Part 8
Ze heeft een allerliefst glashelder sopraantje en is dol op zingen. Ze kent een nieuw liedje ook dadelijk en als ik dan zeg: „Nu mag Immy 't ons eens komen voorzingen”, dan is haar dag goed. Ze spreekt ook niet plat, zooals bijna alle volkskinderen in de groote stad. Misschien wel, omdat ze in een betere buurt woont, zooals ik laatst ontdekte.
'k Liep door een der rustige straten van de deftige wijk, die aan onze schoolbuurt grenst, toen 'k opeens m'n kleine Immy op 't trottoir zag staan touwtjespringen.
„Kind,” zei ik, „hoe kom je hier zoo verzeild?”
„Ik woon hier toch”, lachte ze en wees me een zware deur, waarop ik den naam van een bekend specialist las. En m'n verbaasd gezicht ziend, ging ze voort: „Niet in al die mooie kamers, die zijn allemaal van Dokter, zal ik u eens vertellen, hoeveel kamers die wel heeft?” Ze telde op haar vingertjes: „Eerst de spreekkamer en de wachtkamer en 't eetkamertje en boven de salon en de slaapkamer en de badkamer.” Toen, op het sousterrain wijzend: „Daar is de keuken en de kamer en de slaapkamer, daar wonen wij, ziet u. Maar touwtje springen moet ik altijd voor de deur doen, want ik mag geen leven maken voor Dokter.”
* * * * *
Er wordt onder schoolmeesters nog wel eens gediscussieerd over de vraag, wie prettiger leerlingen zijn, de jongens of de meisjes. Wat mij betreft, ik zou het niet kunnen zeggen, behalve... voor 't speelkwartier. Want ofschoon je met de jongens veel meer zorg en onrust uitstaat, spelen ze toch zooveel aardiger, dat het gewoon niet te vergelijken is. Zoo gauw ze één voet op de speelplaats gezet hebben, komen ze in actie. De allerwildsten beginnen onder luid geschreeuw en met uitgespreide armen heen en weer te rennen, om hun longen te vullen en de stramheid uit hun leden te jagen. De overigen dringen in een beweeglijk kluwen om één, die met z'n tanden de knoopen uit een eind touw staat te trekken. Dan pakt hij er vlug twee bij den arm en „spant in.” Nog een stuk of wat worden in het touw geduwd, dan geeft de eigenaar, zonder op het roepen der anderen: „He Piet, mag ik auk?” acht te slaan, een flinken ruk aan de leidsels: hrrt! En weg stuift de „brandweer” of „gefangeniswage” of wat ze dien dag moeten voorstellen!
De achtergeblevenen kijken het span even verlangend na, maar ook maar heel even. Dan geeft er een plots een gevoeligen opstopper aan wie 't dichtst naast hem staat: „pats, jaj bint 'm”, en de heele troep vliegt uit elkaar voor „kraagertje” of „sitkraagertje” of „foetje fan de floer.” En zoo zijn binnen twee minuten al je jongens met bezweete koppen in 't volst van hun spel.
Nu de meisjes. In druk discours komen ze op de speelplaats aangedrenteld zonder eenige haast. Laten we nu eens zeggen, dat een van haar ook een touw uit den zak haalt, en dat het voornemen bestaat, daarmee te gaan touwtje springen. Dan heeft 't eerst heel wat voeten in de aarde, eer ze haar keus bepaald heeft, wie al en wie niet mee zal doen. En het versmade Grietje of Sientje legt zich ook niet zwijgend bij die uitspraak neer.
„Sau”, heet het dan, „en werom mag ik nie majdoen? 'k Heb jau gistere toch auk in de kring gekause?”
Of als ze minder logisch aangelegd is: „As je maan nie kiest, dan sal ik ~auk~ es fertelle, wat jaj”..., of „wat jau sussie”.... of iets dergelijks.
De eigenares van het touw aarzelt bij die bedreiging, maar nu smijt Jetje, die tot de uitverkorenen hoort, plots het touw neer: „Dan doen ~ik~ niet maj.” En dan is er ruzie en gekibbel, en gehuil en „'k sal 't lekker an de juffrau segge.” En ondertusschen is 't speelkwartier al voor 't grootste deel om.
