Kinderen uit m'n klas

Part 7

Chapter 74,258 wordsPublic domain

Ze liet zich wonderlijk gauw troosten; ze veegde haar oogen af, stak den zakdoek weer op zak en knikte volkomen overtuigd. Och ja, he, snoepe was alle kindere eige, begon ze, en as de kindere 't geld niet versnoepten, dee dr man het zelf, of wat ie dr anders mee uitvoerde, dat wist ze niet, want—opeens haar woede niet meer meester—_zij_ zag dr nooit een cent van. „Me loon ken je krijgen, 't fooiengeld hou ik zelf,” zei die altijd. „En daarom—nu vertrouwelijk—as ik dr wat van noodig heb voor 't huishoue, dan mot ik 't zelf wel neme. En 't was me vanmorge ook niet overkomme, dat 'k die neste van meide de baas heb late spele met die cente, as 'k vannacht niet zoo opgetobd had met het kleintje, want daardoor was 'k een beetje laat op, ziet u. Maar u kan dr gerust op rekene—dit weer met moederlijke waardigheid—dat ze dr portie van me hebbe zalle; 's kijke, of we die streke dr niet uit krijge kenne!”

Weer wisselden we een blik van verstandhouding. „'n Verloren proces,” telegrafeerden onze oogen. En toen stond ik maar op, 'k had er meer dan m'n bekomst van.

Toen ik 't portaal weer overstak, was 't zingen nog in vollen gang. Maar ze zongen nu een ander liedje, 'k ving er net een brokstuk van op:

/P „Waar moeder ons liefdrajk gelajdde aan haar hand, Waar fader ons formde naar hart en verstand.” P/

* * * * *

Meer dan een jaar hield ik de Meijertjes in m'n klas. 't Lijkt misschien niet zoo lang, maar wat ik in dien tijd met ze uitgestaan heb, weet ik zelf nauwelijks meer. Steeds moest ik alles achter slot en grendel houden: 't schoolgeld, de pennen, de potlooden. Alle kinderen waren op hun qui-vive, centen mochten niet op 't tafeltje neergelegd worden, want daarvan was 't eigendomsrecht zoo dadelijk niet te bewijzen. En toch gaf 't ieder oogenblik nog scènes. Hoeveel keer ik ze de zakken vol snoepgoed boven de prullemand liet uitschudden, hoeveel keer ik de gevonden centen met een briefje naar moeder terugstuurde ('t mensch laten komen deden we nooit meer), hoe vaak ik ook een of allebei naar huis moest laten brengen, omdat ze zich onpasselijk gegeten hadden aan al die delicatessen, 'k zou het heusch niet kunnen zeggen. Ook niet, hoeveel klachten er kwamen van de winkeliers uit de buurt, waar ze quasi met een boodschap binnenliepen en dan met aapachtige snelheid 't lekkers van de toonbank gristen. En nooit kon je ze tot een bekentenis brengen, ze zetten dadelijk een vervaarlijke keel op en dreinden, dat ze 't „heusch niet” gedaan hadden en dat 't dan zeker „me sussie” was geweest, wat bij hun groote gelijkenis en eendere kleeding ook werkelijk moeilijk uit te maken was.

Hun armzalige gezichtjes leerde ik op den duur wel uit elkaar, hun nog armzaliger zieltjes echter nooit. 'k Zou niet weten, wie de leugenachtigste, de doortraptste van de twee was. Meestal beraamden ze samen hun plannetjes en speelden elkaar er voor uit, als 't ontdekt werd. Ook als leerling waren ze een ramp in de klas: lui, slordig, babbelziek, onoplettend, zonder liefhebberij of belangstelling voor iets. Ze waren echter niet dom genoeg, om ze te kunnen laten zitten en zoo sleepte ik ze een paar maal mee over.

Tot ze me op een goeien dag kwamen vertellen: „Juffrau, me moe het soo'n rusie gehad met de juffrau van één hoog, en nou gane me lekker verhuise.” En een paar dagen later: „we komme heelemaal in de ..straat te wone en dan gane me hier fan 't school af.”

