongetje, noch de kleine waggelende dikzak met haar rooie wangen en tintelende pretkijkers trokken zich iets aan van de vermaningen van groote zus Juudje, maar evenmin toonden ze haar eenige aanhankelijkheid. 't Leek me een ondankbaar werk, de educatie van Lewietje en Sefietje, maar toch gaf zij er nooit den moed bij op.

Het voorjaar bracht eenigen welstand in 't gezin: Vader was nou „in de bloeme”, zooals Juudje me, niet zonder trots, vertelde. En de bewijzen daarvan ontving ik dan ook spoedig genoeg: Alle voor den handel afgekeurde koopwaar werd grootmoediglijk voor mij bestemd, zoodat van nu af aan m'n lokaal steeds vol stond met verlepte, half-uitgevallen bloemen.

't Was een echte bezoeking. Toch had ik niet het hart, ze weg te gooien, eer ik er met Juudje over geconfereerd had en we samen tot de conclusie waren gekomen, dat het mooie er nu toch wel zoowat af was. En ook probeerde ik maar ieder keer opnieuw een opgetogen gezicht te zetten, als ze weer met zoo'n handjevol slappe geknakte pronkstukken kwam aanzetten. Erkend dient te worden, 't koninklijke gebaar, waarmee ze mij werden aangeboden, maakte veel goed. En bovendien kreeg ik bij iedere bezending een gratis les in de plantkunde op den koop toe.

„Weet u nou, wat dat benne?” vroeg ze dan, met een neerbuigende vriendelijkheid.

„'k Geloof een soort dubbele narcissen?” giste ik aarzelend, vooruit al bevreesd, dat 'k weer „onvoldoende” zou halen.

Haar meelijdend glimlachje bevestigde m'n vrees. „Nee”, wees ze me terecht, zooals je 't een klein kind doet, dat vraagt, of die rooie dingetjes daar boven in de denneboomen nou geen worteltjes zijn, „nee juffrouw, dat benne prins-augeenejussen! En die, dat benne kweenviktorejaa's!”

Ja, dank zij 't „Geschäft” van haar vader, had ze van veel artikelen verstand. Toen ze eens een klein ventje in verrukking zag over een purperkleurige capsule van een flesch, goot ze koud water op z'n enthousiasme door te beweren, dat „dat geen cent waard” was. Een volgend keer wist ze een andere dreumes, die zich schatrijk waande met een stuk zilverpapier, nauwkeurig in te lichten, dat het geen „echt zilver” was en dat haar vader dat verkocht voor zóóveel centen het kilo. Voor hoeveel centen wist ze ook precies, maar ik ben het tot m'n spijt vergeten.

Op mijn beleid viel ook heel wat aan te merken, vond Juudje. Lieve hemel, wat was ik roekeloos! Ik nam zóó maar een nieuw pijpje krijt, als 't andere nog niet heelemaal op was. In 't begin hadden we zelfs formeel strijd over dit laatste punt. Als zij 's Zaterdags verzuimd had en dus 't blad van haar schrijfboek niet mee had kunnen vol schrijven, verzette zich haar gansche ikheid er tegen, om 's Maandagsochtends op een nieuw blaadje te beginnen en steevast kwam dan haar vingertje omhoog: „Juffrouw, mijn blaadje is nog ~lang~ niet vol.” Tot ik haar vertelde, dat ze later, als ze 't heelemaal netjes volgeschreven had haar schrijfboekje mee naar huis mocht nemen. „En dan kun je je thuis nog eens oefenen op al die open plekjes”. Toen was ze met het idee verzoend: „en daar kan me moeder dan nog es een briefje op schrijve”, oordeelde ze praktisch.

't Ergste had ze het te stellen, als ik nieuwe pennen uitdeelde. Ten eerste: waren al die pennen nu wel genoegzaam versleten? Zij had b.v. met de hare gisteren nog best kunnen schrijven. Stel nu eens, dat er nog een stuk of wat zulke dragelijke pennen onder waren, die ook nog eenige dagen meegekund hadden! 't Was eenvoudig niet om aan te zien, zoo'n kapitaalsvernietiging! En dan, dan liet ik al die oude pennen ophalen—en zóó maar in de prullemand gooien! Wie gooide nu iets weg, dat nog zooveel waarde had? Wie weet, hoeveel ze nog wel per kilo opbrachten!