Een ander keer hebben ze hun keus misschien wat eerder bepaald, maar nu blijven ze toch zeker steken bij de oplossing van de vraag, wat er gesprongen moet worden. De eene helft verklaart zich voor: „Ajn, twaj, hoesaj!” de andere drenzen om: „Schajpe saale ofer de saj.” En wordt eindelijk na veel gesnib en vinnig gekibbel de knoop doorgehakt, dan kun je er zeker van zijn, dat een stuk of wat nijdig wegloopen: „Jesses naj, de dubbelde, dan doen ik niet maj.” En ook is 't volstrekt geen uitzondering, als ik ze hun gang laat gaan, dat ze nauwelijks of nog niet eens begonnen zijn, als we weer naar binnen moeten.
M'n Immy kan nog maar steeds niet den smaak in dat soort spelen te pakken krijgen. Ze is nooit haantje-de-voorste, daarvoor heeft ze een te zachten aard. Met een paar groote bezorgde kijkers staat ze mee in den kring 't aftellen aan te kijken. Die „af” is, zet dan gewoonlijk een grooten mond op, dat 't „falsch” gegaan is—en ik moet toegeven, meestal wordt er „falsch” afgeteld—en dan beginnen ze weer „over” af te tellen, en soms gaat daar ook 't heele kwartier mee verloren. Verdriet het haar dan al te zeer, dan glipt ze als een aaltje uit den kring en komt haar troost bij mij zoeken. Ze geeft me een arm en begint te babbelen:
„Zal 'k u es wat vertellen? Gistermiddag mocht ik mee naar boven, om te helpen dekken, en toen was Dokter al thuis. En toen vroeg-ie of ik al mooie liedjes leerde op school. En weet u, wat ik toen voor hem gezongen heb? Van: „Als vogels en bloemetjes slapen gaan.” En toen zei hij, dat 't een heel mooi liedje was, en toen mocht ik de mooiste appel van 't dessert uitkiezen.”
En als ik haar dan uit haar zonnig wereldje haal met de woorden: „Waarom speel je nu niet met de andere meisjes mee?” dan drukt ze haar kopje tegen m'n arm als een kleine poes en zegt zachtjes: „Och, ze spelen niks aardig vandaag. Eerst mocht Beppie niet meedoen, omdat ze een kapotte schort voor heeft en 't is maar zoo'n klein scheurtje. En nou Saartje ook weer niet, want ze wil haar dropjes niet uitdeelen. Nou, en ze zegt, dat ze 't niet mag van dr moe, want ze zijn voor de hoest en niet om te snoepen, dat kan ze toch niet helpen?”
* * * * *
Van morgen komt ze verrukt binnen huppelen: „Kijk u nou es juffrouw, kijk es, wat ik om heb?”
Om 't blanke halsje droeg ze een fijn zilveren kettinkje, waaraan een glimmend blauw hartje bengelde.
„Kind”, zeg ik, „wat een prachtige ketting!”
Ze lacht me beschermend toe. „Dat is geen ketting”, zegt ze goedig-terechtwijzend. „Weet u, hoe dat heet? Dat is een colliertje.”
„Zoo, dat wist ik niet. En van wie heb je dat moois wel gekregen?'
„Van m'n oom en tante”. Op een toon, alsof ze zeggen wou: „Dat spreekt toch vanzelf.”
„Nou maar, jij hebt een lieve oom en tante, hoor!”
't Gouden kopje knikte toestemmend. Toen zichzelf bekijkend: „Dit boezelaar heb 'k ook pas gekregen en m'n schoenen”. En de oogen weer naar mij opslaand: „En verleden jaar, toen 'k hier gekomen ben, heb 'k alles nieuw gekregen en ook allemaal nieuw ondergoed”.
En plotseling m'n verbaasd gezicht bemerkend, zong ze met haar hoog stemmetje: „Ik krijg toch alles van oom en tante! Ik woon toch bij ze in huis!”