'k Dorst m'n ooren niet te gelooven, maar 't Hoofd kwam 't mij spoedig bevestigen.

Den laatsten dag brachten ze me hun portret. Daar stonden ze ten voeten uit, in hun mooiste plunje, ter weerszijden van een bloemstuk of een tuinhek of zoo iets.

Toen 'k dien middag thuis kwam, heb ik 't portret nog eens goed bekeken en het toen—wat 'k voor en na dien tijd nooit met het portret van een leerlingetje gedaan heb—in kleine stukjes gescheurd.

En 's avonds bij de thee heb ik op iets heel lekkers getrakteerd.

STEVEN.

„Kijk u 's juffrouw”, hoorde ik opeens Riekje's opgetogen stemmetje achter me, terwijl ik in 't speelkwartier heen en weer drentelde door 't plantsoentje vóór de school. En, omkeerend zag ik haar staan, stralend van trots, met aan de hand een allerliefsten kleinen kerel van een jaar of vier, vijf.

„Da's nou Steefie,” zei ze bij wijze van voorstelling, „niewaar Steef?” En ze trok moederlijk z'n bonten schortje nog wat af en zette z'n rood katoenen flaphoedje recht, terwijl Steefie z'n gaaf, rond kindergezichtje naar mij ophief en me met z'n schrandere donkere kijkers aandachtig bekeek.

„Wel”, zei ik, „wat een flinke jongen ben jij! En mag je al zoo alleen in 't plantsoentje komen spelen?”

„We wone hier vlak bij in de straat”, zei Riekje geruststellend. „Moeder kan 'm zoo van uit 't raam zien. En hij had al zoo lang gedwonge, om ook es hier te magge komme, as wij met de klas hier an 't spele zijn.”

„Nu, dan moet hij ook maar met de groote kinderen meedoen. Neem hem maar mee in de kring, Riek.”

Zielsgelukkig stapte het tweetal heen en nadat m'n meisjes onder elkaar uitgevochten hadden, wie Steefie „aan den anderen kant” een handje mocht geven, werd de kleine vent ingewijd in de geheimen van:

/P „En die vrouw die kiest een kind.” P/

Sinds dien dag kwam hij ons vrij geregeld de eer aandoen en zijn grootste vreugde was, als ik in de handen klapte om mee in de rij te mogen loopen tusschen al de „groote kinderen.” Dan straalden z'n oogen als sterren en hij stapte, alsof 't parade was.

En een enkel keertje, als de „groote deur” al dicht was (de laagste klassen hadden een aparten ingang) en niemand ons dus zag, mocht hij heel eventjes mee naar binnen en naast z'n zusje in de bank zitten. Dan hadden we allemaal evenveel plezier, Steefie, de kinderen en ik, want we wisten allemaal wel, dat 't eigenlijk contrabande was. En dan vond ik altijd nog wel een mooi plaatje of een suikerpepermuntje in de kast en daarna zei ik tegen een van de jongens: „Laat jij 'm zachtjes even de deur uit, maar loop op je teenen, want alle klassen zijn al weer lang aan 't leeren!”

„Ik kom later ook bij u in de klas”, zei Steven altijd met groote beslistheid en dan antwoordde ik: „Da's goed hoor, dat doe je.” En werkelijk wilde het toeval, dat toen hij op school kwam, ik juist m'n klas aan een „meester” moest overgeven en afdaalde naar de kleintjes.

Toen z'n moeder hem kwam brengen en 't Hoofd ons officieel aan elkaar wou voorstellen, moesten we allebei toch wel erg lachen en we schudden elkaar de hand als een paar oude bekenden.

Je kunt je dus al geen beter verstandhouding denken, dan die tusschen kleinen Steven en mij. En 't lijkt misschien ongeloofelijk, als ik nu ga vertellen, dat we haast geen dag vrede met elkaar gehad hebben in al de twee jaar, dat hij bij mij in de klas zat.