Zoo ongeveer moet haar gedachtengang wel geweest zijn, want alleen op die manier kan ik haar aarzelend verzoek verklaren, of zij die pennen mocht hebben, die in de prullemand lagen. En gelukkig heb ik het begrepen en haar stellig beloofd, dat ik ze een volgenden keer voor haar zou bewaren. Intusschen schijnt ze echter bij vader haar licht te hebben opgestoken, betreffende de handelswaarde van roestige pennen; ze heeft er tenminste nooit weer om gevraagd.

Arme kleine Juudje! Voor ons allen breekt eens de dag aan, waarop we tot de droeve ontdekking komen, dat er op de wereld ook nog andere menschen zijn, dan „ooms en tantes”, die slechts ons welzijn beoogen. Vroeger of later ervaren we, dat veel van wat zoo mooi blonk en schitterde, enkel klatergoud of „zilverpapier” was. Maar nog nooit is iemand door die wetenschap gelukkiger geworden.

En daarom bekruipt me telkens, als 'k weer aan m'n arme Juudje denk, het diepste medelijden. Want niets lijkt me troosteloozer, dan het leven nooit anders dan van z'n meest dorren, prozaïschen kant te hebben bekeken, en dus nooit volop kind te zijn geweest. En heel smartelijk voel ik, dat de toekomst geen schatten genoeg kan brengen, om haar dit gemis te vergoeden.

JAN.

Paedagogiek is een dik woord en 't heeft een deftigen klank. Je kunt het uitstekend gebruiken, als je eens bizonderen indruk wilt maken op een moeder (niet op een volksmoeder natuurlijk, die zou je aankijken, of 't je in je bovenkamer mankeerde): „Ja mevrouw, ziet u, uit paedagogische overwegingen.....” Maar verder—laat ik 't nu maar eens eerlijk uit „de school” klappen—verder heb je van de paedagogiek, die je voor je opleiding uit de boekjes geleerd hebt, een bedroefd beetje—om nu niet te zeggen heelemaal geen—nut, wanneer je voor de klas komt te staan.

't Grootste bewijs voor deze stoutmoedige stelling is, dat geen twee onderwijzers eender met hun klas omgaan. Bij den een regent het den heelen dag grapjes, bij den ander wordt geen overbodig woord gesproken, maar werken de kinderen zoo vlijtig als bijen, een derde zoekt z'n heil in strengheid en een ijzeren consequentie, bij den vierden is 't àl geduld en zachtheid. En probeer heusch maar niet, om 't „net te doen” als je buurman, want, zoo ergens, dan geldt hier de waarheid: Als twee menschen hetzelfde doen, dan is het daarom nog niet hetzelfde.

't ~Is~ ook niet uit een hoekje te leeren, het leiden van kinderen, want het is zuiver een kwestie van intuïtie. Je moet voelen, wat voor een kind belangrijk is en wat niet, wat hem verheugt of bedroeft en—bovenal: wat hem kwetst, wat z'n eergevoel of z'n rechtvaardigheidsgevoel beleedigt. Dit laatste vooral is volgens mij een cardinaal punt en ik heb de ervaring, dat je, wanneer je die gevaarlijke klip omzeilen kunt, al een heel eind op den goeden weg bent. Je hoeft de kinderen heusch niet zooveel goed te doen, je hoeft ze niet aan te halen, niet overmatig te prijzen, geen presentjes te geven of prijzen uit te loven. Als je met je min of meer vergrofd en afgestompt gevoel van volwassene maar niet al te veel en te vaak over hun ziel krast, zullen ze je steeds weer beloonen met een schat van genegenheid en roerend kindervertrouwen.

En als je dan bovendien maar gedurig bedenkt, wat voor onnatuurlijken dwang je 't kind den heelen dag oplegt, met zooveel uren aaneen „stilzitten” en „mondhouden” en aandacht voor je eigen gulden woorden van hem te eischen, als je hieraan gedachtig maar een beetje tolerant bent voor z'n ~noodzakelijke~ afdwalingen van 't pad der schooldeugd, och, dan red je 't met iedere gemiddelde klas wel vanzelf.

Natuurlijk tref je er af en toe toch nog wel eentje, waar je met den besten wil van de wereld maar geen vat op kunt krijgen, een bizonder gevoelige of een bizonder ongevoelige, een die met geen geweld in of uit z'n rust is te krijgen en waar je dag aan dag vergeefs je zenuwen op verslijt.