Ik had er niets van geweten. „En Vader en Moeder dan?” vroeg ik, zoo gewoon als ik maar kon met m'n dichtgeknepen keel.
„Vader is toch dood! En Moeder woont in Den Haag, met Henk en Jan. En als oom en tante naar haar toe gaan, dan mag 'k altijd mee.”
Alles heeft ze me verteld, 'k ben nu geheel op de hoogte. Na Vaders dood heeft zijn broer de weduwe, die met drie jonge kinderen achterbleef, willen helpen. 't Kinderlooze echtpaar wilde wel een der kinderen aannemen, maar, zelf dienstbaar als huisbewaarders, konden ze de twee wilde jongens van 8 en 10 jaar niet hebben; alleen voor lieve, zachte Immy heeft „Dokter” toestemming willen geven. En bedenkend, dat het kind bij oom en tante beter verzorgd is, heeft Moeder, die nu zelf haar brood moet verdienen, afstand gedaan van haar Schattepoes.
* * * * *
Toen is de bel gegaan en we zijn met 't leeren begonnen, Immy vlak voor me op de eerste bank. En 'k heb m'n oogen niet van haar af kunnen houden. Onder 't lezen zat ze kaarsrecht, 't lieve, rose wijsvingertje volgde aandachtig rij na rij de eentonige zwarte letters, 't ronde mondje vormde zoetjes de moeilijke woorden en fluisterde ze zachtjes voor zich heen. Bij 't zingen hield ze de handjes gevouwen, 't vochtige mondje half open, de groote kijkers onafgebroken op mij gevestigd, 't was net een engeltje van een oude schilderij.
Maar 't aandoenlijkst vond ik haar onder 't schrijven, 't gouden kopje ernstig gebogen, zoodat ik 't sneeuwblanke nekje met 't fijne zilveren „colliertje” te zien kreeg, de wonder-mooie handjes op de bank, 't eene in rust op 't schrijfboekje, 't andere dapper voortwerkend aan al die moeilijke op- en neerhalen van zoo'n _m_, en dan nog zoo'n _m_ en dan nog een, een heele rij vol, eer je 't potlood mag neerleggen.
En Moeder, aldoor heb ik aan jou moeten denken. Hoe heb je het gekund? Als ik bedenk, dat ik, de vreemde, de „schooljuffrouw” haar voor geen lief ding hier van de bank zou willen missen, hoe heb jij, de moeder, dan de kracht gehad..... nee, 't is niet eens bij elkaar te vergelijken.
Ik ken je niet, 'k weet niet of je gevoelig of onverschillig, ijverig of gemakzuchtig van aard bent. 'k Hoop haast voor je, dat je een koude egoïste bent, dat je zegt: „Ziezoo, voor dat kind heb 'k tenminste niet meer te zorgen.” Maar 'k weet wel beter, zoo ontaard kun je niet zijn, want je bent Immy's moeder.
Moederliefde denkt niet om zichzelve, is 't wel? En je hebt gedacht: „Ze zal het ginder goed hebben en beter verzorgd worden en ik kan haar niet alles geven, wat ze noodig heeft.” En voor 't welzijn van je kind heb je je opgeofferd.
Moeder, ik bewonder je en ik breng je m'n eerbiedige hulde! Maar dieper dan bewondering en eerbied voel ik toch m'n medelijden. En telkens als ik aan je denk, springen m'n oogen weer vol tranen.
GAASSIE.
Z'n intree was niet bepaald glorierijk.
'k Herinner het me, alsof 't gisteren was. Nog zie ik het holle, vierkante schoollokaal met z'n naakte smakeloosrose gekalkte muren, nog troosteloozer in het vale licht van den grauwen Januari-morgen. Nog voel ik de ijzige door merg en been dringende kilte, die deze ruimte blijkbaar gedurende de Kerstvacantie heeft opgespaard en die zich, ofschoon de Etna-kachel roodgloeiend staat, maar niet zoo in een half uur verjagen laat. En nog kan me hetzelfde gevoel van onmacht bekruipen, als ik bedenk, hoe dan al dat kleine grut bij je binnengebracht wordt, dat z'n aandeel verstandelijke en zedelijke leiding, z'n portie onderwijs en opvoeding van je komt eischen en dat je, om te beginnen, niet eens een behoorlijk verwarmd vertrek voor hun blauwe verkleumde leedjes kunt aanbieden.