Was hij dan zoo ondeugend? Och nee, dat niet; hij kwam uit een knap, ordelijk gezin en had geen bizondere fouten of gebreken.

Te dom misschien? Was hij dat maar geweest! Met domme kinderen heb ik altijd heel veel geduld en als ze dan niet afgeblaft en -gesnauwd worden, zijn ze je zoo dankbaar, dat ze zich meestal bizonder aan je hechten.

Nee, juist het omgekeerde was 't geval—Steven was te knap!

* * * * *

Een van de vele nadeelen van 't klassikale onderwijs—ongetwijfeld heeft het ook veel voordeelen—bestaat hierin, dat je dezelfde leerstof behandelen moet met veertig kinderen van zeer verschillende aanleg en ontwikkeling. Je voelt je ongeveer als een moeder, die acht kinderen heeft, waarvan 't oudste vijftien jaar en 't jongste drie maanden is en die voor allen samen maar één gerecht mag koken. Al gebruikt ze nu nog zooveel overleg, toch zal 't onvermijdelijke gevolg wezen, dat de oudste met honger van tafel gaat en dat 't kleintje zich een indigestie eet. En een dergelijk proces voltrekt zich dag aan dag in onze scholen. Als ik iets nieuws ga leeren, b.v. een nieuwe letter bij 't lezen, of een nieuw „geval” bij 't rekenen, dan zijn er altijd een stuk of wat, die 't van te voren al weten, na vijf minuten zijn de tien schrandersten er achter, na een kwartier zoowat drie kwart van de klas, en als 't halve uur om is, blijven er nog een stuk of vijf over voor wie 't dan nog pikzwarte nacht is. Zoo ben je den heelen dag bezig met de middelmatigen en de dommerts en voor de flinken schiet er nauwelijks tijd en aandacht over. Die leeren 't toch wel, denk je dan.

Den eersten dag vertrouwde kleine Steven mij al toe: „Lezen kan ik al een beetje en rekenen tot honderd.” 't Was of hij zeggen wou: „je zult niet al te veel werk met mij hebben.”

Ik zei, dat ik dat prachtig vond, en nam het niet al te zwaar. Kinderen komen zoo vaak met zulke verhalen en dan is 't al mooi, als ze „hun eigen letter” en „die van Vader en Moeder” kennen en als ze kunnen ~tellen~ tot honderd. Maar vraag je ze: hoeveel is vijf en drie, dan staan ze met den mond vol tanden. En dat is maar gelukkig ook, want op onze volksschool is 't eerste halfjaar gewijd aan de getallen tot 10, in 't tweede brengen ze 't tot twintig, het derde halfjaar leer je ze optellen en aftrekken tot honderd en in 't vierde komen de tafels en de deelsommetjes aan de beurt. Zoo breng je dus volle twee jaar zoek, met wat Steven—'k merkte na korten tijd met schrik, dat hij waarheid had gesproken—al ten naastenbij wist, toen hij op school kwam.

Met lezen was 't al net zoo: hij kende eenige letters en leerde zich zelf de andere van opschriften, naambordjes, winkel-étalages, of zelfs uit de krant. Wist hij van een woord maar een of twee letters, dan vroeg hij aan z'n zusje b.v. „Wat staat daar?” en vond dan zelf uit, uit welke andere letters het woord bestond. Met die nieuwe letters was hij dan weer in staat, andere woorden te ontcijferen, en zoo hadden al die vreemde figuurtjes in korten tijd voor hem geen geheimen meer. Druk- of schrijf-, gewone of hoofdletters, hij las ze alle met evenveel gemak. En had hij 't moeilijkste woord maar ééns goed aangekeken, dan had hij de spelling ervan ook meteen in zijn schrander brein opgenomen. Zoo verraste hij mij een der eerste weken, toen 'k de klas woordjes op de lei liet schrijven naar eigen keuze, met in plaats van de traditioneele serie: aap, oom, roos enz., een collectie drie- en vier-lettergrepige woorden neer te schrijven, zooals: WETERINGSCHANS, VARKENSSLAGERIJ enz., alle in Hoofd-drukletters! En al die woorden kon hij lezen en hij wist precies waar hij ze had zien staan!