En dan, o die allerprettigste kant van ons vak! dan overkomt het je ook nog wel eens, dat je plotseling tot je groote verrassing merkt, het gewonnen te hebben bij eentje, die je al zoowat had opgegeven. Ik denk, dat zoo'n kind dan op den langen duur tot de overtuiging is gekomen, dat je 't toch niet zoo kwaad met hem meent en dat je hem niet speciaal voor je eigen plezier het leven zoo zuur maakt. Maar de aanleiding, die hem er dan ten slotte toe brengt, de wapens neer te gooien en zich onder je vaandel te scharen, die aanleiding is altijd een heel toevallige en—je zult er vergeefs in eenig paedagogiekboek naar zoeken.

Voor de aardigheid wil ik eens vertellen, hoe ik, jaren geleden, het hart won van Jan.

* * * * *

Het is op onze scholen een wet van Meden en Perzen, dat de kinderen gedurende de eerste twee leerjaren onder leiding staan van een onderwijzeres, om dan over te gaan in de handen van het „sterke geslacht.” Dit heeft onder de kinderen de vaste overtuiging gevestigd, dat een „juffrouw” hen in een hoogere klas niet meer „an-kan” en daardoor is 't ook een nationale schande geworden, om na je achtste of negende jaar nog „baj een juffrau te sitte.”

Was het dan wonder, dat Jans's elfjarig hart heelemaal in opstand kwam, toen hij, in de zesde klas zitten blijvend, na op zijn minst een jaar de zegeningen van een „majster” te hebben genoten, ook nog deze degradatie moest ondergaan? En, als comble, nog bovendien de juffrouw van z'n kleine broertje! Was er, goed beschouwd, voor hem wel een andere uitweg, om 't laatste restje van z'n prestige tegenover z'n broertje op te houden, dan door regelrecht in de oppositie te gaan?

Hoe blij ik ook was, dat ik dien keer m'n klas eerst het vijfde, en daarna ook nog het zesde halfjaar mocht houden, m'n vreugde werd toch wel een beetje getemperd, toen ik bij 't binnenkomen in de „zesde” daar den slungeligen Jan zag zitten met z'n spits bleek gezicht en z'n lange lattige ledematen. Want ofschoon ik met den kleinen Nico nooit last had en hem, al was 't ook in de achterste gelederen, nog steeds mee over had kunnen sleepen, 't heele gezin stond toch ongunstig bekend.

Vader was kellner en blijkbaar geen geheel-onthouder, moeder een eerste ruziezoekster, 't groote zusje kende ik al uit de handwerkklas als een lastige onhandelbare meid en over Jan luidde 't oordeel van den onderwijzer, die hem nu had laten zitten: een onverschillige vlegel, waar niets mee te beginnen was.

Toen er dus tegenover mij nog onwil bij kwam, of liever de zeer bewuste wil om duidelijk te demonstreeren, dat hij „maling had an dat malle waaf”, kan ieder begrijpen, hoe'n plezierige leerling ik aan hem kreeg. Onomwonden verklaarde hij door z'n heele gedrag, dat hij niet ~verkoos~ door te werken, op te letten, z'n best te doen, in één woord: mij te gehoorzamen.

'k Geloof, dat hij graag had gezien, dat 'k mij vreeselijk kwaad op hem gemaakt had; hoe meer scènes, hoe liever. Maar gelukkig was ik zoo wijs, den vrede in m'n prettige klas zoo min mogelijk door hem te laten verstoren. Ik zette hem achteraan in den onschadelijksten hoek en liet hem daar maar in z'n eigen sop gaar koken. En pas wanneer hij de rust van de andere kinderen of van mijzelf al te zeer bedreigde, zei ik: „Jan, ik kan je niet langer gebruiken, ga maar een beetje aan den muur staan!”

Nu had ik nog één voorrecht en dat was, dat ik geen geweld met hem hoefde te gebruiken. Ik denk haast, dat het tegen z'n eer was, om zich nog door een „juffrau” te laten aanraken. Tenminste na zoo'n sommatie stond hij altijd dadelijk op, trok een gezicht, alsof hij zeggen wou: „Mensch, 'k ben blij, dat ik es even niet naar je vervelend gezicht hoef te kijken” en slofte naar den muur, waar hij als een baliekluiver tegenaan ging staan hangen.

Na een kwartiertje had hij dan ook daar wel weer genoeg van; dan ging hij wat ordentelijker staan om te toonen, dat hij desnoods wel weer naar z'n plaats terug wou—en dan liet ik hem maar weer gaan zitten.