Opeens, in de gang, een luid gebrul, als van een varken, dat gekeeld wordt. 't Gebrul zwelt aan, steeds meer en—als je voelt, dat het niet harder meer kàn—verschijnt hij opeens in de deuropening, voortgesleurd door een resolute moeder.
Ze maken tegenwoordig wel van die poppetjes van wollen draad; als ze goed gemaakt zijn, kun je best raden, wat de armen en wat de beenen moeten voorstellen. Bij een arbeiderskind in winterdos is dat altijd niet zoo gemakkelijk uit te maken; gelukkig weten ze het zelf, zoodat je vrij gerust kunt aannemen, dat waar ze op staan, hun voeten zijn en het bovenste stuk hun hoofd bevat. Als zoo'n vormelooze klomp kwam ook 't brullende varkentje naar binnen rollen; 't eenige aan hem, dat „den mensch” deed vermoeden, was z'n „onmenschelijk” geluid en een paar vuurroode knuistjes boven een wijden vierkanten schreeuwmond ergens op een klein plekje, dat per ongeluk open gebleven was tusschen een ruige wollen ijsmuts en een enorme, zes keer om-en-omgewikkelde roodwollen das.
„Ja juffrau, Goasbertus Krnajles. En hier het u se pokkebriefie!” En daarop tegen den brullenden anti-wetenschaps-mensch: „Sa je nau stil wajse! Mo'k 'n smajres hale?” vergezeld van een paar stevige opstoppers, die, misschien wel dank zij z'n meer dan voldoende kleeding even weinig uitwerking hadden als de bedreiging met de gewapende macht.
„Haj wil liefer nie na schaul, siet u”, legde de resolute moeder mij uit, voor 't geval, dat de zaak mij nog niet volkomen helder zou zijn. „Maar 't sal wel wenne, wàt u?” Waarop ze zich omkeerde met een: „Nau, dan gaan 'k maar, om twalef uur kom ik 'm wel hale,” en een gezicht van: „Knap jij dat zaakje nu maar verder op, daar word je voor betaald.”
M'n eerste werk was, Goasbertus Krnajles wat af te pellen, of liever hem te ontdoen van z'n buitensten groven bolster. Dat had al dadelijk een dubbel resultaat: niet alleen kwam er een stevig vierkant kereltje voor den dag met een paar rooie wangen, een brutale wipneus, pientere bruine kijkers en een lekkeren ronden kaasbol, maar ook hield oogenblikkelijk het brullen op. Want nu z'n oogen en z'n ooren vrij kwamen, had ons jongmensch zooveel te zien en te hooren in deze nieuwe omgeving, dat hij heusch tijd te kort kwam, om ook nog z'n misnoegen kenbaar te maken.
Trouwens, dat misnoegen zakte bij de minuut en in minder dan een kwartier waren we de beste vrinden. Hij vertelde, dat hij „Gaassie” heette en z'n „klaane sussie: Jaupie”, dat hij thuis ook nog een „klaan poesie” had, „kaak maar!” waarbij hij z'n beide handen toonde, die vol krabben zaten. En nog zooveel meer had hij me te vertellen, dat het alleen maar jammer was, dat ik m'n aandacht niet bij hem alleen kon bepalen; 'k had mij best met hem geamuseerd. Maar 'k had warempel nog wel iets anders te doen. Dus zette ik hem op z'n plaats en zei, dat hij daar stil moest blijven zitten en z'n mondje houden, dan ging ik nu aan alle kinderen iets vertellen, aan hem ook.