Als men nu weet, dat we in die laagste klassen heelen dag niets anders doen dan lezen, rekenen en „woordjes maken,” met tot afwisseling wat schrijven, teekenen en zingen, dan kan ieder begrijpen, dat m'n arme Steven zich niet verzadigen kon aan het rantsoen geestelijk voedsel, dat de school hem bood. Z'n geest leed dag in, dag uit geeuwhonger en 't was me, of ik 't verwijt in z'n blik las: „Mensch, dat weet ik toch allemaal al lang! Waarom kom je me er dan telkens weer mee vervelen? Vertel me toch eindelijk eens wat nieuws.”

Ik raadpleegde het Hoofd, of we hem niet in een hoogere klas konden plaatsen. Maar die ontraadde 't sterk. „In de derde, vierde klas is hij al evenmin op z'n plaats,” zei hij. En in een paar maanden schiet hij die kinderen toch ook voorbij. Bovendien hoort hij, wat z'n leeftijd betreft, toch niet tusschen die grooteren. We zullen liever eens met de ouders praten, of ze hem niet op een duurdere school willen doen, waar 't leerplan wat uitgebreider is en 't leeren toch altijd iets vlugger opschiet.”

Toen moeder kwam, was ze uiterst verbaasd. Wat! de school waar Riekje zoo „lief” leerde, zou voor Steven niet deugen? En ze was nogal zoo blij geweest, dat Steefie hier ook geplaatst was en dezelfde juffrouw had getroffen, die Riekje zulke mooie liedjes en zoo aardig schrijven had geleerd! Ja, dr man en zij hadden ook wel gemerkt, dat de jongen erg „bijdehand” was en ze hadden er al over gepraat, of hij later niet wat verder zou kunnen leeren, als hij van school kwam. Maar nu al op een andere school! En 't kind boven z'n stand opbrengen! Ze wist niet, of dr man daar wel voor te vinden zou zijn. Maar ze zou er nog wel eens met 'm over praten, en ze zou 'm alles vertellen, wat meneer gezegd had.

Daar bleef het bij en ik hield Steven in m'n klas. 't Kind werd knorrig en onvriendelijk, ongehoorzaam en wat ze met een schoolterm noemen „onoplettend.” Terwijl de klas en ik ons verdiepten in 't mysterie van: een haak—tien ha-ken, een raam—vier ra-men, bouwde hij een spoorbrug van griffels en potlooden, of trachtte uit te vinden, onder welke helling je een sponsedoos op de bank kunt plaatsen, eer hij met kletterend geraas over den planken vloer komt rollen. En als ik dan heel ingespannen met de klas bezig was, wist ik er wel eens geen anderen weg op,—'k weet nog niet, of ik er om lachen of huilen moet—dan hem eens een kwartiertje „voor straf” in den hoek te zetten. Daar stond hij dan en beschouwde misschien de constructie van z'n schoenen, of mogelijk wel van het schoollokaal, of anders die van het spinneweb, dat boven z'n neusje hing. Hij zal er zich in ieder geval wel iets geleerd hebben en die gedachte was ook nog m'n eenige troost.

Een enkele maal kon ik wel eens iets vertellen, dat ook hem interesseerde, bv. als er in de leeslesjes sprake was van maaien, hooien, dorschen of zoo iets en ik de kinderen daar in een paar zinnen iets van uitlegde. Of als het eens te pas kwam en ik in 't kort vertelde waar thee en koffie, rijst of katoen vandaan komt. Dan keek hij me de woorden haast uit den mond en wist het me natuurlijk den volgenden keer haarfijn terug te vertellen. En, o ja, dan was er nog een les....