Natuurlijk kwam er op die manier niet heel veel van z'n werk terecht. En, als ik aan die school niet toevallig tusschen 12 en 2 had moeten overblijven, vrees ik, dat ik m'n geweten daar ook niet al te zeer mee had bezwaard. Nu ik echter toch op zijn minst tot half één in de klas bleef, leek het mij nog de natuurlijkste straf ('t was trouwens ook de eenige, die ik voor hem wist te bedenken), hem na twaalven het achterstallige werk te laten inhalen. En werkelijk, 't zij door z'n verlangen naar de vrijheid, 't zij omdat er nu toch geen publiek was, om z'n „branie” te bewonderen, dan werkte hij gedwee achter elkaar door, tot ik hem de rest cadeau deed en hem gaan liet.

En zoo sukkelden we een week of wat met elkaar voort, zonder dat er eenige verandering in ons gedrag merkbaar was. Tot.... nu komt het groote on-paedagogische moment!

Op een middag had ik als naar gewoonte m'n tafeltje wat opgeruimd, m'n boek klaargelegd en m'n boteram uitgepakt (een boteram met een gekookt ei er tusschen), toen Jan z'n griffel neerlei en me aankondigde, dat hij „klaar” was. Met een hoofdknik riep ik hem bij mij, om z'n sommen na te zien.

„In orde”, zei ik. „Nu nog je taalwerk.” En liet hem de lei weer wegnemen. Maar op datzelfde oogenblik keek ik toevallig naar hem op.

Men moet zelf een-en-twintig jaar geweest zijn en eens vanaf je 's morgens inderhaast ingepropte boteram-van-acht-uur tot over twaalven gevast hebben, om te weten, hoe lekker en ook hoe doordringend sterk zoo'n boteram-met-ei ruikt. M'n eigen geprikkelde reukzenuwen wezen me den rechten weg en onmiddellijk begreep ik de richting van Jan's schuw-begeerigen blik. En tegelijkertijd voelde ik aan ~mijn~ maag, wat een honger die jongen ook moest hebben.

Ik lei een halve boteram op den hoek van 't tafeltje: „Daar, proef maar eens!” Half van mij afgedraaid greep hij het, bromde iets, dat werkelijk wel „dank-je” kon verbeelden en verdween er mee achter z'n lei.

Toen ik den volgenden morgen m'n twaalf-uurtje stond klaar te maken, zag ik opeens het bleeke spitse gezicht van m'n dierbaren Jan voor me en—pakte er voor hem ook een boteram bij in. Uit bravigheid? Of om zelf niets van m'n rantsoen te hoeven afstaan? Of om straks van m'n maal te kunnen genieten zonder door Jan's hongerigen blik gestoord te worden? De overwegingen voor onze daden zijn niet altijd precies op te geven, maar dit weet ik wel: met paedagogiek hadden ze op dat oogenblik niets uit te staan.

En na twaalven, toen 'k weer aan m'n tafeltje zat, maakte ik 't nog erger. Zoo onpaedagogisch mogelijk zei ik tegen m'n vis-à-vis daar ginds op de achterste bank: „Zie je, 'k dacht het al wel, dat jij me vanmiddag weer gezelschap zou houden. 'k Heb voor jou ook maar een boteram meegebracht. Hier, kom 'm maar halen.”

* * * * *

We hadden teekenen dien middag en op een gegeven oogenblik stond ik iets op 't bord vóór te doen. Daar hoorde ik gegrinnik achter m'n rug. 't Kwam uit den hoek, waar Jan zat en zonder er verder bij te denken, keerde ik me om en zei: „Ga maar zoo lang uit je bank, Jan.”

Opeens—zag ik heusch wel goed—daar liet die groote lummel zich voorover op z'n bank vallen en begon te huilen als een klein kind!

Als ik het op een gloeienden Augustusdag uit een strakblauwen hemel plotseling had zien sneeuwen, had ik niet gekker kunnen opkijken. Daar moest ik meer van weten! Ik liep er heen, zag Jan's echte tranen, toen het roode schuldbewuste gezicht van kleine Evert naast hem—en was in tien tellen geheel op de hoogte.

Jan ~had~ het niet gedaan! Hij had juist z'n leven willen beteren, goed willen oppassen, zelfs heldhaftig weerstand geboden aan Evert's „lolletjes”. En toen—niet alleen dat 'k niets van z'n heilig streven gemerkt had, maar bovendien had ik zonder eenigen vorm van proces hem maar dadelijk schuldig verklaard! Dat was te veel, dat had de maat bij hem doen overloopen.....

'k Had het vooruit kunnen weten. Hoe vaak had ik 't niet gehoord, dat „de weg naar het hart van een man door z'n maag gaat”!