Maar jawel! Nauwelijks had ik mij omgedraaid of ik voelde hem achter aan de slip van m'n schort: „Tante! Haur nau nog's effies!” En daar barstte een lang verward verhaal los, dat niet te remmen of te stuiten was. Tot hij eensklaps het telraam ontdekte en met een stralenden lach op z'n gezicht zichzelf onderbrak: „Wat 'n lollige balletjes! die ke je niet ajte, he? sajkers om fan te lajre!”
Met een zoet lijntje troonde ik hem weer naar z'n plaats en probeerde, mij even met een paar anderen bezig te houden, die m'n hulp en steun nog meer noodig hadden. Maar daar klonk z'n forsch geluid alweer over de klas: „Au kaak es, 'n poes! daar op 't dak an d'auferkant! Haj sit op de mussies te loere; wat 'n kreng, hè? Sa 'k 'm 'n stajn na se kop smajte?”
En zoo ging het dien heelen eersten morgen. Geen oogenblik kwam hij tot rust. Alles wat hij opmerkte, aan mij, aan de andere kinderen, aan 't lokaal, dat alles moest tot uiting komen. Met groote belangstelling informeerde hij naar doel en beteekenis van alles, wat hem nieuw en onbekend was: het bord, het rekenrek, de leesplank, het podium, de mantel om de kachel, het ventilatie-toestel. En onveranderlijk dreunde dan z'n refrein: „Sajkers uk om fan te lajre, he tante?”
* * * * *
Wij „menschen van 't vak” moesten eigenlijk allemaal zelf een hok vol kinderen hebben. Of anders tenminste ergens in huis wonen, waar de kinderzegen groot is. Om eenig begrip van kinderen te krijgen, bedoel ik. Want niemand moet zich verbeelden, dat je dat krijgt, wanneer je ze alleen in hun doen en laten op school meemaakt. Op school draagt ieder kind een masker (behalve misschien de paar eerste dagen), op school gelden andere wetten, wordt onder „deugd” en „ondeugd” heel iets anders verstaan dan in 't gewone leven. En wie dus kinderen alleen kent uit de klas, loopt gevaar, een saai, doodsch, levenloos kind ~werkelijk~ braver te ~vinden~—niet het te zeggen, want dat doen we allemaal wel eens—dan eentje dat vief, levendig en mededeelzaam van aard is. Een kind kan thuis hard en gevoelloos, een despoot voor de jongere broertjes en zusjes—zelfs misschien voor vader en moeder—wezen en op school het „lievelingetje van de juffrouw” worden, alleen omdat het intelligent is en netjes werken en,—bovenal—stil zitten en z'n mond houden kan. En, omgekeerd, komt het maar al te vaak voor, dat moeders hartelap, het gevoeligste, liefste, guitigste ding, bij „de juffrouw op school” maar geen goed kan doen, en dag aan dag thuiskomt met afkeuringen of strafwerk: „Ik mag onder de les niet praten”, of „Ik moet in de bank stil zitten”; liefst tien of vijf-en-twintig keer of eenig veelvoud daarvan. Alsof ooit eenig kind zelfbeheersching kan leeren door 't maken van strafregels!
Maar, om op Gaassie terug te komen, in eenige dagen ontpopte hij zich tot een allerleukst jong—en tot een allerverschrikkelijksten leerling. Had ik hem alleen onder m'n leiding kunnen hebben—had ik een flinken lap grond voor hem beschikbaar gehad, ik zou mij geen idealer leerling hebben kunnen denken. Gezond en schrander, altijd eerlijk en rechtuit, levendig belangstellend in al wat van God geschapen of door menschenhanden gemaakt is, handig en practisch, begiftigd met een goed hart, een opgewekt humeur en en een groote dosis echten onvervalschten volkshumor, wat kan een mensch nog meer verlangen? En wat praat ik van aparte leiding? De jongen was overal op z'n plaats, leerde van alles en van iedereen, wist precies, hoe een chauffeur een auto bestuurt, een hoefsmid een paard beslaat, een melkbezorger de maat afmeet, de wagenbestuurder de tram laat wisselen, de schoenmaker een zool onder een schoen zet en de koekebakkersjongen zes taartedoozen op z'n hoofd balanceert en dan nog kans ziet op en af z'n fiets te komen en de voorbijgangers te molesteeren.