Zoo 's middags tegen half vier, als we al gelezen en geteekend of een taallesje geschreven en sommetjes gemaakt hebben, dan kijk ik wel eens, of er voor 't laatste leervak niet: „Taal (vert.)” op 't lesrooster staat. En als 't er ~niet~ op staat, dan—schoolopzieners en inspecteurs zullen toch deze verhaaltjes niet lezen en jonge studeerende onderwijzers hebben er gelukkig geen tijd voor, want 't is een ernstige zonde, om van 't lesrooster af te wijken en ik zou ze niet graag op 't verkeerde pad brengen—dan doe ik maar net, of 't er ~wel~ op stond. Vooral 's winters, als 't licht al aangestoken is en m'n ziel altijd een beetje in opstand komt tegen „nachtarbeid” voor zulke peuters en ik niet meer van ze eischen wil, dat ze dan nog zich ernstig inspannen om „mooi” te schrijven, alle letters even ver van elkaar en alle „pootjes” even schuin en even dik!

Als dan de lees- of teekenboekjes weggeborgen zijn, en de klas is zoo ongemerkt aan 't babbelen en roezen gegeslagen, in afwachting van 't bekende tikje, dat ze weer tot de orde moet roepen, dan heb ik er ieder keer weer m'n aardigheid in, om 't zelfde trucje uit te halen. Ik ga op m'n dooie gemak op m'n hoogen stoel voor de klas zitten, de armen over mekaar, en staar, als in gedachten verzonken, voor mij uit. 't Is of ik de heele klas en alles om mij heen vergeten ben. Of 't kan ook beteekenen: „Ziezoo, 't wachten is nu maar op jullie”.

In minder dan tijd heeft er een mij in 't oog gekregen en 't is, of er een electrische schok door zoo'n kind gaat. Als door een veer gespannen, strekt het den rug, 't zet de voeten netjes naast elkaar op de plank, vouwt de handen aan den rand en gaat me zitten aankijken. In een oogenblik zitten er zoo drie, acht, twintig. De overige hebben nog geen erg, babbelen en spelen door. Dan gaan ze wenken, fluisteren, naar mij wijzen met waarschuwende blikken: „Zeg, kijk dan, mooi zitten, de juffrouw gaat vertellen!” Een enkele, die 't nog maar niet begrijpen wil, krijgt een goedbedoelde por: „Toe dan suffert!”

En ik zit maar voor mij uit te kijken en zie en hoor er niets van. Eindelijk zitten ze allemaal als geschilderd, met groote bedelende oogen. En dan ontwaak ik uit m'n gepeins: „Nee maar, wat zitten jullie mooi! Wat is er aan de hand?”

Dan hebben ze erge pret. „U gaat toch vertellen!” Maar ik houd me onnoozel. „Hoe weten jullie dat?”

Meestal komt er dan iets van: „Nou, dat kenne we zien”. En een enkel keer roept er een: „Omdat u zoo ging zitten”, of „U zat al een verhaaltje te bedenken!” En dan laat ik me vermurwen en zeg: „Nou, luister dan maar,” en ik steek van wal.

Concurrentie of critiek heb ik niet te duchten, hooge entreeprijzen zijn er niet betaald en dus vinden ze 't gelukkig altijd „mooi.”

Een sprookje of een realistische vertelling, een antiek of een modern verhaal, een treurspel of een lachsucces, ze slikken 't met evenveel graagte en als 't uit is, zuchten ze diep en zeggen: „he!” van voldoening. En als de bel gaat en ik houd plotseling op en zeg: „ja, nu moeten jullie naar huis”, dan trappelen ze van ongeduld: „he juffrouw vertelt u 't dan eventjes uit, he toe juffrouw, gauw dan even!”

En dit was ook het eenige leervak, waarmee ik m'n Steven nog kon boeien. Dan zat hij onafgebroken naar mij te kijken in gespannen aandacht, de mond stijf dichtgeperst, de ellebogen op tafel, de wenkbrauwen tot een accolade vertrokken boven de felle oogen.