En wat ik voortaan meer wist? Dat een boteram niet alleen voor 't lichaam maar ook voor de ziel „opvoedkundige” waarde kan hebben!

ENGELIENTJE.

Speelkwartier!

Zalig oogenblikje van verademing, voor jezelf op z'n minst evengoed als voor de kinderen. Even ontspanning van je ijzeren zelfbeheersching, even het verslappen van je voortdurende waakzaamheid, het sluiten van de honderd paar oogen en ooren, die, over je heele lichaam verspreid, onder de les gedurig in telefonisch contact met elkaar staan en het wonder mogelijk maken, dat je met je rug ziet en met je handen hoort—hoe anders zou je 't ooit kunnen klaarspelen, terwijl je op Jantje's lei kijkt en z'n sommen narekent, terzelfder tijd in je op te nemen, dat Chris „gebbetjes” zit te maken, dat Koo z'n sponsedoos laat vallen, dat Saartje haar vinger opsteekt en daarbij op de traditioneele wijze zit te draaien, om de bedoeling van die opgestoken vinger wat te illustreeren, dat Gijs weer hartverscheurend met z'n griffel over z'n lei krast, dat Aaltje doodbedaard van Nellie zit af te kijken, dat m'n arm stumpertje van 'n Jopie weer zoo treurig aan 't hoesten is, dat die kleine kat van een Sientje heel handig en stiekem een stuk snoepgoed in haar mondje steekt, dat Klaas z'n zakdoek weer niet bij zich heeft en er toch zoo bitter om verlegen is, en ten slotte—maar dit helaas een onderdeel van een seconde te laat—dat Piet natuurkundige proeven neemt met z'n inktkoker en probeert vast te stellen, hoe ver hij 'm schuin houden kan, eer de inkt er uit komt loopen?

Speelkwartier: verkwikkend hapje frissche lucht na de bedompte atmosfeer, doortrokken van tallooze onnoembare geuren, die je eenige uren achtereen hebt moeten inademen!

En ten slotte—niet het geringste voordeel—onbetaalbare gelegenheid om de kinderen in hun spel gade te slaan, om ze te bestudeeren en te leeren kennen. Want pas op de speelplaats gooien ze hun schoolmasker af, vertoonen ze hun ware aard en geneigdheid. Meer dan eens heb ik versteld gestaan over de ruwheid en de grove taal, die in 't vuur van haar spel uit het mondje kwam van o, zoo'n keurig meiske, maar ook meer dan eens heb ik met verbazing geluisterd naar de geduldige goeiïgheid, waarover m'n ergste lastpak beschikte, als hij met z'n kleine broertje speelde.

En dan moet je op een morgen moeite met ze gehad hebben! Je hebt je kwaad gemaakt, je vond ze lastig, ongehoorzaam, brutaal. Ten slotte zag je ze als een troep onwillige deugnieten, die je 't leven vergalden, haast zelfs als je vijanden, waarmee je op leven en dood te kampen hadt. En dan, o zegen, dan gaat de bel! Je laat ze los op de speelplaats, je voelt je nog altijd gegriefd, verstoord, verbitterd.... en dan zie je ze spoortje, krijgertje, hinkelbaantje, schooltje „doen” en als met een tooverslag is je woede bekoeld, je verbittering geweken, je zou jezelf om je ooren kunnen slaan, dat je je zoo bespottelijk hebt aangesteld. Want opeens zie je weer, wat een hummels en drummels het toch nog maar zijn, zoo klein en onbeholpen en toch zoo koddig-parmant, zoo vermakelijk gewichtig in hun meenens spel....

Ja, van 't speelkwartier kun je soms heel wat leeren. En 't zijn rake, goeie lessen ook, die je niet zoo licht weer vergeet. En dat is dan ook zeker de reden, waarom ik later nog zoo dikwijls aan je gedacht heb, Engelientje, en waarom je me nog steeds zoo levendig voor den geest staat.

Een echte „Baangrachter” was ze, kort en stevig in elkaar getimmerd, met een paar felle blauwe oogen, strooblond haar waar een gouden gloed over lichtte, een brutaal sproeten-neusje en een mondwerk, zóó rad, zóó rad.... alleen van het aanhooren kon je al buiten adem raken. Een geboren baas-speelster: als ze op haar kleine sterke beenen zoo resoluut aan kwam stappen met haar air van: Menschen ga opzij, daar komt „Ik” an! dan moest je je vermannen, om te blijven staan.