En daarbij was hij ijverig en hulpvaardig genoeg. Zoolang ik hem kon bezighouden met baantjes als kolen halen, banken versjouwen, boodschappen loopen, stapels schriften of leien naar 't berghok brengen,—liefst leien, die zijn zwaarder—had ik heusch geen kind aan hem. „Het u nog wat faur me te doen?” was 't dan, en „Laai u maar op juffrau, 'k bin sterrek! 'k Heb gistere paardeflajsch gegajte!”
Maar in de klas, onder de gewone les! O, laat me daar niet aan denken! Job's geduld en Salomo's wijsheid had je noodig—en dan kwam je er nog niet. Want stilzitten, 't was hem puur onmogelijk, dat beweeglijke kerngezonde jong met z'n ijzersterke spieren en z'n krachtig stroomend bloed. En z'n mond houden—hoe kan een mensch in 's hemelsnaam z'n mond houden, als hij haast overloopt van nieuws, als z'n moeder 's middags aardappels heeft gebakken met een ui „dr daurhajngesnaje”, als er in de „Faaselstraat een hond is auferraje en toe...” 'k zal u de details maar sparen, als er bij ... zulke „faane sakmesse faur de rame legge”, als—waar zou ik eindigen als ik eens werkelijk een lijst wou opmaken van alles, wat zoo'n jeugdig stadsbewoner merkwaardig genoeg vindt, om er zijn gedachten mee bezig te houden en bovendien kennis van te geven aan z'n medemenschen?
En nu doe ik nog net, of z'n toehoorders van hout en steen waren, in plaats van levende wezens, die toch dagelijks ook hun wel en wee hebben en evenmin van hun hart een moordkuil willen maken. En dan, nietwaar, de eene confidentie lokt de andere uit!
't Is het begin van den schooltijd, de kinderen zitten aan hun sommen. Opeens, gegniffel en gelach in den hoek, waar Gaassie zit. Ik kijk op en ontdek z'n linkerschouder en z'n achterhoofd. Hij schudt van de pret en de twee jongens in de bank achter hem, evenzoo. Het heilig boontje naast hem—ik zorgde altijd voor den heiligste der heiligen als z'n buurman—werkt zoet door.
„Gijs!”
Dadelijk keert hij zich om, nog stikkend van 't lachen. „Juffrau, ken dat nou? Jen, die saat, dat...”
„Nee Gijs, ik hoef het niet te weten. Aan je werk!”
Gehoorzaam buigt hij zich over z'n sommen, maar ik weet, dat ik hem in 't oog heb te houden. En geen drie minuten later zit hij dan ook weer „omgedraaid.”
„Gijs!”
Ditmaal kijkt hij schuldbewust. „Ja jfrau” en buigt het zondig hoofd opnieuw voorover.
Maar even later zie ik hem met één been uit z'n bank hangen en met een hoogst ernstig gezicht een nieuwen goocheltoer voordoen aan z'n buurlui links van het gangetje.
„Pak je lei maar op Gijs en ga maar weer bij 't tafeltje staan.”
Het tafeltje is m'n verbeteringsgesticht, de afzondering wil nog wel eens heilzaam werken. Gaassie bezocht deze inrichting dan ook vrij geregeld, met meerder of minder succes. Maar op dagen als deze, als hij al te onrustig is—zeker „paardeflajsch gegajte”—helpt zelfs dit isolement ook niet. Als ik dan ook na, laten we zeggen, vijf minuten voor den vijfden keer naar het tafeltje kijk, is hij weer ontsnapt. Hij staat een heel eind verder, bij de meisjesrij en is blijkbaar in een twistgesprek gewikkeld met een mijner Xantippe's, z'n kop achterover, één elleboog vooruit: „Sig! as je me nau!”
Dit keer hoef ik niets te zeggen: hij voelt m'n blik, kijkt op en druipt af als een geslagen hond.