't Leek wel, of hij zeggen wilde: „Zie je, je hoeft niet altijd zoo vervelend te wezen, je kunt ook wel mooie dingen vertellen. Als je maar wou, dan zou je me best een boel prettige dingen kunnen leeren.”

Maar den volgenden dag begon 't zelfde lieve leventje weer van voren af: lezen, rekenen, een taallesje. En dan had hij 't in minder dan geen tijd af en kon de lesjes droomen en 'k wed van voor naar achter en van achter naar voor uit 't hoofd opzeggen. En dan verveelde hij zich en z'n geest leed weer honger!

Arme Steven, 't was een verdriet, maar voor mij even goed als voor jou. Voor mij was 't ook niet prettig, je daar te zien zitten, te weten wat je noodig hadt en 't je niet te mogen geven. Vaak heb ik gedacht: „He, zoo'n jongen privaatles te geven!”

Dan had ik hem eens wat anders laten proeven, dan 't dunne watersoepje, dat ik dag aan dag in de klas oplepelde!

Maar toch, de vreugde was kort geweest. Want 'k vrees m'n jongen, dat je in korten tijd m'n geestelijke voorraadschuur geheel uitgeput zoudt hebben, en ik je aan knapper koppen had moeten toevertrouwen, om je onverzadiglijken honger naar kennis verder te stillen!

IMMETJE.

'k Moet er den heelen dag aan denken, telkens schiet het me opnieuw in de gedachte. En dan vraag ik me af: Wat zou jij gedaan hebben? Had jij dat ook kunnen doen? en is het ten slotte zoo wel het beste?

En telkens rijst er een nieuwe vraag. Maar ik kan geen van alle beantwoorden.

* * * * *

Ze zit nu al een paar maanden bij me in de klas, vlak vooraan op de eerste bank. Daar had ik haar den eersten morgen gezet, omdat ze er zoo frisch en proper uitzag in haar licht flanellen jurkje en heldere, stijf gestreken boezelaar. 't Glanzende goudblonde haar was in twee stevige vlechtjes verdeeld, met een vroolijk rood strikje er om. 't Heele kindje zag er zoo smakelijk en welverzorgd uit, dat ik mij er voorloopig maar op trakteerde, haar vlak vóór mij te hebben. En dienzelfden morgen gaf zij mij ook nog een extra verrassing.

'k Liet ze allemaal de handjes opsteken, om de zindelijkheid te inspecteeren. Eerst van binnen en toen van buiten. En 'k vertelde ze, dat ik dat nu voortaan elken morgen en elken middag zou doen. Want dat is een vaste gewoonte van mij. Doordat ze geregeld gecontroleerd worden, wennen de kinderen er aan, voor 't naar school gaan, de handen te wasschen, de smeerpoesen stuur je naar de kraan, ze al of niet bestraffend en de leerboekjes blijven aanmerkelijk langer schoon. Bovendien, al heeft het niets met het principe te maken, is 't me telkens weer een genot, 't bekijken van die veertig paar kinderhandjes.

Wat me er zoo in bekoort, zou 'k niet precies onder woorden kunnen brengen, maar er zit een groote charme in al die verschillende soorten handjes, de grove naast de fijne, de mollige en de magere, de forsche en de tengere, de blanke en de bruine; al die opgeheven handjes met hun uitgespreide vingertjes, ze zijn in hun soort even mooi en aantrekkelijk. En terwijl ik met speurdersblik als een nijdige politieagent door de rijen loop, heb ik alle moeite m'n gezicht in die barsche plooi te houden en niet hier hier en daar zoo'n snoeperig handje te streelen en te knuffelen. En 'k zou die verkwikking voor oog en hart aan 't begin van elken schooltijd niet graag willen missen.