„Zijn je sommen af, Gijs?”
„Naj jfrau, baana.” Heel penibel en hard voortwerkend.
Dan is het circa half drie. Hoe we zoo'n middag dan om kregen, hoe we allebei tobden, worstelden, ploeterden? Als ik het letterlijk opschreef, ik vrees, dat m'n verhaal zeer eentonig zou worden. En je kunt zoo'n kind ook niet de straat op sturen met een cent om knikkers te koopen en daarmee zichzelf te leeren rekenen in 't plantsoentje vóór de school; dat verbieden de verordeningen en de „paedagogiek.”
Maar als het dan eindelijk vier uur was en je stond met ze in de gang, trillend op je beenen en te moe, om uit je oogen te kijken, dan kwam hij soms opeens berouwvol op je af: „Mauj lastig bin ik femiddag gewajst, hè? Maar u sal 'r es sien, morrege gaan ik effies faan oppasse!” En terwijl de rij afmarcheert, knikt hij me nog eens veelbelovend toe: „Sal u dr es sien!”
Gaassie, Gaassie! Du meine Wonne, o, du mein Schmerz!
JUUDJE.
Enfant, vous êtes l'aube et mon âme est la plaine Qui des plus douces fleurs embaume son haleine Quand vous la respirez.
VICTOR HUGO.
Wat is het toch, dat ons zoo machtig in het kind bekoort, ons zoo onweerstaanbaar tot hem aantrekt, ons steeds opnieuw weer weet te boeien?
Zou 't niet het nieuwe, frissche, ongerepte wezen? Die oogen, zoo helder en klaar, dat velletje zoo zuiver en fluweelig, de tandjes zoo blinkend wit, het haar zoo fijn en zoo glanzig! En meer dan dat alles tezamen, z'n zieltje! Is er iets bekoorlijker, aantrekkelijker, boeiender dan de kinderziel? Iets frisscher, nieuwer, oorspronkelijker?
Het kind volgt nog niet de versleten, platgetrapte paden van ons conventioneele denken, het oordeelt en handelt naar z'n eigen—meest zeer logischen—gedachtengang. En de resultaten zijn steeds belangwekkend, vaak oerkomisch, soms zelfs verrassend!
De wereld bestaat uit ooms en tantes, koekjes en bonbons zijn gratis overal verkrijgbaar, een veldbloempje, een blank kiezelsteentje zijn niet genoeg te waardeeren schatten, een vlechtmatje (liefst rood-met-goud of blauw-met-zilver) is oneindig veel mooier dan Moeder's Perzische kleedje, de hond van den melkboer is een zeer gezien persoon, wiens relatie op hoogen prijs wordt gesteld, met de schillenkar een eindje mee mogen rijden behoort tot de zaligste genoegens, den „IJsco-man” een uurtje helpen, tot de hoogste onderscheidingen.
Zoo zou ik kunnen doorgaan en ieder uwer zou m'n lijst kunnen verrijken met teekenende grappige voorbeelden.
Want elk kind, 't zij dom of schrander, stil of uitbundig, gesloten of mededeelzaam, onbeduidend of geestig—verraadt ons nu en dan door een komisch gezegde 't verrukkelijk-origineele van z'n denken en voelen. Een kind, beroofd van dit echt-kinderlijke, kunnen we ons haast niet voorstellen. 't Zou doen denken aan een lente zonder bloemen, aan een vrucht zonder sap, aan een bosch zonder vogels.
* * * * *
„Judith” las ik op de leerplichtkaart. En voor mijn verbeelding rees een Oostersche prinses met trotsche gebaren en een ongenaakbare houding, met amberkleurige huid en Egyptische oogen, gekleed in kleurige zijde en getooid met gouden sieraden en fonkelende juweelen.
„Juist juffrouw, zoo staat ze ingeschreven, maar wij zeggen altijd maar Juudje.”
Nog met het beeld van m'n Oostersche prinses voor oogen, richtte m'n blik zich op het bleeke, sjofele kindje in haar groenig-zwarten omslagdoek. En ik was blij om die naamsverandering.