Maar toch, hoe zeer ik in dit opzicht verwend ben, toch kreeg ik dien morgen een schok toen haar handjes omhoog gingen. En nog iederen dag opnieuw sta ik er stil naar te kijken en begrijp nog maar niet, waarom die handjes zoo roerend mooi zijn. 'k Ben geen schilder of beeldhouwer en weet niet, waarin de bizondere schoonheid schuilt, 'k zie alleen een paar kleine, sierlijke rose handjes met onbewust-bevallige gebaartjes en, 't zij in rust of in beweging, in iedere houding verheugen ze mij door hun schoonheid en poëzie.

Nu ik zoo uitweid over haar uiterlijke bekoorlijkheid, lijkt het haast, of die alleen me getroffen heeft dien eersten dag. Maar ik kreeg ook een klein tipje opgelicht van den sluier, die haar veel bekoorlijker innerlijk nog voor mij verborg.

„Immetje” stond ze op de lijst. 't Was een naam, dien ik niet kende en 'k deed m'n traditioneele vraag: „En wat zegt moeder tegen je?”

Ze hief 't ronde kopje op en 't hooge stemmetje zong: „Immy.” En 't leek me opeens de liefste naam, die je zoo'n klein blondje geven kunt. Maar blijkbaar vond ze haar antwoord nog niet volledig genoeg en met een vertrouwelijken blik in haar lieve kijkers ging zij verder: „En als 'k heel zoet ben, dan zegt ze Schattepoes.”

Wie na een dergelijke confidentie van zoo'n pop haar niet dadelijk een klein plaatsje in z'n hart inruimt, moet toch wel heelemaal van steen wezen, dunkt me.

* * * * *

En zoo zit ze nu al een maand of drie op haar plaatsje in de voorste bank en is m'n dagelijksche vreugde. Als onderwijzeres kan ik 't eigenlijk niet goed praten, dat 'k haar die plaats laat houden, want ze is een van de ordelijkste, rustigste leerlingen en daarbij heel schrander en die hoor je op de achterste banken te zetten, of, als ze daarvoor te klein zijn, dan in een van de buitenste rijen, terwijl je zoo'n daaldersplaatsje vlak vóór je hoort te reserveeren voor den grootsten droomer of den ergsten woelwater. Maar tot nu toe heb 'k nog geen afstand kunnen doen van 't plezier, haar dicht bij me te hebben, want moeder heeft gelijk: als ze zoet is, is ze een schattepoes, en ze is altijd zoet. Ze heeft het natuurlijk aanvallige van een jong poesje, al wat ze zegt, komt er even innemend uit. En ze kan zulke grappige dingen zeggen!

Verleden week stak ze onder 't lezen opeens haar rose vingertje op en verraste me met de verbazingwekkende mededeeling: „Juffrouw, wij hebben thuis een boek en daar staan al de letters in van hier op school.”

Blijkbaar verkeerde ze in de meening, dat die letters een speciale uitvinding van mij zijn en dat ik ze haar en de andere kinderen alleen leer uit tijdverdrijf, om den langen dag op school om te krijgen.

Dezer dagen zat ik voor schooltijd schrijfvoorbeelden in de boekjes voor te schrijven. Immy stond met beide armpjes op 't tafeltje geleund en hield me gezelschap. Voor me stond een bakje viooltjes. Zij bekeek ze aandachtig, toen begon 't hooge stemmetje te zingen: „Mooi zijn ze, he juffrouw, net fluweel. Maar ze ~zijn~ toch niet van fluweel, is het wel?” En heel teer streek haar sierlijk vingertje over de donzen bloemblaadjes.

Toen opeens kwam 't er schuchter en geheimzinnig uit: „Waarvan zijn ze dan eigenlijk ~wel~ gemaakt juffrouw?”

En toen 'k eerlijk bekende, dat 'k dat ook niet wist, keek ze me wat ongeloovig aan en zei berustend: „Als 'k later groot ben en in zoo'n hooge klas zit, dan zal ik het nog wel leeren, he?”